Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom de kansel van Woudenberg

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom de kansel van Woudenberg

Kerkendienaars en hun spreekplaatsen • Deel 63

20 minuten leestijd

Woudenberg ligt in het centrum van ons land. De naam van deze plaats in de Gelderse Vallei herinnert aan het bos (woud) waarin ze is gelegen. In vroeger dagen heette dat bos het Westerwoud, ook wel het Woud geheten. Omdat de plaats op een heuvelrug ligt, is het tot Woudenberg geworden. De kerk was oorspronkelijk een slotkapel en was inclusief het slot door een gracht omgeven. In 1353 werd het slot gesloopt, nadat het als gevolg van allerlei twisten tussen edelen over het eigendomsrecht geruïneerd was. Op de plaats van de houten kapel werd een stenen bedehuis gebouwd, om in de geestelijke behoeften van de bewoners rond het voormalige slot te kunnen blijven voorzien.

De kerk werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië. Vanwege de twisten tussen de hertog van Gelre en de bisschop van Utrecht, waarbij Woudenberg in de frontlinie lag, is die kerk in de vijftiende eeuw verwoest en werd een nieuwe kerk gebouwd, waarvan alleen de toren en een gedeelte van het schip nog over is. In 1808 werd de kerk vergroot. Het koor van de kerk brak men toen af. Anderhalve eeuw later werd de kerk nog eens vergroot tot de huidige situatie.

De Reformatie kwam in Woudenberg moeizaam, maar ook heel geleidelijk aan tot stand. De eerste predikant, Cornelis Jansz, die ervan circa 1580 tot 1593 stond, werd afgezet. In een visitatierapport van 1593 staat dat hij tot de ‘onlijdelycke en onstichtelycke predikanten’ behoorde. Hem werd ten laste gelegd dat hij veel ‘d’empechementen (=belemmering) ende verstooring’ gaf aan de bevordering van het Evangelie. Ook in het nabijgelegen Doorn.

Zijn opvolger, Hendrik Jansz Puydt, die te Woudenberg eerst schoolmeester was geweest, werd in 1601 eveneens afgezet. Beiden bleken zich in het ambt ingedrongen te hebben. Het kerkelijk leven kwam in Woudenberg pas echt van de grond onder Gerrit Hendriksz van Bree, die er stond van 1601 tot 1612. Volgens het visitatierapport van 1606 verkeerde het kerkelijk leven in een droevige staat. Met name werd de voorganger van ds. Van Bree als kwade genius genoemd. Deze had nog roomse gebruiken bij de begrafenissen en ondanks diens vertrek was er nog een schoolmeester die bij de begrafenissen een ‘paep’ was en voorbede deed voor de doden, en daarbij ook nog een crucifix meedroeg. Hij doopte ook kinderen. Bijna niemand werd door de predikant gedoopt omdat men geloofde ‘dat de kinders, bij de Gereformeerde gedoopt’ zouden sterven. De kerkdiensten die door 150 kerkgangers werden bezocht, werden vaak met ‘groot geraes’ verstoord en aan het Heilig Avondmaal nam niemand deel. Door de opvolger van Van Bree, Johannes Nederlagius, werd vanaf 1613 de gemeente vanaf de kansel geconfronteerd met een remonstrantse prediking. In 1619 moest deze voorganger na de uitspraken van de Dordtse Synode zijn ambt neerleggen, evenals 25 andere predikanten uit de provincie Utrecht. Nederlagius blijkt ‘een seer heftich’ remonstrant geweest te zijn. Nederlagius, die afkomstig was uit Bentheim, is in later dagen remonstrants predikant geworden in Weesp en Edam.

