Van Breda naar Fijnaart
Uit het leven van Sara Diamant
Er zijn verschillende levensbeschrijvingen en brievenbundels verschenen waarin de namen van personen en plaatsen zijn weggelaten of waarin wordt volstaan met initialen. Dat laatste is bij voorbeeld het geval in de bekende levensbeschrijving van de bekeerde Jodin Sara Diamant. Toch konden diverse personen over wie zij schreef worden achterhaald. Zo maakte ze bij voorbeeld melding van een zekere ‘Sijmen van Kl.’, een bekeerde Jood die ze ontmoette bij Abraham Capadose. Onderzoek bracht aan het licht dat het ging om ‘Hijmans uit Klaaswaal’. Dit artikel werpt meer licht op een ander gedeelte uit haar boek.
Sara Diamant (1797-1882) beschreef een klein gedeelte van haar veelbewogen leven, waarbij de nadruk ligt op haar overgang vanuit het Jodendom tot het christendom. De inhoud van het geschrift bevat slechts ongeveer vijf jaar (1845-1849) van haar leven.
De bekende burgemeester A. de Vlieger te Herkingen, een zielsvriend van Sara, had beloofd het geschrift na haar sterven uit te geven. De Vlieger overleed echter acht maanden eerder dan Sara Diamant.
Pas tweeënveertig jaar na haar overlijden werd het boekje uitgegeven door K. Heerschap te Ouddorp. In de loop der jaren is het diverse keren herdrukt. Ds. G.H. Kersten oordeelde positief over dit boekje. Hij schreef in De Saambinder van 26 juni 1930 dat het ‘de lezing waardig is. Het verhaalt van een Joodsch gezin, dat tot het Christendom bekeerd werd. Wat een strijd heeft dat gekost. Een mooi boekje.’
Op 1 oktober 1847 werd Sara samen met haar man en twee kinderen gedoopt in de Nederlandse Hervormde Kerk te Breda. Aanvankelijk meende Sara zich op haar doop en nauwgezette levenswandel wel iets te mogen voorstaan. Een oude, godvrezende vrouw in Breda gaf haar echter eerlijk onderwijs. Ze wees haar er dikwijls met ernst op dat er meer nodig is. Dat onderwijs werd aan het hart van Sara gezegend. Ze werd afgebroken in zichzelf en mocht als een arme zondares Christus leren kennen als haar ‘Profeet, Hogepriester en Koning’.
De leden van het gezelschap in Breda toonden zich allesbehalve vriendelijk ten opzichte van Sara Diamant en haar gezin. Alleen aan de genoemde oude vrouw had ze steun. Deze situatie leidde ertoe dat Sara en haar man pogingen ondernamen om uit Breda te vertrekken en elders een huis te huren. Ze wisten echter niet waar ze naartoe moesten gaan.
Het dorp Strijen
Sara ging zelf ook dikwijls op reis met haar handel om in de behoeften van haar gezin te voorzien. Tijdens een van die reizen werd ze zó sterk bepaald bij de woorden ‘Mijne wegen zijn niet uwe wegen’, dat ze niet verder kon. Eerst moest ze haar knieën buigen ‘en de Heere bidden, dat Hij mij dan toch de rechte weg mocht wijzen.’ Ze voelde dat ze ‘te blind was om een goede keuze te doen’. Ze had toen al acht dagen lang met de genoemde woorden gelopen.
Enige tijd later ging ze naar het dorp ‘St….’ om te bezien of ze zich daar mogelijk zou kunnen vestigen. De goede geruchten die ze over de predikant van het dorp had gehoord hadden haar aandacht op dat dorp gevestigd.
Het is weer een passage in haar boek waarin slechts initialen gebruikt worden en geen volledige namen. Ook de naam van de predikant die ze in dit dorp ontmoette en over wie ze goede geruchten gehoord had, wordt niet vermeld.
Als we de plaatsen in West-Brabant (waar Sara met haar handel op pad ging) nagaan die met ‘St’ beginnen, komen we er niet goed uit. Alleen Standdaarbuiten en Steenbergen hadden een Hervormde Kerk. Steenbergen was geen dorp, maar een stad. De predikant van Standdaarbuiten stond niet bekend als een predikant die behoorde bij de groep rechtzinnige predikanten die de Hervormde Kerk trouw bleven. Het moet een dorp zijn geweest dat verder weg lag.
