Gemeente-zijn in deze tijd *
Inleiding
Het onderwerp, waar ik vanmorgen uw aandacht voor vraag, lijkt wat uit de toon te vallen op een konferentie, die m het teken staat van de Groen van Prmsterer-berdenkmg
Toch IS dit bij nader toezien niet meer dan schijn Zonder op de lezing van vanmiddag vooruit te willen lopen zou ik u op het volgende willen wijzen
Groens levenswerk is niet los te zien van de strijd, die m de negentiende eeuw gevoerd is om het belijdend karakter van de kerk m de samenleving Dr Puchmger noemt Groen dan ook een man van de kerk, van de orthodoxie, van de gereformeerde gezindte, die verontrust was over de wijze waarop m de Hervormde kerk de belijdenis der vaderen beleefd werd i)
Zó heeft hij gestaan m de tijd, dwz de tijdsverschijnselen kritisch doorlicht vanuit het Evangelie ,,Het was Groen erom te doen, aan de verantwoordelijkheid van de christen m kerk, staat en maatschappij gestalte te geven volgens christelijke beginselen", schrijft prof Rasker ~) Terecht is m enkele herdenkmgsartikelen er de nadruk op gelegd, dat Groen van Prmsterer vóór alles Evangelie-belijder wilde zijn Tegenover de revolutie-ideologie en de ongeloofstheorieen van zijn tijd stelde hij het Evangelie des kruises ^).
Me dunkt, de grote betekenis van zijn levenswerk voor onze tijd springt direkt m het oog. Want ook vandaag staat de christelijke gemeente m een enorm gistingsproces, levend m een snel veranderende wereld, omgeven door allerlei theorieën en ideologieën, die haar van het vaste fundament willen loswnkken Groen herdenken kan niet betekenen de graven der profeten opsieren De dankbaarheid voor wat de Here ons m hem geschonken heeft, houdt ook een opdracht m De opdracht, ons bij het licht van het Woord te bezinnen op de taak en de roeping van de christelijke gemeente m onze tijd
Krisissituatie
Nu is het niet eenvoudig een schets te geven van wat zich in onze tijd aan ons voordoet. Het is immers zó'n veelheid van verschijnselen, dat W9 er gemakkelijk in verdwalen. Snelle veranderingen volgen elkaar op. Wat vandaag in de aktualiteit staat, blijkt morgen alweer achterhaald te zijn. Eén ding is duidelijk. Algemeen heerst het gevoel, dat we ons geestelijk, kultureel, kerkelijk en maatschappelijk in een krisissituatie bevinden. Geen wonder, dat velen zich afvragen: Waar zal deze krisis op uitlopen? Staan we vlak voor het grote einde? Gaat nu gebeuren wat de Schrift ons tekent aan apokalyptische gebeui-tenissen? Of bevinden we ons op een breuklijn, in de overgang naar een nieuw begin? Wat zal er uit het gistingsproces, waar kerk en wereld in betrokken zijn, voortkomen?
Einde of nieuw begin? Met deze woorden worden we herinnerd aan het boek, dat dr. F. Boerwinkel in 1974 publiceerde ^), en dat terecht veel aandacht kreeg. Boerwinkel gaf aan zijn boek de ondertitel: Onze maatschappij op de breuklijn. Ik kan er uiteraard niet aan denken in dit verband de inhoud breedvoerig weer te geven.
Het boek, dat als informatie- en werkboek geschreven is, bevat een overstelpende hoeveelheid feitenmateriaal. Daarom kan ik u allen aanraden deze studie aandachtig en kritisch te lezen. Want, ongeacht of men het met de auteur eens is, hij attendeert ons op de achtergronden van allerlei verschijnselen, waar we elke dag mee te maken hebben.
Op een enkel punt uit dit boek willen we u dan ook wijzen in verband met de vraag: Wat typeert de tijd, waarin we vandaag als christelijke gemeente leven?