Theodorus van Toll – leerling, neef en geestverwant van Hermannus Witsius – heeft maar liefst vijfenvijftig jaar de gemeente Woudenberg gediend, van 1691 tot 1746. In die periode schreef hij onder andere verklaringen over een aantal kleine profeten, zoals Joël, Amos, Micha en Zefanja. De preek die hij hield vanwege zijn vijftigjarige ambtsbediening in 1741 is uitgegeven en geeft ons een blik in de kerkelijke gemeente. Hij maakt daarin melding van de restauratie van de kerk, het welvaren van de gemeente en de geestelijke stand ervan. ‘Hier komende heb ik eene tabakschuur gevonden/ nu zijn er zoo in als buiten het dorp wel vijftig of meer; en hoe veele huizen uit den grondt op zijn aengebouwt of merkelijk verbetert (…) en gelijk de huizen zoo zijn ook de inwooners zeer vermeerdert/ ook in tydelijke middelen/ door des Heeren zegen niet misdeelt. Ik hebbe hier gevonden en gekent vroome/ oprechte en godtzalige luiden/ die/ naer hun beste kennisse/ met een rein harte/ goede conscientie en ongeveinst geloove Godt lief gehadt/ en gedient hebben; en zoodanigen zijn er en kenne ik noch/ Godt moet er voor gedankt zijn/ die zyne gaven en genade in de menschen kinderen gelegt heeft/ hoewel hun getal nooit byster groot geweest is. Maer ik heb er ook gevonden/ gelijk er noch zijn/ Godt betere het/ die geenzins van den besten stempel waren/ die de waerheit verkracht/ de schaemte verloren/ de eerlykheit uitgedreven/ de gerechtigheid verbannen/ de godvruchtigheid vaerwel gezegt/ en het voorhooft verstaelt hebbende/ alles op hunne tanden en hoornen namen/ niet konden leeven/ als in het vuur van twist en tweedragt. Maer dat zijn ze ook/ welker einde is het verderf, welker godt is de buik’. Hij nam zich voor de tijd die hem nog zou resten als bejaard predikant ‘de booswichten scherpelyk te bestraffen, zorgeloozen wakker en hartnekkigen week te maeken / en Gode te doen swichten om ware het mogelijk/ eenigen te behouden door vreeze en te grypen uit het vuur’. Echter ook ‘de onwetenden te leeren/ zwakken te sterken/ moedeloozen en bedroefden te troosten/ verslagenen en bekommerden getrouheid en standvastigheid in te boezemen etc.’

Van 1782 tot 1784 werd Woudenberg gediend door Samuël van Beuningen. Hij kwam er als kandidaat en vertrok naar Oud-Beijerland. Van Beuningen was de bet-overgrootvader van de grote havenbaron en kunstverzamelaar Daniël George van Beuningen (1877-1955), die medefinancierder was van het Feijenoordstadion en het Havenziekenhuis te Rotterdam en in 1920 het landgoed ‘Noorderheide’ te Elspeet aankocht. In 1939 liet hij er een kapitale villa bouwen. Samuël van Beuningen was een rechtzinnig predikant en schreef in 1826, nadat twee jongens in zijn gemeente Utrecht waren verdronken, aan zijn kleinzoon Willem, de latere predikant van Ameide, de grootvader van de zojuist genoemde havenbaron, een ernstig briefje waarin hij waarschuwde voor het gevaar van het water: ‘Waag U toch nimmer te veel aan het water met te visschen of tot andere eindens, want ’t is wat te zeggen onvoorbereid voor de Schepper te verschijnen’. Het was Samuël van Beuningen die na het overlijden van Michiel Christiaan Vos, zijn opvolger in Woudenberg, de negentien brieven die deze aan hem geschreven had, publiceerde.

In Gods Woord lezen we in het Hooglied van Salomo over kleine vossen die de wijngaarden verderven. Dat gold niet Michiel Christiaan Vos (1759-1825). Vos – die onder meer bevriend was met de bekeerde slavenhandelaar John Newton – groeide op in Zuid-Afrika en kwam door bezoek aan gezelschappen en onder meer het lezen van Cornelis van Niels De donderslag der goddelozen tot bekering en kreeg de roeping tot het predikambt. Hij vertrok naar Nederland om theologie te studeren en was predikant te Woudenberg van 1785 tot 1789. Zijn voorganger Samuël van Beuningen, met wie hij in zijn studententijd bevriend was geraakt, leidde de bevestigingsdienst.

