Geen ander Evangelie
"Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigde buiten hetgeen u verkondigd hebben, die zij vervloekt Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt"Galaten 1 8 en 9
Gemeente des Heren'
Het zal u niet verwonderen dat ik vanmiddag tot u kom met een woord, dat wel heel in 't bijzonder onze aandacht bepaalt bij het Evangelie van Christus Als er ooit een dag is, waarop onze gedachten als vanzelf naar dat Evangelie worden heengeleid, dan is het zeker wel die dag, waarop een evangeliedienaar zich aan een nieuwe Gemeente verbindt En zo mag ik dan hier voor 't eerst als uw eigen herder en leraar vóór u staan, als dienaar van Christus en uitdeler der verborgenheden Gods, — nadat mijn vriend Ds Lefeber mij bij u heeft ingeleid Nu is het uur aangebroken, waarop ik in mijn tweede Gemeente mijn intrede doe, het uur, waarnaar ik de laatste maanden zo verlangend heb uitgezien, doch waartegen ik, naarmate het steeds meer naderde, ook met beving heb opgezien Ik heb mij gehaast zo spoedig mogelijk tot u over te komen om in uw midden het ambt van evangeliedienaar te aanvaarden
Ongetwijfeld zult ge blij en dankbaar gestemd zijn, dat de predikantsplaats, opengevallen door het emeritaat van Ds Bruins, nu na twee maanden al weer vervuld wordt Hierin bewijst de Here u Zijn gunst, en dat in een tijd als deze, waarin zoveel Gemeenten geen eigen evangeliedienaar hebben Als wij op dit alles letten, wordt onze aandacht met blijdschap en dankbaarheid op het Evangelie van Christus gericht
Maar als wij m deze stemming verkeren, kan het ons toch wel verwonderen, dat onze aandacht met deze tekst op dat Evangelie gericht wordt Wanneer WIJ ons immers geplaatst zien voor deze woorden uit de Brief aan de Galaten, worden we in zekere zin ontnuchterd Want hier wordt géén blijde jubel vernomen Integendeel' Het is Paulus benauwd om het hart, als hij deze woorden neerschrijft Een diepe en smartelijke ontroering heeft zich van hem meester gemaakt, terwijl hij aan de Gemeenten van Galatie denkt, die door het Evangelie in het aanzijn waren geroepen Door liefde bezield, geeft hij aan die ontroering op de zachtste wijze uitdrukking, als hij schrijft "Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie" (vers 6) Hoe diep zijn ontroering wel geweest is, blijkt duidelijk uit de hoogsternstige woorden die hij laat volgen, en waarin hij zelfs een vervloeking slingert naar het hoofd van mensen die een ander evangelie prediken In plaats van een opwekking tot blijde jubel vinden WIJ hier dus een ernstige waarschuwing Een waarschuwing die — dat voelt ge wel — hierop neerkomt bedenk, dat er slechts één Evangelie is, namelijk het Evangelie dat door Paulus en de zijnen verkondigd is'
Zulk een waarschuwing is intussen niet misplaatst op een dag als deze, waarop wij immers niet slechts herinnerd worden aan de grote weldaad die God aan de Gemeente bewezen heeft, maar ook duidelijk voor onze ogen de vraag geschreven zien, wat wij nu met die weldaad zullen doen
"Geen ander evangelie dan het door Paulus en de zijnen verkondigde" — zo roept deze intreedag ons luide toe Dat is het wachtwoord voor de Gemeente van Christus, ook in onze tijd De gedachten die naar aanleiding hiervan oprijzen willen wij groeperen om een viertal vragen
I Waarom is het door Paulus verkondigde Evangelie het enige'^
II Waarom moet dat met zó grote ernst gezegd worden"^
III Waarom vindt desondanks een ander evangelie zoveel mgang'' en
IV Wat IS nodig, om dat Evangelie te aanvaarden en te bewaren''
I
Waarom is het door Paulus verkondigde Evangelie het enige''
