Over geloof dat de wereld vormgeeft
Het christendom is terug van weggeweest in diverse Europese landen. Kennelijk heeft de Verlichting religie niet uit kunnen roeien. En klopt het beeld dat het protestantisme verantwoordelijk is geweest voor de Verlichting? De vrijheid die de Reformatie bracht, is steeds meer losgekomen van de claim van de christelijke openbaring. Maar dat ze politieke effecten heeft gehad in de richting naar democratie, tolerantie, grondrechten is onomstotelijk waar.
Er is veel geschreven over de komst van vluchtelingen in Europese landen, maar hoe staat het met de christenen onder hen? Volgens de Vlaamse schrijver David Dessin wordt dat verhaal door de media vaak genegeerd. Europeanen hebben kennelijk een ambivalente verhouding met het christendom. Dat het christendom of een andere religie als politiek concept enige rol van betekenis zou spelen in het buitenlands beleid is voor veel moderne Europeanen ondenkbaar. Het eindpunt van het evolutie van het christendom vormt voor velen het Europese, geïndividualiseerde en gerationaliseerde christendom dat in Europa opgang maakte in de jaren zestig.
Men is in het Westen verlegen over de ongeziene instroom van christelijke nieuwkomers, waarvan Dessin een gevarieerd beeld geeft, zowel historisch als actueel. De discussie over deze groep met hoge geboortecijfers wordt steevast vanuit het perspectief van de islam gevoerd, terwijl christelijke vluchtelingen niet op de radar verschijnen. Het gaat in de media steeds over de tweedeling tussen het autochtone Europa en de islam. Allochtone christenen vallen uit de boot. Progressieven kijken meewarig naar de christelijke culturen in het Globale Zuiden die nog niet ‘ver genoeg’ ontwikkeld zijn in het seculariseringsproces. Deze nieuwe christenen kunnen volgens Dessin echter een brug vormen naar een wereld die men in Europa is vergeten en waarin religie een belangrijke rol heeft gespeeld. Het wereldwijde christendom is springlevend, alleen is het niet Europees meer. God heeft nieuwe oorden opgezocht nadat Europa Hem de rug had toegekeerd.
Meer dan ooit hebben christenen vandaag wereldwijd behoefte aan steun, stelt Dessin. Hulp van de internationale gemeenschap bereikt hen nauwelijks. Met name in het Oosten is hun situatie precair. Ze leiden een schaduwbestaan, vanwege de opeenvolgende golven van oorlogen, vervolging en uitroeiing. De Arabische lente heeft geleid tot een reeks gewelddadige burgeroorlogen die dictators van de troon stootten en een machtsvacuüm deden ontstaan waarin religieus extremisme goed kon gedijen.
Volgens een van de Chaldeeuwse christenen in Mechelen vormt hun religieuze identiteit steeds meer een houvast in een vreemd, vaak identiteitsloos Europa. Ideologisch zijn deze christenen (zoals ook veel andere gelijkwaardige groepen) conservatief, abortus en homoseksualiteit zijn taboe. Maar toch willen zij hun normen niet aan de samenleving opleggen. In de toekomst zal het Westen alleen maar meer met dat ‘andere gezicht’ van het nieuwe christendom worden geconfronteerd, zo verwacht Dessin. Het is echter geen dominante macht, maar een minderheid. Maar deze rol is het christendom eigenlijk op het lijf geschreven, beter dan die van staatsgodsdienst. Een boek dat wijst op de politieke uitdaging van deze christelijke nieuwkomers. Dat religie niet uitgestorven is, bewijst dit boek, dat verkozen is tot het beste theologische boek van het jaar.
KvdZ
Het protestantisme is een van de creatiefste en de meest ontregelende bewegingen in de geschiedenis van de mensheid, betoogt de Engelse kerkhistoricus Alec Ryrie in dit boek.
