Ontdekkende waarheid in Zaandam
De eerste poging om in Zaandam een Gereformeerde Gemeente te stichten mislukte. Uiteindelijk wisten de Zaankanters die een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking begeerden, elkaar toch te vinden. Schriften vol aantekeningen en een doos met brieven laten zien dat hun contacten zich tot ver in het land uitstrekten. „Het waren zulke aangename uren, bij ulieden doorgebracht...”
Zo rond 1913 preekten enkele oefenaars van de Gereformeerde Gemeenten weleens in Zaandam: H. van Schothorst (Amsterdam) en A. Verhagen (Westzaan). Dat leidde nog niet tot gemeentevorming. Tien jaar later leek het er wel van te komen. De eerste poging werd met grote inzet ondernomen, maar liep op een teleurstelling uit. Zodoende duurde het na de preekbeurten van Verhagen en Van Schothorst nog een kwarteeuw voordat er een gemeente werd geïnstitueerd.
„Mijn ouders kwamen uit Noord-Brabant,” vertelde mevrouw C. Meijer-Roepert (1923-2015) uit Rijssen begin vorig jaar. Haar grootvader Johannes Marijnis (Jan) van Poppel (1837-1910) was een bekeerde man. „Toen tijdens een epidemie veel mensen ziek waren, vulde hij elke dag flessen water en bracht die naar patiënten in zijn woonplaats Klundert. Mensen waarschuwden hem dat niet te doen, want hij had een jong gezin. Hij zou besmet kunnen raken. Maar hij zei: „Ik kan hen zo niet laten liggen.” Het zal een gebedszaak voor hem geweest zijn. Dat betekende niet dat hij roekeloos was. Als hij thuiskwam, verschoonde hij zich bij een teiltje warm water in de schuur voordat hij het huis inkwam.
Mijn vader kon in Noord-Holland werk krijgen. Mijn ouders gingen in Zaandam eerst naar de Gereformeerde Kerk, maar daar hielden ze het niet uit. Moeder zei: We gaan maar eens een straat verder.”
Ds. J.A. Riekel
Daar, aan de Herengracht, stond de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ds. J.A. Riekel was er in de jaren 1920-1924 predikant. Hij bracht een Schriftuurlijkbevindelijke prediking. „Moeder kwam thuis en zei tegen vader: „Bram, als je die dominee hoort, zeg je: Dát is het.” Vader aarzelde, maar ging uiteindelijk toch met haar mee. Ds. Riekel heeft me gedoopt,” vertelde mevrouw Meijer.
Volgens de geschiedschrijving van de Zaandamse Christelijke Gereformeerde Kerk waren ds. Riekels preken „vaak ongenuanceerd en gelardeerd met pittige uitspraken. Zelf uit de R.K. kerk afkomstig, moest juist deze kerk het soms erg ontgelden. Om één of andere reden kan hij het zich veroorloven de dingen te zeggen op een manier die afwijkt van de gebruikelijke wijze van spreken, maar die wel veel mensen naar de kerk trekt.” Onder zijn gehoor kwam ook
Onder zijn gehoor kwam ook een „vaatjesboer,” een man die tweemaal per week de toilettonnen verwisselde. Ds. Riekel legde weleens een sigaar voor hem op het vloertje naast de ton. „Dit bleek een evangeliserende bezigheid, want als tegenprestatie bezocht de als gierig bekend staande vaatjesboer regelmatig de kerkdiensten.” Vanwege de grote toeloop werd het kerkgebouw uitgebreid.
Tegenzin Kort na het vertrek van ds. Rie
Kort na het vertrek van ds. Riekel verliet een groepje mensen de Christelijke Gereformeerde Kerk echter. Een van hen was P. Meijer (1864-1930), die meer dan 25 jaar ouderling was geweest.
Het gedenkboek van die gemeente noemt alleen een conflict over het zingen in de eredienst als reden. Er is echter nog een andere bron, en die meldt diepgaander oorzaken van de scheiding die ontstond: in 1924 en 1925 schreef Meijers zoon Cor vier schriften vol met „Aanteekeningen van het ‘Comité tot het laten optreden van predikanten uit de Gereformeerde Gemeenten te Zaandam,’ kortelings genaamd ‘Comité Gereformeerde Gemeenten.’”
Op de eerste pagina van schrift I werden als aanleiding voor de diensten „de bestaande toestanden in de Chr. Geref. Gem. te Zaandam” genoemd, „voornamelijk het eenzijdig behandelen van loopende quaesties en het negeeren van een zeker deel leden. Maar de hoofdzaak was het meer en meer openbaar komen van tegenzin hebben in het verkondigen der oude, beproefde, bevindelijke waarheid en de beleving daarvan.”
