Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een �Vleug van licht� in een donker bezettingsjaar*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een �Vleug van licht� in een donker bezettingsjaar*

Ida Gerhardt – Het carillon

6 minuten leestijd

Ik zag de mensen in de straten,hun armoe en hun grauw gezicht, –toen streek er over de gelateneen luisteren, een vleug van licht.Want boven in de klokketorenna ’t donker-bronzen urenslaanving, over heel de stad te horen,de beiaardier te spelen aan.Valerius : – een statig zingenwaarin de zware klok bewoog,doorstrooid van lichter sprankelingen,‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’En één tussen de naamloos velen,gedrongen aan de huizenkantstond ik te luistr’ren naar dit spelendat zong van mijn geschonden land.Dit sprakeloze samenkomenen Hollands licht over de stad –Nooit heb ik wat ons werd ontnomenzo bitter, bitter liefgehad.Oorlogsjaar 1941Uit: Verzamelde gedichten 1980; oorspronkelijk uit Het veerhuis 1945)

IIn het voor ons land trieste oorlogsjaar 1941 schreef Ida Gerhardt (1905-1997) één van haar bekendste gedichten: Het Carillon. Omdat zij in die tijd in Kampen woonde, wordt aangenomen dat het gaat om het carillon van de Nieuwe Toren in de Oudestraat in deze stad. 1 Het gedicht is een aanklacht tegen de bezetting door de Duitse nazi’s, met een concreet voorval als aanleiding. De dichteres schetst een beeld van armoe en grauwheid. Het is niet toevallig dat de beiaardier een lied uit Valerius’ Gedenckclank begint te spelen. De regel “Wij slaan het oog tot U omhoog” komt uit “O Heer die daar des hemels tente spreidt”, gemaakt in 1585, dus in de tijd van de Spaanse overheersing. Toen de mensen het hoorden streek over de gelaten “een vleug van licht”. 2 Dachten zij wellicht al aan een betere tijd die eens zou aanbreken? In 1941 was het echter nog niet zover.

Bij monde van de Rijkscommissaris dr. Arthur Seyss-Inquart had de Duitse bezetter op 29 mei 1940 verklaard, niet te zijn gekomen om aan het land de vrijheid te ontnemen. “Wij willen dit land en zijn bevolking niet in het nauw drijven, noch onze politieke overtuiging opdringen.” Ook had Seyss-Inquart beloofd, het tot dusver geldende Nederlandse recht in werking te laten. Maar reeds in 1940 werd dit recht geschonden. De bezetter bepaalde dat allen die een overheidsbetrekking bekleedden of bij het onderwijs werkzaam waren een zogenaamde Ariërverklaring moesten ondertekenen. Op deze wijze probeerden de Duitsers er achter te komen welke openbare functies door Joden werden vervuld, om hen vervolgens te kunnen ontslaan. Op 21 november werden 10 Joden, onder wie 2 hoogleraren ontslagen die in dienst waren van de Leidse universiteit. Prof. R.P. Cleveringa kwam hiertegen in opstand en hield op 26 november een openbare protestrede. Hij was vooral geraakt door het ontslag van zijn leermeester prof. E.M. Meijers. “Het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mens, deze studentenvader, deze geleerde, die de vreemdeling, welke ons thans vijandiglijk overheerst, ontheft van zijn functie”. Na de protestrede volgde applaus en zette één van de studenten het Wilhelmus in. De volgende dag werd prof. Cleveringa zoals hij al verwacht had, gearresteerd. Tot de zomer van 1941 verbleef hij in het huis van bewaring in Scheveningen, het “Oranjehotel”.

Inmiddels had in oktober 1940 ook een zevental kerkgenootschappen zich tot Seyss-Inquart gewend met het dringende verzoek de maatregelen tegen de Joden in te trekken, omdat de strekking ervan strijdig was met de christelijke barmhartigheid. Ook waren de kerken op het diepst ontroerd, aangezien het ging om het volk, waaruit de Zaligmaker der wereld is geboren. De bezetter ging echter door. Joodse kinderen moesten van school verwijderd worden. En in parken en openbare gelegenheden verschenen de eerste bordjes “Joden niet gewenst”, later “Voor Joden verboden”.

In Amsterdam kwam het op 25 februari 1941 tot een spontaan verzet tegen de barbaarse methoden van de Duitse nazi’s en hun handlangers: de Februaristaking. Vierhonderd Joden in de leeftijd van 20 tot 35 jaar werden als vergeldingsmaatregel overgebracht naar een Duits concentratiekamp.