Boerwinkel poneert de stelling, dat in onze westerse wereld niet minder dan zes tijdperken versneld ten einde lopen. Dat zijn: a. het agrarische tijdperk, d.w.z.
a. het agrarische tijdperk, d.w.z. de tijd, waarin het leefpatroon bepaald werd door traditie, gezag, vaste normen, rust en over- •^ichtelijkheid;
b. het c o n s t a n t ij n s e t ij d pe r k, de i^eriode dus, waarin kerk en christendom de leersende, bevoorrechte machten in de sameneving waren; het renaissancistische tijd-
het renaissancistische tijd- ,) e r k, anders gezegd: het tijdvak, waarin ^ils ideaal gesteld werd de vrij zich ontplooiende nens als de maat aller dingen; i. het tijdperk van de blanke
i. het tijdperk van de blanke 'verheersing, het einde van de kolonisatie, de opkomst van de derde wereld; • het tijdperk van de mannen
• het tijdperk van de mannenverheersing;
het tijdperk van de joodse ballingschap, dat een einde nam met de stichting van de staat Israël in 1948. Al is er tegen deze schematische indeling wel bezwaar in te brengen en al kan men met Boerwinkel van mening verschillen over de interpretatie (uitleg) van allerlei feiten en verschijnselen, toch laat zijn boek duidelijk zien, in welke stroomversnelling we ons bevinden.
Wat betekent dit nu voor de christelijke gemeente?
Ontkerstening en ontkerkelijking
Boerwinkel wijst o.a. op wat hij noemt: de p e - rifisering van de kerk ^). Heel gewoon gezegd: de kerk, die in het agrarische tijdvak vaak letterlijk en figuurlijk centraal stond, is met de opkomst van de industrie en al haar gevolgen naar de rand verdrongen.
Een vaak gesignaleerd verschijnsel is het feit, dat de optimistische verwachtingen inzake de kerstening van ons volk, zoals die vooral in de jaren 1945-50 leefden en tot uiting kwamen in hooggestemde apostolaatsvisies, niet uitgekomen zijn. De verwachte herkerstening is uitgebleven en omgeslagen in een voortvretend proces van ontkerstening 6).
Men moet wel met een blinddoek rondlopen, als men niet wil zien hoe allerlei terreinen van de samenleving onder een ander beslag komen dan dat van het Woord van God. Ik herinner u alleen maar aan alles wat zich afspeelt rondom het vraagstuk van de abortus.
In de politiek en het onderwijs en in allerlei maatschappelijke organisaties is een dek o n - fessionaliseringsproces aan de gang, omdat velen, vooral ook jongeren, christelijke organisaties en konfessionele politiek helemaal niet meer zien zitten. Beginselen moeten wijken voor technische en ekonomische, dat wil zeggen: puur pragmatische argumenten.
Wie een goed woord spreekt voor normen en geboden, voor gezag en orde, geldt als een vreemde eend in'de bijt en krijgt een groot deel van de publieke opinie tegen zich.
Laten we ons nu niet vleien met de illusie, dat we ons hiertegen kunnen vrijwaren door ons terug te trekken in de eigen kring. Want terecht is er door dr. Graafland op gewezen, dat de sekularisering van het leven vooral merkbaar v/ordt zodra de ethische vragen aan de orde komen, b.v. inzake huwelijk en seksualiteit, gezag en. vrijheid. Men wil niet rekenen met de wil van. God, zoals die in de Schrift ons geopenbaard en door de kerk beleden is, maar met wat men zélf wil, met wat het volk wil en de ontwikkeling voorschrijft ").
En in het gevolg van dit ontkersteningsproces zien we een voortschrijdende ont kerke - 1 ij k i n g. Boerwinkel noemt in zijn hoofdstuk over de kerk ook cijfers. Nu zeggen cijfers en statistieken lang niet alles. Maar van de weersomstuit mogen we er ook niet achteloos aan voorbijgaan.