Vos schreef over deze periode in de zevende brief: ‘In Woudenberg vond ik een gemeente, die het voorrecht had genoten, dat er verscheidene Godvrezende leraars achter elkaar hadden gearbeid. Dit waren geen luie dienstknechten geweest en daardoor vond ik er veel te doen, daar ik hetzelfde werk moest verrichten dat die waardige mannen hadden gedaan. Iedere zondag moest ik tweemaal preken en een keer in het openbaar in de kerk catechiseren. Bovendien moest ik elke week nog vier catechisaties houden en een gezelschap van Gods volk leiden en met elkander spreken over de praktijk van de godzaligheid. Al dat werk was mij door Gods genade geen last, maar wel een lust.’

Nadat hij in 1788 bedankte voor een beroep naar Hilversum werd hij een grote opwekking gewaar in Woudenberg. Hij schreef in de achtste brief aan Van Beuningen: ‘Die Geest, door Jezus in Johannes 16 beloofd, om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, werd overvloedig in mijn gemeente uitgestort. Jongen en ouden, mannen en vrouwen, werden tot God bekeerd, en ofschoon het bij allen wel geen goud was dat er blonk, bleek het echter bij een aanmerkelijk aantal vele jaren daarna uit de vruchten, dat die bomen goed geworden waren. O, welk een hemelse tijd was het toen onder ons! De één kwam tot mij lopen met de vraag, onder het storten van veel tranen: ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’ Een ander riep mij van verre toe: ‘Lieve dominee, ik kom u vertellen wat grote dingen God aan mijn ziel gedaan heeft.’ Als men ‘s avonds buiten het dorp ging wandelen, vond men er één achter een bosje op de knieën liggen, roepende tot God om genade, of op een andere plaats een ander dankende voor het geschenk van de overdierbare Jezus. Eens kwam er ‘s avonds een jonge onverschillige losbol van zijn werk de straat in, overluid roepend: ‘Het is hier in Woudenberg haast niet meer uit te houden.’ ‘Wat scheelt eraan?’ vroeg een ander hem. ‘Wel’, zei hij, ‘hier ligt er een op zijn knieën en schreeuwt over zijn zonden; daar ligt er een, die jammert en schreeuwt om genade; straks worden wij hier allemaal nog gek.’ En zie, enkele dagen later kwam de Geest ook bij zijn moeder, bij wie hij nog inwoonde, in huis. Deze vrouw, een weduwe van bijna zestig, werd bekeerd. Een andere jongeman, die enige weken in een staat van overtuiging was, zat met andere Godvrezenden op een zondagavond bij mij in huis. Hij klaagde dat hij geen inzicht had in het Evangelie. Nadat ik hem raad had gegeven, sprak ik vervolgens met de overigen van het gezelschap, terwijl die jongeman er maar heel stil bij zat. Toen het gezelschap weg zou gaan, raakte zijn tong los. Hij had ruim een half uur stil gezeten, maar nu had hij inzicht gekregen in het Evangelie. Hij had Jezus met al Zijn volheid aangenomen en was nu vol liefde, blijdschap en dankbaarheid. O, welk een hemelse taal sprak hij toen! Wie is een leermeester gelijk Jezus? Deze overdierbare Profeet leert als het Hem belieft door Zijn Geest in een uur meer dan al de hogescholen in duizend jaren kunnen leren. Het hele gezelschap werd door de Geest verwarmd en geheel vervuld van Gods liefde tot arme zondaren. Het vertrek waarin wij zaten werd ons allen als een voorportaal van de hemel. Allen wilden naar Jezus snellen om van alle onvolmaaktheid ontslagen te worden, en Hem zonder gebrek te dienen en zonder hinder te genieten.

Hier, mijn vriend, was ik nu echt in mijn element. Ik haalde dagelijks mijn hart op met de jongbekeerden en ook met de ouden, die hierdoor als uit de slaap wakker gemaakt en recht verlevendigd werden. Ik vergat voor een groot deel mijn kruis en zou nu wel al mijn leven hier hebben willen doorbrengen.’

