Toelichting en Verweer
TEN GELEIDE
In het Hervormingsnummer van ons blad publiceerden wij het veelbesproken Getuigenis. Hieronder laten wij nu de rede volgen, die prof. dr. G. C. van Niftrik, kerkelijk hoogleraar te Amsterdam, als adviserend lid van de Synode op woensdag 17 november j.1. gehouden heeft ter inleiding van de besprekingen over het Getuigenis in de vergadering van de Synode. Deze rede was bedoeld als nadere toelichting op het Getuigenis-zelf èn als verweer tegen de kritiek, die van verschillende kanten op dit Getuigenis is geleverd. Daarom plaatsten wij boven dit stuk de titel Toelichting en Verweer. Terwille van diegenen onder onze lezers, die hieraan behoefte hebben, hebben wij aan verschillende vreemde woorden tussen haakjes een verklaring toegevoegd, waarvoor wij zelf verantwoordelijk zijn, en waarvoor prof. Van Niftrik dus geen enkele verantwoordelijkheid draagt. In ieder geval hopen wij. dat wij sommige lezers hiermee een dienst hebben bewezen. Willen onze lezers zowel het Hervormingsnummer als dit nummer van ons blad bewaren met het oog op de bespreking van het Getuigenis in de eerstvolgende samenkomst van onze Vriendenkring. Met de voorbereiding van een conferentie zijn wij namelijk reeds druk bezig! Van harte hopen en vertrouwen wij, dat U zich met grote aandacht en ernst zult verdiepen in de hoogstbelangrijke rede van prof. Van Niftrik, die thans in gedrukte vorm vóór U ligt.
D. VAN HEYST
Wat ik hier vanmorgen ter inleiding op dte discussie in de Synode naar voren ga brengen, heeft de volledige instemming van de eerste zes ondertekenaars van het Getuigenis en is door onderlinge bespreking en correctie tot stand gekomen. Wij, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het Getuigenis, zijn hier in uw midden aanwezig als zes verbaasde mensen. Verbaasd over de uitwerking van en de reacties op het Getuigenis tot op dit ogenblik. Verbaasd over de grote instemming, die dit Getuigenis heeft gevonden bij duizenden en duizenden gemeenteleden, om niet te zeggen bij tienduizenden. Verbaasd over de bewijzen van instemming van Christelijk-Gereformeerde, Vrijgemaakt-Gereformeerde en van Rooms-Katholieke zijde. Verbaasd over de afzijdigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland, van wie wij eerder instemming hadden verwacht dan van Christelijk-Gereformeerde of Rooms-Katholieke zijde. Verbaasd ook over de felle bestrijding, die de grenzen van het fatsoen meer dan eens te buiten ging. Zou men niet verbaasd zijn, als men van een leidende figuur in de Hervormde Kerk te horen krijgt, dat het Getuigenis wat opgeklopt schuim is, waaraan de gemeenteleden zich te barsten zullen vreten? Verbaasd ook zijn wij over de talloze betuigingen van dankbaarheid voor dit stuk. Verbaasd over de instemming van een vrijzinnige als prof. Bleeker van Amsterdam, die het 'een goed en nodig geluid' noemt. Maar het meest verbaasd zijn wij eigenlijk over het feit, dat velen vinden, dat wij een overdreven en overtrokken beeld van de prediking in en buiten de Hervormde Kerk tekenen. Ineens is er blijkbaar niets aan de hand in de Hervormde Kerk en in de andere kerken. Volgens prof. Knetsch in Groningen zijn er niet meer dan zo ongeveer 50 Hervormde theologen, die aan de beschrijving van het Getuigenis zouden beantwoorden, maar volgens Trouw van 13 nov. zijn het er 300. Waartegen waarschuwen deze mensen uit de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging eigenlijk? De gesignaleerde gevaren, afwijkingen en ketterijen bestaan in Nederland nauwelijks! Wat schijnt het goed te gaan in de kerken! Noem namen! roept men ons dreigend toe. Als wij dat gedaan hadden, had men ons van ketter-jagerij beschuldigd! Het bemoedigende van de felle bestrijding is o.i., dat niemand blijkbaar het beeld van het Getuigenis wil vertonen.
Het schijnt nodig te zijn ter inleiding op de discussie de bedoeling en de inhoud van het Getuigenis nader toe te lichten.