De halvering van het ledenbestand der Ned. Hervormde kerk en de vertienvoudiging van de onkerkelijken ^), de sterke daling van het kerkbezoek, laten toch zien hoe de kerk als instituut voor velen heeft afgedaan. Velen zien de kerk bepaald niet meer als de plaats waar de antwoorden op de grote levensvragen worden gegeven. De vraag, in hoeverre de kerken zelf hier schuldig aan zijn, laat ik rusten. Ik signaleer alleen het verschijnsel.
Was de kerk, aldus Boerwinkel, in de constantijnse tijd een macht, waar men mee rekende, in onze tijd zien we haar invloed snel afnemen. Van een machtige kerk zijn we een smalle gemeente geworden 9). Al kan men terecht de vraag stellen, of Boerwinkel zich niet te veel heeft laten leiden door d_e ontwikkelingen in de grote kerken, met name de Rooms-Katholieke kerk, het is niet te ontkennen dat het door hem aangeduide verschijnsel er is. We zullen b.v. ten aanzien van de Ned. Hervormde kerk niet zo gemakkelijk meer het woord ,,volkskerk" in de mond nemen en, als we het tóch doen, heel nauwkeurig moeten aangeven wat we daar wèl en wat we daar niét mee bedoelen. Het is in onze tijd geen vanzelf?,pTekendheid meer tot de christelijke gemeente te behoren. Dat kan ook een heel positieve zaak zijn, ik weet het. Want christen-zijn is geen vanzelfsprekend gegeven, geen zaak v-an traditie, fatsoen, groepskode of opvoeding. Maar de daling van het aantal dopelingen en de sterk verminderende belangstelling voor de kerkelijke bevestiging en inzegening van het huwelijk hangen toch ook samen met het feit, dat zaken als bijbel, kerk, geloof voor velen nauwelijks van betekenis meer zijn. En dat is bepaald niet iets om over te jubelen. Integendeel!
Nu zien we tegelijk met dit proces van ontkerstening en sekularisering ook een nieuwe religio siteit opkomen, zich uitend in aandacht voor oosterse godsdiensten, mystiek. Geestesgaven, yoga, meditatie-technieken enz. 1"). Het heeft me persoonlijk nogal gefrappeerd, dat iemand als Dorothee SöUe, de stuwende kracht achter het „politieke avondgebed" en schrijfster van een boek over theologie na de „dood van God", onlangs een boek publiceerde over de godsdienstige ervaring, meditatie, innerlijk leven, mystiek; een boek, dat inzet met de konstatering: de mens sterft aan brood al leen...n)-
Dat alles geeft te denken. Je zou kunnen zeggen, dat de christelijke gemeente zich tussen twee blokken bevindt: enerzijds het geweldige blok van een godloos heidendom, anderzijds een groeiend blok van een nieuwe religiositeit i').
Welke weg?
Welke weg moeten we nu gaan? U weet: die vraag houdt de christelijke gemeente in hoge mate verdeeld. Verontrusten en progressieven staan in allerlei kerken fel tegenover elkaar. Onze tijd is ook de tijd van de polarisatie. In zo'n tijd moet je oppassen voor karikaturen, valse tegenstellingen en oppervlakkige typeringen. De tegenstelling: vertikaal-horizontaal, die in voorbije jaren vaak gehanteerd is, is als het erop aankomt toch niet bijzonder gelukkig. De Gereformeerde Sociale Akademie heeft veel te maken met het horizontale. Maar de initiatiefnemers hebben hun werk gedaan vanuit het diepe besef, dat alleen uit een levend geloof in Jezus Christus de waarachtige diakonia (dienstbetoon) aan de naaste kan opbloeien.
Ik ga, ook om des tijds wil, niet in op allerlei theologische visies, die vandaag de dag opgeld doen. Ik wil wèl noemen de weg, die dr. Boerwinkel wijst, omdat ik zijn visie typerend vind voor de velen, die tussen de polen van links en rechts, van aktivisten en verontrusten, een middenweg willen gaan.