Sara schrijft dat ze in dat dorp terecht kwam bij een zekere ‘bakker v.d. K.’ De combinatie van het dorp ‘St.’, bakker ‘v.d. K.’ en de predikant over wie ze zo dikwijls gehoord had brengt ons in het dorp Strijen in de Hoeksche Waard. Sara Diamant was gewend om lange afstanden af te leggen. Op een maandag reisde ze van Breda naar Strijen, waarbij ze waarschijnlijk gebruik gemaakt zal hebben van het veer van Moerdijk naar Strijensas.
Meester Peletier
Tegen de avond kwam ze in het dorp Strijen aan. Als eerste kwam ze ‘bij de schoolmeester’ terecht. Meester Hendrik Peletier was hoofdonderwijzer aan de openbare school te Strijen van 1820 tot 1852. Nog vele jaren na zijn vertrek werd met respect over hem gesproken. Zelfs rond 1990 herinnerde een hoogbejaarde man zich (hoewel enigszins vervormd) de naam van deze ‘godzalige schoolmeester’ over wie hij uit overlevering gehoord had.
Sara Diamant probeerde via meester Peletier in contact te komen met de predikant van het dorp, dominee D. Bresser. ‘Hoewel ik een onbekende was, werd ik toch, zowel door hem (meester Peletier) als door zijn vrouw, met alle minzaamheid ontvangen. Nadat ik mij bekend gemaakt had en eerst een poos in de verte met hen gesproken had, waarbij zij mij niet onverschillig voorkwamen, ging ik vrijer voort en vroeg ook naar hun predikant, van wie ik zo dikwijls gehoord had en die ik ook weleens wenste te spreken. Men zei mij dat hiertoe maar zelden gelegenheid was, maar dat zij hem voor mijn geval wel tegen woensdagmorgen op de koffie wilden vragen, ingeval ik niet tot zondag kon vertoeven, om hem in de kerk te horen.
Het zou zeer onvoeglijk geweest zijn zulk een vriendelijk aanbod af te wijzen, maar die goede lieden wisten niet waar mij de schoen eigenlijk wrong. Vooreerst wenste ik hem alléén te spreken, en ten tweede had ik geen geld om mij daar een hele week op te houden, want het was maandagavond toen ik daar aankwam.
Immer gedachtig aan de les van Paulus: “Doet steeds wat uw hand vindt om te doen”, en ook door de behoefte gedrongen, had ik mijn waren meegenomen. Maar als een onbekende koopvrouw was ik toch in het onzekere of ik wel iets zou verkopen. Toen ik reeds laat in de avond zou heengaan, lieten zij mij door de ondermeester een geschikte herberg wijzen en beloofden mij de andere dag door één van hun kinderen bij deze en gene te laten brengen, in de veronderstelling dat ik dan zeker wel iets zou verkopen.
De volgende morgen opgestaan zijnde, mocht ik mij eens recht voor Gods aangezicht verootmoedigen. Hij toch kende al mijn behoeften en begeerten en wist beter dan ik wat mij nuttig was.
Ik bad Hem, dat Hij mijn ziel mocht behoeden en een wacht zetten voor mijn lippen, opdat ik toch niets onbehoorlijks zou spreken of doen.
Welgemoed ging ik dan, met een kind van de schoolmeester bij mij, naar verscheidene mensen toe, om mijn waren aan de bieden. Maar alle deuren en harten waren voor mij gesloten, ik verkocht niets. In een mingemoedelijke stemming zou ik wellicht tot murmureren vervallen zijn, thans echter was ik stil, dacht hierover na en vond alweer beschaming. Ik moest die uitkomst van harte goedkeuren, want onbedacht had ik alweer op het schepsel gebouwd en het niet alles geheel van mijn God verwacht.
Bakker Van der Koog
Eindelijk kwam ik op een zonderlinge wijze bij zekere bakker v. d. K., die weduwnaar was, en heel onverwachts betoonde de Heere Zich daar weer een God van nabij te zijn, Die alleen maar in en door Zijn eigen werk kan verheerlijkt worden.
Al spoedig geraakte ik met deze man, die op verre na geen praatchristen was, in een hartelijk gesprek. Wij mochten recht opgewekt ons verheugen in de God onzes heils, want onze zielen smolten inéén en waren als een gewaterde hof.’