1. De bedoeling van ons Getuigenis is in de eerste plaats de actualiteit van het oude belijden in het licht te stellen. Wij beroepen ons bij ons verzet tegen de verpolitisering van de prediking op Schrift en belijdenis. Daardoor gebruiken wij ook een bepaald taaieigen — of. om het modern te zeggen, bewegen wij ons op een bepaald taalveld. Het belijden heeft een eigen taaieigen. Niet aarzelend, niet heen en weer zich bewegend, maar beslist. Dat wijst niet naar onze eigen wijsheid, gelijk sommigen menen, maar naar de zekerheid van het belijden. 2. Wij keren ons tegen een wetticisme, dat aan mondige gemeenteleden eenvoudig wil opleggen hoe zij te denken hebben inzake Angola en Zuid-Afrika. In de brief van een aantal zeer vooraanstaande Hervormde theologen wordt mij de brief van Earth aan 'Kern anderes Evan-gelium' voorgehouden, waardoor mij duidelijk moet worden gemaakt dat, als ik met betrekking tot Vietnam, Angola, Zuid-Afrika, enz., enz. niet een bepaald en voorgeschreven standpunt mneem, mijn hele beroep op Schrift en belijdenis een vorm van farizeisme is. De Hollandse theologen hebben de lijst van Barth nog wat aangevuld om helemaal actueel te zijn. Men heeft het Getuigenis goed begrepen, wanneer men erin leest, dat degenen die erachter staan, er in de verste verte niet aan denken zich op déze wijze de wet te laten stellen. Zélfs niet door Barth. Het kost mij nogal wat moeite om dit te zeggen, maar ik doe het nochtans. Onder de duizenden die achter het Getuigenis staan, zullen er zeker meerderen zijn die over Vietnam, Angola, Zuid-Afrika precies zó denken als Barth en de Hollandse hoogleraren en predikanten, die mij het theologisch-politieke mes op de keel willen zetten: 'Fresz, Vogel, oder verdirb!' Op politiek gebied zul je dit belijden, of anders houden we je Getuigenis voor muggenzifterij en farizeïsme! Onder deze geestelijke terreur zullen wij ons niet buigen. En de mondige gemeente ook niet. Zijn de aanvallen op ons Getuigenis misschien daarom zo fel, zo agressief, zo beledigend, omdat men achter dit Getuigenis een gemeente weet te staan, die deze politieke betutteling ook meer dan moe is?! Zelfs als wij het met verschillende punten in de brief van Barth, aangevuld door de Nederlanders, eens waren, dezelfde politieke beslissing hadden genomen, zouden wij de inwilliging hunner politieke eisen onmogelijk als onlosmakelijk verbonden aan het christelijk geloof kunnen erkennen. Daartoe ligt het ideologische karakter er te duimendik op. Er wordt heel wat genoemd. Maar over de discriminatie van de Joden in Rusland wordt niets gezegd. Over het conflict in het Midden-Oosten wordt niets gezegd. Over Oost- en West-Pakistan en India wordt niets gezegd. Politieke beslissingen schijnen tegenwoordig alleen dan christelijk te zijn, als zij anti-kapitalistisch en anti-Amerikaans uitvallen. Wij roepen de Synode op, het wetticisme, de ideologisering en verpolitisering van de evangelieverkondiging te weerstaan. 3. In de derde plaats wilden wij een aangevoch
3. In de derde plaats wilden wij een aangevochten, mismoedig wordende gemeente een hart onder de riem steken. Heeft nog nooit iemand in de Hervormde Kerk horen zeggen, dat men tegenwoordig vaak stenen voor brood krijgt in de prediking? Is dat ook weer een overtrokken beeld? Zien wij spoken? Onze bestrijders zeggen: Das liebe Vaterland kann ruhig sein! Nu, wij zijn niét rustig. Zeker niet over de prediking. In mijn jonge jaren was het leerstellig gedeelte van de preek vóór de middenzang erg lang en de toepassing na de middenzang erg kort. Thans zijn er dikwijls preken, die helemaal toepassing zijn — en dan ook nog politiek-maatschappijkritische toepassing. Het zal wel weer overtrokken zijn, maar ik hoorde hoe een vrouw vertelde haar man na lange tijd weer eens mee naar de kerk te hebben kunnen krijgen. Na afloop zei hij, dat hij het een aardig verhaal had gevonden. Zijn vakbondsleider had ongeveer hetzelfde kunnen zeggen, maar dan deskundiger. Het onbehagen over en de onvrede met de prediking in de gemeente bestaan o.i. hierin, dat men tot de toepassing overgaat zonder te vertellen wat men toepast. Anders gezegd: dat men het over de toekomst heeft, een open toekomst, de toekomst van een leefbare wereld, zonder over het verleden van Gods grote daden te spreken. Er valt een zwijgen als het over de centrale hoofdpunten van de dogmatiek gaat. De vergeving van zonden, de delging der schuld, bekering en wedergeboorte, eeuwig leven, — dat hebben ze al zo lang gehoord, dat wéten ze nu wel, nu gaan wij tot de toepassing over.
In ons Getuigenis hebben wij, als antwoord op de concrete situatie, de gemeente, het kerkvolk, willen bemoedigen en versterken door hen te wijzen op enkele punten in Schrift en belijdenis, die onder ons nog steeds volkomen zekerheid hebben. Wij hebben dat gedaan in het taaieigen van de gereformeerde belijdenissen. Wij zien eigenlijk niet wat een Synode, die wandelt op de weg van het belijden der Kerk. tegen onze zeven punten kan inbrengen! Wij verwachten dan ook van u, niet dat u adhaesie betuigt aan ons geschrift, maar dat u deze zeven punten als onderdeel van het belijden der Kerk erkent. Wij geven zelfs niet eens toe — hoe vaak men ons dat reeds heeft voorgehouden — dat ons Getuigenis eenzijdig is. De andere zijde staat er bij elk der punten bij. Maar als in de Kerk één bepaalde zijde steeds nadrukkelijk wordt beklemtoond, — is het dan niet gebiedend noodzakelijk het accent te leggen op de andere zijde? Laat ik één voorbeeld noemen. Men heeft bij punt VII het verbond gemist. Alles individualisme! Nu kan men van ons geloven, dat wij óók van het verbond hebben gehoord. Het ging ons bij punt VII helemaal niet om de wisselwerking van verbond en enkeling. Het ging ons om het evangelische recht van de enkeling om persoonlijk aangesproken te worden door de belofte en de eis van het Woord Gods, dat hèm persoonlijk aangaat. Het ging ons daarom, omdat wij vrezen, dat de enkeling tegenwoordig alleen nog maar in zijn maatschappelijke en sociale verbanden wordt gezien. Het ging erom tegenover de verandering van structuren de bekering van de enkeling te plaatsen. Het ging erom te betuigen, dat de zonde niet zit in structuren, maar in het menselijk hart. Het ging dus helemaal niet om het verbond in dit verband. Ons Getuigenis is bepaald door de actuele situatie.