Boerwinkel is van oordeel, dat de krisis die we heden beleven, het einde van allerlei kultuurverschijnselen dat we meemaken, de mogelijkheid van een nieuw begin in zich sluit. De mens is immers veranderbaar. Daarom kan er een beroep op hem gedaan worden om zich af te keren van een verkeerde denk- en handelwijze en een ander leef- en denkpatroon te gaan volgen. In dit verband gebruikt Boerwinkel het woord „bekering" i3)_ j^^t laat zich horen en dat zal wel bij niemand onzer op verzet stuiten.
Toch kan ik me niet onttrekken aan de indruk, dat deze oproep tot bekering, tot een ander leef-, denk- en opvoedingspatroon, bij Boerwinkel anders gevuld wordt dan in de Schrift. Boerwinkel formuleert het doel van de opvoeding als volgt: „de jonge mens zó te begeleiden en te stimuleren op zijn weg naar de volwassenheid, dat hij steeds beter toegerust is en gemotiveerd om te bepalen, waar hij zijn krachten wil inzetten om aan de algemene kultuuropdracht van de mens (nl. om de aarde te bewerken en te bewaren in samenwerking met en tot vreugde van alle medemensen) op persoonlijke wijze gestalte te geven; daarbij zijn kritische zin ten aanzien van wat echt of onecht, waar of onwaar, recht of onrecht is, te scherpen; en hem bereid te maken op te komen voor verdrukten en ontrechten, aan welke kant die zich ook bevinden" ").
Al is hierin veel wat ons aanspreekt en al ben ik doordrongen van de ernst en de zorg die Boerwinkel bewegen, de vraag is toch: Is dit alles en is er vanuit de Schrift niet méér te zeggen? Bijbelse bekering is toch méér dan een opvoedingsideaal tot een ander kultuurpatroon, dat je dan samen met alle mensen zoekt te bereiken. Bekering is toch primair (allereerst) de radikale vernieuwing van ons hart door het Woord en de Geest van God? Waar blijft in Boerwinkels boek de eigen plaats van de christelijke gemeente, die in de wereld staat, zonder van de wereld te zijn? Is er nog onderscheid tussen gemeente en wereld?
Met hoeveel waardering en belangstelling ik Boerwinkels boek ook gelezen heb, ik moet toch zeggen, dat ik een bijbels-kritische doorlichting van de verschijnselen gemist heb.
Gemeente van Christus
Vragen we naar de taak en de plaats van de christelijke gemeente, dan moeten we naar de Schrift. Want daarin zijn de grondlijnen van het gemeente-zijn voor alle tijden gegeven.
Ik zou u vanmorgen speciaal willen wijzen op de zeven brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië uit Openbaring 2 en 3. Wij mogen 'iet getuigenis, de Christus-verkondiging van dit ooek niet prijsgeven aan de wilde fantasie van .illerlei lieden, die dit laatste bijbelboek als een cCgpuzzel hanteren of als een spoorboekje lezen. '3e Openbaring van Johannes is een troostboek /oor de vervolgde en aangevochten gemeente ^'an de eerste eeuw na Christus in het Romeinse 'veizerrijk en over haar hoofd heen voor de kerk an alle eeuwen. En de troost, die ons hier gegeen wordt, is niet deze: Probeer met ingewikkel- 'e konstrukties en gegoochel-met-teksten nu ens te berekenen, hoe laat het op Gods klok is n in welk stadium we ons nu bevinden. De machige troost, waarmee Johannes in opdracht van e Here de gemeenten vertroost, is deze: Broeers en zusters! Christus leeft en regeert. Hij oudt Zijn kerk in stand. Niet lang zal 't lijden • uren. Want het einde is nabij. Hij, die is opgetaan en nu zit aan Gods rechterhand, komt met aast! 15).
Nu zou het kunnen zijn, dat u vraagt: Is de, situatie, die Johannes in zijn dagen aantrof, precies gelijk aan de onze?