Het IS wel eigenaardig, dat Paulus in onze tekst zoveel nadruk legt op het Evangelie dat hij zelf verkondigd heeft HIJ doet dit zelfs tot tweemaal toe Eerst m vers 8, waar hij schrijft "Doch al ware het ook dat WIJ, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die ZIJ vervloekt" En dan nog eens in vers 9 "Gelijk WIJ tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt" Het IS toch wel duidelijk, dat hij hier in de eerste plaats aan zichzelf denkt, al zijn zijn gedachten ook tegelijk bij diegenen, die met hem de Gemeenten van Galatie het Evangelie hebben verkondigd en die dus zijn helpers en mede-arbeiders waren Het gaat hem om dat éne Evangelie, dat hij en met hem ook anderen gepredikt hebben Afwijking van dat Evangelie kan hij geen ogenblik dulden Als hij aan zulke afwijking denkt, dan wordt zijn ziel van heilige toom vervuld, die zich uit in het ontzaglijke "die zij vervloekt'" Dat Evangelie is het enige, en buiten dat is geen evangelie te vinden
Het IS geen hoogmoed en ook geen aanmatiging die hem zo doet spreken Hij treedt niet op als iemand die met zichzelf ingenomen is, niet als iemand die uit denkt te steken boven anderen en de wijsheid in pacht meent te hebben en daarom dweept met eigen denkbeelden en Ijdel is op zijn ontdekkingen Neen, hier is héél iets anders in het spel Dat wordt ons duidelijk als WIJ nog eens nauwkeurig luisteren naar hetgeen hij m vers 8 getuigt "Doch al ware het ook dat wij, ot een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt" Paulus IS doodsbenauwd voor een ander evangelie, al zou het ook uit zijn eigen mond komen Zó staat het met met iemand die uit eigen wijsheid leeft' Paulus is er ten volle van overtuigd, dat ook hijzelf geen haarbreed van dat Evangelie mag afwijken, dat zijn eigen mond verkondigd heeft Hij weet dat dit Evangelie het enige Evangelie is
Zo komen wij dan te staan voor de vraag, die voor ons allen van het hoogste gewicht is Waarom is het door Paulus verkondigde Evangelie het enige"^
De Apostel geeft zelf in dit hoofdstuk reeds een antwoord op die vraag En dat antwoord luidt om de herkomst van dat Evangelie Het is niet uit de mensen, maar uit God Dat schemert reeds door in die vragende uitroepen van vers 10 "Want predik ik nu de mensen, of God'' Of zoek ik mensen te behagen'^", waarvan de bedoeling is tracht ik nu met hetgeen ik daar gezegd heb mensen op mijn hand te krijgen of God'' Of zoek ik mensen te behagen'' Dat zou zeker het geval zijn, wanneer Paulus zijn Evangelie zelf had uitgedacht Daarvan is echter geen sprake, mensen behagen ligt niet in zijn lijn, want hij is dienstknecht van Christus Het Evangelie dat Paulus verkondigt komt niet uit zijn eigen brein voort
Het komt ook niet voort uit het brein van andere mensen Dat stelt hij uitdrukkelijk in het licht in vers 11 en 12 "Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar de mens Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus" Indien het van mensen had afgehangen, dan zou het er heel anders uitgezien hebben Dat blijkt wel uit zijn vroeger leven, waarvan de Galatiers gehoord hadden' Dan zou hij nooit met zulk een Evangelie voor de dag zijn gekomen Dan zou hij opgegaan zijn in de voorvaderlijke mzettmgen van het Jodendom Dan zou er bij hemzelf met anders dan tegenstand tegen dit Evangelie zijn geweest, hij heeft immers zo fel mogelijk de Gemeente Gods vervolgd, die Gemeente, welke juist in dit Evangelie al haar hoop en troost vond
Neen, dit Evangelie heeft Paulus enkel te danken aan Gods genade Die genade heeft een ommekeer gebracht in Paulus' leven en daarmede in zijn hele denken Het heeft Gode naar Zijn vrijmachtig welbehagen beliefd. Zijn Zoon in Paulus te openbaren, dwz Christus in Paulus' ziel te verheerlijken (vers 15 en 16a) Wie denkt hier niet aan de ervaringen van de Apostel op de weg naar Damascus, waar Jezus hem verscheen en hem staande hield midden in zijn felle vijandschap'' Zó heeft Paulus leren verstaan wat de inhoud van het Evangelie is Zó alleen Enkel door die openbaring van Jezus Christus, welke God