Het gaat niet om een volledige belijdenis. Het gaat om het belijden van die punten, die in de concrete situatie uiterst actueel zijn. Juist door een beroep te doen op de oude belijdenis bij de bespreking van de concrete situatie in kerlt en theologie, meenden wij duidelijk te kunnen maken hoe actueel die belijdenis nog is. Dan is het naar, van dr. Buskes te horen te krijgen, dat wij met stukken leer rondstrooien. Wij dachten met deze zeven punten de actualiteit der belijdenis te hebben aangetoond. Mag ik nu even de zeven punten met u doornemen?
Ik kan mij alleen maar verbazen over het verzet tegen de eerste stelling. Immers, wat daar gezegd wordt staat precies zó te lezen in de Kirchliche Dogmatik van Karl Barth. Men leze in K.D. IV/2 de bladzijden 901—905. Op die bladzijden wordt met de grootste nadruk gewaarschuwd tegen de identificatie (vereenzelviging) van de liefde tot God en tot Christus met de liefde tot de naaste. Telkens weer zegt Barth, dat de liefde tot God en de liefde tot de naaste niet van elkander te scheiden zijn, m.aar 'het zal toch wel noch toevallig noch zinloos zijn, dat het gebod om God lief te hebben. Mare. 12 : 29 v. en par., het éérste gebod wordt genoemd' (K.D. IV/2, 903). Zonder liefde tot God is er geen gehoorzaamheid aan Hem; zonder liefde tot Jezus ook geen navolging. Men kan nu eenmaal niet voorbijgaan aan het verhaal van de zalving van Jezus te Bethanië. Waartoe dit verlies? De zalf had beter verkocht kunnen worden en de opbrengst onder de armen verdeeld. De liefde tot God wórdt niet eerst in de gestalte van de naastenliefde reëel. De liefde tot God heeft een eigene en bijzondere gestalte. De bron van de liefde tot God is de mogelijkheid voor de stromende rivier der naastenliefde. Als men die bron verwaarloost, staat men straks bij uitgedroogde rivierbeddingen. Dit wordt allemaal door Barth gezegd, zoals ik achteraf ontdekte. Welnu, dat is precies wat wij bij punt 1 hebben willen zeggen. Daarbij maakten wij ons tot tolk der gemeente, die gij toch waarlijk wel eens hebt horen zeggen, dat zij even koud de kerk weer uitkomt als zij er binnen is gegaan. Nog harder uitgedrukt: zij meent stenen voor brood te krijgen. En dat komt, omdat de huidige prediking over het algemeen vreselijk bang is voor piëtistische smetten. Maar Barth is daarvoor minder benauwd. Barth zegt, dat je beter met Zinzendorf en Novalis in deze richting een beetje overdrijven kunt dan met Kant en Ritschl en Bultmann tien keer gelijk te hebben, terwijl men in het midden een zone van zwijgen schept. Men veronderstelt te gemakkelijk, dat het daar wel in orde zal zijn. Nü komt het er op aan, die liefde tot God geloofwaardig te maken door daden. De liefde tot God dreigt al-leen maar als vooronderstelling voor het christelijk handelen naar de periferie, de rand, geschoven te worden. Weer een uiting van Barth, nu in K.D. 1/2 S. 449. Hoe zit het? roept Barth uit. Heeft Maria het goede deel gekozen of Martha? In het midden van het christelijk geloof brandt een vuur, en dat brandende vuur van liefde tot God en Zijn Christus wordt in zijn hitte niet gevoeld, als de gemeente maar steeds weer wordt voorgehouden wat er allemaal te dóen is. Ik zeg niet, dat bij zulke predikers het vuur der liefde tot God en Zijn Christus ontbreekt. Wij beweren alleen, dat het te veel als vanzelfsprekende vooronderstelling voor het christelijk handelen wordt beschouwd, zodat men, zwijgende over de vooronderstelling, tot het eigenlijke komen kan, namelijk de christelijke daad. Over dit zwijgen beklaagt de gemeente zich. Ons Getuigenis roept ertoe op, dit zwijgen te doorbreken, 'k Heb Jezus lief, Hij is mijn licht en kracht! Ons Getuigenis wil bewerken, zo het mogelijk is, dat men de liefde tot God en tot Christus in prediking en liturgie erkenne als van eigen rechte. Het gaat in de prediking niet om het 'Du solist' (je moet) van Kant en niet om Ritschl's moralisme van het Koninkrijk Gods als de samenvatting van alle religieus-zedelijke einddoelen, maar om de verkondiging van de rijke liefde Gods, die mensen blij maakt en zelfs in verrukking kan brengen, zodat ze gaan zingen van Gods goedertierenheid, en daarvoor dan ook de tijd nemen, zonder zich te haasten om op tijd te zijn voor een volgende betoging. Ons eerste punt beoogt niet slechts ruimte te scheppen voor wat meer piëtistische accenten in de prediking naast de meer activistische prediking. Het gaat ons niet om de pluriformiteit der kerk. Het gaat wel degelijk om een waarschuwing aan het adres der activisten: als gij de bron niet verzorgt, zal de rivier uwer activiteit snel uitdrogen. Vandaar ons pleidooi voor persoonlijke vroomheid, bekering, wedergeboorte, gebedsleven, en voor het liturgische leven der gemeente.