Moeilijkheden waren er al zo’n zeven jaar. Er waren gesprekken gevoerd en brieven gestuurd, maar „bij Kerkeraad vond men weinig of geen gehoor, ja zelfs vermomde tegenwerking,” schreef Meijer. Ds. Riekel werd in zijn vroegere gemeente zelfs niet meer uitgenodigd. „Gelukkig bracht dit alles dezen en genen tot nadenken niet alleen, maar ook tot gebed en in dien weg tot elkander.”
Brief aan ds. Vreugdenhil
„Eindelijk werd een brief geschreven, uit de benauwdheid als geboren,” aan ds. J. Vreugdenhil van de Gereformeerde Gemeente te Borssele. Tot 1921 had hij tot de Christelijke Gereformeerde Kerk behoord en in die tijd had hij bedankt voor een beroep uit Zaandam. Hij behoorde nu tot een ander kerkverband, maar men was hem nog niet vergeten. C. Meijer stelde de brief op 21 november 1924 op. J. Hol en A. Huigen zetten er ook hun handtekening onder. „Zóó had zich dus ongemerkt en zonder eenige berekening een Comité van drie personen gevormd.” Hol werd voorzitter, Meijer was secretarispenningmeester.
In de schriften werd een kopie van alle correspondentie opgenomen. De comitéleden schreven aan ds. Vreugdenhil dat ze hem al meermalen in Westzaan en Amsterdam hadden beluisterd. Zo ook op 19 november, en nu waren er „velen uit en buiten de Chr. Geref. Kerk” die hem ook in Zaandam wilden laten preken. „Ik zou veel kunnen schrijven, want de dagen zijn donker, de dood schijnt te gaan heersen over ’t leven en Gods lieve volk is de zondebok bij vele belijders. Als dezulken er maar eens ‘uit’ zijn, dan zal het goed gaan!” verzuchtte Meijer. „En waar nu de ontdekkende Waarheid die Gij en anderen nog moogt brengen, ook in onze Gemeente en in geheel Zaandam als een harde rede wordt aangehoord en zelfs als te diepgaand wordt aangemerkt, maar juist Gods arme volk die Waarheid begeert voor hart en leven en bij alle gebrek, dor- en dodigheid juist belijden moet: „Daarin is het leven van mijnen geest” – geve de Heere eens veel beleving! – daar is het, dat het Comité namens velen uit Zaandam de hartelijke begeerte uitspreekt: „Ds. Vreugdenhil, kom eens in Zaandam prediken!” U is hier geen onbekende – hebt Ge de mensen uit Zaandam jl. woensdag niet opgemerkt? – och, stel ons niet teleur en voldoe, zo de Heere U vrijmoedigheid en genade verleent, daartoe aan ons vriendelijk verzoek.”
„Nóóit te vergeten!”
„Ik ben niet de man om kerkjes te stichten en vooral niet in dezen zoo donkeren tijd,” antwoordde ds. Vreugdenhil. Het vervolg van zijn brief heeft Meijer niet overgeschreven, maar uit het antwoord blijkt dat ds. Vreugdenhil gevraagd had of er wel contact met de naburige Gereformeerde Gemeenten was opgenomen. Het comité antwoordde dat er met ouderling E. Kuyk en anderen uit Amsterdam contact was geweest. Met Westzaan was er nog niet gesproken, maar dat kon gebeuren als ds. Vreugdenhil dat wilde.
De predikant van Borssele durfde het dringende verzoek uit Zaandam niet naast zich neer te leggen. Op 15 januari 1925 zou hij er voor het eerst voorgaan. Het comité mocht het Evangelisatiegebouw aan de Botenmakersstraat huren van de Vereniging ter verbreiding der Waarheid, mits „het slechts eene gewone Godsdienstoefening zoude zijn en er geen ‘politieke’ bijbedoelingen waren, om nl. scheuring teweeg te brengen in de Chr. Geref. Gem.”
De kerkenraden van de Gereformeerde Gemeenten in Westzaan en Amsterdam werden ervan op de hoogte gesteld dat ds. Vreugdenhil zou komen. Omdat van hen niemand aanwezig kon zijn, „werd angstvol besloten dat J. Hol voorlezer, A. Huigen collectant en C. Meijer organist zou zijn. Dat de Heere over mocht komen, was de hartelijke bede van het Comité!” Veel Zaandammers beluisterden
Veel Zaandammers beluisterden ds. Vreugdenhil op 14 januari toen hij in Westzaan een kostelijke preek over Numeri 14:24 hield, noteerde Meijer. De volgende dag haalde hij de predikant per autobus af op diens logeeradres bij de weduwe Tanger. „Zóó was dus de langverwachte avond, met angst en vreeze tegemoet gezien, gekomen! Donderdag, 15 Januari 1925, nóóit te vergeten! Onder ’t zingen van Psalm 25:7, dat eerbiedig opklonk, betrad Ds. den predikstoel. Zoals hij ons later getuigde, bevreesd: ‘Zal ik hier tot bespotting zijn?’, maar later vredig en kalm, daar de vrede Gods en de goedkeuring des Heeren in zijn hart daalde. Eene schare, zeer gemengd, van ± 250 personen zat rustig, stil en vol aandacht neder. Ds. sprak naar aanleiding van Openbaringen 1:5b, 6.”