hem schonk Want ook na die ervaringen op de weg naar en binnen Damascus heeft hij, wat het Evangelie betreft, niets uit te staan gehad met mensen, gelijk hij verder zegt "Zó ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed, en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem tot degenen die vóór mij Apostelen waren, maar ik ging heen naar Arable en keerde wederom naar Damascus" In de eenzaamheid is bij Paulus bezonken wat God in hem gewrocht had Pas daarna heeft hij een paar weken te Jeruzalem doorgebracht, om Petrus te bezoeken en heeft toen behalve Petms geen van de Apostelen ontmoet uitgezonderd Jacobus, de broeder des Heren Eerst na lange tijd elders te hebben gepredikt kwam hij persoonlijk in aanraking met de Gemeenten in Judea En die hebben God in hem verheerlijkt, daar hij hetzelfde geloof predikte, dat hij eertijds verwoestte (vers 16b - 24) Zo is dan het Evangelie, dat Paulus verkondigde, van God alleen afkomstig Daarom is dat Evangelie het enige dat waarlijk Evangelie is Wij kunnen hieraan nog een andere reden toevoegen Het door Paulus verkondigde Evangelie is het enige, met alleen om zijn herkomst, maar ook om zijn inhoud
Het Evangelie is immers de blijmare, de blijde boodschap, die van Godswege komt tot een in zonde en schuld reddeloos verloren mensheid En wat kan in waarheid een zó reddeloos verloren mens blij maken dan alleen de boodschap van volkomen verlossing, die uit vnje genade geschonken wordt'' Zo iemand is niet gebaat met de prediking van een weg, waarop hij zelt nog iets tot zijn heil moet bijdragen, om uit de ellende te komen dan is en blijft het immers een verloren zaak Want waar blijven zijn vroegere zonden, waar blijft de schuld die op hem rust'' Hoe ook kan hij zich aan de macht der zonde ontworstelen'' Alleen het Evangelie van Christus brengt hier uitkomst Dat Evangelie, dat de rechtvaardiging predikt alleen door het geloof in Jezus Christus, een rechtvaardiging waartoe de mens zelf mets behoeft bij te dragen en ook niets bijdragen kan, maar waarbij God alles doet en alles schenkt uit vrije goedheid
Van de inhoud van dat Evangelie geeft Paulus in deze zelfde brief een en ander aan Bijvoorbeeld als hij m een ernstig ogenblik, waarin hij tegen Petrus moet optreden, in heilige verrukking uitroept "Ik ben door de Wet der Wet gestorven, opdat ik Gode leven zou Ik ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft" (2 19, 20) En "Christus heeft ons verlost van de vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons" (3 13a) En "Gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus" (3 26) Dat IS immers verlossing, waaraan niets ontbreekt Volkomen verlossing Dat alleen is de inhoud van het Evangelie van Christus Daarom is dat ook het enige Evangelie'
II.
Waarom moet dat nu met zó grote ernst gezegd worden? Met zó grote ernst! Want ontzaglijke ernst spreekt uit het oordeel dat Paulus uitroept over degenen, die een ander evangelie verkondigen: "die zij vervloekt!" Ja, vervloekt, al was het Paulus zelf of één der zijnen, of zelfs een engel uit de hemel.
Waarom moet met zo grote ernst gezegd worden, dat het door Paulus verkondigde Evangelie het enige is? Omdat er zijn die een ander evangelie prediken.
Zo was het ook in de Gemeenten van Galatië. Daar had Paulus zelf het Evangelie van Christus gepredikt. Door zijn dienst waren die Gemeenten gesticht. Ja, de liefde tot het Evangelie was daar zó groot, dat de gelovigen, indien het mogelijk ware, hun ogen uitgegraven zouden hebben en ze gegeven aan hem, die hen met dat Evangelie bekend had gemaakt. Maar helaas, het was niet zo gebleven! Paulus moest schrijven: "Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie, daar er geen ander is; maar daar zijn sommigen, die u ontroeren en het Evangelie van Christus willen verkeren" (vers 6 en 7).
