Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Verval Van Een Kerk (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Verval Van Een Kerk (I)

6 minuten leestijd

In het algemeen vind ik het bespreken van een boek een fijn werk. Het heeft voor mij iets van een ontmoeting en een gesprek. Er komt bij dat ik op een leeftijd gekomen ben, dat ik geen kerkelijk ambt of maatschappelijke functie meer bekleed en daarom veel vrijer sta tegenover de persoon van welke auteur ook. Er is mij echter nu een boek door de uitgever Kok te Kampen toegezonden, waar ik het om meer dan één reden erg moeilijk mee heb gehad. De schrijver ervan is de emeritus-hoogleraar G. C. Berkouwer van de Vrije Universiteit te Amsterdam. De titel van het boek luidt: Zoeken en Vinden. Herinneringen en Ervaringen. Men zou het kunnen omschrijven als een kerkelijke en theologische levensbeschrijving. Het eerste hoofdstuk vertelt iets over herinneringen aan de studententijd aan de Vrije Universiteit, de drie volgende hoofdstukken gaan over bekende gereformeerde theologen: H. Bavinck, V. Hepp en A. H. de Hartog. Het vijfde hoofdstuk gaat over de kerkelijke procedure tegen de Amsterdamse predikant dr. J. G. Geelkerken in verband met zijn visie op het Schriftgezag. In de volgende hoofdstukken wordt aandacht gegeven aan de buitenlandse theologen Karl Heim en Karl Barth, en aan de rechts-moderne Leidse theologen K. H. Roessingh en G. J. Heering. Dan komen de hoofdstukken, die wel de meest dramatische uit het boek zijn: motieven en achtergronden van de theologie van K. Schilder, het kerkelijk conflict van 1944, het kerkelijk schisma (scheuring). Het laatste hoofdstuk is helemaal gewijd aan het Tweede Vaticaans Concilie en de figuur van paus Johannes XXIII.

Wat het boek zo uitermate boeiend maakt, is dat hier een stuk geschiedenis van kerk en theologie beschreven wordt door iemand die daar als predikant, als synode-voorzitter en als hoogleraar dogmatiek aan de Vrije Universiteit persoonlijk op het nauwst bij betrokken is geweest. Welke figuur ook die op één of andere wijze een belangrijke rol heeft gespeeld in het kerkelijke en theologische leven van deze eeuw, — Berkouwer kent ze persoonlijk, heeft nauwe contacten met hen gehad, weet allerlei bijzonderheden over hen te vertellen, geeft zijn indrukken over hen. Of het nu bisschop Beckers, dominee Buskes, de dichter Gabriel Smit, de hoogleraar Schillebeeckx, of wie anders ook betreft, Berkouwer heeft met hen geluncht, gewandeld, op de studeerkamer diepzinnige gesprekken gevoerd. Van veel belangrijke figuren die al lang geleden gestorven zijn en die voor de jongere generaties historie zijn geworden, heeft hij de opkomst, de verdere ontwikkeling en in vele gevallen ook het verscheiden meegemaakt. Zo de veelbelovende hoogleraren Zevenbergen, H. J. Pos, J. J. F. Buytendijk, Vollenhoven, Dooyeweerd, de predikanten S. G. de Graaf en O. Noordmans, de leke-theoloog A. Janse uit Biggekerke.

Wat het boek echter zo moeilijk te bespreken maakt, is dat een heel groot deel van dit boek handelt over episoden uit de recente geschiedenis van de Gereformeerde Kerken, die een zeer dramatisch karakter hebben gehad, die diepe sporen hebben nagelaten, die gepaard zijn gegaan met veel kerkelijk en familiaal leed, en dat de schrijver van dit boek er op een nadrukkelijke wijze partij in is geweest: als predikant, als synode-voorzitter, als hoogleraar. Op zó nadrukkelijke wijze is hij het geweest, dat men in hem de personificatie zou kunnen zien van al wat zich in de achter ons liggende tientallen jaren binnen de Gereformeerde Kerken heeft afgespeeld op de synoden en aan de Vrije Universiteit. Daarom is het niet mogelijk om dit boek onpartijdig te bespreken. Hier spreekt immers iemand die de verantwoordelijkheid heeft gedragen, eerst voor de tuchtprocedures in de Gereformeerde Kerken en daarna voor de steeds grotere discrepantie (tegenstrijdigheid) van het theologisch onderwijs aan de Vrije Universiteit en de Gereformeerde Confessie.

