De humor van het leven
Zijn werk is bij velen bekend en geliefd, en tovert een glimlach op talloze gezichten. Toch blijft beeldend kunstenaar Marius van Dokkum een bescheiden mens. En z’n humor? Misschien bestaat die wel uit binnenpretjes die op het doek naar buiten komen.
Het zijn vooral z’n humoristische schilderijen waarmee Marius van Dokkum (67) bij een breed publiek bekendheid geniet. De kunstwerken afgebeeld op puzzels, kalenders, servetten, wenskaarten. De winkel van zijn eigen museum in Harderwijk ligt er vol mee. „Age is a matter of mind”, staat er op een mapje wenskaarten dat er te koop is; je bent zo oud als je je voelt. De drie oude besjes op de voorkant zijn met rollator en al aan het springtouwen. Kunst met een dikke knipoog.
Wie is deze kunstenaar? In gesprek met Marius van Dokkum, in het museum dat vol hangt met zijn eigen werk.
Meer dan plaatjes
Aan het begin van het interview is museumdirecteur Corien van der Meulen ook even aanwezig. „Het is bijzonder dat Marius tijdens zijn leven een eigen geregistreerd museum heeft”, vertelt ze. „Geregistreerd houdt onder meer in dat je er met een Museumkaart naar binnen mag.
Het Marius van Dokkum Museum werd geopend in 2018, nadat er in het Stadsmuseum in Harderwijk een expositie was geweest over zijn werk. Corien: „Daar kwamen ontzettend veel mensen op af. Het bijzondere was, dat ze hardop aan het lachen waren en met elkaar in gesprek raakten, terwijl ze rondkeken. Dat gebeurt normaal niet in museumzalen.”
De kunstenaar zelf speelde in die tijd met de gedachte aan een vaste locatie om zijn werk te exposeren. En Corien zag wel wat in een museum met alleen zijn werk. Er was een mooi, historisch pand beschikbaar en zo kwam van het een het ander. Sinds het moment dat het museum zijn deuren opende, is de toeloop groot. Zo groot, dat het uit zijn jasje groeit en begin 2026 verhuist naar een ruimere locatie.
Overigens is er niet alleen bewondering voor Marius’ werk. Zo nu en dan klinkt er ook kritiek. „Die komt vanuit de gevestigde kunstwereld, die vooral vanuit de Randstad opereert”, meent Corien. Marius’ werk zou niet genoeg diepgang hebben, te illustratief zijn. „Als kunst grappig is, is het al verdacht”, reageert hij. „Illustratief werk is ook verdacht. Maar mijn schilderijen zijn zeker niet alleen plaatjes, er zit veel meer in. Dat moet je wel willen zien. Het maakt me niet zo veel uit, je moet gewoon jezelf zijn. Dat mijn werk zeer gewaardeerd wordt, is overigens nooit mijn opzet geweest. Je moet geen kunst maken om er rijk of beroemd mee te worden. Dan wordt het juist géén kunst. Iets creëren waar je zelf helemaal achterstaat, dat is het belangrijkste. Het werk dat ik maak, hoort gewoon bij mij. Dat anderen het ook mooi vinden, is winst.”
Stilte
De kunstenaar is het grootste deel van de week in zijn atelier te vinden, in het oud-Veluwse boerderijtje in Ugchelen waar hij samen met zijn vrouw woont. Daar kan hij in opperste concentratie werken. Publiek en pers mag hem ontmoeten in het museum, waar hij één dag in de week aanwezig is om te schilderen. Welke dag dat precies is, is altijd een verrassing.
„Op de dagen dat ik in het museum schilder, ben ik altijd veel aan het praten. Er staan soms wel dertig mensen mee te kijken. Ze stellen vragen, zoals: hoe lang doe je over een schilderij, waar haal je je inspiratie vandaan? Toen het museum net geopend was, vond ik het best lastig om zo te werken. Je hebt een groot, leeg doek voor je, je staat in een ruimte die je niet goed kent en er kijken een heleboel mensen mee. Inmiddels ben ik eraan gewend.
Ik vind het erg leuk om in het museum te schilderen, maar het is voor mij als kunstenaar ook belangrijk om me terug te trekken. In het museum maak ik voor mij bekende dingen. Voor nieuw werk moet ik in de stilte zijn. Ergens waar ik niet afgeleid word.”
Hoe blijf je met beide benen op de grond als je een museum hebt dat jaarlijks tienduizenden bezoekers trekt?
Lachend: „Zoiets went wel. Het voordeel is: ik werk één dag in de week hier, verder ben ik gewoon lekker thuis en dan heb ik nergens erg in.