Na de dienst was er gezelschap bij P. Meijer in de Harenmakersstraat. Het huis staat er nog steeds, het houtwerk donkerrood geverfd. Daar logeerde ds. Vreugdenhil, en hij „vertrok Vrijdagmorgen naar de Haarlemmermeer, om zijne ouders te bezoeken. Het was Ds. goed in Zaandam geweest te zijn!” Op zijn advies werd ds. H. Kieviet voor de volgende dienst uitgenodigd, maar die kon nog niet komen.
Alleen wonen
Op 23 januari 1925 werd in het Evangelisatiegebouw een vergadering gehouden om te komen tot het stichten van een Gereformeerde Gemeente. Er waren negen personen aanwezig: J. Hol, A. Huigen, P. Meijer, zijn zoon C. Meijer, D. Beunder en de dames G. Kruijver-Kools, A. Bakker-Kools, E. de Graaf en weduwe Huigen. Uitvoerig werd gesproken over de moeilijkheden die gepasseerd waren. De weduwe Huigen en haar zoon Bram verklaarden bepaald te zijn bij de woorden „Dit volk zal alleen wonen.” De groep bedankte op 2 febru
De groep bedankte op 2 februari met een gezamenlijke brief als lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ook L.J. Roepert-van Poppel, H. Meijer Pzn. en zijn schoonzus, de weduwe van P. Meijers zoon Dirk, zetten er hun handtekening onder. De kerkenraad ging geen gesprek meer aan, maar las hun namen de eerstvolgende zondag af.
Inmiddels waren er op zondag 25 januari leesdiensten gehouden in de voorkamer van P. Meijer. Tijdens de eerste dienst las J. Hol voor zo’n twintig mensen een preek van ds. E. Fransen over Openb. 1:17-19. ’s Middags beluisterden vijftien personen de preek van ds. B. Smijtegelt over Ezech. 34:31 die A. Huigen voorlas. Meijer noteerde overigens dat er „reeds meermalen ten huize van dezen of genen Godsdienstoefening gehouden” was.
Reeds vanaf de volgende zondag, 1 februari, kon het groepje terecht in een gebouw aan de Langestraat van de Christelijke Jongelingsvereniging (CMJV). Het droeg als naam: “Hebt de waarheid en den vrede lief.”
Ook elke donderdag werd leesdienst gehouden, en dat gebeurde nog bij P. Meijer thuis. Diens zoon Cor gaf 13 jonge kinderen les uit het vragenboekje van Donner, en J. Hol onderwees 9 oudere catechisanten uit Hellenbroek.
Inmiddels voegden de families J. de Boorder, B. Huisman (hij was later predikant in vrije gemeenten) en D. Stroo en de dames Rot en J.J. de Mie zich bij de nieuwe gemeente. Bij de weduwe Meijer werd gezelschap gehouden.
Tamelijk heftig
Een gift van een rijksdaalder van „eene medelevende zuster” uit Purmerend werd met een bedankbrief van vijf kantjes beantwoord. Het kwam allemaal in Meijers schriften te staan. Hij noteerde de ontwikkelingen van dag tot dag tot in detail.
De tweede zondagavond was het aantal kerkgangers al gegroeid tot 39. Mej. G. Meijer was de vaste organiste. Dat zal niet altijd meegevallen zijn, want er was al direct verschil van mening over het tempo van de gemeentezang, zo bleek tijdens een vergadering „die onder ’t loeien der elementen begon en eindigde.”
En zo waren er meer strubbelingen. Het ene comitélid kreeg commentaar omdat zijn gebed moeizaam ging, het andere omdat hij vanwege de tijd weleens wat uit een preek wegliet. Dat laatste leverde „een flink, tamelijk heftig gesprek” op, en dat slechts vijf weken na de start van de gemeente.
Afdeling van Westzaan
Voor twee weekdiensten werd de bovenzaal van café De Harmonie gehuurd: op 16 maart ging ds. Vreugdenhil opnieuw voor en op 24 maart kwam ds. J.R. van Oordt. De Zaandammers ervoeren dat de Heere Zich niet onbetuigd liet, „en gaf Hij ons eenen andermaal ds. J. Vreugdenhil te beluisteren, die voor zichzelf met vrede voor eigen hart had mogen prediken en kennelijk de goedkeuring des Heeren mocht smaken aan zijne ziel.”
Dat was ook de ervaring van ds. Van Oordt. Zijn preekbeurt werd bijgewoond door vier kerkenraadsleden uit Westzaan, waar hij consulent was. Na de dienst leidde de predikant een vergadering waarin de groep in samenspraak met de kerkenraad besloot een afdeling van de Westzaanse gemeente te worden.