Dat is een ingrijpende vraag. Laten we niet te snel zeggen: Wij verkeren in dezelfde situatie als de eerste christengemeente. Er zijn trekken van overeenkomst, o ja. Maar twee dingen moet u bedenken:
a. Wij hebben aan vrijheden en voorrechten nog veel vóór op de eerste christenen,.
b. De eerste christengemeente botste met een zichzelf vergoddelijkende staat, met een heidendom, dat nog geen kontakt had gehad met het christelijk geloof. Wij hebben een kerkgeschiedenis van bijna 20 eeuwen achter ons en stuiten op een modern heidendom, dat althans in West- Europa met het christelijk geloof gekonfronteerd is en er „nee" tegen gezegd heeft.
Ik kan dat nu niet verder uitwerken, maar zou wel willen zeggen: Laten we dat bij onze bezinning niet vergeten!
Wenden we ons nu tot de brieven uit Openbaring 2 en 3, dan stuiten we telkens weer op de aanhef, waarin de opgestane en verheerlijkte Christus Zich bekendmaakt:
Dit zegt Hij, die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, die tussen de zeven gouden kandelaren wandelt (Openb. 2:1).
Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood geweest is en levend geworden (Openb. 2:8).
Dit zegt Hij, die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft (Openb. 2 : 12).
Het zou de moeite lonen in alle zeven brieven eens na te gaan, in welke bewoordingen Christus Zich aan de gemeenten openbaart. Want daarin stuiten we op het geheim van de gemeente.
Dat geheim is nooit te vatten met behulp van sociologische analyses, hoe waardevol ook, of via statistieken en enquêtes. Dat geheim is niet psychologisch of historisch te verklaren.
Het geheim van de gemeente is, dat zij van Christus is. Van Hem, die haar gekocht en betaald heeft, en die haar vergadert, beschermt en onderhoudt door Zijn Geest en Woord.
Wat de tijdsanalyse ook aan het licht brengt, wat we ook aan ontwikkelingen, afglijdingen, vervalsverschijnselen konstateren, dit éne kan geen mens ongedaan maken: Christus wandelt tussen de kandelaren. Hij sticht en richt. Hij bewaart en vermaant Zijn gemeente. Daarom zijn de dingen anders dan ze er uitzien.
Wat is de gemeente? Een weerloze, opgejaagde vrouw, zegt Openb. 12. Maar tegelijk draagt ze de stralenkrans en wordt ze door haar Here bewaard.
Wat is de gemeente? Arm en berooid, geboycot en geminacht, vervolgd en bestreden, maar .. zegt Christus tot de gemeente van Smyrna: Gij zijtrijk (Openb. 2:9).
En al woont die gemeente daar waar de troon van de satan is (Openb. 2:13), de Here weet ervan af, Hij kent onze werken.
Hiermee is het beslissende gezegd. Want als dat zo is — en het i s zo—, dat Christus het Hoofd van Zijn gemeente is, dan hebben we ook Hèm naar de ogen te zien, naar Hèm te luisteren, ons door Hèm te laten gezeggen.
Dat is toch ten diepste bedoeld met het spreken over de „bekering" van de christelijke gemeente, zoals we dat ook in deze brieven vinden. Het is de terugkeer tot geloofsgehoorzaamheid en geloofsvertrouwen, de ootmoedige onderwerping aan Hem, die alle macht heeft in hemel en op aarde.
U weet: er klinkt door deze brieven heen ook een sterk kritische toon. Christus heeft, zoals er meerdere malen staat, wat tegen Zijn gemeente. Kritiek op de kerk is een veel voorkomend verschijnsel. Trekken we ons er nog iets van aan of zijn v/e er immuun (onvatbaar) voor geworden?
In elk geval, de kritiek van Christus komt voort uit liefde en zorg voor Zijn gemeente en is geladen met de laatste ernst. Men denke aan het scherpe woord over het wegnemen van de kandelaar (Openb. 2:5), aan het felle oordeel over Sardes (de naam te hebben, dat ge leeft, maar ge zijt dood, Openb. 3 : Iv.), aan de vermaning tot het lauwe en zelfgenoegzame Laodicea: „Omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit Mijn mond spuwen" (Openb. 3 : 16)-
Het Woord bewaren
Wat draagt de Here ons nu op? Worden we geroepen tot wereld-omzettende en wereld-verbeterende aktiviteiten? Tot lasten, waaraan we ons vertillen? Worden we opgezweept tot revolutionaire akties? Moeten we onszelf geloofwaardig maken? Nee, nee, en nog eens nee!
