De beste schuilplaats
(uit de bundel 'In Schoner Glans', samengesteld onder redactie van Rik Valkenburg)
De verrader tuurt scherp door de kijker; ontdekt hij daar iets...? Kijk, daarginds, tussen wat struikgewas en bosschage. Er sluipt een gedaante - en nog een - en nog een. Dat is geen zuivere koffie. Daar moet hij meer van weten. Wacht, hij kan wel wat dichterbij komen. Ah, dat lukt goed. Direct zullen de sluipende gestalten hier passeren, zonder hem op te merken. Daar komen ze al... 't Zijn nog jonge mannen, merkt hij. Oranjeidioten, natuurlijk. Nou, 't kan hem niet bommen. Wilhelmina of Hitler, als er maar aan te verdienen valt. Hij heeft momenteel een goed S.D.-adres, waar hij al aardig wat extra centjes heeft opgestoken. Je hoeft maar een paar namen te noemen, en als dan later büjkt dat het klopt en het verraad tot resultaat leidt, krijgt hij naast het 'namengeld', ook nog een behoorlijke provisie. Bloedgeld...? Ach wat, de één verdient hier zijn kost mee, de ander daarmee.
Pas op, ze zijn nu heel dichtbij. Nee, hij kent deze jongens niet. Maar dat hoeft allerminst een bezwaar te zijn. Als de jongens zich hier ergens in een geheime schuilplaats verstoppen en hij een poosje hun gangen kan nagaan, dan komt dat beste in orde. Ze kunnen dan op heterdaad betrapt worden. Kijk, ze worden al vrijmoediger. Ze lopen weer praktisch rechtop. Bewijs dat ze een aardig eindje van hun schuilplaats verwijderd zijn. Die schuilplaats moest hij eerst maar eens zien op te snorren. De man gaat behoedzaam op onderzoek uit. Hij is gewend sporen te volgen, maar dit spoor valt toch niet mee. Eerst gaat het makkelijk. Het leidt tot de plek waar hij de jongelui het eerst ontdekte. Maar nu verder... Hebben ze misschien een bepaalde tactiek gebruikt? Hij raakt het spoor bijster, hoe hij ook zoekt en speurt. Toch is hij er vast van overtuigd dat hier niet ver uit de buurt zich een schuilplaats moet bevinden. Vandaag vindt hij die niet.
De volgende dagen ligt de man steeds op de loer. Geen beweging ontgaat hem. Reeds de tweede dag ontdekt hij de jonge mannen weer. Maar ook deze keer brengt het hem niet verder. Hij beseft met linke heden te doen te hebben, die een verfijnde schuilplaats hebben. Maar goed, ze mogen nog zo ünk zijn, hij is beslist nog linker. Hij heeft de tijd. Hij zit niet te wachten op het geld, want dit 'vaic' betaalt goed. De vierde dag is het raak. Zijn optimale speurneus brengt hem ditmaal op het goede spoor, 't Zit nogal ingewikkeld in elkaar, maar min of meer bij toeval ziet hij het groepje plotseling op een andere plaats. Ze zijn hier duidelijk nog heel wat behoedzamer dan ginds, tussen struikgewas en bomen. De kerel snapt dat hij nu vlakbij de gezochte plek is. Rustig wacht hij tot het stelletje verdwenen is en er dan voorzichtig op af. Het lukt... Een ander zou het waarschijnlijk niet ontdekt hebben, maar de verrader is enigermate speciahst. Door hier en daar wat te verleggen en daarna een logische berekening te maken, stuit hij vrij plotseling op de bijzonder goed gecamoufleerde ingang van het hol. Hij komt-er-niet aan,-zowijs is hij wel. Het is nu immers nog maar -derspel om dit zaakje af te werken. Een aar weekjes hun gangen gadeslaan en dan oeslaan. Hij is gewend grondig te werken, at weet de S.D. ook. Vandaar het grote verouwen dat ze in hem hebben en de relatief oge beloning die hem altijd ten deel valt.
r valt een zekere regelmaat te bespeuren in e frequentie waarin de onderduikers hun chuilplaats zoeken. Soms hebben ze een ast bij zich, voor één nacht. Het valt de verader niet moeilijk te concluderen dat die ast een Jood moet zijn. Wie weet wat daar n het hol voor waardevols verborgen zit. ocumenten, lijsten en adressen, misschien elfs wapens. Het belooft allemaal een grote rovisie. Daarom moet hij zeer omzichtig en edachtzaam te werk gaan. Nooit op enige ijze aanleiding geven dat hij weet heeft van e schuilplaats, hoe nieuwsgierig hij ook is m daarbinnen even een kijkje te nemen. 'ee, de S.D. moet 's morgens komen, met en paar S.S.-ers of zo. Dan wachten tot de erste uit de schuilplaats komt en dan nmiddelüjk toeslaan. Ja, dat is het goede lan. De man wrijft zich reeds in de handen. 'j zal nu spoedig zijn slag slaan...