Ons tweede punt is in volkomen overeenstemming met het eerste. Rechtvaardiging en heiliging vallen niet samen. Zoals de liefde tot God de bron is van de naastenliefde, zo is de rechtvaardiging de bron der heiliging. De ethiek is in de dogmatiek opgenomen. In zekere zin is de hele dogmatiek ethiek. Maar deze uitspraken kan men niet omkeren. Het handelen der christenen, de werken der dankbaarheid bestaan in onze tijd voornamelijk in maatschappelijke en politieke geëngageerdheid. Zoals mr. Kist in zijn dissertatie ons onlangs geleerd heeft is heiliging strijd tegen de machten. Men kan dus niet met dr. Buskes zeggen, dat de opstellers van het Getuigenis maar een aantal leerstukken rondstrooien zonder prakti- 230sche relevantie en dat zij daarbij gestolde stukken lava voor de werking van de vulkaan uitgeven. Het is waar, dat wij in overeenstemming met de Kerkorde proberen te gaan op de weg van het belijden der Kerk. Tot dat belijden behoort ook de opeenvolging van rechtvaardiging en heiliging. Éérst de rechtvaardiging. Dan de heiliging. Éérst de liefde tot God. Dan de naastenliefde. Als het éne ontbreekt, deugt ook het andere niet. Wij hebben daarom nadrukkelijk een orthodoxie veroordeeld, 'die eenzijdig het accent legt op het dogma der rechtvaardiging en de heiliging van het leven min of meer verwaarloost'. Maar even nadrukkelijk willen wij waarschuwen tegen een tendens in de huidige prediking om het alleen over de praktijk te hebben, over maatschappijkritiek en politieke activiteit, uitgaande van de veronderstelling, dat het met de rechtvaardiging van de zondaar wel in orde is. Het gaat ons echter niet alleen over de volgorde van rechtvaardiging en heiliging. Het gaat ons ook en vooral om de waarde en de betekenis van de goede werken, waarin die dan ook mogen bestaan. Calvijn zegt, dat onze goede werken van die aard zijn, dat de consciëntie daaruit meer vrees en verslagenheid gevoelt dan gerustheid (Inst. III, 14, 20). Wij kunnen alleen maar zeker zijn en blij wanneer wij geloven in Gods barmhartigheid, want een zekerheid, die op de werken steunt, moet terstond voor Gods aangezicht ineenstorten (Inst. III, 15, 1). Daarom is het zo gevaarlijk het rechtvaardigende geloof te laten samenvallen met of misschien zelfs te doen opgaan in onze goede werken, d.i. in onze tijd onze maatschappelijke en politieke activiteit, een activiteit die overigens dikwijls alleen maar in woorden bestaat, zonder zoden aan de dijk te zetten. Maar ook van de serieuze goede werken zegt de Catechismus in zondag 44, dat zelfs de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel, een beginnetje der ware gehoorzaamheid hebben. Het is niet zó eenvoudig om het Evangelie in deze wereld geloofwaardig te maken. Dat kan eigenlijk geen mens. Dat kan alleen de Heilige Geest. En soms kan het geschieden, dat onze werken ons leesbare brieven van Christus maken. Maar in ieder geval worden we steeds weer van de heiliging, de goede werken, teruggeworpen op de rechtvaardiging, de vergeving van zonden. Daarom moet het gaan in de prediking der Kerk. Wij hebben er niet over gedacht rechtvaardiging en heiliging te scheiden. Maar ze moeten wel ónderscheiden worden. Onze rechtvaardiging is volstrekt; onze heiliging niet. Daarom moeten wij niet opscheppen over onze goede werken. En niet doen alsof wij precies weten wat er op aarde geschieden moet om alles goed te krijgen. Wij waren in ons Getuigenis pastoraal bewogen. Als men alleen op de werken vertrouwt en slechts activiteit predikt, loopt het op een teleurstelling uit. Het Koninkrijk Gods is de crisis over en soms ook de rechtvaardiging van wat mensen willen en tot stand brengen. In de prediking der Kerk mag de vergeving van zonden niet stilzwijgend voorondersteld worden om zo spoedig mogelijk tot activiteit over te gaan. Alle nadruk behoort te vallen op verzoening, rechtvaardiging, vergeving van zonden. Als God genade geeft, kunnen onze werken, en daaronder ook onze maatschappelijke en politieke activiteiten, een glans opvangen van het komende Koninkrijk. Maar ook dat is niet onze verdienste. Het Getuigenis dringt erop aan wat gedempter over de mens en zijn daden te spreken en op een verhoogde toon over Gods heilsdaad