Met bakker v.d. K. wordt Nicolaas van der Koog (1803-1853) bedoeld. Van der Koog, die aan de Kerkstraat woonde, was sinds 1844 weduwnaar. Zijn echtgenote, Berbera van der Poel, ontviel hem op 41-jarige leeftijd.
Sara Diamant mocht niet alleen een aangenaam gesprek hebben met Van der Koog, ze deed er ook goede zaken.
‘Toen het mijn tijd werd om heen te gaan, kocht hij mij zoveel af, dat ik weer behoorlijk huiswaarts kon keren. Beseffende dat ik voorts hier mijn kostelijke tijd zonder iets te verdienen zou moeten doorbrengen, zo besloot ik nog diezelfde avond naar de dominee te gaan en dan de volgende dag te vertrekken.
Zijn Eerwaarde had wel de uitnodiging van de schoolmeester en diens vrouw aangenomen, maar als het mij heden gelukken mocht hem te kunnen spreken, dan behoefde ik hier niet langer te vertoeven. Hij was toch ook maar een mens van gelijke beweging als ik, en dus kon ik lichtelijk een poging wagen. Slaagde ik niet, dan bleef de zaak nog dezelfde, zo bedacht ik.’
Ds. D. Bresser
Sara Diamant liep vanaf de woning van bakker Van der Koog naar de pastorie van dominee Bresser. De pastorie bevond zich nog geen honderd meter verder, aan de andere kant van de Kerkstraat. De predikant was ongeveer vier jaar daarvoor (rond 1844) krachtdadig tot bekering gekomen. In de woning van de gezusters Kool (naast de pastorie) werd gezelschap gehouden. Hij stond daar aanvankelijk vijandig tegenover. Op een zondagavond besloot hij het gezelschap af te luisteren. Vanuit zijn tuin sloop hij de woning binnen en terwijl hij zijn oor bij het sleutelgat van het vertrek waar Gods kinderen bijeen waren hield, hoorde hij zijn naam noemen. De leider van het gezelschap, Teunis Stooker (hij woonde naast bakker Van der Koog), droeg de dominee op in het gebed en smeekte of de Heere hem stil wilde zetten. Dat gebeurde, op datzelfde moment. Deze gebeurtenis heeft grote impact gehad. In de eerste plaats op de predikant zelf, maar ook op de gemeente. Met veel zegen mocht dominee Bresser in het dorp Strijen arbeiden.
Sara Diamant bracht met veel genoegen meer dan twee uur in zijn pastorie door.
‘Ik ging dan op pad en schelde aan. Toen de meid de deur geopend had en mij gevraagd had wat ik verlangde, zei ik, dat ik de dominee wel eens gaarne wilde spreken en hem tevens de groeten kwam brengen van zijn vriend K.
Op haar vraag wie zij moest aandienen gaf ik haar ten antwoord: ‘Ik ben een vreemdelinge in deze woestijn, maar zie hedenmorgen aan het einde van deze weg de kroon hangen, welke is weggelegd voor allen die Christus aanroepen als de énige Redder hunner zielen. Ga heen, en doe deze boodschap.’
Na enig wachten kwam Zijn Eerwaarde zelf voor, sprak eerst wel een kwartier met mij, en nodigde mij toen binnen. Gezeten zijnde, vroeg hij mij nader hoe ik op die weg was gekomen en hoe het mij voorts daarop gegaan was, wat ik zoal ondervonden had, hoe ik thans bij dit alles verkeerde, enz. enz.
Daar ik hem voor de man kon houden en de Heere mij bijzonder nabij was, mocht ik hem met alle vrijmoedigheid rekenschap geven van de hoop die in mij was, zodat ik er met veel genoegen meer dan twee uren doorbracht. Over een woning was geen woord gerept, want hiervan had ik afgezien. Mijn verlangen nu voldaan zijnde, keerde ik de volgende morgen, na alvorens nog afscheid van bovengenoemde bakker v. d. K. genomen te hebben, weer huiswaarts.’
Sara reisde weer terug naar Breda, waar haar man en kinderen met spanning naar haar komst hadden uitgekeken.
‘Mijn man en mijn kinderen hadden stellig verwacht dat wij zouden vertrekken en waren dus geheel uit het veld geslagen toen zij vernamen dat ik onverrichter zake weer terugkwam.
