Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Réveil en de kerkelijke situatie nu (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Réveil en de kerkelijke situatie nu (I)

26 minuten leestijd

(De bekende cultuurhistoricus uit Basel, Jacob Burck- I hardt, schreef in 1875: "Na ons zal een tijd aanbre- 'ken, waarin men bedroevend weinig notitie meer zal nemen van heel het verleden". Het heeft misschien iets langer geduurd dan Burckhardt op dat moment vreesde, maar inmiddels is zijn toekomstbeeld bedroevend realiteit geworden. Althans wanneer het niet alleen om de fe/ten op zichzelf gaai, maar om het kennen en respecteren van de historie, zodat men historisch denkt en leeft. Op trieste wijze werd Burchardts veimoeden in onze tijd bevestigd toen enkele jaren geleden aan leden van de Tweede Kamer 15 vragen werden voorgelegd op het terrein van de Nederlandse en parlementaire geschiedenis. Sommigen waagden zich niet aan deze proef, anderen hadden niet één antwoord goed. Het resultaat voor hen die hadden meegedaan: gemiddeld een 4 plus.

Wanneer het uitgiftebeleid van nieuwe postzegels gedurende de laatste 25 jaar als een graadmeter zou mogen gelden, dan durf ik de stelling te verdedigen dat van alle West-Europese landen Nederland het meest aan zijn historie voorbijgaat.

Zou dat op kerkelijk terrein veel anders zijn? In Woord en Dienst van 13 maart 2004 was de vraag te lezen: "In de kerkorde staat een hele rij belijdenisgeschriften die voor de Protestantse Kerk in Nederland gelden. Mij zeggen de meeste helemaal niets, en nu ben ik nog wel voorzitter van de kerkenraad. Ik ben bang dat ik niet de enige ben. Is dat erg?" Toegegeven, de vraagsteller kent wel het rijtje met de namen van de belijdenisgeschriften, maar hij belijdt dat deze hem niets zeggen, dat hij deze niet verstaat. Een bewust staan in de historie van de kerk en haar belijden is blijkbaar bij hem of haar geheel afwezig. De vrees van Burckhardt is dus ook helemaal van toepassing op deze kerkenraadsvoorzitter en ik deel diens vermoeden dat hij of zij de enige niet is.

Het staat voor mij vast dat mede, misschien wel vooral, door gebrek aan kennis van de geschiedenis en ontbreken van historisch denken de synode op 12 december 2003 met een krappe 2/3 meerderheid het rampzalige besluit kon nemen de Nederlandse Hervormde Kerk op te heffen en een nieuwe kerk te stichten, de Protestantse Kerk in Nederland.

Na deze woorden ter inleiding wil ik met u een korte wandeling door de historie maken, om te zien wat wij van haar kunnen leren voor nu en morgen. Daartoe is aangekondigd dat wij enige aandacht zullen besteden aan het Réveil. Het is eigenlijk ondoenlijk om over deze beweging uit de 19* eeuw, met haar uitlopers in de 20^ en 2P eeuw, beknopt te spreken, omdat zij niet alleen uiterst boeiend maar ook zo veelomvattend is. Maar, dit onderwerp is aangekondigd en het moet dus worden gepoogd.

Wie over het Réveil spreekt, kan niet om de figuur van Willem Bilderdijk heen en wil dat ook niet. In het voetspoor van Allard Pierson wordt hij algemeen beschouwd als de vader van het Réveil.

Toch noemt Pierson hem niet de vader, maar een vader van het Réveil. En dat lijkt mij terecht, want er zijn meerdere bronnen die de wondere stroom die vanmiddag onze aandacht vraagt, hebben gevoed. Daarbij kunnen wij voor wat Nederland betreft denken aan:

1. de nawerkingen van het gereformeerd Piëtisme, de Nadere Reformatie, met haar liefde en ijver voor de kerk en het doorwerken van Gods geboden en beloften in het leven van alle dag. De tijd na de Franse revolutie en de Napoleontische oorlogen, had onzegbare verschrikkingen en verarming gebracht. De jaren die volgden op de Restauratie worden gekenmerkt door verlangen naar rust, verheerlijking van deugdzaamheid, liberale zelfgenoegzaamheid en tolerantie. Niet allen werden daardoor aangetast. Er waren nog altijd rechtzinnige, belijdende christenen onder het volk en in de predikantenstand. Soms stonden dezen in contact met gelovigen in het buitenland.