Wat draagt de Here ons op?
Vasthouden wat we ontvangen hebben: Zijn geboden en beloften (Openb. 2 : 25)!
Vasthouden aan het Woord en aan de Naam (Openb. 3 : 8 v.v.)!
Getrouw zijn tot de dood (Openb. 2 : 10), de wacht betrekken bij het Woord (Openb. 3 : 2, 3), volharden bij de belijdenis, ook als dat offers gaat kosten (Openb. 2 : 13, 24)!
Dat is niet weinig en stellig geen kleine zaak. Maar het betekent wèl een duidelijke afbakening.
Volharden in het Woord, bhjven bij de eens afgelegde belijdenis, vasthouden aan de Naam, dat betekent konkreet een duidelijke begrenzing van het kerkewerk. Is daarmee niet gezegd, dat de eerste en voornaamste taak van de gemeente is de arbeid in het Woord: in prediking, katechese, bijbelstudie en pastoraat? Geen dorre leerstelligheid of dode rechtzinnigheid- Maar wèl een in het geloof betrokken-zijn op het Woord van God en het belijden der kerk.
Het betekent voorts voor elk gemeentelid het aandoen van de geestelijke wapenrusting. De gemeente van Filadélfia wordt geprezen, omdat ze het Woord bewaard heeft en de Naam niet verloochend. Dat is haar kracht, ook al heeft ze uitwendig bezien slechts weinig te betekenen. Wat hebben we dat ook in ónze tijd nodig als ambtsdragers en gemeenteleden: te leven bij het Woord, te letten op wat de Geest tot de gemeente zegt, opdat we vast mogen houden aan de Naam van de Here Jezus!
In de zeven brieven klinkt sterk dóór de opwekking tot volharden, dulden, kruisdragen. Niet als een zware last waaraan we ons vertillen, maar als een genadig gebod van Hem, die door Zijn Geest ons getrouw wil maken.
Hoe zullen we ooit weerbaar en waakzaam zijn, als we niet meer weten van de verborgen omgang met God, als we de heilige kunst van het luisteren naar Zijn Woord hebben verleerd, als het gebed ons vreemd is? Dan zijn we, ten spijt van alle konferenties, vergaderingen, rapporten enz., weerloos tegenover de machten van buiten af en van binnen uit.
Daarom is dit onze éérste roeping: de wacht te betrekken bij het Woord. En zó de machten en de verleidingen te onderkennen en te weerstaan, wat ook de gevolgen ervan mogen zijn. Er zou van hieruit veel te zeggen zijn over de betekenis van de kerkgang, de leerdienst, de katechese en de bijbelstudie in groepen. Maar ik volsta met het aan te duiden. Ik wil alleen niet nalaten er mijn dankbaarheid over uit te spreken, dat in de synodale handreiking Het geheim van de gemeente zo nadrukkelijk gezegd wordt: De kerkdienst op de zondagmorgen is de belangrijkste vorm van samenkomst van de gemeente ''').
Dienst en Getuigenis
Misschien zou u, het bovenstaande gehoord hebbende, willen tegenwerpen: Is dit alles niet wat passief? Leidt dit niet tot een vrome lijdelijkheid, tot een afwachtende houding?
Al begrijp ik deze vraag wel, ik zou haar toch volstrekt ontkennend willen beantwoorden.
Het Woord bewaren, volharden bij de belijdenis, dat is bepaald geen vrome lijdelijkheid, maar een dagelijkse strijd die de inzet van ai onzt krachten vraagt. En deze waakzaamheid gaal hand in hand met een zekere werkzaamheid.
In de brief aan Thyatira worden de werken waar de Here weet van heeft, nader aangeduic als: liefde en dienstbetoon (Openb. 2: 19). En de gemeente van Filadélfia wordt geprezen orr haar missionaire bewogenheid. Het is een ge meente, die weet van een open deur naar God Koninkrijk, maar die óók weet van een open deu voor het Woord naar de wereld (Openb. 3 : 8) i^).