Het comité had er behoefte aan zijn motieven aan de christelijke gereformeerde classis duidelijk te maken. Het schreef in een brief aan ds. W. Bijleveld op 6 april over „dat volk, dat mét haren geliefden Oud-Leeraar, Ds. J.A. Riekel, wel veracht wordt, maar nochtans opkomt voor de verkondiging der oude, beproefde, bevindelijke waarheid en de beleving daarvan. De Kerkeraad, inzonderheid ouderling G. IJskes, betoonde zich daartegen en verbood Ds. Riekel in Zaandam te komen prediken, wijl men bang is, dat daardoor aan dien geliefden prediker en aan de waarheid, die gebracht is geworden, te veel gehecht zal worden gebleven. Men staat die waarheid tegen! Men begeert ze niet voor Zaandam!” Protesten hadden niet gebaat; de
Protesten hadden niet gebaat; de toestand was onhoudbaar, daarom had de groep zich afgescheiden, en op die brief was „tot heden taal noch teeken vernomen,” zo werd nu aan de classis gemeld.
Bloei en ondergang
Oefenaar H. van Schothorst preekte op 21 april voor zo’n 90 personen in het Evangelisatiegebouw; ds. H. Kieviet ging op 6 mei voor in De Harmonie. Ds. R. Kok bediende op 11 mei in het Evangelisatiegebouw de doop aan Engelina Guardina Hol en Simon de Boorder, waarbij zo’n honderd mensen aanwezig waren. Tijdens de leesdiensten waren er meestal 30 tot 35 perso-nen, maar op Eerste Pinksterdag (31 mei) was een recordaantal aanwezig: 48. Het leek allemaal goed te gaan!
De secretaris-penningmeester van het comité, C. Meijer, kocht een kruidenierszaak in Wassenaar en kon daarom voortaan alleen ’s zondags catechiseren, als hij in Zaandam was. Ds. Van Oordt bevestigde op 4 juni het huwelijk van Dirk Beunder en Elizabeth de Graaf. „’n Plechtig oogenblik!”, noteerde Meijer. Het jonge echtpaar vertrok ook naar Wassenaar, maar keerde later terug naar Zaandam, waar Beunder bijna 46 jaar ambtsdrager in de Gereformeerde Gemeente was. De classis Amsterdam van de Gereformeerde Gemeenten wijdde op 16 juni 1925 geen woord aan het ontstaan van de nieuwe afdeling, althans, in de notulen van deze vergadering. Drie dagen later kwam ds. B. van Neerbos uit het verre Terneuzen preken.
Na een ledenvergadering op 29 juni 1925 schreef C. Meijer: „Het samenzijn met de broeders versterkte de band, was aangenaam en mocht strekken tot eere des Heeren.” Daarna notuleerde hij alleen nog een comitévergadering op 17 augustus. In deze notulen ontbreekt de opgewekte, verwachtingsvolle toon uit zijn eerdere verslagen. Zakelijk noteerde hij wat er was besproken. Er werd overwogen ds. J. Vreugdenhil op 1 september de eerste Avondmaalsdienst te laten leiden, maar dat was op zo’n korte termijn niet haalbaar. De collecteopbrengsten vielen tegen. Inmiddels was J. Hol tot ouderling benoemd, A. Huigen tot diaken en C. Meijer tot scriba. Ze zouden later in die week laten weten of ze dat aanvaardden.
Daarna is het misgelopen. Door onenigheid viel de afdeling uit elkaar. Ging het meningsverschil over de verkozen ambtsdragers? In de schriften van Meijer en de notulen van Westzaan staat er niets over vermeld. Ook de classisnotulen zwijgen er in alle talen over.
„Ik had er last van, dat alles onder elkander zo verbrokkeld ligt, want de wereld laat het zien als ze iets tegen elkaar hebben, die is op dat punt eerlijk,” schreef L.J. Roepert-van Poppel aan haar vriendin G. Kruijver-Kools.
Geen belijdenis
Na deze teleurstelling las een aantal mensen ’s zondags thuis een preek. De familie Roepert ging toch maar weer naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. „Doordeweeks liepen we naar de Gereformeerde Gemeente in Westzaan om daar diensten bij te wonen,” vertelde mevrouw C. Meijer-Roepert. „Mijn moeder ging ook vaak met haar vriendin Kruijver-Kools naar kerkdiensten. Of ze gingen naar het gezelschap bij de oude Bram Faas. Die woonde in een schuurtje.”
Ondertussen kreeg de Christelijke Gereformeerde Kerk een opvolger voor ds. Riekel: ds. H.C. Binee, die van 1907-1912 in Zaandam had gestaan, stond er van 1927-1943 opnieuw. „Mijn oudste zus en haar vriend gingen bij hem op de belijdeniscatechisatie,” vertelde mevrouw Meijer-Roepert. „Ze beantwoordden de vragen voor de kerkenraad. Aan het eind van de bijeenkomst zei ds. Binee: „Nu heb ik nog één woord. Zondag doen jullie belijdenis; de week daarna verwacht ik jullie aan het Heilig Avondmaal.” „Dat doe ik niet,” zei mijn zus.