2. Sinds 1780 had een aantal christenen zich georganiseerd om zich apologetisch teweer te stellen tegen wat men 'de neologie' noemde: het geheel van leringen die maatschappij en kerk doortrokken, maar volstrekt afweken van de Bijbel en de confessies van de kerken der reformatie. Bedoeld is de Deutsche Christentumsgesellschaft, opgeric door Johann August Urisperger, die ook in Nederland afdelingen had. Die te Amsterdam telde onder haar leden meest Evangelisch Luthersen. De jonge Frits Kohlbrugge groeide op in een omgeving waar deze Gesellschaft actief was.

3. Ook moet in dit verband genoemd worden de Broedergemeente, waaraan de naam van N.L. graaf von Zinzendorf verbonden is. Deze had een 'uitstraling' die over de gemeentegrenzen heenging. Het is bekend dat Kohlbrugge vanuit zijn woonplaats Utrecht van tijd tot tijd in de Broedergemeente van Zeist ter kerke ging.

4. Tenslotte moeten wij niet voorbijzien aan de talrijke 'gezelschappen', in den lande al dan niet rondom een 'oefenaar'; kleine kringen van gelovigen die bijeenkwamen om een preek van een der vaderen te horen lezen. Deze gezelschappen waren wel niet actief bij het Réveil betrokken, maar zij kunnen wel gelden als 'het grondwater' waarin de stem van het Réveil werd gehoord en herkend. Vele bezoekers van deze gezelschappen hebben na 1834 met de Vaderlandse Kerk gebroken en zijn de weg van de Afscheiding gegaan. Dr G.J. Vos stelt in zijn lijvig werk over 'Groen van Prinsterer en zijn tijd' dat het Réveil separatistisch was. Dit oordeel vind ik in zijn algemeenheid onjuist, maar separatistische trekken waren bij een aantal Réveilvrienden inderdaad aanwezig.

Al kunnen wij enkele bronnen van het Réveil noemen, dit betekent niet dat deze opwekkingsbeweging geheel uit die bronnen kan worden verklaard, ledere opwekkingsbeweging heeft iets nieuws dat in die bepaalde fase van de geschiedenis, onder die bepaalde omstandigheden, actueel is en licht brengt in de duisternis. Dit geldt ook voor het Réveil. V/ij mogen daar een werk van God in zien, die in een tijd waarin de Kerk aan de geest van de tijd te gronde dreigde te gaan, mannen en vrouwen gaf, die 'de bezwaren van de geest der eeuw' onderscheidden en belijders werden van de onwankelbare waarheid van het Goddelijk Woord

Mevrouw dr. M.E. Kluit stelt in haar standaardwerk over het Réveil dat "de kern van het Réveil en Opwekking in de grond de persoonlijke bekering is, de heroriëntering, ontdekking en herontdekking van Bijbel en Evangelie, van de blijde boodschap der verzoening en verlossing door het geloof in de regenererende krachten van Jezus Christus en Die gekruisigd, geschonken door Gods oneindige genade. De mens, die alleen maar overtuigd was van menselijke vooruitgang en menselijke voortreffelijkheid sloot zich zelf af van die genade, evenals de mens, die de rust tot hoogste goed verhief." Deze ontdekking, dit persoonlijk door de boodschap van Gods genade getroffen zijn, ligt ten grondslag aan allen die in het Réveil een rol hebben gespeeld, bij de mannen én de vrouwen in die kring.

Daarbij nog enkele kanttekeningen: 1 Het Réveil is een beweging geweest onder de hoogste standen in de standenmaatschappij die Nederland toen nog kende. 2. En in de tweede plaats: het Réveil was een reactie in de christenheid op de verschrikkingen van de Franse revolutie en de Napoleontische oorlogen, zoals de Restauratie dat was op het gebied van de staatkunde en de politiek. 3. Het Réveil had een internationaal karakter Gebeurtenissen in Geneve zijn daarvoor heel belangrijk geweest. En op de achtergrond van hetgeen daar in de Calvijnstad gebeurde, staan mannen als de Engelse Methodist V^ilcox en (om niet meer namen te noemen) de Schotse Baptist Robert Haldane die in Geneve studenten om zich heen verzamelden om met hen de Bijbel te lezen. En het was wederom een Engelsman Henri Drummond, een congregationalist, die hun werk voortzette. Bij hem aan huis ontstond een kleine 'vrije' gemeente. Ook daar deed zich, juist vanuit de kring van predikanten van de gevestigde kerk, het verschijnsel voor van vijandschap tegen allen die tegen de geest van de tijd zich verzetten. Ook daar had de heersende tolerantie heel snel haar grens bereikt. Desondanks is het daar voor het eerst gekomen tot de vorming van een 'vrije' kerk naast de historische kerk. Vanuit Geneve is dit vuur naar Frankrijk gelopen. En vanuit de genoemde stad en het genoemde land was het een bekeerde losbol, de vermogende A.J. Twent van Roosenburg die de gedachte van een 'vrije' kerk naar Nederland overbracht.