Hij wil de lezer ervan overtuigen dat we de moderne tijd alleen kunnen begrijpen als we ook een helder begrip hebben van de dynamische geschiedenis van het protestantse christendom. Het protestantisme heeft volgens Ryrie een spirituele kern. Luther en de protestanten probeerden de wereld niet te moderniseren, maar haar te redden. Het protestantisme kenmerkt zich door het vrije onderzoek. Religieuze verschillen en vrije meningsuiting zijn een grondbeginsel in plaats van deze alleen te tolereren. Verder is er een geneigdheid tot democratie en het opnemen tegen heersers, zelfs zodanig dat deze soms worden afgezet. Tegelijkertijd zijn protes-tanten vaak trouwe onderdanen, gericht op hun eigen afzonderlijk domein. In de loop van de geschiedenis hebben zij de moderne wereld aan het begrip van gelimiteerd gezag geholpen.
Ryrie concentreert zich op het de politieke uitwerking van het protestantisme. Een algemene rusteloosheid ofwel ongedurige instabiliteit is een wezenlijk kenmerk van het protestantse leven. Gemoedsrust is voor hen niet weggelegd, ze zijn voortdurend op jacht naar nieuwe waarheden en verdenken elk instituut vanaf de eerste dag van een mogelijke verstarring in formalisme en hypocrisie. In het algemeen gesproken is het protestantisme volgens Ryrie een van de aandrijfkrachten van de moderne geschiedenis.
Het novum van onze tijd is volgens Ryrie niet het op de voorgrond treden van religieus rechts maar het stilzwijgen van religieus links. Slechts weinig protestanten zijn nog geneigd om aan andere kerken met geweld orthodoxe leerstellingen op te leggen.
Het belangrijkste vliegwiel van de niet-aflatende verdeeldheid binnen het protestantisme is zijn aanpassingsvermogen. Fundamenteel blijft echter een oude liefdesrelatie: een directe ontmoeting met Gods kracht als een doorleefde ervaring, een herinnering of een vrome verwachting. Op deze hartslag rust alles. ‘Juist door zijn belofte het leven te veranderen heeft het protestantisme de wereld veranderd.’ Een prikkelend boek dat nog eens het creatieve karakter van het protestantisme onderstreept, haar drive om het moderne leven vorm te geven.
KvdZ
Het is de laatste tijd al vaak gezegd: de Reformatie heeft de stoot gegeven voor de moderne tijd. Maar is dat zo? Volker Gerhardt stelt in deze bundel dat de Reformatie op wezenlijke onderdelen een kind van het humanisme van de nieuwe tijd is geweest en daarom tot de voorgeschiedenis van moderne Europese Verlichting behoort. Het zou een groot misverstand zijn om beide verschijnselen in een historische oppositie tegenover elkaar te plaatsen. Toch kan Luther volgens hem moeilijk als een verlichter worden gezien, omdat hij de mens alle vrijheid ontzegt en de mens alleen onderworpen ziet aan de goddelijke wil. Desalniettemin heeft hij in zijn eigen strijd voor zijn eigen geloof, dwars tegen alle weerstanden in, gezorgd voor de basis van de Verlichting, zoals Kant later zegt dat de Verlichting de moed is om je van je eigen verstand te bedienen. Luthers grootste en belangrijkste impuls voor de Verlichting is volgens Gerhardt de aanspraak voor het zelf denken en het zelf geloven.
Mathias Schmoeckel ziet in de Reformatie een nieuw concept van het recht ontstaan, gebaseerd op het humanistische inzicht dat het onderzoekende individu een betekenis heeft. Wanneer de kennis individueel en feilbaar is, kan noch de paus noch een kerkelijke autoriteit de waarheid garanderen. Iedereen is op gelijke wijze gekwalificeerd om een beslissing te nemen. Volgens Detlef Pollack is de bijdrage van de Reformatie aan de totstandkoming van de moderne wereld echter uiteindelijk gering omdat de moderniseringstendensen teruggedrongen worden door de hernieuwde verbinding tussen staat en religie in het zogeheten confessionele tijdperk. Er was geen sprake van religieuze pluralisering. Wel heeft de Reformatie gezorgd voor versterking van de ontvlechting van religie en staat door het verbreken van de kerkelijke eenheid. Maar pas sinds de achttiende eeuw is er een loskoppeling van de staat van de geloofspraxis en de godsdienstige overtuigingen van de enkeling. Het geloof onttrekt zich dan aan de controle van de staat en blijft iets sterk individueels.