„Dat doe ik niet,” zei mijn zus. „Mijn moeder heeft altijd gezegd dat daarvoor een Goddelijk recht nodig is.”
„Dan kun je geen belijdenis doen,” zei de kerkenraad. Zo kwamen ze thuis. „Is die dominee nu helemaal raar geworden?” zei moeder. We hielden het bij het boekje van ds. J. Fraanje waar we elke zondagavond uit lazen. Iemand las dan hardop, en halverwege was er koffie en koek.
Mijn zus deed geen belijdenis en kon ook niet in de kerk trouwen. Omdat mijn moeder in de prediking van ds. Binee veel miste, liep ze regelmatig naar de Christelijke Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Oost, waar ds. D. Driessen stond. Ik liep mee, ook al was dat een grote afstand voor een kleuter. Het werd moeder echter te veel.”
Naar ds. Kersten
Inmiddels had opnieuw een groepje mensen de Christelijke Gereformeerde Kerk in Zaandam verlaten. Er ontstond een gezelschap, en dat kwam bijeen in het gebouw “Hebt de waarheid en den vrede lief,” waar in 1925 ook al diensten waren gehouden. „Moeder ging er ook eens luisteren en nam de kinderen mee. Daar hoorde ze preken waarin haar hart werd verklaard. Vader bleef eerst nog naar de Christelijke Gereformeerde Kerk gaan, maar ging al snel met moeder mee. „Leen, dat is de waarheid,” zei hij tegen moeder.” Ouderling C. den Hertog van
Ouderling C. den Hertog van de Gereformeerde Gemeente in Ter Aa, die in Amsterdam-Noord catechiseerde, wilde dat in 1930 ook in Zaandam wel komen doen, al was het groepje nog nergens bij aangesloten.
Er ging een verzoek naar de Gereformeerde Gemeente in Westzaan om hulp. Gezien de ervaringen met de afdeling die er eerder in Zaandam was geweest, reageerde de kerkenraad echter terughoudend.
Een van de Zaandammers, D. Beunder, wilde echter graag weer een geordend kerkelijk leven tot stand brengen. Hij correspondeerde daarover met ds. G.H. Kersten.
„Moeder bezocht haar zus in Rotterdam ieder jaar met biddag en dankdag, en ik, als jongste kind, ging altijd mee,” zei mevrouw Meijer-Roepert. „Ze maakte nu van die gelegenheid gebruik om ook ds. Kersten te bezoeken. Ds. Kersten heeft toen tegen Westzaan gezegd: „Jullie moeten in Zaandam gaan lezen, want daar zitten mensen die hongeren en dorsten naar de waarheid.” We verlieten de Christelijke Gereformeerde Kerk en werden weer lid in Westzaan.”
Toch een gemeente
In 1934 werd in Zaandam opnieuw een afdeling van de Gereformeerde Gemeente in Westzaan gevormd. A.C.A. Tak, afkomstig uit Rotterdam, werd ouderling en D. Beunder diaken. In 1936 nam ouderling B. Roest uit Scherpenzeel de catechisaties over van ouderling C. den Hertog. Roest at elke maandagavond bij de familie Roepert en gaf daarna in de meubelwinkel van de familie Huisman lidmatencatechisatie.
Ds. J.R. van Oordt, destijds nog in Opheusden, had bemoeienis gehad met de eerste afdeling die in Zaandam was ontstaan. Hij was al jaren predikant in Zeist toen hij op 1 december 1938 naar Zaandam kwam om de gemeente te institueren.
Het vroegere comitélid A. Huigen was korte tijd ouderling. Van de bezoekers van de diensten van het eerste comité dienden er verscheidenen lange tijd in het ambt in de gemeente die nu toch was ontstaan: D. Beunder, D. Stroo, H. Meijer en W. Roepert. Over de geschiedenis van de gemeente Zaandam heeft ouderling J. Tanger in 2015 geschreven in het jubileumboek van de Gereformeerde Gemeente te Westzaan.
Student Blok
C. Meijer-Roepert vertelde dat haar zus Lena (1910-1989) met Gerrit Huisman was getrouwd. „Daar logeerden de predikanten. Na de dienst was er vaak gezelschap. Tijdens de oorlog is er weleens controle gekomen, omdat het er zo druk was.” Als een predikant iets bij Huisman kocht, regelde de winkelier gelijk maar een preekbeurt.
Moeder Roepert-van Poppel leed aan reuma. „Ze lag later veel op bed. Maar ze ging zo graag naar de kerk dat ze zich erheen sleepte. „Ze zullen jou nog dood uit de kerk moeten dragen,” zei ds. P. Honkoop sr. vanaf de kansel tegen haar. Moeder zei toen zachtjes tegen me: „Ach, kind, het zou het slechtste plekje niet wezen.””