Het Réveil heeft de aandacht van meetaf gericht op de geestelijke en kerkelijke situatie van Nederland. Maar we zien twee lijnen onder de Réveilvrienden en onder de 'tweede' generatie: de keuze voor een vrije kerk, naast de historische kerk, zoals in Geneve gebeurde én een worsteling om de historische kerk terug te brengen tot levend belijden, overeenkomstig het Woord van God.

IV

Keren wij nog even terug naar Bilderdijk, de wonderlijke, romantische, zwaarbeproefde visionaire dichter en historicus. Toen na de omwenteling van 1795 van hem een eed van trouw aan het nieuwe bewind werd geëist, verliet hij het land. In 1806 teruggekeerd, vestigde hij zich opnieuw in 'zijn' stad. Hij hoopte op een betrekking als hoogleraar in de Nederlandse taal aan het Athaeneum lllustre te Amsterdam. Hij werd teleurgesteld. Ondanks voorspraak van iemand als D.J. van Lennep werd een ander benoemd: een wiskundige, J.P. van Capelle. Toen verhuisde Bilderdijk naar Leiden, waar hij in zijn woning aan het Rapenburg private colleges ging leven. Daar zat hij, dikwijls in zijn nachtgewaad en met een slaapmuts getooid, niet zelden zuchtend over zijn zwakke gezondheid, niet wetend of hij zijn college wel zou kunnen voltooien voor de studenten die hem kwamen horen. Het is vooral door het zaad dat hij in hun harten strooide dat hij een vader van het Réveil is geworden.

Want hij gaf de jonge mensen iets mee voor het leven. Niet alleen kennis, niet alleen een getuigenis van zijn geloof, maar vooral een visie op de tijd waarin zij leefden. Hij leerde hun de beginselen te zien van de braafheid en zelfgenoegzaamheid van zijn eeuw, de beginselen van een leven dat vreemd is aan een besef van eigen geringheid en schuld tegenover God en vreemd aan een roemen in Gods genade. Hij opende hun ogen voor het onhistorisch denken, het denken vanuit de revolutie. Deze vader van het Réveil stond met veel en velen van zijn tijd op gespannen voet. Ook met de Vaderlandse Kerk.

In een lezenswaardig opstel heeft prof. dr. D. Nauto aangetoond dat Bilderdijk maar zelden kerkganger was, ook niet bij 'getrouwe leraren'. Tot het afleggen van de geloofsbelijdenis en het vieren van het Heilig Avondmaal in de christelijke gemeente is hij nooit gekomen. Hij, gedoopt in de Amsterdamse Westerkerk, was een christen, een gelovige buiten de kerk. Niet dat hij onverschillig stond tegenover de kerk. maar terwijl hij niet kon buiten zijn God, kon hij de kerkgang voor zichzelf wel missen.

Bilderdijks negatieve instelling tegenover de kerkgang is wel versterkt door de geesteloze situatie van de kerk. Want de nieuwe organisatie, haar in 1816 door koning Willem I opgelegd, bracht wel orde, maar geen nieuwe bloei, geen krachtig belijden. Het zich houden aan de kerkelijke voorschriften (de Reglementen) was belangrijker dan prediking en kerkenwerk overeenkomstig de belijdenis der Reformatie.

Dat heeft kort na 1816 ds. N. Schotsman te Leiden ondervonden - want nu ga ik u enkele voorbeelden noemen van pogingen om de Vaderlandse Kerk uit haar gezapigheid wakker te schudden en van haar vervreemding van het Evangelie tot Gods orde terug te roepen.

Ds. Schotsman was de eerste die onder de nieuwe kerkelijke structuur opkwam voor de aloude leer der Hervorming. Toen ervoer hij hoe smal de grenzen van de tolerantie in werkelijkheid warenl

Ter gelegenheid van het tweede eeuwgetijde van de synode van Dordrecht, in 1819, had hij namelijk in de Leidse Marekerk twee gedachtenispreken gehouden, die hij in druk liet verschijnen onder de titel: Eere-zuil ter gedachtenis van de voor twee hondert jaren te Dordrecht gehoudene Nationale Synode opgeregt. Al spoedig was een tweede druk noodzakelijk. Deze verscheen met een voorrede van Bilderdijk! Hij voegde dit gedicht aan de voorrede toe.