Volgens Yves Bizeul heeft de Reformatie een beslissende bijdrage geleverd aan het democratiseringsproces, al waren Luther en Calvijn geen volle democraten. Maar het accent op de autonomie van het geloof, het kritisch onderzoeken van alle geloofsvoorstellingen en de verkondiging van het algemeen priesterschap van alle gelovigen hebben een positieve uitwerking gehad op de politieke zelfbepaling. Vooral de calvinistische gemeenteordening en verbondstheo-logie heeft in het politieke veld de democratie bevorderd. De Reformatie heeft volgens Bizeul geleid tot verwereldlijking van de leer van het natuurrecht, zoals bij Thomas Hobbes en Hugo de Groot, alsmede tot de moderne mensenrechten (Georg Jellinek). De meeste theoretische verdedigers van de civil liberties, van het rationele natuurrecht en de mensenrechten waren protestanten. Ulrich Körtner wijst op het feit dat de Reformatie in gang gezet is door universiteitsprofessoren, maar dat is wat anders dan de Reformatie verantwoordelijk te achten voor de vrijheid van wetenschap. Want dat is in de protestantse gebieden niet het geval geweest. Kortom, er zijn neveneffecten geweest van Reformatie op moderne wereld. Ik zou meer spreken van onbedoelde effecten. De vrijheid die de Reformatie bracht, is steeds meer losgekomen van de claim van de christelijke openbaring. Maar dat ze politieke effecten heeft gehad in de richting naar democratie, tolerantie, grondrechten, is onomstotelijk waar.
KvdZ
Statistisch gezien is Nederland steeds veiliger: het aantal geregistreerde misdrijven neemt al jaren af. Maar vooral lager opgeleide jongeren in grote steden voelen zich juist steeds meer onveilig. In het licht van de cijfers lijken die gevoelens van onveiligheid vooral een perceptie te zijn. De dreiging van terrorisme en spanningen tussen bevolkingsgroepen zorgen voor angst die een uitweg moet vinden. Waar die angst vandaan komt en hoe daarop gereageerd kan worden vanuit een christelijk perspectief, is het onderwerp van het nieuwe boek van Beatrice de Graaf, hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Utrecht. De Graaf schreef Heilige strijd op verzoek van de Protestantse Kerk in Nederland, wat een mooie en meer diepgaande analyse oplevert dan we van haar vanuit puur wetenschappelijk oogpunt gewend zijn.
In haar analyse moet het geloof in vooruitgang het ontgelden. In het vooruitgangsgeloof hoort het kwaad tot de geschiedenis. Wat komen gaat, is slechts een verbetering van al het eerdere. Het kwade is een ontaarding van het goede, iets wat volledig buiten de orde valt. Hierdoor is het kwaad voor de meeste burgers in de geseculariseerde samenleving een blinde vlek. Dan verval je snel in het psychologiseren van het kwaad. Terroristen zijn hooguit ten prooi gevallen aan radicaliseringspatronen en sociale dynamieken. De mens zelf kan niet kwaadaardig zijn, dat past niet in het denksysteem. Door de juridificatie van conflicten en de afwezigheid van oorlog is Europa in een pacifistische sluimer terechtgekomen. Maar de politieke strijd woekert onderhuids voort. Het kwaad is niet begraven.
De Graaf ziet een dringende behoefte aan het bezweren van het kwaad. Publicisten en politici springen graag in dat gat, benoemen die behoefte en wijzen de oorzaken aan: de islam, vluchtelingen, de EU of de elite. Er wordt volop gebruik gemaakt van moreel geladen begrippen als het kwaad, demonen en duivels. Vaak worden apocalyptische visies gebruikt om het kwaad te duiden. Wat is het antwoord daarop? Wetenschappers knippen het kwaad op in precieze, ontleedbare wetenschappelijke problemen, die vervolgens wetenschappelijk te verhelpen zijn. Ambtenaren en bestuurders denken dat van hen wordt verwacht dat zij met omvangrijke en proactieve maatregelen moeten reageren. ‘Kwaad eist een onmiddellijk antwoord. (…) Want kwaad heeft een aanzuigend, totalitair effect. (…) Het heeft ook een verplattend effect: door tijdsgebrek worden er te snel te eenzijdige maatregelen genomen’, aldus De Graaf. Overheidsmaatregelen zijn niet langer gebaseerd op een concrete dreiging, maar op een risico dat er een dreiging ontstaat, wat statistisch erg onwaarschijnlijk is. ‘De huidige veiligheidscultuur is eerder een risicocultuur’, is de conclusie. Het bezweren van angsten en het nemen van voorzorgmaatregelen duidt vooral op een bepaalde opvatting van het kwaad. Het seculier-apocalyptische idee overheerst.