Dat zijn twee voorname dingen: de diakonia (dienstbetoon) en het getuigenis. En wat in Openb. 2 en 3 slechts genoemd wordt, wordt in de brieven van de apostelen breed ontvouwd.
Het is ook vandaag zo bijzonder belangrijk.
Wij bewijzen de wereld geen dienst door mee te hollen en mee te roepen in het koor van revolutionaire aktivisten. Wij ontketenen daarmee geesten van geweld, anarchie, gezag- en norm- loosheid, die niet te bedwingen zijn.
Wij bewijzen de wereld óók geen dienst, als we op betweterige wijze de taak van politieke en maatschappelijke organisaties willen overnemen. Maar waar deze kille, verzakelijkte wereld naar hunkert, dat zijn mensen met een priester- 'ijk bewogen hart, mensen die herderlijke zorg jitoefenen in woord en daad.
De christelijke gemeente wordt juist nu geroe- pen tot het beoefenen van de waarachtige diako- nia in het voetspoor van Hem, die de ware Hoge- priester is, die ook de ware Diakonos, de ware Dienaar is. En echte dienstverlening schuwt ook iet offer en de zelfverloochening niet.
Als de christelijke gemeente, levend uit de liefde van Christus, die dienst leert verstaan en 'jeoefenen, hoe gebrekkig ook, dan zal zij de .vereld tot zegen kunnen zijn. '
En naast die diakonia is er de roeping tot geuigen. Het belijden van Christus' Naam heeft ien missionaire spits. Waarom wordt de gemeene van Sardes zo fel gekritiseerd? Omdat het aamchristendom bij haar overheerst. Niets is o schadelijk voor het christelijk getuigenis als en naamchristendom, een napraatgeloof.
In welke vorm de christelijke gem.eente aan aar evangelisatorische roeping gestalte moet oven, is een onderwerp apart. Ik geloof niet, dat e het moeten zoeken in grootscheepse kampag- •s en breed opgezette akties. Als ik het Nieuwe Testament lees, kom ik al-
Als ik het Nieuwe Testament lees, kom ik al- d weer onder de indruk van de werfkracht, die uitging van het leven in geloof, hoop en lief- De levenswandel vol blijdschap werkte aan- 'kelijk.
ïn 1 Petr. 3:15 wordt gezegd, dat we in de hei- -;ing van de Christus in onze harten als Here, de erkenning van Zijn heerschappij, altijd bed moeten zijn tot verantwoording aan al wie , rekenschap vraagt van de hoop, die in ons is. dat met zachtmoedigheid en vreze. •aten we ons dat voor gezegd houden!
•aten we ons dat voor gezegd houden! ^''e toerusting van de gemeente ook ten aanzien
^''e toerusting van de gemeente ook ten aanzien 1 de evangelisatie-arbeid, de inzet van evanisatie-werkers, de arbeid onder de buitenker- '- ijken zal van hieruit dienen te geschieden.
Als de gemeente er waarlijk ernst mee maakt, dat ze van Christus is, en dat ze een andere Heer erkent dan de heren der wereld, zal het lijden haar niet bespaard blijven, zullen de vragen niet uitblijven, maar zullen we ook kansen ontvangen om rekenschap te geven. Want als een machtige bemoediging staat achter ons dienstbetoon en ons getuigenis het woord van Christus: „Zie, Ik heb u een open deur gegeven" (Openb. 3:8).
Dat ontslaat ons niet van de opdracht. Maar het bevrijdt ons wèl van een krampachtige houding.
Uitzien naar de grote Morgen
Nog een laatste aspekt wil ik u noemen. In de zeven brieven klinkt ook het element van de verwachting door. De bruidsgemeente mag uitzien naar de grote bruiloft van het Lam. Door welke verzoekingen het met haar ook heen gaat, door hoeveel lijden ze ook geteisterd wordt, steeds is er de bemoediging, dat Christus Zijn werk afmaakt (Openb. 2 : 10), en dat Hij spoedig komt (2 : 25; 3 : 10, 11; 3 : 20). Hij staat aan de deur en Hij klopt.