Het was een hachelijk tijdsgewricht in het leven van de Galatiërs. Er begon een wending te komen. Zij waren bezig zich los te maken van Paulus, door wiens prediking zij de genade van Christus hadden leren kennen en omhelzen, of juister misschien naar de grondtekst: zij waren bezig zich los te maken van Christus, die door Paulus' dienst hen geroepen had in genade en tot deelgenootschap aan Zijn genade — en zich over te geven aan een evangelie van andere inhoud. Daar in Galatië waren mensen verschenen, die in de Gemeenten optraden als evangeliepredikers die haar de weg der zaligheid kwamen wijzen maar die een evangelie brachten, verschillend van dat van Paulus. Blijkens het vervolg van de Brief had hun prediking dezelfde inhoud als die, welke eenmaal in Antiochië gebracht werd: "Indien gij u niet laat besnijden naar het gebruik van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden" (Hand. 15:1, Nieuwe Vertaling, vgl. Gal. 5 : 2 - 9).
Paulus stelt in onze tekst uitdrukkelijk in het licht, dat deze prediking een inhoud heeft, die vreemd is aan het Evangelie van Christus. In de eerste plaats als hij schrijft: "Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie, dat geen ander is". Zó moeten wij naar de grondtekst lezen, in plaats van "daar er geen ander is". Het klinkt wel wat raadselachtig: een ander evangelie, dat geen ander is, maar het raadsel wordt opgehelderd, als wij weten dat Paulus, waar bij ons het woordje "ander" staat, twee woorden van uiteenlopende betekenis gebruikt heeft: "een vreemd evangelie, dat niet een tweede verkondiging van dezelfde waarheid is". De nieuw opgetreden predikers hadden zich voorgedaan, alsof zij het éne Evangelie brachten, maar dan in verbeterde vorm, alsof Paulus' Evangelie niet volledig was, maar daaraan nog iets toegevoegd moest worden, namelijk de besnijdenis. Zij spraken ook van Jezus en van het geloof in Hem, maar zeiden, dat de gelovige Heidenen nog niet zalig konden worden, indien zij zich niet lieten besnijden. Zo scheen het alsof zij het Evangelie brachten. Maar in werkelijkheid brachten zij iets geheel anders. Zij waren — zo merkt Paulus in de tweede plaats op — inderdaad bezig de gelovigen te ontroeren, in de war te brengen, en het Evangelie van Christus te verkeren. Met het Evangelie, zoals het luidde, waren zij niet tevreden; zij wilden dat veranderen, door de toevoeging, dat men zich ook moest laten besnijden. Heilloos bedrijf: zo werd het Evangelie uit het Evangelie weggenomen! Jammerlijk is het lot van hem, die zich daardoor laat meetronen: die heeft geen Evangelie meer; die mist wat hem in leven en in sterven helpen kan. Is het dan te verwonderen, dat Paulus in heilige toorn de vloek uitroept over degenen die met zulk een vreemd evangelie aan durven komen? Is het te verwonderen, dat hij met de meeste ernst de gelovigen waarschuwt: "geen ander evangelie dan dat wij u verkondigd hebben!"? Het is heden ten dage niet minder nodig, met zo
Het is heden ten dage niet minder nodig, met zo grote ernst te zeggen, dat het door Paulus gepredikte Evangelie het enige is. Want ook nu nog zijn er, die met een ander evangelie aankomen! Wij zullen nu niet spreken van allerlei heilswegen buiten Jezus Christus om, die de mensen worden voorgesteld door personen die 't liefst bij Heidenen in de leerschool gaan. Dat ligt buiten het kader van onze tekst. Wij bepalen ons slechts tot boodschappen, die zich als een nieuwe vorm van het éne Evangelie aandienen. Ze zijn er in soorten! Ook onder diegenen, die zich kinderen der Hervorming noemen! Als Evangelie wordt door velen een boodschap in
Als Evangelie wordt door velen een boodschap in de wereld gebracht, waarin de naam Jezus met eerbied op de voorgrond wordt gesteld, waarin van genade en vergeving van zonden wordt gesproken, waarin van kindschap Gods wordt gewaagd, doch waarin geen plaats is voor het verzoenend lijden en sterven van Jezus en daarom ook niet voor Zijn opstanding uit de doden, voor Zijn hemelvaart en wederkomst om te oordelen de levenden en de doden. Een evangelie van een liefde Gods zonder verzoening! Zulk een evangelie is gemakkelijk genoeg als een vreemd evangelie te herkennen, want juist hetgeen de kern van het Evangelie van Christus uitmaakt is er uit weggenomen.