Student M. Blok schreef op 1 oktober 1943 aan de familie Huisman: „U weet, ik ben dinsdagmiddag half drie van ulieden weggegaan. Mijn hart schreide. Het waren ook zulke aangename uren, bij ulieden doorgebracht, vooral ’s maandagsavonds.
Ik was op tijd in Bodegraven en heb daar ’s avonds gesproken. Woensdagmorgen ben ik naar R’dam gegaan en was daar ongeveer half 10. Thuisgekomen zijnde lag er nog geen vergunning voor Flakkee, dus stond ik in tweestrijd wat te doen. Ik besloot te gaan, doch ik was er toch huiverig van. Door de eerste controle in Hellevoetsluis ben ik doorgekomen, doch op Middelharnis-haven, vijf minuten fietsen van mijn schoonouders, moest ik terug. Ik mocht niet door van de controleurs. Zij waren wel erg vriendelijk, want zij gaven niet eens een standje, doch zij durfden mij niet doorlaten. Dan moest ik heel de reis naar R’dam terug maken. Ik was er zeer stil onder en ben gelaten teruggegaan. Ik werd weer eens gewaar dat ik een vreemdeling hier beneden was, doch mijn oog druipte tot God. Thuisgekomen zijnde heb ik een brief aan mijn vrouw geschreven hoe de toestand was. En, wat ik verwachtte, deze was het ter ore gekomen dat ik bij Middelharnis-haven terug moest, dus is zij vrijdagmorgen naar Rotterdam gekomen. (...) Wil ulieder moeder hartelijk groeten. Zij heeft bijna de raad Gods uitgediend en zal straks de onverderfelijke kroon ontvangen gelijk allen die ontvangen die de verschijning Christi hebben liefgehad. Als Bart Roest komt, wil hem
Als Bart Roest komt, wil hem groeten. (...) Hij binde ulieden aan de troon der genade. Zeg dat ook aan uw broeder, vrouw Huisman, en vraagt aan hem waarom zijn ogen vol tranen waren toen ik wegging.”
Mevrouw Roepert afgereisd
Lena Johanna Roepert-van Poppel overleed op 15 november 1943. Haar dochter, mevrouw Meijer, vertelde: „Dat was onvergetelijk. Ik woonde nog thuis. De verpleegster zei tegen verschillende familieleden: „Ga maar thuis eten, want als jullie hier zitten, houdt dat het sterven tegen.” Mijn zus ging brood halen; de anderen gingen naar huis. Vader had tegen een muur geleund staan huilen, maar kwam naar het bed. Ik was de tafel aan het dekken, maar hij riep: „Corrie, kom gauw!” Ik liep naar de voorkamer. Moeder draaide zich op haar rug, deed het laken netjes over zich heen, legde haar benen bij elkaar en deed haar handen samen. Met een glimlach keek ze naar boven. Zo is ze overleden.”
Een van de vrienden schreef over de begrafenis dat er veel volk was, onder anderen W. Kniep en zijn vrouw uit Aalsmeer en Ali Ipema. Ouderling B. Roest las Openbaring 7 in het sterfhuis en sprak daarover. „Voor het eten heeft Roest gebeden, en ds. P. Honkoop deed het gebed daarna. In de aula heeft ds. Honkoop gesproken over het geluk van dat volk wat ze hiernamaals ten deel zou vallen, maar hoe ze hier door het tranendal gaan.”
Op de begraafplaats sprak student M. Blok over: „De liefde is sterker dan de dood.” „Een grote schare volgde in alle stilte de spreker. De oude heer Kniep sprak namens de familie een dankwoord. Thuisgekomen heeft Roest gelezen Openbaring 22 en daaruit gesproken, student Blok gebeden, en Kniep gedankt. Op verzoek van Roest werd gezongen Psalm 68:2 en 10, op verzoek van Kniep Ps. 69:14 en op verzoek van Hol uit Amsterdam Ps. 68:7.”
Razzia
In de laatste maanden van de oorlog kon student Blok niet meer naar Zaandam komen. Hij bedankte het echtpaar Huisman voor de aardappelen die het had gestuurd. „Met vrouw en kinderen gaat het redelijk wel. Ik preek in Rotterdam-Zuid of in de naburige gemeenten.”
Tijdens de grote razzia in november 1944 was hij niet weggevoerd. Hij was 35 jaar, maar werd waarschijnlijk aangezien als iemand van boven de 40, en daarom hoefde hij niet mee: „Voor de vordering ben ik wonderlijk bewaard. De Duitschen zijn in mijn woning geweest, ik heb ze zelf te woord gestaan, doch God verblindde hun oogen. De Heere had mij voor ze kwamen gesterkt uit Ps. 62.
Bij tijden hijgt mijn ziel naar de volmaaktheid om ontslagen te worden van mijn grootste tiran, namelijk de zonde, waarbij wij zoete vereniging ondervinden met des Heeren raad en wil.”