Maar het kwaad stijgt altijd boven mensen uit. Volgens De Graaf is een religieuze benadering van veiligheid hard nodig. Juist de morele onzekerheid zorgt voor extra behoefte aan veiligheid. Met een schijn van veiligheid en effectief risicomanagement worden onderliggende problemen van onbehagen en ontheemding niet voldoende onderkent en al helemaal niet opgelost.
Welk antwoord hebben christenen op die morele onzekerheid en cultuur van angst? De Graaf gebruikt daarvoor de theologie van Augustinus, die millennia geleden ook te maken kreeg met terroristen. Hij maakte onderscheid tussen het aardse verlangen naar zekerheid die mensen bieden (securitas) en verlangen naar de zekerheid van Gods genade (certitudo). ‘De toekomst kan niet worden gekend, maar ligt in Gods handen.’, is de essentie van het antwoord. Er komt een einde aan het kwaad. We mogen angst erkennen, maar we moeten er ook richting aan geven. Zoeken we ons heil in veiligheidsmaatregelen en een daadkrachtige overheid of in de overtuiging dat het kwaad overwonnen is? Omdat een toekomst van verzoening wacht, zouden wij in dit leven minder onverzoenlijk moeten zijn. Als we veiligheid niet zien als het hoogste goed, worden we minder kwetsbaar. Christelijk spreken houdt in dat we de christelijke principes van liefde en hoop vertalen naar een heilige strijd tegen het kwaad.
Wat betekent die heilige strijd voor christelijke politiek? De Graaf pleit voor een getuigenispolitiek. Christenen zouden zich veel meer moeten uitspreken over de hoop die in hen is. Het verschil tussen geloof en politiek betekent volgens haar dat het christelijke denken over het kwaad moet worden omgezet in morele opvattingen. Pas vanuit daar kan een politiek pleidooi worden gevoerd voor meer JSF’s of maatregelen tegen de radicale islam. Toch wordt niet helemaal duidelijk welke morele opvattingen dat dan zouden moeten zijn en waarin die zich onderscheiden van liberale of nationalistische opvattingen. Ook is het lastig om als politicus een scherp onderscheid te maken tussen je persoonlijke overtuiging en het politieke voorstel dat je doet, zeker in een tijd waarin authenticiteit belangrijk is. Maar anderzijds maakt De Graaf wel een terecht punt van te snelle reacties op aanslagen in termen van meer tanks of meer geld naar defensie. Een samenleving in angst heeft meer baat bij een perspectief van hoop.
CAvdT
Rabbi Jonathan Sachs stelt zich in ‘Niet in Gods naam’ de vraag naar het verband tussen religie en geweld, en specifiek naar het religieus extremistische geweld van de eenentwintigste eeuw. We kunnen niet stellen dat religie de belangrijkste bron van geweld is gezien de statistieken van conflicten, maar ook niet dat ze geen bron van geweld is. Religie kan een katalysator van geweld worden, doordat het een groep samenbindt en anderen uitsluit. Het ergste geweld is geweld in de naam van God. Het geweld wordt dan ‘altruïstisch kwaad’, waar men het kwaad denkt uit te voeren voor een groter doel.
Maar juist dat waar religie voor misbruikt kan worden, namelijk niet- of andersgelovigen uitsluiten, stelt Sachs onder kritiek van de Torah. Hij onderbouwt dat met een diepe analyse van de geschiedenissen van Ismaël en Izak, Jakob en Ezau, Jozef en zijn broers in Genesis. Het centrale thema is: God heeft ook een zegen voor de niet-uitverkorene. De teksten in Genesis zijn zo geschreven dat we niet alleen meeleven met Izak, maar evenzeer met Ismaël.