Ik vind dat je als kunstenaar altijd kritisch moet blijven op je eigen werk. Op de kunstacademie had ik een leraar die wijze uitspraken deed. Zoals: je mag gerust tevreden zijn over je werk, maar niet te lang. Ik stel hoge eisen aan m’n werk. Ik doe best lang over mijn schilderijen en maak een heleboel voorstudies. Een schilderij moet aan veel voorwaarden voldoen: compositie, kleurgebruik et cetera moeten goed zijn. Op portretten ben ik helemaal kritisch. De gezichten moeten de juiste uitdrukking hebben. Soms schilder ik een portret drie of vier keer over voordat ik tevreden ben.
Dat kost de nodige tijd, maar ik ben geen vakidioot die twaalf uur per dag aan het schilderen is. Je moet af en toe eens iets anders doen. Dan maak ik een wandeling, of zo. Ik ben 67, dus ik ga inmiddels ook wel een versnellinkje lager. Maar ik heb nog genoeg inspiratie. Ik hoop door te gaan zo lang het kan.”
U bent opgegroeid in Andijk, Noord-Holland. Wat kenmerkte uw jeugd?
„Ik heb een prettige jeugd gehad en groeide op met drie broers en twee zussen. Nu heet dat een groot gezin, maar toen was dat heel normaal. In Andijk heb ik leren aanpakken. Mijn ouders hadden een winkel: m’n vader was woninginrichter. In de jaren zestig was het niet zoals nu, dat je het breed hebt. Als je iets wilde hebben, moest je het zelf bij elkaar verdienen. Er was in de omgeving van Andijk veel bloembollenteelt, daar kon je in de zomer altijd werken. Zo heb ik leren aanpakken. Daar heb ik in m’n verdere leven profijt van gehad; niet zeuren, maar werken. In het museum kom ik soms mensen van vroeger tegen, dat vind ik erg leuk. Als kind tekende ik stripverhaaltjes waarin mensen uit het dorp een rol speelden. Ik heb altijd oog gehad voor typetjes, voor mensen die net even anders zijn. Dat zie je terug in mijn werk.”
In het gezin kreeg u een christelijke opvoeding. Speelt het geloof nog een rol in uw leven?
„Mijn ouders waren gereformeerd synodaal, het halve dorp was in die tijd gereformeerd. Ik ben nog steeds gelovig. Soms kom je in mijn werk christelijke elementen tegen. Denk aan het schilderij ”Dansje in de kerk”. En ik heb Bijbelse taferelen geschilderd. Christen-zijn zit voor mij ook in de manier waarop ik naar anderen kijk. Ik wil mensen met respect neerzetten, niet als karikaturen.
Met het schilderij ”Dansje in de kerk” wilde ik laten zien dat er verschillende manieren van geloven zijn. Geloof kan een heel wettische kant hebben, het kan een soort kooi zijn met allemaal regels. Ik denk dat Jezus ons juist leerde dat God wil dat je vrij bent, dat je niet verkrampt hoeft te leven. Geloof kan heel blij zijn, ontspannen. Die wettische kant heb ik ook wel meegekregen, maar ik probeer zelf meer te zijn zoals dat kind op het schilderij. ”Dansje in de kerk” heeft ontzettend veel losgemaakt bij mensen. Sommigen herkennen er veel in, anderen zeggen dat ze er blij van worden. Ik kreeg eens een e-mail van een rooms-katholieke priester, die schreef: „Ja, dit is Pasen. Een meisje dat danst boven de graven.” Het is mooi als een schilderij iets teweegbrengt. Mensen mogen erom lachen, maar als het iets meer doet, is dat een plus.”
Er wordt gezegd dat u op dat schilderij oud-SGP-voorman bas van der Vlies in de kerkbanken heeft geschilderd.
„Ja, sommigen zien hem erin, maar ik heb dat nooit bewust gedaan. Ik probeer altijd gefantaseerde mensen te schilderen. Zodat niemand kan zeggen: Je hebt mij geschilderd.”
U was als kind al altijd aan het tekenen en schilderen. Waarom is dat zo leuk om te doen?
„Schilderen ging ik pas doen toen ik een jaar of vijftien was. Ik deed mee aan een wedstrijd van dagblad Trouw. De opdracht was om een boom te tekenen. Ik tekende een boom zoals ik hem zag, en won de eerste prijs: een schilderskist met olieverf. Dat was mijn eerste ken-
nismaking met olieverf. Sindsdien ben ik ermee doorgegaan. Met olieverf kun je heel realistisch schilderen en je kunt er prachtige kleuren mee mengen. Ik vind het heerlijk materiaal om mee te werken, het past mij als een handschoen.
Het fijne aan schilderen vind ik, dat je jezelf op die manier kunt uitdruk ken. Ook het ambacht vind ik mooi. En een uitdaging om iets treffend weer te geven en een diepere laag in het werk te leggen.”
U studeerde aan de kunstacademie. Wat was uw doel toen u daar begon?
„Ik ging naar de kunstacademie in Kampen, daar wilde ik schildertechnieken leren. Maar ik moest m’n verwachtingen bijstellen. Het was in die tijd, de jaren zeventig, vrijheid, blijheid. Aan technieken werd niet veel aandacht besteed, het schilderen moest vanuit jezelf komen. Gelukkig waren er een paar docenten die goed lesgaven, en heb ik goed leren modeltekenen. Ook op het gebied van illustreren leerde ik veel.”