ie zijn eigenüjk die regelmatige bezoekers an de schuilplaats? En hoe is deze tot stand ekomen? Frans Bergen, in de twintig jaar, ad allang contact met een knokploegcomandant, die hem adviseerde om een hulpcoonne in het leven te roepen voor hulp aan oden. 't Had heel wat voeten in de aarde, aar 't lukte toch. De knokploegcommanant raakte er ook zijdelings aan verbonden n gaf tal van adviezen en... wapens. Na iverse standplaatsen, waarvan er verschilende standhielden, had men tenslotte het depot' in de grond, ergens in Nederland. Er aren perioden dat men er bijna dageüjks am (en 's nachts ook) maar het gebeurde ok wel dat wel een maand lang niemand er te en was. Alles volgens een bepaalde uitgetippelde strategie, in een wijder vertakt net.
'rans was in het begin naar een kennis, Henk e Marken, gegaan om te vragen of hij ook ilde meedoen. Henk voelde er niet voor. j dacht nogal pacifistisch, al was dat iiiet o'n verbreid begrip in de jaren veertig-vijfnveertig. Het begrip moet dan ook wat ders geïnterpreteerd worden dan nu het eval is. Minder poUtiek gekleurd en meer thisch. Geen ideologie dus maar een vonn an moraal, christelijk of niet christelijk. Bij 'enk wat het christelijk bepaald. Nu was enk bijzonder geïnteresseerd bij het oude ondsvolk, de Joden. Dat overreedde hem m toch mee te doen. Hij wist voordien geen aad met zijn 'geweldloos' stand punt. Wile de uitdrukking van Jezus: 'Als men u op e linkerwang slaat, keer dan ook de rechterang toe...' werkelijk zeggen dat men altijd eweldloos in het leven moest staan? Gold eze uitspraak uitsluitend de particuliere elovige, of ook een christelijke overheid.' p Henk maakte het voorheen een radicale druk, dus geldend voor elke situatie, maar 'j kwam er niet uit. Er was in die tijd ook een discussie over. Dat je echter voor de azaten van Abraham je leven in de waagchaal moest stellen, stond voor hem vast. it de drang om hen te beschermen en te verdedigen, groeide ook min of meer een geneigdheid, om waar dit redelijk noodzakelijk bleek, toch naar wapens te grijpen. Maar hij had er innerlijk wel een hartgrondige afkeer van...
Frans had ook contact gekregen met een jonge kerel uit de communistische gelederen. Bij gebrek (als je dat zo noemen mag) aan een geloofsgenoot had hij hem tijdelijk ingeschakeld. Hij heette Gijp Schrampe en was moedig en betrouwbaar. Echt een vent uit de ideologische hoek van het Marxisme. Een wereldhervormer, met alle voor- en nadelen daarvan. Overigens een betrouwbaar kameraad in de oorlogstijd, omdat de strijd gericht was tegen het Nationaal Sociahsme. Met z'n drieën waren ze onvermoeibaar bezig. De tijdelijke inschakeling van Gijp leek wel op een permanente relatie, want het duurde nu al behoorlijk lang. Hij was ook bijna oiunisbaar. Bijzonder handig, ook wat betreft de inrichting van hun schuilplaats. Ze voerden soms hele gesprekken als ze een nachtje in de 'bunker', zoals ze het geval noemden, verbleven. VoorEd de meningen van Henk en Gijp stonden lijnrecht tegenover elkaar, hoewel ze elkaar wel mochten. "Jij bent dus christen...?" zei Gijp eens tot Henk. "Dat probeer ik te zijn..." antwoordde Henk. "Je bent het, of je bent het niet," rephceerde Gijp. "Ik ben communist en dat bén ik ook..." "Nou ja - hernam Henk - zo kan ik ook wel zeggen dat ik christen ben. Het betekent echter dat je dan het beeld, de gestalte van Christus draagt. De moet zeggen, dat ik daar meer in zou willen vorderen, dan het geval is. Daarom kan ik hoogstens zeggen op weg te zijn een christen te worden. Maar ik zeg er tegelijk bij dat het mij een leven lang waard is me hier voor in te spannen. Zó boeiend is het en zó fascineert mij deze Goddelijke Figuur. Juist het feit dat Hij van God uitgaat is voor mij essentieel..." -Gijp haalde zijn schouders op, overtuigd atheïst als hij is. "God is een fictie..." zei hij nadrukkelijk. "Geloof jij werkelijk dat God niet bestaat en dat met de dood alles ophoudt...?" informeerde Henk nu. "Dat lijdt voor mij geen twijfel..." "Maar waarom span je jezelf dan zo in voor je communistisch ideaal? Je bent er levensgevaarlijk mee bezig. Als de Duitsers je grijpen, ga je eraan, dat weetje zelf ook best... En wat heb jij dan nog...?" "'t Gaat mij niet om mijzelf maar om het ideaal. Daar zet ik mij helemaal voor in..." "En als het je leven kost...?" "Dan heb ik toch een bijdrage geleverd. Maarre... bij jou is het toch niet anders...?"