Het boek is magistraal geschreven, soms bijna poëtisch. Een tekortkoming vind ik dat het kwaad niet wordt beschreven als opstand tegen God maar als een evolutionaire neiging die overwonnen kan worden. De uiteindelijke scheiding die het eindoordeel van God zal brengen, noemt Sachs niet. De diepte van de genade van God wordt niet genoemd, zoals we die ook door Christus kennen, hoewel de breedte van Gods genade wel centraal staat.
Rabbi Sachs is duidelijk over de scheiding van religie en macht. ‘Polytheïsme, met zijn visie van meerdere krachten en eeuwigdurend conflict, is verenigbaar met de sacralisering van politiek. Monotheïsme is dat niet.’ (p. 267) Zonder religie kunnen we echter niet. ‘Religie is teruggekomen omdat het niet meevalt om te leven zonder betekenis. Om die reden is geen maatschappij erin geslaagd om lang te overleven zonder een religie of een plaatsvervanger ervan. De twintigste eeuw toonde aan, in al zijn wreedheid en volstrekt definitief, dat de grote moderne plaatsvervangers van religie – de natie, het ras en de politieke ideologie – evenzeer vatbaar zijn voor het brengen van mensenoffers aan surrogaatgodheden.’ (p. 23)
Door hun anders-zijn moeten Joden het vaak ontgelden waar ‘altruïstisch kwaad’ ontstaat. Sachs relateert dit aan het mechanisme van de zondebok zoals René Girard in zijn boek God en geweld (1972) dat beschreef. ‘In de middeleeuwen werden Joden gehaat vanwege hun religie, in de negentiende en twintigste eeuw vanwege hun ras, en nu vanwege hun staat, Israël. In het Westen is antisemitisme nu meestal vermomd als antizionisme.’ (p. 299) Ook christenen treft dus de blaam dat zij Joden als zondebok hebben uitgestoten. We zouden met Psalm 80 mogen bidden: ‘O God van de legermachten, keer toch terug; kijk neer uit de hemel en zie. Zie om naar deze wijnstok, de stam die Uw rechterhand geplant heeft.’
AvD
‘Ik moest alleen komen’ is een autobiografisch verhaal van onderzoeksjournalist Souad Mekhennet, de immigrantendochter van een Turkse, sjiitische moeder en een Marokkaanse, soennitische vader. Ze werkte o.a. voor de Washington Post en New York Times. In het boek doet ze verslag van de ontwikkeling van moslimextremisme door heel de wereld. Het is een boek dat het aanbevelen waard is om de oorzaken van extremisme beter te begrijpen, evenals de spanning tussen soennieten en sjiieten, de vreselijke oorlogen in het Midden-Oosten en de groei van Al Qaida en IS.
Wat duidelijk wordt uit het boek is dat de extremistische jihad niet zomaar is ontstaan, maar vooral te wijten is aan falend buitenlandbeleid, van de bloedige dekolonisering van het Midden-Oosten en de oorlog in Afghanistan tot de oorlog in Irak. Bij het lezen van de inside informatie van Mekhennet realiseer je je langzamerhand dat het niet het ‘goede’ westen tegenover het ‘extremistische en corrupte’ oosten is. Door het met geweld aan de macht brengen van een sjiitische regering in soennitisch Irak en door sjiitisch geweld de vrije teugel te geven en zelfs te bevorderen heeft Amerika zich in veler ogen gehaat gemaakt. Dat werd nog versterkt door de mensonwaardige behandeling of zelfs het doden van burgers en gevangenen door het Amerikaanse leger. Het zijn redenen die we uit de mond van moslimextremisten zelf kunnen horen in de interviews van Mekhennet.
Door het boek heen leren we Mekhennet vooral kennen als iemand die hartstochtelijk op zoek is naar de waarheid en gerechtigheid. Mekhennet schrijft van harte tegen het onrecht van terrorisme, maar stelt ook vragen bij het buitenlandbeleid van het westen. ‘[S]ommige mensen in westerse landen zien er het gevaar niet van in hun normen aan anderen op te leggen, alsof die de enige juiste zijn. Het is dezelfde redenering als die van IS. Intussen tasten geheime detentiecentra, martelingen en massaal overheidstoezicht de kernwaarden van onze democratie aan.’ (p. 305)
AvD
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 2018
Zicht | 112 Pagina's