Inmiddels zijn we bijna vijftig jaar verder. Hoe heeft uw werk zich in die tijd ontwikkeld?
„Ik ben opgeleid als illustrator en in de eerste tijd na mijn afstuderen was ik veel aan het illustreren. Op de kunstacademie hadden ze tegen me gezegd: Jij bent geen schilder. Als illustrator werk je met aquarelverf, pen, potlood en dergelijke. Toch wilde ik altijd graag schilderen met olieverf. Na m’n opleiding heb ik me die techniek zelf eigen gemaakt. Dat ging met vallen en opstaan. Olieverf is toch een beetje weerbarstig, het is lastig om ermee te leren werken.
Op de academie kwamen er soms kunstenaars een lezing houden over hun werk. Zo was er een keer een lezing van Henk Helmantel. Wat ik toen zag en hoorde, sloeg in als een bom. Het is niet te geloven, je mag nog zo schilderen tegenwoordig! dacht ik. Ik was zo geraakt door zijn techniek, dat ik dacht: dat wil ik ook leren. Na de kunstacademie ben ik een paar keer bij hem op bezoek geweest. Hij gaf me advies en soms nam ik werk mee, waar hij commentaar op gaf. Ik heb nog steeds contact met hem. Verder heb ik veel geleerd door naar kunst te kijken. Ik heb een heleboel werk van Helmantel bekeken, en van oude meesters. Maar ik ben dus een beetje autodidact als het om olieverfschilderen gaat. Dat is toch wel de humor van het leven: op de academie vonden ze me absoluut geen schilder, nu schilder ik alleen maar. En het wordt nog gewaardeerd ook.”
Klopt het dat u uw schilderijen nooit verkoopt? Waar leeft u dan van?
„Ik verkoop geen humoristisch werk. Nadat ik eind jaren negentig ben opgelicht door een galeriehouder, heb ik tegen mezelf gezegd: Ik verkoop niets meer. In mijn humoristische werk zit mijn ziel een beetje, dat is zo sterk iets van mezelf. Stillevens verkoop ik wel af en toe, en ik maak soms een portret in opdracht, maar het grappige werk heb ik dus nooit meer verkocht. En dat heeft goed uitgepakt, want daardoor kon het museum er komen. Als ik zie wat voor moois dat uitwerkt en hoeveel mensen er plezier aan beleven… Dan geloof ik dat het van Boven gestuurd is dat het zo is gegaan.
Eerder had ik naast m’n werk als kunstenaar een parttimebaan. Nu zijn er door onder meer de royalty's voldoende andere inkomsten. M’n vrouw en ik kunnen sober leven, we hebben niet veel nodig. We leven in zo’n consumptiemaatschappij…daar wil ik niet aan meedoen.” Met een lach: „Als we iets nieuws nodig hebben, kopen we het, maar we hoeven echt niet elk jaar een nieuwe keuken. Die van ons is al veertig jaar oud. Ze zeggen weleens: je bent niet rijk als je veel bezit, maar als je weinig nodig hebt.”
U wilt kijkers een lachspiegel voorhouden. Wat betekent dat?
„Ik houd erg van humor. Dat straal ik niet zo uit, ik ben geen gangmaker. Er heeft wel altijd al humor in mijn werk gezeten. Als ik vroeger m’n zelfgetekende stripverhaaltjes aan mijn broer liet zien, lag hij slap van het lachen.
Soms valt me iets op in de wereld om me heen. Zo schilderde ik in 2006 ”Meegaan met je tijd”. De computer kwam toen steeds meer op en veel ouderen vonden het moeilijk daarmee om te gaan. Dat schilderij werkt als een soort lachspiegel: het is een tikje overdreven, mensen herkennen er iets in en kunnen erom lachen, ze reageren erop.”
Marius houdt zich ook bezig met boetseren. Aan het einde van het gesprek gaat hij z’n bezoek voor om een paar beelden te laten zien. Het museum is inmiddels aardig volgelopen. Bescheiden beweegt Marius –spijkerbroek, donkerblauw vest– zich door het publiek. Herkend wordt hij in eerste instantie niet, in ieder geval spreekt niemand hem aan.
De geboetseerde portretten staan gebroederlijk op een rijtje: prinses Beatrix, komiek André van Duin, medicus Albert Schweitzer... Marius draait er een om, terwijl hij vertelt hoe lastig het is om in 3D te werken.
„U bent Marius van Dokkum?” vraagt een vrouw even later. „Ik herken u van het zelfportret, u ziet er precies zo uit.” Een ander haakt aan: „Ja, net dacht ik even: waarom zit die man zomaar aan die beelden? Ik had er bijna iets van gezegd!”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 17 december 2024
Terdege | 244 Pagina's