"De Bijbel is wezenlijk anders dan 'Das Kapital", Gijp. Als wij ons inzetten voor de zeiak van God en van Christus, zorgt God ook voor óns. Het individu interesseert Hem. Daar zond Hij zelfs Zijn Zoon voor, om verzoenend te sterven voor wie in Hem geloven. Hij biedt ons nu Zichzelf als een veilige Schuilplaats. Ik voel me veilig in Zijn armen..." "Dus jou kan niets gebeuren...?" "Hoe bedoel je...?" "Nou, je bent veilig, zeg je. Je hebt een goede Schuilplaats. Dus je overleeft de oorlog..." "Ho eens even, dat heb ik niet gezegd," weerlegde Henk. "Ik heb alleen gezegd dat ik veilig was..." "Nou, dan...!" "& zal een getuigenis tegen je uitspreken. Gijp. Luister: Ook al treft mij een Duitse kogel, of wat dan ook. Ook aJ moet ik sterven. Dat verandert niets aan mijn veiligheid. Dan zal ik vóór de dood in Gods armen zijn, tijdens de dood en ook., nä de dood. Daar verandert niets aan. 'k Zal altijd veilig zijn, of ik blijf leven of dat ik sterf. Trouwens, al sterf ik, dan zal ik nóg leven. Altijd. Eeuwig... Maar als jij sterft. Gijp, dan ben je zelfs je ideaal kwijt; dat ideaal kan je niet verder helpen. Dat laat je in de steek. Ik wou dat je ook mijn Schuilplaats kende, want ik mag je..." Gijp haalde weer zijn schouders op. Die Henk was een beste vent, dat zeker. Maar hij was geschift. Irreëel, verkeerd voorgehcht. Goed, als hij er gelukkig mee was...
Frans zei niet veel, tijdens zo'n gesprek. Hij voelde veel voor wat Henk zei, maar zelf had hij daar geen zekerheid over. Bij hem was het plichtsbesef dat in zijn leven overheerste. Je moest je nooit afvragen of dat riskant was, dat het bijvoorbeeld je leven kon kosten. Nee, daar had je niet mee te maken. De Joden moesten geholpen worden, dat was een duideUjke zaak, dus deed je dat! 't Was je plicht. In zijn hart was hij wel eens jaloers op die rotsvaste zekerheid van Henk. Er straalde iets van Henk af. Frans kon dat geen naam geven, maar Henk had iets dat hij en Gijp misten. En dat zei hem minstens zoveel als Henks woorden, hoezeer ook die indruk op hem maakten.
De verrader heeft geluk. Die laatste avond zijn ze met z'n vieren. Er is ook nu weer een Jood bij. Dat kun je zo zien. Vannacht nog gaat hij naar de S.D. Ze moeten wel zijn plan uitvoeren. Daarom zal hij dat ook als praktisch enige mogelijkheid voorstellen. De voorpret vervult hem met een soort vrede. Maar niet de vrede van het Kerstfeest...
De eerste Uchtschitteringen breken de ochtend open. Niet ver van de schuilplaats bevinden zich wat S.S.-ers met enkele gewapende handlangers, 't Zal dit keer een koud kunstje zijn, en een forse buit. De martelkamers zijn reeds in gereedheid gebracht voor onmenselijke verhoren. Ze zullen de sterke, jonge Hollanders desnoods de botten kraken en breken, om hun de nodige informatie uit de mond te trekken. En die Jood...? Wel, die gaat onmiddellijk op transport, voor hem heeft men in Auschwitsz nog wel een plekje vrij.
