Cultuur
Martin Tijssen, De krant en het pand: Het Reformatorisch Dagblad en de ontwikkeling van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap (Utrecht: KokBoekencentrum, 2018) 160 p., € 12,99 (ISBN 9789023955474).
Afgelopen jaar verscheen De krant en het pand, een bewerking van een masterscriptie die Martin Tijssen schreef ter afronding van zijn studie Cultuurgeschiedenis aan de Open Universiteit. Hij beschrijft de ontwikkeling van het Reformatorisch Dagblad (RD) in relatie tot de bevindelijk gereformeerde gemeenschap. Volgens hem bestaat deze groep dankzij dit dagblad: ‘Al heeft de bevindelijk gereformeerde gemeenschap de naam ouderwets te zijn, ze werd pas gevormd met de komst van het RD’ (10). Tijssen heeft, via de databank Digibron, gebruikgemaakt van artikelen van het RD en verschillende kerkbladen. In zijn werk hanteert Tijssen de vijf ontwikkelingsfasen die de sociaalpsycholoog B. Tuckman onderscheidt bij de ontwikkeling van groeperingen. De eerste is forming, dan ‘wordt de gemeenschap als het ware ontworpen’ (19). Voor het RD is dit 1966, wanneer een groep mannen van een SGPkiesvereniging bij elkaar komt. De aanleiding om een eigen krant op te richten is de manier waarop landelijke media schrijven over de polio-uitbraak in Elspeet. Dieperliggende oorzaken zijn de maatschappelijke veranderingen van de jaren zestig waarvan dagblad Trouw steeds welwillender verslag doet. Het RD moet hiertegen een ‘dam’ opwerpen. De volgende periode, storming, begint met de verschijning van deze krant, in 1971. Kenmerkend voor deze periode zijn de vele conflicten, doordat de bijeengebrachte achterban nog niet op één lijn zit. Zo verdwijnt de rubriek ingezonden brieven eind 1971 uit de krant en zijn er conflicten met vertegenwoordigers van de Gereformeerde Bond. Tot 1981 zorgt het RD, aldus Tijssen, vooral voor verdeeldheid.
Van 1981 tot 1985 bepaalt hoofdredacteur C.S.L. Janse de groepskenmerken van de bevindelijk gereformeerden. Dit zijn de jaren van norming. Het RD verricht lezersonderzoek en Janse presenteert de bevindingen in zijn sociologisch proefschrift (1985). Tot de groepskenmerken rekent Janse onder meer: ze stemmen op de SGP, wijzen de televisie af en de vrouwen dragen hoofddeksels tijdens kerkdiensten. ‘Janse’, zo schrijft Tijssen, ‘leek daarbij uit te gaan van een homogene statische traditie die onafhankelijk van de omstandigheden “bewaard” kon worden’ (75). Doordat er meer duidelijkheid is over de groep, ontstaat een gemeenschapsgevoel, de fase van performing. Zo ontstaan dankzij het dagblad nieuwe organisaties, zoals de Reformatorisch Maatschappelijke Unie (1983), het familieblad Terdege (1983), de Stichting Draagt Elkanders Lasten (1987) en de Wegwijsbeurzen (vanaf 1984). Nu al deze organisaties bestaan, komt de nadruk te liggen op het behoud van deze organisaties. Met het afscheid van Janse en de vorming van de Erdee Media Groep (2003) treedt een laatste fase in, adjourning. De vertegenwoordigers van het RD blikken nu vooral terug en richten zich meer op de samenleving. Dit blijkt bijvoorbeeld doordat critici van de eigen groepering meer ruimte krijgen in de krant.
Het RD verliest de sleutelpositie en wordt meer een onderdeel van een breder netwerk.
Tijssen deelt de relatief korte geschiedenis van het RD aldus op in verschillende stadia. Overtuigend is het niet. Dit komt vooral doordat hij stellige uitspraken doet, terwijl zijn onderzoek vrij beperkt is, zowel met betrekking tot de historische context als de bronkritiek. Ten eerste heeft Tijssen te weinig oog voor de bredere geschiedenis van bevindelijk gereformeerden. Zo stelt hij dat het RD een nieuwe groep schiep, zonder zich serieus te verdiepen in de geschiedenis van de SGP en de Driestar, waar interkerkelijke (h)erkenning van de grond kwam, en waar bevindelijk gereformeerden elkaar leerden kennen. Zelf werk ik aan een proefschrift over de geschiedenis van het ND en RD en heb ik op basis van archiefonderzoek ontdekt hoe belangrijk dergelijke netwerken zijn geweest. Zo ontmoetten de oprichters van het RD elkaar dankzij de SGP in Driebergen en rekruteerden ze medewerkers van de Driestar. Deze aanloop werpt licht op de langere geschiedenis van bevindelijk gereformeerden, waarin de oprichting van het RD inderdaad een cruciaal moment is, maar niet het allesbepalende beginmoment. Ten tweede is het brongebruik van Tijssen problematisch. Publieke uitingen van Janse, J. van der Graaf en L.M.P. Scholten vormen de hoofdmoot van zijn verhaal. Tijssen bespreekt deze artikelen op kritiekloze wijze: de standpunten van deze mannen, geregeld pas decennia later verwoord, dienen om ‘het’ verhaal over de geschiedenis van het RD te vertellen. Hij brengt niet het verleden van de krant zèlf in kaart, maar zet in feite een aantal meningen van sleutelfiguren over de krant op een rij.
Als scriptie voor een studie cultuurgeschiedenis voldoet dit werk misschien wel, maar historisch onderzoek vraagt om een kritischer omgang met het bronmateriaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's