De structuur van ons Getuigenis is steeds dezelfde. Geen vereenzelviging van de liefde tot God en de liefde tot de naaste, hoewel ze niet te scheiden zijn! Geen vereenzelviging van de rechtvaardiging en de heiliging, hoewel ze niet te scheiden zijn! Nu in de derde plaats geen vereenzelviging van de verzoening als rechtsgeding tussen God en mens. God en mensheid, èn de verzoening tussen mensen, volken, klassen en rassen, hoewel ze niet te scheiden zijn! Nu wij bespeuren dat in onze tijd steeds weer op het tweede in de prediking der Kerk alle nadruk wordt gelegd, menen wij met nadruk te moeten wijzen op de liefde tot God en Jezus Christus, op de rechtvaardiging, op de verzoening van Golgotha. Wij weten, dat de verzoening van Golgotha gevolgen heeft voor de verhouding van volken en rassen. Dat is ook nadrukkelijk neergeschreven. 'Verzoening is een rechtsgeding tussen God en mens, dat vanzelfsprekend gevolgen heeft voor de christelijke ethiek'. Maar de verzoening op Golgotha valt niet met de christelijke ethiek samen. Golgotha wordt door ons niet 'gerealiseerd' of 'waar gemaakt'. In ons Getuigenis bewegen wij ons op de weg van het belijden der Kerk: verzoening als rechtsgeding, èn: verzoening als ethiek. Wij hebben het beide genoemd. Nu echter de nadruk in veler prediking zo eenzijdig op de ethiek valt, zeggen wij: vergeet het objectieve gebeuren van Golgotha niet! In de verzoening van Golgotha participeren (delen) wij niet automatisch; het gaat door wedergeboorte en bekering heen. Wanneer de 22 Groninger godgeleerden onder aanvoering van prof. Hubbeling zeggen, dat de opstellers van het Getuigenis uit het oog verliezen, dat schuld en verzoening evenzeer een reëele werkelijkheid zijn tussen mensen onderling, — dan bewijzen zij, dat zij ons stuk niet goed gelezen hebben. Ons Getuigenis zou in de kaart spelen van de apartheidsideologie en zo van elke andere verzoeningsloze politiek. Dan herinner ik mij ineens de brief van prof. Berkhof aan Willy Brandt of minister Scheel om hen te bedanken voor hun verzoeningsvolle politiek met betrekking tot de Oostelijke staten. Dat behoort blijkbaar tot het verzoeningsgebeuren: aanpappen met Rusland. Maar wanneer iemand over verzoening met Portugal of Zuid-Afrika zou spreken, zou hij uitgejouwd worden. Ik zal Portugal en Zuid- Afrika niet verdedigen, maar ik vind Rusland geen haar beter. Dat ik een verzoening met de communistische staten in het bijzonder als uitwerking van de verzoening zou moeten waarderen, lijkt ons pure ideologie. Daarom lijkt het ons gewenst, dat de Kerk, aan welke de prediking der verzoening is toevertrouwd, wat voorzichtiger wordt, wanneer zij de consequenties harer belijdenis voor de verhouding tussen de volkeren gaat beschrijven.
Wat punt IV betreft: er zal onder de hier aanwezigen wel niemand gevonden worden, die de centrale betekenis van het kruis van Christus op Golgotha zou willen loochenen. Wij hadden ons ook kunnen beroepen op Rom. 3 : 25, waar de apostel Paulus zegt, dat God Zijn Christus heeft voorgesteld als zoenmiddel, d.w.z. als het verzoendeksel van de Ark des verbonds. Dat kruis is door God gegeven. God is het subject der verzoening. Dat is naar Schrift en belijdenis de prediking des kruises. Hier overwint God de schuld en de zonden van de mens. Zo is de prediking van het kruis prediking van heil en vergeving, van Gods heil en vergeving. Wij spreken van een moderne vorm van natuurlijke theologie, wanneer men in de Gehangene aan het kruis niet méér ziet dan een arm, lijdend mensenkind — symbool van alle menselijke ellende op aarde. Dan is Jezus niet anders en niet méér dan representant van de lijdende mensheid. En dan gaat het kruis fungeren als een aanklacht tegen een God, die in verheven majesteit troont, en dit alles, déze werkelijkheid, dit kruis duldt, toelaat. Dan wordt het kruis van de Man van Nazareth (zoals men tegenwoordig bij voorkeur zegt) een nieuw bewijs voor de dood van de (theïstische) God. Daartegenover belijden wij: In het leven van Jezus van Nazareth werd de Héér tot knecht. In het kruis van Golgotha werd de mens door de Héér gered. In punt IV was het ons erom te doen het kruis van Golgotha te prediken als de reddende daad van God, zodat de prediking van het kruis evangelie-prediking is en blijft. Als het kruis voornamelijk symbool wordt van menselijke ellende, die door ons moet worden overwonnen, is de blijdschap en de vreugde weg. Het kruis van Golgotha wordt misverstaan, als het alleen gezien wordt als demonstratie van menselijke ellende en als aanklacht van de rebelse mens jegens God, die deze ellende duldt (Camus). De prediking van het kruis is alleen dan evangelie-prediking, wanneer het kruis als reddende daad van God wordt gepredikt en gezien wordt als middelpunt van een nieuw paradijs. De bedoeling van onze stellingen is steeds dezelfde: de mens komt alleen tot z'n recht, wanneer God en Gods daden in het middelpunt van prediking en leven staan.