Wel hem, die bij 't verderf van Godsdienstleer en zeden, 't Blanketsel van 'gelaat der valsche leeraars vaagt, Den Kanker open legt, die 't hart der Kerk verknaagt. En 't wanspook onder 't oog, het schaamtloos oog, durft treden. Dot bij de klaterkroon der ingebeelde Reden, Het kenbaar merk des vloeks op 't Kains-voorhoofd draagt! Ja, Schotsman, staan wij pal! Bij Jezus' Kruis gebogen. Verachten wij den wrok van Heiden en Sofist, Wier wijsheid dwaasheid is en loos verniste logen. En vruchtloos ons den zoen in 's Heilands bloed betwist. 't Vijandiijk gruwelrot koom woedende aangevlogen. God zelf belacht omhoog hun niets vermogend pogen: Voor 's werelds wording zelv' heeft Hij den strijd beslist!

Met zijn eer- en liefdesbetuiging aan de synode van Dordrecht ging ds. Schotsman lijnrecht tegen de geest der eeuw in. Hij maakte kennis met het 'vijandelijk gruwelrot', is bespot en uitgejouwd. Men vond het in de leidinggevende kringen van Nederland belachelijk en gevaarlijk hem te horen verklaren:".... welk eenen weldadigen invloed [heeft] dat groote werk gehad op de behoudenis van ons lieve Vaderland, op de bevestiging onzer ge-loofsleer en op den herkregen roem en luister onzer hooge Schooien: en die heilzame uitwerkselen heeft de God van onze Vaderen, ondanks alle omwentelingen en beroeringen in Kerk en Staat, voor ons bewaard!"

Ds. Schotsman stierf in 1822, nog voordat de beweging die we als 'het Réveil' kennen een aanvang had genomen. Hij heeft niet meer beleefd dat zes jaar na zijn 'Eere-zuil', een jonge man van 25 jaar, de moed had in felle bewoordingen de strijd tegen de tijdgeest aan te binden: Isaac da Costa. Do Costa, van Joodsen huize, leerling van Bilderdijk, was tot het geloof in de Christus gekomen, en samen met zijn neef Abraham Capadose en zijn verloofde Hanna Delmonte onder overstelpend grote belangstelling op 20 oktober 1822 in de Pieterskerk van Leiden door de Heilige Doop ingelijfd in de christelijke kerk.

Reeds in 1818, op 20-jarige leeftijd gepromoveerd tot doctor in de rechten, drie jaar later ook doctor in de letteren en wijsbegeerte, zette hij zich na zijn doop tot het schrijven van zijn getuigenis Bezwaren tegen de geest der eeuw, een protest tegen de verlichte denkbeelden op het gebied van godsdienst, politiek en sociaal leven. Het maakte talloos veel tolerante liberalen razend. Op allerlei wijze werd hij verguisd, bespot en bedreigd. De politie moest zelfs zijn huis bewaken! In de jaren die volgden, bracht Da Costa een kring van geestverwanten rondom zich en zijn vrouw bijeen: de Amsterdamse Réveilkring. Talloos vele gasten ontvingen zij in hun woning. Het was voor deze kring en voor belangstellenden uit alle standen dat hij zijn lezingen hield. Lezingen over allerlei historische en dogmatische onderwerpen en Bijbellezingen. Overigens heeft Da Costa zich nimmer direct voor het herstel van de Vaderlandse Kerk ingezet. Hij zag haar gebreken, maar zag niets in handhaving van de aloude formulieren. "Hun bloote onderteekening, voordat werkelijk leeraren en leden in massa dezelve gelooven, zooals vroeger, zou iets bloot machinaals zijn", schreef hij eens. Hij verklaarde alleen licht te hebben in de medische weg tot herstel van de kerk uit haar verval.

Enkele jaren later, het was in 1827, toen een Adres aan alle mijne Hervormde Gelookgenoten verscheen, ontstond wederom alom commotie in den lande. De in 1816 opgerichte synode en het nieuwe bestel voor de Hervormde Kerk werden daarin regelrecht aangevallen! Ook dit geschriftje maakte in tolerant Nederland een storm van verontwaardiging los. Bepleit werd dat de koning die anonieme schrijver, wanneer hij was opgespoord, voorbeeldig moest straffen. V/ie was dan die schrijver? Het bleek de 41 -jarige Haagse dominee Dirk Molenaar te zijn. Onder de indruk van de bedreigingen die hij te verduren kreeg, verklaarde hij evenwel dat hij geen onrust of afscheiding had willen veroorzaken. Een dapper man was hij niet, maar het door hem geschrevene werd n/ef door hem herroepen!