Echter, de gemeente Pijnacker beriep ds. Vos en hij moest daarheen. Over zijn afscheidspreek van Woudenberg vertelt Vos het volgende: ‘Ik preekte mijn afscheid op 27 september 1789 over Handelingen 11:23. En zie, toen behaagde het de Heere ook nog één uit de gemeente als een vuurbrand uit het vuur te rukken. Het was een ondeugende jongen, een zoon van een Godvrezende moeder. Hij kwam niet naar de kerk en nooit naar de catechisatie. Uit nieuwsgierigheid was hij naar mijn laatste preek komen luisteren, en ook om de vele mensen te zien. Het was Gods tijd om de vele gebeden van zijn vrome moeder om de bekering van haar zoon te verhoren. Mijn God bestuurde mij om in mijn toepassing zulke personen aan te spreken. Ik zei hun dat al de preken, die ik hier had uitgesproken, en die zij zonder voldoende redenen voor God hadden verzuimd, voor hun rekening lagen, al hadden zij die ook niet gehoord. Straks zouden zij geroepen worden om rekenschap af te leggen welk voordeel zij voor zichzelf daarmee hadden gedaan. Deze woorden gingen hem - zoals hij mij ruim een jaar daarna vertelde - als een tweesnijdend zwaard door zijn hart. Hij werd van dat ogenblik overtuigd en was een jaar later een leesbare brief van de genade.’ Een aardige ontboezeming over de tijd dat er in Woudenberg een rechtzinnige prediking te beluisteren was slaakte ds. J.T. Doornenbal in de Veluwse Kerkbode nadat hij in gebouw Rumelaar had gesproken en in herinnering bracht dat hij een beroep naar Woudenberg kreeg: ‘Toen ik in mijn candidatentijd eens in Woudenberg preken moest, achtte ik het nodig de gemeente te herinneren aan wat er in het verleden aan wonderen in haar midden was gebeurd. Ik zei ook, dat het nu zo’n andere tijd was dan toen, en dat dit toch wel smartelijk was, maar dat de Heere toch dezelfde God was, en dat ’t ook nu nog kon, want dat Hij Zijn Sion nooit kon vergeten, omdat ze in Zijn handpalmen was gegraveerd, en haar muren steeds voor Hem waren. Hoe het nu precies gekomen is weet ik niet, maar één ding is zeker: de gehele gemeente was woedend. Domweg woedend! Misschien heeft ’t wat eigenwijs geklonken uit de mond van een jonge candidaat die pas kwam kijken, en wekte ’t de indruk dat ik de gemeente de les stond te lezen, al geloof ik echt niet dat dit mijn bedoeling was. Maar ik lag eruit bij Woudenberg voor vele jaren. Ik rolde dan ook van pure verbazing uit de lucht, toen ik heel veel later, op ’t alleronverwacht, een beroep naar Woudenberg kreeg, en ik ben nu nog niet helemaal van de schrik bekomen’.

Lucas Merens (1795-1863) was van 1817 tot 1819 aan Woudenberg verbonden. Hij wordt tot de orthodoxen gerekend, maar tijdens zijn ambtsperiode te Utrecht – hij heeft daar gefungeerd als scriba en preses van de kerkenraad - was hij er medeverantwoordelijk voor dat Kohlbrugge geweigerd werd lidmaat te worden van de Hervormde Gemeente. Hij vreesde een ontbindende invloed van de felle geest van Kohlbrugge. Dat was echt een misser van Merens, ondanks het feit dat hij vanwege zijn verdiensten bevorderd werd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Petrus Hermannus Hugenholtz (1796-1871) stond van 1819 tot 1823 in Woudenberg. Tijdens zijn verblijf hier verdedigde hij een proefschrift over Romeinen 6. Hij was gehuwd met Catharina Christina van Affelen. Zij was een dochter van de zuster van Bernardus Ledeboer, de vader van L.G.C. Ledeboer. Dat was ook de reden dat niet de consulent op 29 juli 1838 de laatstgenoemde bevestigde in het ambt van predikant te Benthuizen maar zijn neef P.H. Hugenholtz, die inmiddels te Rotterdam stond. Hugenholtz behoorde tot de orthodoxe predikanten. Zo was hij veertig jaar lang voorzitter van het Nederlandsch Zendeling Genootschap. Zijn twee zonen Philip Reinhard en Petrus Hermannus jr. ontwikkelden zich tot uiterst vrijzinnige predikanten. Beiden legden in 1877 hun ambt als Hervormd predikant in Amsterdam neer en zij richtten een vrije gemeente op van modern theologische snit. Hun kerkgebouw fungeert heden ten dage als poppodium. Paradiso, zo is de naam. Maar dat is wel heel ver weg van het Paradijs…