Gezelschap in Zaandam
Ook de andere vrienden bleven na het overlijden van mevrouw Roepert contact houden met haar dochter en schoonzoon Huisman. Ali Ipema uit Zwolle schreef: „De Heere heeft menigmaal getuigenis van Zijn eigen werk, het werk Zijner heilige vingeren, onder jullie dakje willen geven.” Moeder Roepert was volgens een
Moeder Roepert was volgens een van de vrienden „er de vrouw niet naar om haar gedachten onder stoelen of banken te steken.” Een psalmvers dat ze graag zong, was Psalm 3:2: „Maar trouwe God, Gij zijt het Schild dat mij bevrijdt...”
Willem Kniep (1856-1951), in 1926 gehuwd met Leuntje Schra (1901-1993; ze was zijn derde vrouw), schreef in 1946: „Wij gaan om de veertien dagen een nachtje naar Zaandam en hebben daar een gezelschap van verschillende kerkvormen. Daar wordt nog een band van liefde waargenomen. We mogen nog gedurig waarnemen dat de Heere in ons midden is. Het is een wonder in de donkere dagen die wij beleven. Vindt u ook niet? Vorige week maandag zijn wij er
Vorige week maandag zijn wij er geweest. Vandaar zijn we dinsdagmorgen met elkaar naar Enkhuizen gegaan. Wij hebben daar zulke wondere dagen beleefd. En of wij in ’t spoor zaten, of waar wij ook kwamen, overal was de Heere. De zoete vrede en liefde onder en met elkaar, het is niet om uit te drukken.”
Een meisje uit de gemeente herinnerde zich hoe mevrouw Kniep op haar logeeradres de vaat afdroogde. „Ondertussen zong ze Psalm 25:2; ze had een stem als een bazuin. Ze liep in het zwart; ik had helemaal niet het idee dat ze zoveel jonger was dan haar man.”
Ds. Keck en ds. Verhagen
Kniep en zijn vrouw waren in Zaandam zo bekend dat ze er in de Gereformeerde Gemeente aan het Avondmaal mochten deelnemen, hoewel ze geen lid waren. Mevrouw Meijer-Roepert vertelde: „Ze waren eens in Zaandam toen mevrouw Holleman naar hun logeeradres belde en tegen m’n zus zei: „Laat Kniep en zijn vrouw morgen naar de Oostzijde komen.” Daar zou de hervormde ds. D.Th. Keck uit Staphorst voorgaan. Het trok mevrouw Kniep aan, maar haar man zei: „Nee, dat doen we niet; we mogen hier altijd aan het Avondmaal, dus dan gaan we nu niet naar ds. Keck. Dan hoeven we ook niet de auto te pakken.” Toen kwamen ds. Keck en mevrouw Holleman na de dienst naar m’n zus om het echtpaar Kniep te ontmoeten. Ds. A. Verhagen was er ook en die had het niet zo op ds. Keck, omdat die tijdens de oorlog als pro-Duits bekend stond. Hij zei: „Ik ga achter deze kachelpijp zitten en je zet Keck maar achter die andere pijp. En ik zeg geen woord.”
Toch ontstond er een gesprek, en dat verliep niet alleen heel rustig, maar het viel ook goed. Ds. Verhagen zei: „Ik zal een hoofdstuk lezen en dan doet u maar een gebed.” „Nee, dat doet u,” zei ds. Keck. Maar ds. Verhagen hield voet bij stuk: „Dat kunt u beter dan ik; ik doe het niet.” Ds. Keck eindigde. Bij het afscheid noemden ze elkaar „broertje”; zo vlak was het gevallen.”
Die nare dijk...
Toen Kniep in 1951 overleed, schreef ds. W.L. Tukker in de hervormde kerkbode van Delft: „Er is een grote in Israël gevallen.”
Knieps weduwe verhuisde begin 1952 naar Veen. Al snel schreef ze aan het echtpaar Huisman (met enkele tussenvoegingen, LV): „Was toch zo vast van plan om naar Zaandam te komen met de Biddag, ’k had het met de fruitwagen al afgesproken, en daar komt Ali (Ipema) onverwacht, omdat ze geschreven hadden dat ze het met Betje (van der Velden-Bouman) niet vertrouwden, en had ze zich ongerust gemaakt dat ze haar niet meer zou zien. En ik dacht eerst: Ik ga toch, maar toen ze er was, en (ouderling A.) Versteeg ook kwam, en onder elkander zo makkelijk, kon ik er niet meer toe komen. Ali zei: „Dat zul je mij toch niet aandoen, daar ik zo verlangd heb om onder elkander te zijn, dat je weggaat,” en een troostprijs voor me in gedachten dat Ds. Blok toch ook hiernaartoe kwam, en ik dacht: och, Ds. zal wel zo naar de kerk komen, of eerst naar Betje gaan, maar nee, hij kwam voor kerktijd naar mij toe.