Nu is de naam van een drietal steden genoemd: Leiden, de stad waar Bilderdijk zijn privatissima gaf, Amsterdam, waar Da Costa woonde en Den Haag, waar ds. Molenaar stond. Niet alleen rondom Da Costa vormde zich de al genoemde kring. Ook in Den Haag, de hofstad, was dat het geval. Niet rondom de persoon van ds. Molenaar, bij wie overigens de Haagse Réveilvrienden dikwijls kerkten, maar rondom de persoon van mr. G. Groen van Prinsterer, die ook ruim een jaar long aan de voeten van Bilderdijk had gezeten.

Aanvankelijk leek het er niet op dat hij, in 1822 op één dog gepromoveerd in de rechten en in de klassieke talen, zijn winst zou doen met het gehoorde in Bilderdijks colleges. Maar toen hij in 1830, in Brussel werkzaam als chef van het kabinet van koning Willem, onder het gehoor kwam van ds. J.H. Merle d' Aubigné, kwam hij tot een persoonlijk geloof. Hij en zijn vrouw, Betsy van der Hoop, vormden sindsdien een wonderschone eenheid in geloof, belijden, strijden en dienstbetoon.

De kring rondom dit bijzondere echtpaar verschilde in meer dan één opzicht van de Amsterdamse kring. Zij was enigszins aristocratischer dan de Amsterdamse kring. Haar leden waren meer dan gene betrokken bij het landsbestuur en bovendien was zij meer op de kerk als geheel gericht dan de kring van Amsterdamse vrienden. Mevrouw Kluit kenschetst het verschil als volgt: "Was het Amsterdamse Réveil romantisch, individueel en gericht op het persoonlijk heil, in Den Haag speelden reeds vroeg kerkelijke en politieke factoren mee."

Ook in Rotterdam heeft korte tijd (van 1820 tot 1825) een Réveil-kring bestaan, ten huize van de piëtistische baron RJ. van Zuyien van Nijevelt. Meer dan hij was evenwel mevrouw Van Zuyien- geboren Bichon het middelpunt van een kleine kring, waaraan de dichter, schrijver en fabrikant Willem Messchert en leden van de families Ledeboer en Van Oordt deelnamen. Door de buitenwacht werden zij als 'fijnen' bespot. Wellicht loopt er een verbindingsdraad tussen de boeteprediker van Kralingen, Theodorus van der Groe en de Rotterdamse baron Van Zuyien, want beide waren getrouwd met een meisje uit de burgemeestersfamilie Bichon van IJsselmonde Na de dood van mevrouw Van Zuyien viel de kring uiteen. Mij is niet gebleken dat deze kring zich direct met de kerkelijke toestanden heeft ingelaten.

V

Keren wij terug naar de Réveilkring in Den Haag. Het was vanuit haar midden dat in 1842 een schrijven naar de synode werd gezonden, dat bekend staat als het adres van de zeven Haagse heren. Visie en hand van Groen zijn hierin duidelijk herkenbaar. De zeven richtten zich op een viertal punten: het gezag van de formulieren (van enigheid, dus: de belijdenisgeschriften uit de tijd der Reformatie), de academische opleiding van de predikanten, het verixind tussen het lager onderwijs en de kerk en de wijziging van het kerkbestuur.

Nu was er een jaar tevoren, dus in 1841, ook een adres aan de synode gericht. De initiatiefnemer daartoe was ds. B. Moorrees te Wijk bij Heusden, samen met vijf collega's. Maar liefst 8790 lidmaten waren bereid gevonden adhesie te betuigen. Hoe was de synode daar mee omgegaan? Overeenkomstig de regels was een commissie, bestaande uit drie leden benoemd. Deze commissie had op een volgende zitting verslag uitgebracht. Het klinkt smalend wanneer zij van de adressanten onder leiding van ds. B. Moorrees vermeldt, dat zij "op weinige uitzonderingen na, geheel bij ons onbekende personen zijn, wier handteekeningen het bewijs dragen van den min beschaafden stand".

Oprecht vroom en waar werd kennelijk minder belangrijk geacht dan 'beschaafd'. De adressanten waren met een kluitje in het riet gestuurd.