Dit laatste wordt opnieuw duidelijk bij punt V. Wij richten ons hier in het bijzonder tegen Dorothee SöUe (als men dan per se namen wil), die Christus ziet hangen aan het kruis van onze vreselijke werkelijkheid, en ons uitnodigt de door onze schuld stervende Christus tot opstanding te brengen. Hij kan in deze vreselijke wereld alleen tot opstanding worden gebracht door opstand. Daartegenover belijden wij, dat het heil van Gód komt, — dat de eschatologische toekomst van wereld en mensheid niet van menselijke activiteit afhankelijk is en veilig is in Gods handen. Wij weten zeer wel, dat deze belijdenis zorgeloze mensen kan kweken, die alleen maar 'rusten' op een volbracht werk en niet tot de daad komen, door welke daden zij tekenen kunnen oprichten van de verwachting, die in hen is op grond van Gods volbrachte werk. Daarom hebben wij in punt V nadrukkelijk beleden, dat God Zich in een bijzondere genade van mensen bedient en mensen tot Zijn medearbeiders maakt. Hoe de 22 Groninger godgeleerden, waarvan ik nu alleen maar de hoogleraren Hubbeling, Knetsch, Dankbaar en Van der Woude noem, kunnen beweren, dat wij 'denigrerend' (verachtelijk) over het mede-arbeider zijn van de mens hebben gesproken, is ons een raadsel. Ook hooggeleerden lezen soms slecht of vooringenomen. Ik heb altijd beweerd, dat 'voraussetzungslose (onbevooroordeelde) Exegese' niet bestaat: niet met betrekking tot de Bijbel en niet met betrekking tot ons Getuigenis. Prof. Bakhuizen van den Brink heeft zeker gelijk, als hij aan collega Hubbeling en de 21 andere Groninger godgeleerden schrijft, dat zij met een minder hostiele (vijandelijke) houding tegenover het Getuigenis, gemakkelijk hadden ikunnen verstaan waarom wij het accent zó hebben gelegd. Als iedereen in de kerk zingt: God roept ons broeders tot de daad, wordt het tijd ook weer eens te gaan zingen: Ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hecht. In het Nieuwe Testament komen Paulus en Jacobus voor. Wij zullen de brief van Jacobus geen strooien brief noemen, zoals Luther deed (dat ware denigrerend!), maar Jacobus volgt toch wèl op Paulus. Wij menen in stelling V zowel Paulus als Jacobus aan het woord gelaten te hebben, hoewel in onze naar daden dorstende tijd het goed is tot de gemeente te zeggen: het eigenlijke werk is door Gód 232 gedaan, wordt door God gedaan en zal door Uod gedaan worden.
In punt VI gaat het om de belijdenis, dat het heil, het Koninkrijk Gods niet door historische ontwikkelingen wordt gerealiseerd, maar als een genade van God tot ons komt. Het nieuwe Jeruzalem daalt van God uit de hemel neer, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is (Openb. 21 : 2). Wanneer sommigen zo gaarne willen, dat wij man en paard, d.w.z. namen, zullen noemen, dan willen wij bij punt VI verklaren, dat wij in het bijzonder aan de professoren Kuitert en Fiolet hebben gedacht. Laat men nu niet zeggen: de een is Gereformeerd en de ander is Rooms-Katholiek, want iedereen weet, dat zij beiden door Hervormden gelezen warden en dat Buskes een tournee heeft gemaakt om het boek van Fiolet 'De tweede reformatie' te prijzen. In dat boek staat op pag. 159 te lezen, dat wij de wordende mensheid moeten zien als de beginnende mèns-wording van Gods Zoon. Ik kan daarin niets anders lezen dan dat Gods Zoon mens wordt in de gang van de geschiedenis van de wordende mensheid. Op pag. 161 van datzelfde boek wordt ons verteld, dat voor de christen God aan het woord komt in de zich veranderende samenlevingsstructuur en in de zichzelf wordende mens. Dan kunnen wij alleen maar néén zeggen. Als dat polarisatie moet heten, — het zij zo. Maar volgas onze belijdenis komt God aan het woord in Zijn Zoon Jezus Christus en op grond daarvan in Woord en Sacrament. Het is nog niet zó lang geleden, dat men God aan het woord hoorde komen in de nationaal-socialistische revolutie. Nu hoort men Hem weer aan het woord komen in andere revoluties. Laat men bedenken, dat het een hachelijke zaak is Gods sporen in de geschiedenis waar te nemen. En Kuitert spreekt in zijn boek 'Anders gezegd' op pag. 98 over een 'op aarde historisch zich realiserend eschaton' (laatste ding). Dat het eschaton zich op aarde zal realiseren, is volgens de Bijbel zéker. Dat het zich 'historisch' zal realiseren, is een andere zaak. Maakt het eschaton geen einde aan de historie? Is het overbodig in onze situatie, waarin Kuitert en Fiolet symptomatisch (als teken aanwijzing gevend) zijn voor de kleur en de klank der prediking ook in de Hervormde Kerk, nadrukkelijk te belijden dat de geschiedenis als zodanig ons het heil niet brengen kan? Wij gaven bij punt VI geen volledige filosofie of theologie der geschiedenis. Het ging ons erom tegelijkertijd Gods verhevenheid boven (transcendentie) en Gods zijn in alle dingen (immanentie) te belijden. Maar nu de immanentie zulk een nadruk krijgt, moet het accent nodig op de souvereiniteit en majesteit Gods gelegd worden. 'Het heil van God komt niet tot ons door de evoluties en de revoluties van de geschiedenis, maar in en door het heilshandelen Gods'. Heeft dr. C. Graaf land niet gelijk, als hij in de theologie van Fiolet alleen maar een moderne variant ziet op het oude roomse thema: natuur en genade? Een genade, die de natuur en eventueel ook de geschiedenis vervolmaakt?