Wat was ik er toch rijk mee dat Ds. bij mij brood at, en even vertrouwelijk gepraat. Hij zei: O, die nare dijk hier, en was niet van plan om het voorlopig weer te doen, maar heeft erg makkelijk gesproken, uit Habakuk, Uw werk, Heere, enz. Jullie hebben die preek ook al gehoord. En ’s avonds nog naar Betje, die was toen aardig goed, en het viel erg lief met elkaar. ’k Was er toch zo blij mee. Ze zei toen Ds. weg was: hij heeft de ingewanden der heiligen verkwikt.”
Ds. Blok had toch een volgende preekbeurt in Veen afgesproken, en vrouw Kniep nodigde de familie Huisman uit om erbij te zijn.
Heimwee Gerrit en Lena Huisman ont
Gerrit en Lena Huisman ontvingen ook brieven van ds. M. Blok, die hen als „zeer geliefde kinderen” aansprak. Zijn ziel was „vervuld met een sterk heimwee,” schreef hij in 1952. „Ik dacht aan de vele lieve kinderen Gods waarmee ik geleefd had en die zijn voorgegaan in de eindeloze vreugde. O, lieve kinderen, het was of ik ze zag voor de troon: uw moeder, Kniep, ja noem ze maar op.” „Gode bevolen van een dienstknecht in een keten, die jullie lasten oprecht dragen mag voor de troon van Hem Wiens ogen de ganse aarde doorlopen.”
Huisman zei eens tegen ds. Blok: „Die preek had ik al van u gehoord.” „Gerrit, Gerrit, wat erg dat jou alles twee keer gezegd moet worden,” reageerde ds. Blok gevat. Ali Ipema schreef aan de familie
Ali Ipema schreef aan de familie Huisman: „Groet ons aller lieve vriend ds. Blok toch van ons. De Heere spare hem nog maar; geve hem Zijn gemeenschap.” Van Ali’s vrienden overleden ds. M. Blok en ds. P. Zandt enkele weken na elkaar, toen het jaar 1961 nog maar pas begonnen was. Leuntje Kniep-Schra hertrouwde met J. Smits (1896-1969), ouderling in de Gereformeerde Gemeente te Meeuwen.
Catecheet Roest In Zaandam bleef ouderling
In Zaandam bleef ouderling Roest uit Scherpenzeel tot 1968 catechiseren, meer dan 30 jaar lang. Hij logeerde bij diaken W. Roepert. Soms week hij uit naar Roeperts zwager, diaken H. Bijkerk. Diens dochter, C. van Klaveren-Bijkerk uit Woudenberg, herinnerde zich die logeerpartijen: „Mijn geboortehuis aan de Peperdwarsstraat in Zaandam bestaat niet meer. We woonden boven het boter- en kaaspakhuis van mijn vader. Op zolder sliepen mijn zus en ik in het achterste kamertje, Roest in het midden en mijn ouders, die hun bed afstonden, vooraan op de overloop. We mochten ’s morgens pas tevoorschijn komen als we het plonzen van het water in de lampetkan hoorden; dan wisten we dat meneer Roest wakker en aangekleed was.
We zaten niet op een school van de eigen richting. Als je zes jaar was, ging je al naar de catechisatie. Roest droeg altijd een lange ‘preekjas.’”
Doe het nou maar...
Haar opa Abraham Roepert was koster. Zijn dochter, mevrouw Meijer, vertelde: „Moeder was tegen het ziekenfonds en overheidsuitkeringen geweest. Toen vader het werk in de tuinen niet meer kon doen, zat hij zonder inkomen. Toen werd hij koster.
Dat leverde niet veel op, maar alle beetjes hielpen. Toen vader het kosterswerk ech
Toen vader het kosterswerk echter ook nauwelijks meer aankon, nam mijn man het voor hem waar. Vervolgens namen we het helemaal van vader over. Omdat we naast de kerk woonden, verbleven de predikanten altijd bij ons; ze konden binnendoor naar de kerk.
In 1971 stond mijn man kandidaat voor diaken. „Dat doe ik niet; haal me maar van de lijst,” zei hij. Hij bleef er echter op staan. We kenden de consulent, ds. R. Boogaard, goed. Die zei: „Doe het nou maar. In zo’n kleine gemeente is het toch al moeilijk om mensen te vinden.” Op 28 april 1971 is m’n man bevestigd, tegelijk met de andere nieuwe diaken, D. Kaai.”
P. Meijer bleef diaken tot hij in 1985 naar Rijssen verhuisde. Kaai diende 43 jaar in dat ambt, tot hij in 2014 naar Nijkerk vertrok. Inmiddels was de gemeente van Zaandam in 2012 samengevoegd met die van Amsterdam-Noord. Dat gebeurde ongeveer een eeuw nadat de eerste diensten waren gehouden vanuit liefde „voor de verkondiging der oude, beproefde, bevindelijke waarheid en de beleving daarvan.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2016
Oude Paden | 64 Pagina's