Een bekend predikant die Woudenberg diende was Theodoor Cornelis Reinier Huydecoper (1805-1866). Hij werd predikant in Woudenberg in 1830 nadat hij eerder aan de universiteit van Utrecht was gepromoveerd op een studie over de plechtige intocht van de Heere Jezus te Jeruzalem. Hij werd in zijn dagen een kanselredenaar genoemd en was een der oprichters van de Nederlandse Vereniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken. Hij publiceerde verschillende werkjes over drankmisbruik. Ze werden zelfs in het Engels en Frans vertaald. We zouden zijn prediking kunnen betitelen als ethisch-irenisch. Toen de rooms-katholieken in het midden van de achttiende eeuw emancipeerden, pleitte hij voor grote verdraagzaamheid jegens de rooms-katholieke christenen. Zijn pleidooi tegen het drinken van alcoholische dranken maakte in Woudenberg blijkbaar niet veel indruk. Intrede en afscheid van een predikant brachten namelijk kermisachtige toestanden in het dorp met zich mee, waarbij gedanst werd en de sterke drank rijkelijk vloeide. Toen ds. J.C. van Marken in 1841 na zeven jaar Woudenberg gediend te hebben naar Dordrecht vertrok, werd tegen hem gezegd: ‘’t Is natuurlijk spijtig dat je weggaat, maar het is voor het jonge volk ook wel aardig. We hebben in geen zeven jaar afscheid en intree gehad en de benen moeten toch weer eens van de vloer’.

Blijkbaar bleef de gemeente Woudenberg de kerk ondanks dit trouw, want de belangstelling voor aansluiting bij een afgescheiden gemeente was zeer gering. Wel werden er in Scherpenzeel en Woudenberg regelmatig samenkomsten gehouden op een boerderij in de Voorstraat en de Hopeseweg. Toch werd in 1850 een kerkenraad benoemd en bleef men bijeenkomen als Vrije Oud Gereformeerde Gemeente. Ds. Jacob van Leeuwen ging in later jaren regelmatig voor. In 1938 sloot men zich aan bij de Oud Gereformeerde Gemeenten en een jaar later nam men een kerkgebouw in gebruik aan de Middenstraat. Het kerkgebouw werd tweemaal uitgebreid vanwege de toename aan kerkgangers en leden. De laatste uitbreiding vond plaats in 1990. Ondanks herhaalde pogingen om een eigen predikant te krijgen is de gemeente tot op heden vacant. Opmerkenswaard is dat er bij leesdiensten alleen preken gelezen worden uit de periode 1650-1850.

Terug naar de Dorpskerk. Dat de prediking in Woudenberg destijds niet echt gereformeerd was, ontboezemde ds. L.C. Schuller tot Peursum, die de gemeente diende van 1871 tot 1875, eerlijk in zijn autobiografie Weggevlotene jaren. Hij stelde dat de kerkenraad destijds een niet al te rechtzinnige prediking voorstond: ‘Zij hadden goede dingen over mij gehoord, en de consulent ds. J. Heldring van Austerlitz had gunstige getuigenis omtrent mij gegeven, schoon niet verhelende dat aan strenge rechtzinnigheid wel iets ontbrak. Maar een der ouderlingen had gezegd: als hij in den Heer Jezus gelooft, dan ben ik vóór hem’.

Een bekende persoon die Woudenberg diende van 1888 tot 1892 was Hendrik Marius van Nes. Van Nes was zeer leergierig. Hij deed aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam een dubbele studie, namelijk Theologie en Klassieke talen. Hij liep daar college samen met onder anderen Willem Kloos, die later de ontstellende woorden dichtte: ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’. Hij promoveerde voor zijn beroepbaarstelling in de theologie met een proefschrift genaamd Het Nieuwe Testament in de Clementinen In zijn autobiografie Uit mijn leven vertelde hij dat hij eens geen hand kreeg van een ouderling omdat hij niet het gebruikelijke ene gezang maar twee gezangen had opgegeven.