Moeilijker is dit ten aanzien van een andere boodschap, die als Evangelie de wereld ingedragen wordt, en waarin Jezus hemelhoog geprezen wordt als de bewerker onzer zaligheid vanwege Zijn offerande aan het Kruis, maar waarin tegelijkertijd aangegeven wordt dat het geloof in Jezus ons niet baat, als er geen goede werken bij komen; of: dat wij hetgeen ons in Jezus Christus bereid is, zelf moeten uitwerken in ons leven; of: dat het geloof in Jezus ons tot zaligheid niet baat, indien wij niet weten te spreken van diepten van nood en hoogten van vreugde zoals zulke leermeesters ons voorhouden.
Het gevaarlijke van al dergelijke heilsboodschappen is dit, dat zij allerlei bevatten wat aan het Evangelie van Christus eigen is, hetzij in meerdere, hetzij in mindere mate. Dat geeft er een schone schijn aan. En toch kan er geen andere naam aan gegeven worden dan die van verdraaiing van het Evangelie van Christus. Zij staan op één lijn met dat "andere", met dat vreemde evangelie, dat de besnijdenis naast het geloof als noodzakelijk stelt voor de zaligheid
Met zulk een vreemd evangelie, wat de inhoud daarvan ook moge zijn, komt men bedrogen uit Waar geloot en werken vermengd worden, waar ook nog maar iets in de mens wordt geëist, daar is het Evangelie van Christus weggenomen, daar is geen Evangelie meer Daar blijft een mens zitten met zijn zonde en schuld Daar geldt hetgeen Paulus in verband met de omstandigheden, die hem tot het schrijven van deze brief bewogen, aldus uitdrukt "Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden gij zijt van de genade vervallen" (5 4) En wie van de genade vervallen is, die heeft geen heil'
Daarom moet er dus met zulk een diepe ernst op gewezen worden, dat alleen het Evangelie, door Paulus gepredikt, Evangelie is, het enige Evangelie, het Evangelie van de rechtvaardiging van zondaren alleen door het geloof m Jezus Christus
m.
Waarom vindt desondanks een ander evangelie zoveel ingang"^
Ook op die derde vraag geeft Paulus in ons teksthoofdstuk het antwoord Het ligt opgesloten in hetgeen hij schrijft in vers 11 "Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd IS, met IS naar de mens"
Het Evangelie van Christus strookt met met de gedachten en begeerten van de mens Uit onze aard zijn wij hoogmoedige wezens Wij willen met weggecijferd worden Wij willen zo graag iets zijn Wij willen zo graag iets doen En juist daarvoor laat het door Paulus gepredikte Evangelie geen ruimte, zelfs geen vierkante millimeter Want in dat Evangelie is Gods genade het begin en het einde, is God Zelf het een en het al Volgens dat Evangelie maakt God ons zalig zonder ons en buiten ons, ja zelfs tegen onszelf, dit laatste heeft Paulus wel ondervonden op de weg naar Damascus, waar God met Zijn heil lijnrecht tegen Paulus inging'
Elk ander evangelie daarentegen komt de mens in het gevlei Want het vergunt hem, iets te zijn en iets te doen Bij elk ander evangelie kunnen wij iets worden Het ene evangelie zegt ons, dat wij toch op de bodem van ons hart iets hebben, dat naar God uitgaat Het andere, dat wij door Jezus langzamerhand vrome mensen worden, op wie God vanwege die vroomheid met welgevallen kan neerzien
Weer een ander, dat wij in onszelf kentekenen kunnen verkrijgen, die ons de zekerheid geven van ons heil Daarnaar grijpt een mens veel liever dan naar een Evangelie dat hem predikt dat God "de goddeloze rechtvaardigt", en dat hem alleen op Jezus Christus wijst als op de enige grond zijner zaligheid