Wat beoogden de zeven Haagse geloofsgenoten van de synode te bereiken? Zij verklaarden de toestand der Kerk te betreuren. Ja, zij schreven dat "de toestand der Kerk van dien aard [is] dat, bij langer stilzwijgen, om het woord des Zaligmakers te gebruiken, de steenen haast gesproken zouden hebben". Zij hoopten dat de beraadslagingen der synode ertoe zouden "medewerken om allengskens het Kerkgenootschap, door handhaving van het alleen zaligmakend Evangelie, weder eenzelvig te doen zijn met de Nederlandsche hervormde Kerk; zoodat deze, op historische en Christelijke grondslagen gevestigd, door Evangelie-prediking en geloofsleven, op nieuw bevorderlijk wierd aan het ware heil des dierbaren Vaderlands, aan de behoudenis der zielen, en aan de verheerlijking van den God desvredes ....".

Zij verlangden van de synode: "1. Handhaving der hoofdwaarheden van het Evangelie, en, als middel hiertoe, handhaving der Formulieren van eenigheid, in al wat het wezen en de hoofdzaak der Hervormde leer, naar den geest van de opstellers en van de Nederlandsche hervormde Kerk, betreft. 2. Openlijke afkeuring van hetgeen daarmede in prediking of onderwijs, in tegenspraak is, en bepaaldelijk eene stellige verklaring dat de leer, welke door drie Hoogleraren in het tijdschrift Waarheid in Liefde voorgedragen wordt, strijdig is tegen de belijdenis der hervormde Kerk en de zaligmakende leer der Heilige Schrift. 3. Protest tegen de bestaande verordeningen op het Onderwijs, als niet vereenigbaor met eene Christelijke opvoeding naar de leer der Nederlandsche Hervormde Kerk. 4. Aanvankelijke revisie der kerkelijke Reglementen, ter handhaving eener Christelijke kerktucht, in leer en in wandel, en ter voorbereiding eener Kerkvertegenwoordigende Synode door a. meerdere werkzaamheid en invloed der klassikale Vergadering; b. vermeerdering der leden van de Synode, zoo al niet van lastbrieven voorzien, dan toch met verantwoordelijkheid, krachtens de verpligting tot handhaving der Hervormde leer; c. vermeerdering der leden van de provinciale kerkbesturen, aan wie de examinatie der aankomende predikanten toevertrouwd is; d. herstel van het Gemeente-bestuur in zijne regten; herstel inzonderheid van het gewigtig ambt der Ouderlingen, naar Gods Woord, zoodat ook een meerder getal derzelve in de onderscheidene kerkelijke Collegien worde gesteld".

Dat de zeven Haagse heren tot 'de min beschaafde stand' behoorden, kon men niet zeggen. Zij maakten allen deel uit van de Nederlandse adel en aristocratie. Maar, het verging dit adres precies zo als dat van ds. Moorrees: de synode wimpelde de bezwaren af en ging over tot de orde van de dag. Ook nog andere adressen die in datzelfde jaar waren binnengekomen vonden geen gehoor. De synode was er blijkbaar hartelijk van overtuigd dat zij, tezamen met de hogere en lagere kerkbesturen voldoende waakzaam was "om, overeenkomstig pligt en roeping, het heil der Hervormde Kerk en de handhaving van den dierbaren hoofdinhoud harer leer te behartigen".

Vele adressen zijn in de loop van de jaren gevolgd. Geheel zonder effect bleven deze niet. In 1852 en 1866 kwamen enige herzieningen tot stand die onder meer tot gevolg hadden dat de kerkenraden niet langer zichzelf mochten aanvullen, daar de lidmaten van de gemeenten het recht verkregen de ouderlingen en diakenen te verkiezen. Maar wezenlijk veranderde er niets; integendeel, de leervrijheid werd steeds groter.

Voor de Vaderlandse Kerk heeft het Réveil officieel niets bereikt. Wel heeft het veel betekend voor veel kerkleden èn voor mensen over de rand van de kerk, mede door het practisch hulpbetoon dat uit zijn midden gestalte heeft gekregen. Wie moet don vooral niet den-ken oen de onvermoeibare inzet van ds. Ottfio Gerfiard Heldring?

Een zwakke kant aan het Réveil is zijn weinige eenheid geweest. In geest en hoofdzaak was men het wel met elkaar eens, maar men was te zeer individualistisch bezig. Na het adres van de zeven Haagse heren is vanuit het Réveil geen gezamenlijke poging meer ondernomen om de synode te bewegen te komen tot een ambtelijke structuur van de kerk en aan de leervrijheid een einde te maken. Toen gedurende een aantal jaren in Amsterdam op het Rusland de Réveilmannen in vergadering bijeenkwamen, liepen deze vast op de verschillende visies inzake het kerkelijk vraagstuk. Door het optreden van ds. J. de Liefde kwam er in oktober 1854 een eind aan deze vergaderingen die een persoonlijk contact hadden betekend voor de Chrisfelijke Vrienden. Dit was het begin van het einde van het Réveil in de engere zin van het woord.