Ofschoon ik zelf ook liever vertrokken was, kon ik nú toch geloven dat het de tijd nog niet was.’ Sara mocht hun ‘nog bemoedigend toespreken, mij vasthoudende aan Gods belofte, dat Hij, na ons uit zes benauwdheden gered te hebben, ook in de zevende niet zou achterblijven.
Zo menigmaal was Zijn hulp al gebleken: Hij was machtig zelfs in één ogenblik de onverwachtste uitkomst daar te stellen. Ook waren de woorden: ‘Uwe wegen zijn niet Mijne wegen’ niet van mij weg. En daarom hield ik mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten, en was ik bereid om de Heere te verbeiden, al duurde het ook nog dagen zonder getal.
Inmiddels liep die week ten einde, en terwijl het uitwendig ons weer aan alles ontbrak, bad ik de Heere dat Hij mij toch te midden van al die kommer voor het inwendige een stille rustdag wilde schenken, die ik dan ook genieten mocht.
‘s Maandagsmorgens moesten wij weer voor een gehele week op reis, want in de stad of in de omtrek konden wij niets verdienen.
Dit was wel een zware zaak, om onze kinderen, die al zoveel door de moedwil van een krom en verdraaid geslacht geleden hadden, zolang alleen te laten, maar de nood drong ons.
Voor het heengaan wendde ik mij met deze bekommernis eerst nog tot de Heere, en hierbij terugziende op wat Hij tot dusver voor ons geweest was en gedaan had, moest ik bij vernieuwing in de schuld vallen en dat álles als verbeurde voorrechten erkennen, omdat ik in mijn diepe onwaardigheid op het geringste zelfs geen recht had.’
Fijnaart
De Heere had voor Sara Diamant en haar gezin een andere woonplaats bepaald. Tijdens de nieuwe reis, ‘nu eens overdenkend, dan eens biddend voortgaande’, werd ze gewezen op het dorp Fijnaart. Ze was daar al eens eerder geweest en had er toen met ds. A. van Herwaarden, een geestverwant van ds. D. Bresser, gesproken. Ze schreef dat deze predikant toen ‘zo hartelijk en belangstellend met haar gesproken had.’ Nu kwamen de woorden in haar gedachten: ‘Maak u op mét uw maagschap en met al uw bezittingen, en ga naar het land dat Ik u wijzen zal.’ Sara ging daarop naar Fijnaart en sprak voor de tweede keer met ds. Van Herwaarden. Hij zag er, na het voor en tegen overwogen te hebben, geen bezwaar in dat het gezin Diamant zich in het dorp zou vestigen. Kort daarna gelukte het een woning te vinden. Op 8 november 1848 verhuisde het gezin naar Fijnaart.
Sara schreef over haar predikant: ‘Zo had de Heere ons dan nu een weg geopend en het tevens zo beschikt, dat wij nu ook onder de leiding kwamen van een herder, die niet alleen veel met Israël ophad, zoals wij bij ervaring wisten, maar bovendien een waar christen was, die zowel in bijzonder gesprek als in zijn leerredenen de gekruiste Christus verkondigde; de Joden wel een ergernis en de Grieken een dwaasheid.’
In Fijnaart was ze een trouw bezoekster van het gezelschap dat in de pastorie van ds. Van Herwaarden samenkwam. Er was in die jaren sprake van een geestelijke opleving, waardoor het gezelschap groeide. ‘Van tijd tot tijd werd nu ook de opkomst in ons gezelschap aanzienlijker, omdat verscheidene, vroeger dartele jongelieden, toonden een ándere lust gekregen te hebben en zich bij óns begonnen te voegen. Meermalen werd ik daarbij bijzonder bepaald, hoe het alléén de Heere was Die zulke afkerige harten kon overtuigen en nog door Zijn Geest het leven wilde blazen in zulke dorre doodsbeenderen. En dan was het mij een behoefte Hem daarvoor te danken, mijn stille verzuchtingen voor Hem uit te storten en voor de ganse schare te bidden.’
In 1851 verhuisde het gezin Diamant naar Delfshaven. Rotterdam was hun laatste woonplaats. Sara overleed op 9 januari 1882 ten huize van haar dochter Lina aan de Delftsevaart te Rotterdam.
‘Daar ik hem voor de man kon houden en de Heere mij bijzonder nabij was, mocht ik hem met alle vrijmoedigheid rekenschap geven van de hoop die in mij was.’
SARA DIAMANT OP BEZOEK BIJ DS. D. BRESSER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 2025
Oude Paden | 64 Pagina's