Met die natuurlijke hoogmoed gaat nog iets anders gepaard, namelijk vrees, dat wij met het Evangelie van Christus, d i met de door dat Evangelie gepredikte heilsweg, nog bedrogen zullen uitkomen Daarvan weet de duivel handig gebruik te maken Hij zegt ons, dat WIJ — als wij werkelijk verlost zijn — toch niet altijd op het zondaarsbankje kunnen blijven zitten, dat het dan toch vanzelfsprekend langzaam aan beter met ons moet worden, zodat wij toch langzamerhand zelf ook enige gerechtigheid moeten verkrijgen En zo maakt hij het Evangelie van Chnstus, dat alleen van een toegerekende gerechtigheid spreekt, verdacht, alsof dat toch het rechte Evangelie met zou zijn, alsof dat ons in de zonde zou laten zitten' Of hij zegt ons, dat WIJ — als wij dan waarlijk verlost en in het leven gesteld zijn door Christus — toch langzamerhand leven in onszelf moeten bespeuren En zó maakt hij het Evangelie van Chnstus, dat ons ons leven alleen in Christus leert zoeken, verdacht, alsof wij daarbij van het ware leven verstoken zouden blijven, alsof dat ons in onze dood zou laten liggen Zulke vrees doet al weer gemakkelijk het oor lenen aan een ander evangelie, dat ons gerechtigheid en leven in onszelf voorspiegelt'
Maar wee ons, wanneer wij aan zulk een ander evangelie het oor lenen Wij gaan er mee ten verderve, omdat WIJ er mee in onze zonde en schuld blijven, waarvan wij alleen door het geloof in Jezus Christus bevrijd kunnen worden Er is geen ander evangelie dan het Evangelie van Christus, door Paulus verkondigd het Evangelie van de vergeving der zonden uit louter genade, van de rechtvaardiging door het geloof alleen Door dat Evangelie heeft Christus Zijn Gemeente vergaderd en vergadert Hij haar nog steeds Door dat Evangelie houdt Hij haar in stand tot aan de voleinding der wereld
IV
Wat is dan nodig, om dat Evangelie, door Paulus verkondigd, te aanvaarden en te bewaren'^ Voor deze vraag verzoek ik tenslotte nog uw aandacht Dat IS een vraag die voor ons allen van het hoogste
Dat IS een vraag die voor ons allen van het hoogste gewicht IS Want van het aanvaarden en bewaren van dat Evangelie hangt ons heil voor tijd en eeuwigheid af
Het spreekt wel vanzelf dat wij hier bedoelen een aanvaarden en bewaren van dat Evangelie, niet alleen met het verstand, maar bovenal met het hart, zodat wij uit de diepste grond van ons hart de weg bewandelen, die ons in dat Evangelie wordt voorgesteld en die Christus, die een verzoening voor onze zonden is, tot onze jongste ademtocht aanhangen Maar al spreekt dit vanzelf, het is toch niet overbodig daarop nadrukkelijk te wijzen Wij leven toch in een tijd, waarin de Gemeente van Christus in velerlei opzicht lastig gevallen wordt juist om zulk vasthouden aan dat Evangelie Die dat doen, beschuldigen haar steeds van een vasthouden aan formules, waaronder het leven begraven en dus gesmoord wordt Er zijn ongetwijfeld mensen die zich met een verstandelijk vasthouden aan de waarheid tevreden stellen, die menen klaar te zijn als ZIJ maar zekere geijkte uitdrukkingen gebruiken WIJ weten echter al te goed, dat achter het verzet tegen formules al te vaak afkeer schuilt van de waarheid zelf, die daarin — hoe gebrekkig dan ook — beleden wordt Zeker, het gaat om de levende Christus Doch die levende Christus is geen andere dan de Chnstus, zoals het Evangelie ons Hem tekent Het komt er op aan, dat wij aan die Chnstus ons houden met al de kracht onzer ziel'
Wat IS daartoe nodig''
Iets zeer eenvoudigs. Geen geleerdheid, geen hoge ontwikkeling, geen hooggespannen geestelijke kracht, maar rechte kennis van ons zelf. Wij moeten weten, wie wij zijn. Is dat niet doodeenvoudig?