Dit betekent niet dat Groen zich bij de kerkelijke situatie neerlegde. In zijn laatste levensjaren schreef hij bijv. over "het ontzettende in onzen kerkelijken toestand". Hij leed onder de leugen in de kerk, waarin "[men] sedert eene reeks van jaren [ ] in een zamenweefsel van onwaarheid en ongerechtigheid [is] geraakt". En dan: "De erkenning hiervan zal wel de conditio sine qua non en tevens de eerste en gewigtige schrede zijn tot wezenlijk herstel".

VI

Het kerkelijk vraagstuk! Wat heeft dit in de 19^ eeuw de gemoederen bezig gehouden! Wij kunnen ons niet indenken hoeveel energie, hoeveel tijd daarin gestoken is, omdat steeds weer verzoeken uit de Kerk kwamen om aan de leervrijheid paal en perk te stellen. Maar het was alles tevergeefs. De meerderheid beschouwde de wijze van kerkbestuur en de leervrijheid als een groot goed waaraan niet mocht worden getornd. Verbazingwekkend was de handigheid waarmee de synode, die uit 19 leden bestond, maar waarvan de samenstelling zich toch regelmatig wijzigde, het klaar speelde om zichzelf én de bestaande vorm van kerkbestuur gedurende een kleine anderhalve eeuw te handhaven. Elk voorstel van reorganisatie, elk voorstel van reformatie wist men af te wijzen. De Kerk als geheel ging aan de grote maatschappelijke noden en vragen geheel voorbij. Tot een belijden van de Christus kwam zij niet!

Nu gebruikte ik de woorden 'reorganisatie' en 'reformatie'. Wanneer deze herhaaldelijk worden gebezigd, is de periode van het Réveil voorbij. Maar het Réveil heeft lang en rijkelijk vrucht gedragen. Velen zijn door het gedachtegoed daarvan gevormd en hebben daar in latere jaren invulling en uitwerking aan gegeven naar toen werd vereist.

Ik noem een drietal namen: Dr A. Kuyper, die in velerlei contact met Groen heeft gestaan en na diens dood door menigeen werd beschouwd als zijn opvolger. Dr ftiJ. Hoedemaker en Prof. J.H. Gunning J.H.zn.

Bij dr. Ph.J. Hoedemaker en zijn kring werd het inzicht geboren: éérst reorganisatie van de kerk, dat wil zeggen eerst herstel van de kerkelijke vergaderingen, dan pas kan het tot reformatie komen.

Dr. A. Kuyper kon zo lang niet wachten. Hij nam op revolutionaire wijze de Reformatie ter hand, riep op het Hervormde genootschap te verlaten en stichtte een nieuwe kerk 'de Gereformeerde Kerken in Nederland'.

Prof. J.H. Gunning ging op den duur samen op weg met Hoedemaker. Samen dienden zij in 1902 een voorstel tot wijziging van de organisatie van de kerk in. Prof. Gunning vroeg in de synode persoonlijk daarover gehoord te mogen worden. Dit verzoek werd hautain afgewezen en na eerst een voorstel van dr G.J. Vos Azn. verdraaid te hebben weergegeven en sluw te hebben afgewezen, noemde de commissie, die onder leiding van prof. dr T Cannegieter (Utrecht) de concrete voorstellen van Gunning en Hoedemaker moest bezien en rapporteren, deze 'vaag en zwevend', om vervolgens 'met grote nadruk' de synode te ontraden 'ook maar een enkelen stap in [de] richting (van de voorstellen) te doen'.

Terecht merkte ds. Lingbeek op: 'De Kerk moet onder den duim der Besturen blijven, opdat zij zich niet kunne uitspreken'.

Ook nieuwe voorstellen tot reorganisatie werden in volgende jaren in de synodale doofpot gestopt. Grievend was de beschuldiging van de president der synode, dn G.J. van der Flier (die ook hofprediker was), die de reorganisatiebeweging 'uitsluitend' een partijzaak noemde, voortkomende uit ongeloof! Prof. M.A. Gooszen verklaarde in de synode: 'wij zouden een misdaad begaan in 1903, door maar één stap te zetten op een weg, die tot een juridisch herstel dier stukken (nl. de belijdenisgeschriften) zou kunnen leiden'.