Als ik alle reacties op ons Getuigenis overzie, meen ik te mogen zeggen, dat punt VII het felst bestreden, is. Wij nebben beieden, dat het christelijk geloof in de eerste plaats een persoonlijke zaak is, zoals wij ook de zonde zien als persoonlijke zonde. Daarom komen wij in verzet als men de zonde vooral zoekt in de maatschappelijke en politieke structuren. Wij vermoeden daarachter een optimistische mensbeschouwing, die de mens als goed, als tamelijk goed beschouwt, maar bedorven door de omstandigheden. Wanneer de omstandigheden beter worden, wordt ook de mens beter. Wij verwerpen deze marxistische mensbeschouwing van harte. Ongewild en onbedoeld zal de kritiek in de prediking der Kerk op de structuren ten gevolge hebben, dat aan de zondaar een alibi wordt verschaft: het gaat niet om zijn schuld, maar om de structuren! Daarom hebben wij in punt VII het persoonlijk karakter van zonde en geloof benadrukt. Mij dunkt, dat het Getuigenis hier in overeenstemming met de Schrift is. Is er volgens Luc. 15 : 10 geen blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert? En worden wij niet bij name geroepen? Worden Abraham, Samuel, Jesaja, de discipelen, Paulus, niet bij name geroepen? -Roept de Goede Herder Zijn schapen niet bij name (Joh. 10 : 3) ? Het ging ons bij punt VII niet om een verbondstheologie, maar om het goed recht en de erkenning van het individuele karakter van het christelijk geloof.
Ik ben zo ongeveer aan het einde van mijn betoog gekomen. Wij vragen de Synode zich duidelijk uit te spreken. Nog eens, het gaat ons niet om een adhaesie-betuiging met zulk een aantal reserves, dat er van de geloofsgemeenschap niet zo heel veel meer overblijft. Een nader bekijken van het Getuigenis kan o.i. niet aan een commissie worden overgedragen. Op grond van de duizenden reacties, die bij mevrouw Van Ruler en bij meerderen onzer zijn binnengekomen, kan ik de Synode alleen maar verzekeren, dat de kloof tussen haar en het 'grondvlak' alleen nog maar groter zou worden, wanneer nu het besluit zou worden genomen aan de formuleringen van het Getuigenis wat te gaan sleutelen en enkele andere punten erbij te nemen. De gemeente wil nu iets horen van de Synode! Een duidelijke uitspraak! De Synode moet goed begrijpen, dat er een ogenblik kan aanbreken, waarop in de Hervormde Kerk de kreet wordt aangeheven: Wij hebben geen deel aan David, en geen erf bezit met de zoon van Isaï! Naar uw tenten, Israël! Zorg nu voor uw eigen huis, David! (I Kon. 12 : 16). Dat is geen dreigement. Dat is een waarschuwing. Ons Getuigenis heeft in ieder geval tot resultaat gehad, dat de maskers zijn afgeworpen. Wanneer in een Open Brief uit Haarlem en omgeving, onder aanvoering van ds. K. Blei, gesuggereerd wordt, dat het Getuigenis misschien niets anders is dan de sublimering (neerslag) van een concrete pohtieke keuze — nl. om het establishment (de gevestigde orde) te handhaven — dan hanteert Haarlem een tweesnijdend scherp zwaard. Ons Getuigenis bedoelde immers een eind te maken aan ae theologische sublimering van een revolutionaire politieke keuze binnen de Hervormde Kerk. Het is merkwaardig, dat de protesten tegen het Getuigenis voor het overgrote deel van de zijde der theologen komen. De gemeente heeft blijkbaar gevoeld, dat in het Getuigenis voor haar recht en mondigheid werd opgekomen. In een brief van drs. C. J. J. van der Maas uit Schiedam wordt gesuggereerd, dat het grote deel der gemeente, dat wij menen achter ons te hebben, gevormd wordt 'door de passieve consumenten van dat wat de dominee hen van de kansel af voorschotelt. En daarna de behagelijkheid van het kopje koffie, de sigaar en het snoepje van de zondag'. Zie, zulke uitspraken lokken een Getuigenis uit! Zo wordt, meen ik, ook in de kringen van Septuagint over de gemeente gesproken. Het kerkelijk establishment! Passieve consumenten! Voelt men niet, dat ons Getuigenis geboren is uit verontwaardiging over zulk een beoordeling van de bestaande gemeente, die ik niet idealiseren wil, maar die de zojuist geciteerde beoordeling niet verdient. Zoals in de vorige eeuw Chantepie de la Saussaye tegen Allard Pierson, die ook zo minachtend over het kerkvolk kon spreken, zei dat hij zich één wist met dat simpele kerkvolk — zo hebben ook wij dat in ons Getuigenis willen herhalen. Wij weten ons één met de gemeente. Nog eens: wij idealiseren de bestaande gemeente niet, maar laten haar óók niet beledigen!