En toch, ook dat doodeenvoudige hebben wij uit onszelf niet. Het gaat hier om de kennis van onze zondige aard, van onze diepe verdorvenheid, van onze onbekwaamheid tot enig goed, van onze geneigdheid tot alle kwaad, in één woord: van ons vlees-zijn! Daarvan hebben wij uit onszelf geen begrip. Daar willen wij uit onszelf niet aan. Zelfs niet, wanneer wij bij zulke gedachten zijn grootgebracht, zelfs niet, wanneer wij het — om zo te zeggen — uit onze Heidelbergse Catechismus geleerd hebben. Want als het ons recht op de man af gezegd wordt, dat wij zo slecht zijn, worden wij boos en voelen wij ons beledigd. Al spreken wij het, als goed-orthodoxe mensen, in theorie ook niet tegen, in de praktijk geloven wij het niet, evenmin als Petrus ook maar één moment geloofd heeft, dat hij niet anders kon dan zijn dierbare Here en Heiland verlaten en verloochenen, dat hij onbekwaam was om tegen alles in aan Jezus vast te houden. Voor dat doodeenvoudige, namelijk die rechte ken
Voor dat doodeenvoudige, namelijk die rechte kennis van onszelf, is onmisbaar de voortdurende onderwijzing en voorlichting van de Heilige Geest. Die Geest leert het ons verstaan door ons gedurig weer te plaatsen voor Gods heilige Wet, zoals zij geestelijk is en geestelijk oordeelt, zoals zij oordeelt over de verborgenste overleggingen van ons hart en alles afmeet aan haar volmaakte maatstaf. Als Gods Geest ons zó voor Gods Wet plaatst, dan blijft er niets over van alles wat wij meenden te bezitten en waanden te vermogen. Dan komt aan het licht dat geen van onze gedachten, woorden en werken de toets der Wet kan doorstaan: ook onze beste werken zijn met zonden bevlekt. Dan blijken wij allen te zijn als een onreine en al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed. Dan moeten wij van harte onderschrijven wat Paulus in Romeinen 8 : 7 zegt: "dat het bedenken des vlezes vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet". Tot zulk een belijdenis komt het intussen lang niet altijd even gemakkelijk, ja zelfs uiterst moeilijk. Daartoe zijn vaak zeer zware lessen nodig, lessen waarbij wij het in de praktijk leren, zoals ook David en Petrus het in de praktijk geleerd hebben. Maar dan onderschrijven wij ook van harte wat Paulus aan het reeds aangehaald woord liet voorafgaan: "Want het bedenken des vlezes is de dood". Dan hebben wij alle verwachting van onszelf verloren. Dan is de zaligheid aan onze zijde een geheel afgesneden zaak.
Maar dan komt het Evangelie, door Paulus gepredikt, in liefelijk licht vóór ons te staan. Dan zien wij ons daarin de deur der hope geopend, de enige deur der hope. Dan vinden wij in dat Evangelie de bevrediging van de behoeften onzer ziel; de rijkdom die al onze ledigheid vervult; het antwoord op al onze levensvragen. Hoe kom ik van mijn onberekenbare schuld af, hoe word ik rechtvaardig voor God, in overeenstemming met Zijn heilige Wet? Het Evangelie antwoordt: "dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der Wet, maar door het geloof van Jezus Christus" (2 : 16). Hoe kom ik onder de macht der zonde uit, hoe word ik verlost van de begeerlijkheden die in mijn leden woelen? Het Evangelie antwoordt: "Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden" (5 : 24). Hoe zal God mijn eeuwig deel zijn? Het Evangelie antwoordt: "Maar wanneer de volheid des tij ds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus" (4 : 4, 5,7). Zo zien wij ons dan in Christus alles bereid. Zo wordt Christus ons alles. Zo wordt voor ons ook onmisbaar het Evangelie, dat deze Christus ons predikt. Dan kunnen wij het met een ander evangelie niet stellen!
Maar dan kennen wij ook geen vreselijker ding dan af te wijken van dat Evangelie, door Paulus verkondigd.
Daar wij onszelf geen ogenblik kunnen vertrouwen, drijft de nood ons tot het gebed dat God Zelf door Zijn Geest ons gedurig lere verstaan en indachtig make, wie wij zijn! Zó zullen wij Amen zeggen op de leus van Paulus: "geen ander evangelie!" God alleen echter zal er de eer van hebben; 't is Zijn genade alleen. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1996
Ecclesia | 8 Pagina's