In een wereld zonder waarachtige toekomstverwachting mag de christelijke gemeente leven uit de verwachting van Gods ingrijpen, van Zijn komst die ons heil volmaakt, van de openbaring van Zijn Koninkrijk.
In de strijd van het geloof is er het uitzicht op de overwinning. Als wij leven in de hoop, mag onze levenswandel door die hoop gestempeld worden. Want wij behoeven ons niet blind te staren op wat „men" zegt of denkt, maar wij verwachten naar Christus' belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Die verwachting geeft zin aan ons kerkewerk, aan de arbeid waartoe de Here ons roept.
Gemeente-zijn in deze tijd stelt ons voor massa's vragen en problemen. Wie zal de geesten onderscheiden? Wie is bekwaam tot de roeping, waarmee we geroepen worden? Wie houdt het vol temidden van verleiding en aanvechting? Maar boven de zorgen uit klinkt het woord van Hem, die ons kent, en die vasthoudt waar wij zo vaak loslaten. Dit zegt Hij ... Laten we de brieven uit de hemel lezen en herlezen! „Wie oren heeft, die hore, wat de Greest tot de gemeenten zegt".
Lezing gehouden te Utrecht op 29 mei 1976, voor de , Krmg van vrienden van Kohlbrugge
1) Dr G Puchmger Groen van Prmsterer en de Kerk m Gereformeerd Weekblad (Kok Kampen) van 14 mei 1976 blz 289
2) Dr A J Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795, blz 92 Kampen 1974
3) Zie o a Dr W Aalders Groen van Prmsterer en de theologie m Hervormd Weekblad van 20 mei 1976, blz 258v
i) Dr. F. Boerwinkel, Einde of nieuw begin, Bilthoven 1974.
5) Boerwinkel, a.w., blz. 44. 6) T. Poot, De christelijlie gemeente in het westen iiT
6) T. Poot, De christelijlie gemeente in het westen iiT Leiding:, uitgave van de HGJB, Bilthoven, jaargang- 20 no. 7, blz. 20. 7) Dr. C. Graafland, Gods geseculariseerde wereld,
7) Dr. C. Graafland, Gods geseculariseerde wereld, uitgave van de Willem de Zwijgerstichting 1975, blz. 7.
8) Boerwinkel, a.w., blz. 50.
9) Boerwinkel, a.w., blz, 67.
10) Boerwinkel, a.w., blz. llOv.
11) D. SöUe, De heenreis, gedachten over religieuze ervaring, Baarn 1976. 12) T. Poot, a.art., blz. 21.
12) T. Poot, a.art., blz. 21. 13) Boerwinkel, a.w., blz. 229v.v.
13) Boerwinkel, a.w., blz. 229v.v.
11 Boerwinkel, a.w., blz. 248.
Over het laatste bijbelboek is veel geschreven. Goede, bijbelse infoimatie geven o.m.: G. Sevenster, De Christologie van liet Nieuwe Testament, Amsterdam 1946, blz. 270—282; J. H. Bavlnck, En voort wentelen de eeuwen, Wagenmgen z.j.; R. J. van der Meulen, De Openbaring van Johannes, Blaricum z.j.: C. van der Steen, Wie volhardt tot het einde, Wageningen 1976. Wat betreft de zeven brieven zou ik speciaal willen noemen: G. N. Lamm.ens, Brieven uit de hemel, Wageningen z.j.
16) Het geheim van de gemeente, blz. 19, Boekencei - trum 's-Gravenhage 1975.
• I Hiermee is dus gekozen voor die uitleg van dit woord, die het beeld van de deur betrekt zowel op het ingaan in het Koninkrijk als op het uitgaan tot de volkeren (in de lijn van Hand. 14 : 27; 1 Cor. 16 : 9; Col. 4 : 3).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1976
Kerkblaadje | 8 Pagina's