Op 13 maart 1941 werden op de Waalsdorpervlakte in Den Haag achttien verzetsstrijders gefusilleerd. Vijftien van hen behoorden tot de groep van de zogeheten Geuzen. Drie Amsterdamse stakers deelden hun lot.

In Leiden speelde ds. Hendrik Cornelis Touw een belangrijke rol in een bepaalde vorm van kerkelijk verzet. 3 Reeds enkele weken na de Duitse inval kwamen in zijn pastorie (Houtlaan 13) enkele jonge hervormde predikanten bijeen om zich te beraden over de houding van de Kerk tegenover de bezetter. Dit initiatief leidde in augustus 1940 tot de oprichting van de “Lunterse kring”, een groep theologen, die de synodale organen aanzette tot een principiële reactie van de Kerk op maatregelen van de bezetter.

Ook persoonlijk had ds. Touw rijkelijk zijn deel aan het geestelijk verzet. Bekendheid kreeg vooral zijn op 3 oktober 1941 in de Pieterskerk gehouden preek ter herdenking van Leidens beleg en ontzet. Ambtshalve aanwezig was de NSB burgemeester, Mr. R.N. de Ruijter van Steveninck, die tevoren gewaarschuwd had dat hij de kerk zou verlaten als er aanvallen op de bezettende macht of op de NSB zouden worden gedaan. En in dat geval zouden de gevolgen voor de predikant minder aangenaam zijn, zo had hij gedreigd. De burgemeester woonde echter de gehele dienst bij.

Ds. Touw preekte over de zeer toepasselijke tekst 2 Kor. 1: 10: “God, Die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Wie wij hopen dat Hij ons ook nog verlossen zal”. Het was een predikatie ter gedachtenis van het beleg en ontzet van Leiden in 1574, maar Touw koos zijn woorden zo, dat de actualiteit er als het ware aan alle kanten uitsprong. Al in zijn inleiding merkte hij op: “Meer dan ooit is ons volk nu weer geworden een volk in nood, een volk waarin immers weer geleden en gebeden wordt om dat hoge, dat ons boven alles dierbaar is: de vrijheid van ons volksleven en de vrijheid der Kerk. De strijd en het lijden van het verleden staan nu plotseling weer dichtbij ons”.

Over de nood van Leiden in 1574 zei Touw onder meer: “Daar komt de meimaand in het land met al zijn pracht en vreugde, maar die voor Leiden zal worden het begin van alle ellende”. Verder sprak de predikant over “de glippers, een heel klein groepje uit de bevolking, maar dat zich verbazend rumoerig roerde, een handvol laffe verraders, die …..zich lieten gebruiken als gewillige instrumenten van de vijand”. Over Prins Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands merkte Touw op: “als er één geweest is, die de stad Leiden heeft opgewekt alle vertrouwen alleen op God te stellen, dan wel de Prins van Oranje.”

Prof. dr. A.J. Bronkhorst schreef later over Touws preek: “In dagen waarin de keuze voor Oranje, in de persoon van Koningin Wilhelmina, in de praktijk identiek was met de keuze vóór vrijheid en gerechtigheid en tegen Jodenvervolging en rassenwaan, was deze 3 Octoberpreek een waar meesterstuk, een klassiek exempel van Bijbels-actuele prediking” (kroniek van Kerk en Theologie, april 1973).

De preek werd in gestencilde vorm in een groot aantal exemplaren in het land verspreid. De bemoedigende kracht ervan was zo groot dat de BBC er tijdens de oorlog jaarlijks op 3 oktober stukken uit liet voorlezen. Uit voorzichtigheid verlieten dominee en mevrouw Touw dan voor enige tijd hun woning. Zo bracht de preek van ds. Hendrik Cornelis Touw, evenals het carillon in het gedicht van Ida Gerhardt, in de donkere bezettingstijd een vleug van licht.

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage

*) Met dank aan mevrouw Rita Zuur, die mij op het gedicht van Ida Gerhardt attendeerde.


Noten

1 Volgens een andere veronderstelling is het gedicht mogelijk geïnspireerd op de beiaard van Leiden, waar Ida Gerhardt studeerde en graag verbleef.

2 Rozemarijn van Leeuwen. Versanalyse en interpretatie, Ida Gerhardt, Het Carillon (2011).

3 Zie: Leven en werk van Hendrik Cornelis Touw (1903-1972) in: Ecclesia jg 96 (2005), nrs 14, 15/16, 17/18.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 mei 2019

Ecclesia | 8 Pagina's

Een �Vleug van licht� in een donker bezettingsjaar*

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 mei 2019

Ecclesia | 8 Pagina's