Het opvallende van de wijze waarop Berkouwer over al die recente ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken schrijft, is dat hij zijn persoonlijke verantwoordelijkheid ook wel beseft en dat men hier en daar ook de indruk krijgt dat hij eronder gebukt gaat. Met name geldt dat de tucht- en afzettingsprocedure van K. Schilder. Maar toch is voor wie indertijd die kwestie van nabij als betrokkene of als buitenstaander heeft meebeleefd, de terugblik van Berkouwer teleurstellend. Wat hij erover schrijft is wel waar, maar zo weinig bewogen en geschokt. Het is of hij nauwelijks heeft beseft, wat voor de aangeklaagde en geschorste een kerkelijke tuchtprocedure betekent; nooit heeft beseft, hoe daardoor huwelijken, gezinnen, families gebroken zijn; nooit heeft beseft, wat het voor een ambtsdrager inhoudt om het tot een schisma in zijn gemeente te zien komen. En is dat misschien niet de grote fout van heel de kerkelijke en theologische ontwikkeling geweest in de dolerende Kerken, dat die gekenmerkt is geweest door een hypertro- 99fie (overontwikkeling) van het verstand en door een onderontwikkeld hart? Gereformeerden staan erom bekend, dat zij vanaf de knapenvereniging en jongelingsvereniging hebben geleerd om het woord te voeren, om mondig te zijn. Ze kunnen zich daarom in het kerkelijke, maatschappelijke en politieke leven terdege laten gelden. Maar waar het hun sinds de dagen van Kuyper en de Doleantie schromelijk aan ontbreekt is fijnheid van geest. "De eenvoudige gereformeerde vaders van vroeger hebben knappe zonen, knappe koppen voortgebracht" (J. C. Sikkel), die thuis zijn in politieke praktijken. Daarom is het er in kerkelijke conflicten zo harteloos, zo gevoelloos aan toegegaan. Ik kan niet aannemen dat zulks aan Berkouwer onbekend is, al heeft hij in de hitte van de strijd aan de veilige en triomferende kant gestaan. Maar er openlijk voor uitkomen dat men toen op een goddeloze manier met elkaar is omgegaan en over harten en zielen met klompen heeft heengelopen, het komt niet dan heel aarzelend, heel verhuld, heel terloops uit zijn pen. Zouden (om het eens oudtestamentisch te zeggen) zijn ogen ooit weleens van berouw en schuldgevoel met bittere tranen gevuld zijn? Heeft hij als theoloog van formaat niet ook een overontwikkeld verstand en daardoor een onvermogen om te voelen, wat mede onder zijn leiding een geestelijke schade en verwoesting binnen de gemeente is aangericht? De wijze waarop hij over al deze dramatsiche gebeurtenissen schrijft, roept daarover grote twijfel bij mij op. Ik durf dat zeggen, omdat ik over dit boek met een aantal vrienden zowel uit de Gereformeerde Kerken als uit de Vrijgemaakte Kerken gesprekken heb gevoerd en zij mij nog eens vertelden, hoe alles zich had afgespeeld en met wat een stortvloed van vrome, schijnheilige woorden predikanten, ouderlingen en diakenen werden geschorst en afgezet. De emotie erover was na zovele jaren nog duidelijk van hun gezichten af te lezen. Zou het niet vanzelfsprekend geweest zijn, dat in deze terugblik op zulk een smadelijke en smartelijke periode iets doorgeklonken had van schaamte over het feit dat in de Kerk zo iets mogelijk is geweest en van meegevoel met degenen die er het slachtoffer van zijn geweest? Echte smart verjaart niet. Echte schuld ook niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1990

Ecclesia | 8 Pagina's

Het Verval Van Een Kerk (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1990

Ecclesia | 8 Pagina's