Wij nodigen de Synode uit, uit te spreken dat, hoe onvolkomen ons Getuigenis ook moge zijn, wij er in ieder geval mee bezig waren te weren wat het belijden der Kerk weerspreekt, zoals ds. Landsman in het onderhoud van het moderamen met de besturen van de Confessionele Vereniging en de Gereformeerde Bond heeft gezegd. Wij verwachten, dat de Synode zulks zal overnemen: hier wordt geweerd wat het belijden der Kerk weerspreekt!
Nu nog een paar slotopmerkingen, die mij van het hart moeten:
Oude-heren-theologie, die haar tijd gehad heeft!
De Synode stelle ons een kracht beschikbaar, die de duizenden binnengekomen reacties sorteren en evalueren (op haar waarde schatten) kan. In ieder geval kan ik nu reeds verzekeren, dat jeugdgroepen, jonge mensen, jonge echtparen hun adhaesie hebben betuigd.
Wij hebben in het Getuigenis niet tegen windmolens gevochten. Wij willen geen dualisme, maar wij willen wèl dualiteit. Wanneer dr. M. H. Bolkestein van Leiden ons pastoraal vraagt of wij als opstellers van het Getuigenis wel voldoende naar de tegenpartij 'geluisterd' hebben, dan zijn hem blijkbaar de laatste boeken van prof. Jonker en mij ontgaan, waarin wij naar onze bescheiden mening voldoende bewijs van 'luisteren' hebben gegeven.
Wanneer op bewogen toon ons verteld wordt, dat wij de dialoog (gesprek) afsnijden en de Synode gevraagd wordt om de mogelijkheid van verder gesprek veilig te stellen, dan kunnen wij ons alleen verbazen. Is er ooit gesprek geweest? Kwam in 'Hervormd Nederland' niet voor 90 pet. de stem der theologie, die wij bestrijden, aan het woord? Maar nu in naam van het 'grondvlak' wordt gesproken, is men ineens benauwd voor de mogelijkheid van 'gesprek'. Het Getuigenis is geboren uit verontwaardiging over de monoloog (alleenspraak) in de meeste Hervormde uitingen.
En wanneer men een schuldbelijdenis bij ons mist, dan antwoorden wij, dat wij ons alleen dan schuldig zouden voelen, wanneer wij door middel van dit Getuigenis niet gesproken zouden hebben.
Men bewere ook niet, dat prof. Van Ruler dit Getuigenis nooit ondertekend zou hebben, als hij nog geleefd had. Wij hebben méér dan een jaar gewacht met het publiceren van dit Getuigenis, hopende dat het niet nodig zou zijn. Van Ruler heeft er meer dan eens bij mij op aangedrongen, dat het nu eindelijk eens gebeuren zou.
Men bespare ons in de discussie sarcastische opmerkingen over het monsterverbond van mij met Gereformeerde Bonders. Wij weten heel goed, dat er verschillen tussen ons zijn en dat — om met ds. Ruitenberg te spreken—Groot-Ammers er nog niet aan toe is mij voor een preekbeurt uit te nodigen. Des te groter was de vreugde over een wederzijdse herkenning als deelgenoten aan de Gereformeerde gezindte, die in alle verscheidenheid toch heel wat gemeenschappelijks heeft. Over monsterverbond gesproken! Ik denk aan de ondertekenaars van de brief, die mij de brief van Karl Earth ter beschaming voorhielden. Welk een verbond! Zich als een boog uitstrekkend van Miskotte via Jan Lugtigheid naar Sperna Weiland! Neen — deze groep doet beter het woord monsterverbond maar niet in de mond te nemen.
Ik eindig met een citaat uit het antwoord van 234 prof. Bakhuizen van den Brink aan prof. Hubbeling c.s.: 'Het Getuigenis zegt duidelijk welke extreme leringen verworpen worden. Degenen, die deze leringen niet verkondigen, behoeven zich door het Getuigenis niet aangevallen te voelen. Niemand behoeft een schoen aan te trekken, die hem niet past . . . De opstellers van het Getuigenis hebben slechts op die geloofspunten de nadruk willen leggen, die in het huidige tijdsgewricht op ondeugdelijke gronden worden bestreden of verzwegen. Dat in prediking en catechese in onze tijd noodzakelijk met meer duidelijkheid en zekerheid, en ook meer stelselmatig, de 'christelijke leer' uitgedragen zou moeten worden, is naar mijn mening niet aan twijfel onderhevig'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1971
Kerkblaadje | 12 Pagina's