Na zijn promotie werd hij in staat gesteld om vijf maanden een studiereis in Engeland te maken. Hij logeerde bij een methodistenpredikant en toen hij tegen hem zei dat hij Spurgeon wel eens wilde horen, kreeg hij als antwoord: ‘U kunt altijd Spurgeons Meester horen’. Van Nes, die onder anderen J.H. Gunning jr. als hoogleraar had en diens geestverwant was, werd door deze in het ambt bevestigd op 15 juli 1888. In de Woudenbergse pastorie promoveerde hij voor de tweede maal. Dit keer in de klassieke letteren. De laatste maanden voor zijn vertrek naar Rotterdam heeft hij zich daarmee gehaast omdat hij wist dat hij in een grote gemeente dat niet meer kon realiseren. Overigens kwam de gemeente in pastoraal opzicht niets tekort. Zo had hij in twee maanden tijd, vergezelschapt van een ouderling, kennisgemaakt met de hele gemeente. Woudenberg bestond toen uit 2600 zielen. Ze behoorden - op een joods gezin en twee roomse en drie gereformeerde gezinnen na - allen bij de ‘grote kerk’. Hij had 372 catechisanten, van wie hij opmerkte: ‘De boerenmeisjes zetten de catechisatie ook in den zomer voort’.

Bij vacaturebeurten werd hij gereden door een van de ouderlingen, maar het meest door een trouwe kerkganger die ‘geen lid van den kerkeraad was, geen gezangen medezong, thuis was in de “oude schrijvers”, maar zichzelf voor mijn geleide had aangeboden. Hij was uit Zuid-Holland afkomstig, had een anderen aard dan de echte Woudenbergers. Zijn gesprekken waren altijd interessant (…). Hij vertelde mij dat er drie soorten dominees zijn: de eerste heeft het altijd over God den Vader, maar hun preken zijn water en melk; de tweede gaat uit van God den Zoon, wat wel veel beter, maar nog niet het rechte is; de derde soort, die het wel bij het rechte eind heeft, gaat uit van God den Heiligen Geest. Hij rekende mij tot de tweede soort, en sprak de hoop uit, dat God mij nog eens de armen en beenen mocht breken in geestelijken zin.’ Vermeldenswaard is dat in zijn volgende gemeente Rotterdam onder zijn prediking in de Laurenskerk de daar woonachtige Johannes de Heer en diens vrouw naar eigen zeggen tot bekering kwamen. Na Rotterdam diende hij Den Haag en vervolgens werd hij rector van de zendingsschool te Rotterdam. Van 1907 tot 1932 was hij hoogleraar te Leiden waar hij onder meer doceerde in kerkrecht en zendingswetenschap.

Net zomin als de Afscheiding aanvankelijk echt vaste voet kreeg in Woudenberg, was dit met de Doleantie het geval. Na de Tweede Wereldoorlog werd Woudenberg steeds groter en kwamen er ook leden van de Gereformeerde Kerken wonen. Zij kerkten aanvankelijk in de Gereformeerde Kerk te Scherpenzeel. Er was zelfs een kerkauto die de mensen van Woudenberg naar Scherpenzeel vervoerde. Sinds 1952 kwam men in Woudenberg bijeen in het lokaal Eben-Haëzer, dat in 1885 als verenigingsgebouw door de Hervormde Gemeente werd betrokken. Het betrof aanvankelijk een middagdienst, omdat het gebouw verder niet beschikbaar was. Vanaf 1965 werden er twee diensten gehouden in het nieuwe ‘Verenigingsgebouw’ aan de Schans dat inmiddels alweer een kwart eeuw geleden gesloopt is. Dit gebouw werd ook gebruikt door de Hervormde Evangelisatie Groep die zich in de gereformeerdebondsprediking niet kon vinden, die ’s zondags in de Dorpskerk te beluisteren viel. Zij vergaderden onder de benaming Salem. In 1976 betrokken de Salemgemeente en de Gereformeerde Kerk het gezamenlijke kerkelijk centrum de Voorhof. In 1996 kwam er een federatie tot stand tussen de beide gemeenten en in 2005 kwam het een fusie. ‘Protestantse gemeente De Voorhof’ werd de naam. Twee predikanten zijn in deze gemeente werkzaam. In een jubileumboekje ter gedachtenis aan veertig jaar gezamenlijk kerken in De Voorhof werd over het SoW-proces ds. T.J. Jansen Schoonhoven geciteerd, die meende dat het proces een knutselproces was geworden waarin niet zozeer de Geest van God als wel die van de kruidenier zich openbaarde…

In 1972 werd – eveneens wegens de uitbreiding van het dorp – een nieuwe rooms-katholieke kerk in gebruik genomen. Eerder waren de rooms-katholieke bewoners aangewezen op de kerken van Maarn en Leusden.