Dit alles overziende schreef de edele prof. Gunning: 'Gijlieden zegt dat wij aan de organisatie van 1816 onze positie ontleenen. Dit toont dat uw geloof in den H. Geest hier feitelijk is geloof aan deze organisatie'. En: '(Onze voorgangers) arbeiden tot mat en uitgeput wordens toe. De kerk kwijnt niettemin. (Dit komt) omdat zij arbeiden op den verkeerden grondslag onzer organisatie, die ook de meest ingespannen pogingen vruchteloos maakt. Dit kunnen wij bewijzen door een blik op de belijdende Kerken rondom ons. Waar een belijdenis wordt erkend als grondslag, daar zijn de kerken, ook bij geringe welsprekendheid der voorgangers, gevuld.' Hij schrijft vervolgens hoe in ongelovige, buitenkerkelijke kringen de kerk wordt geminacht. 'De oorzaak (daarvan) ligt dieper dan de verachters weten. Zij is de heilige toom des Heeren, die eene Kerk, welke... Hem verloochent... aan de vijanden overlaat'.

In 1929 leek de dag aangebroken dat de Kerk uit haar reglementaire kluisters zou worden bevrijd om weer een Christus belijdende Kerk te worden.Veler verwachtingen waren hoog gespannen. Maar ook nu weer verwierp de synode met 10 stemmen tegen en 9 stemmen voor het voorstel om van de Reglementen te komen tot een ambtelijk bestel.

Dr O. Noordmons schreef daarover: 'Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de organisatie van 1816 is haar vermogen om te duren. Bij de pogingen om haar te breken zijn geslachten versleten, zonder dat er merkbare ruimte tusschen haar voegen kwam. Het martelaarschap der Afgescheidenen, het geweld van Kuyper, het geduld der Confessionelen, de apostolische ernst van Gunning - niets is in staat geweest hier verandering in te brengen. Er is bijna iets geheimzinnigs, iets mystieks in de onneembaarheid van dit kerkelijk bolwerk en telkens zijn er rustpozen ingetreden, waarin men het opgaf. Het lijkt wel vermetelheid en verspilling van kracht en tijd om weer met een voorstel tot wijziging van de kerkelijke wet te komen'.

Hij schreef dit in 1933. Daarna is het nog één keer tot het voorstel van zulk een nieuwe 'kerkelijke wet' gekomen, toen de bewegingen Kerkopbouw en Kerkherstel elkaar vonden. Maar ook dit ontwerp werd in 1938 afgestemd.

Kort daarna brak de Tweede Wereldoorlog uit. De kerk ging in het Sauls-harnos van de Reglementen deze duistere tijd in. En in die jaren van diepe beproeving en verwoesting gebeurde iets wonderlijks: de kerk, tot dan eigenlijk niet veel meer dan een administratieve organisatie, vertoonde levenstekenen. Zij begon te spreken, te belijden en te getuigen! In dit verband moet de naam van ds. K.H.E. Gravemeijer, de secretarisgeneraal van de synode, genoemd worden. Hij belichaamde als het ware dit nieuwe gebeuren. Hij was het ook die in oktober 1945 - de vreselijke oorlog was voorbij - de 'werkorde', een voorlopige kerkorde in plaats van de Reglementen 'begroef' onder de Bijbel en daarbij de hoop uitsprak dat nooit meer zulk een kerkelijk statuut gezag zou hebben over de Bijbel.

De definitieve nieuwe kerkorde werd per 1 mei 1951 ingevoerd. Er was tegenstand geweest, zowel van uiterst links als van rechterzijde. Maar deze doofde het enthousiasme niet van de velen die de nieuwe kerkorde, die onder meer herstel van de ambtelijke vergaderingen bracht, met vreugde begroetten.


Wees mijn gids, o grote l-leiland,

in dit ontierbergzaam land;

ik ben zwak, maar Gij zijt machtig,

leid mij voort met vaste hand;

brood des hemels

sterk mijn hart, houd mij in stand.

Open Gij de harde steenrots

dat het water helder stroom',

laat de wolkkolom vooropgaan

als een schaduwrijke boom!

God des levens

houd de duivelen in toom.

Overwin mijn angst en vrezen

aan de oevers der Jordaan,

dat ik uit de dood verrezen

aan de overkant mag staan

en U prijzen

in het land van Kanaan!

William Williams (1717-1791), vert W Barnard

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juli 2004

Ecclesia | 16 Pagina's

Het Réveil en de kerkelijke situatie nu (I)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juli 2004

Ecclesia | 16 Pagina's