De ligging van de kerkenraad van de Hervormde Gemeente was in de negentiende eeuw grotendeels ethisch georiënteerd. Dit had mede te maken met de grote stem in het kapittel die de in Woudenberg wonende adel had. Bij de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw schoof het op naar een meer confessionele richting.

In 1907 richtten boerenzoons en boerenknechten uit het buitengebied een jongelingsvereniging op. Deze jongelieden stonden een gereformeerde prediking voor en nodigden predikanten uit, die in doordeweek-se diensten voorgingen. Daar was grote belangstelling voor. Dit alles geschiedde op boerderij ‘Strubbelenberg’. In 1920 werd een zaaltje gebouwd, genaamd Rumelaar waar ze hun activiteiten voortzetten. Daar ging grote invloed vanuit naar de kerkelijke gemeente. Na het overlijden van ds. J.L. Klomp werden vanaf 1941 dan ook predikanten beroepen die verwant waren met de Gereformeerde Bond. Als eerste werd ds. J.J. Poot uit Ameide beroepen. Hij had het beroep aangenomen, maar nam vanwege allerlei protesten tegen zijn komst een herbeslissing. Het derde beroep werd uitgebracht op ds. P. Bouw uit Haaften. Deze nam het beroep aan en werd op 9 januari 1944 aan Woudenberg verbonden. Na diens vertrek naar Ridderkerk werd de kerk in 1952 verbouwd en uitgebreid tot het huidige bedehuis. Bij de ingebruikname op 6 november 1952 sprak president-kerkvoogd Van Coten de treffende woorden: ‘Schoon is de kerk, maar schoner de dienst aan God’.

De doordeweekse diensten in gebouw Rumelaar bleven en stonden – op een aantal jaren gedurende de jaren zeventig van de vorige eeuw na – onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad.

Door groei van de kerkelijke gemeente werd in 1967 een tweede predikantsplaats gesticht, die vervuld werd door ds. A.J. Timmer, afkomstig van Elspeet. De begin dit jaar overleden ds. C. den Boer vervulde in 1978 de derde (parttime) predikantsplaats. Op den duur werd het een volledige predikantsplaats. Bij de totstandkoming van de PKN en het zich aansluiten van ds. C.J.P. van der Bas met vele gemeenteleden bij de Hersteld Hervormde Kerk per 1 mei 2004 werd een predikantsplaats opgeheven.

De Hersteld Hervormde Gemeente kwam aanvankelijk samen in een gehuurde sporthal aan de Frans Halslaan. Sinds 2009 is deze eigendom geworden en omgebouwd tot kerk, de Maranathakerk. Na het vertrek van ds. Van der Bas werd de gemeente gediend door ds. J. Joppe en sinds 2016 door ds. W.J.C. van Blijderveen. De Hervormde Gemeente heeft twee wijken, waarbij de ene de traditionele lijn van de Gereformeerde Bond volgt, terwijl de andere daarin wat vrijer staat door onder meer gebruikmaking van de liederenbundel Weerklank. Het ligt in de bedoeling dat de gemeente die reeds jaren vier diensten per zondag in de Dorpskerk belegt binnen afzienbare tijd een tweede kerkgebouw krijgt in het oostelijk gedeelte van het dorp.

Wanneer we de uitkomst van de visitatie van 1606 vergelijken met het kerkelijk leven in Woudenberg thans, dan mogen we - ondanks het gescheiden optrekken - toch opmerken dat de Heere trouwer is gebleken aan Woudenberg dan Woudenberg aan de Heere.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2019

Oude Paden | 64 Pagina's

Rondom de kansel van Woudenberg

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2019

Oude Paden | 64 Pagina's