Let op, het gaat gebeuren. Het is de tijd, die de verrader heeft aangegeven. Steeds op dit uur komen de jongemannen uit hun hol. Half in de schemering. Dat zal dus nu ook wel gebeuren. Maar er gebeurt niets. De miUtairen stellen zich op rond de ingang. De wapens in de aanslag. Ze weten niet dat ze beloerd worden... Gijp heeft namelijk voor een kleine maar doeltreffende periscoop gezorgd, in de bunker. Ze zullen nooit de schuilplaats verlaten voor ze eerst door de periscoop hebben gekeken, waarvan het lensje tegenover de bunker, heel kunstig verborgen is opgesteld in een afgekapte boomstam. Ontzettend is deze morgen hun schrik...! S.S.-ers en militairen. Verraden, weten ze onmiddellijk. De Jood wordt spierwit, als ruikt hij reeds de verstikkende rook van Auschwitsz. Gijp is de eerste die handelend optreedt. "De vóóruitgang, mannen..." fluistert hij. "We steken de zaak in de fik en gaan er vandoor."
Ze hadden, zeer kunstig en misleidend, een kruipgang gemaakt naar voren, tot achter het struikgewas. Niemand zal daar zoeken, omdat, als men ze al in de gaten krijgt dat er nog een uitgang moet zijn, deze niet zoekt achter zich, maar vóór zich uit. De gang loopt dus onder de S.D.-mensen door. Reeds graait Gijp naar de benzinebus, achter in een nis. Veihg verborgen, maar nu moet de bus eruit. De bunker zit vol met belastend materiaal, niet dralen dus. Maar... er is geen opening. Ze zullen zelf stikken als ze de zaak nu in de fik steken en dan de kruipgang ingaan. Bovendien is er te weinig zuurstof. Dus toch niet voldoende voorbereid. Foute tekorten, die nu fataal kunnen zijn. Maar er is geen tijd te verhezen. Wat moeten ze...? Frans ziet het niet meer zitten. Gijp dreigt in paniek te raken. De Jood weet een oplossing. "Wachten tot ze zelf komen en dan een handgranaat naar boven. Daarna de fik erin en wij door de kruipgang naar buiten. Er is dan gelijk lucht. Pak bovendien de revolver..." "Je hebt gelijk..." beaamt Gijp - rustiger nu - het plan van de intelligente Jood. Hij heeft al een handgranaat in z'n vuist en Frans pakt de revolvers. Henk bidt hardop om bijstand.
Het duurt nog wel een minuut of twintig. Instinctmatig beseft de S.D. dat er iets aan de hand moet zijn. Ze zuUen zelf het initiatief moeten nemen. Dat ze bekeken worden, komt nog steeds niet in hen op. Ze lopen naar de toegang en proberen het luik los te wrikken, gedekt door de S.S.-ers, die hun geweer in de aanslag hebben, op een meter afstand . Als het luik omhoog gaat schreeuwen ze onmiddellijk bevelen naar beneden. Ze moeten uit hun hol komen? Henk gooit de benzinebus leeg op de belastende papieren en spullen. In hun vlucht zullen ze die niet meenemen. Nooit zullen de adressen in Duitse handen mogen komen, dat is vast en zeker! De spanning stijgt ten top. Er worden reeds waarschuwingsschoten gelost door de S.D.-ers. 't Komt er nu op aan... De schreeuwerige bevelen volgen elkaar op. Opeens neemt Frans binnen de leiding weer. "Gijp, het is tijd, doe je phcht..." Gijp draait de pin van de handgranaat los en loopt naar de opening van het bunkergat. Het wapen is nog van oud model, maar wel een goede. Hij moet precies op tijd gooien, dus eerst langzaam tot zes tellen. Dan gebeurt er iets verschrikkeUjks... Gijp struikelt en de handgranaat glijdt uit zijn hand voor de voeten van Henk. Henk, die zo'n hekel aan wapens heeft. Maar Henk beseft dat er geen tijd is voor aarzeling of discussie. Zij er aan of een paar S.D.-ers... In een flits pakt hij de granaat op en in dezelfde flits flitst het door hem heen: "Richt op de benen...!" Maar er valt niet veel te richten. Hij gooit het projectiel van zich af, door de opening naar buiten, toch nog mikkend op de benen, min of meer... Een korte, droge, maar feUe knal, onmiddellijk gevolgd door een hartverscheurend geschreeuw, dat zijns ondanks, Henk door merg en been gaat. De overige Duitsers zijn volledig afgeleid en de vier jonge mannen gaan zijwaarts de kruipgang in, nadat Frans vuur op de benzine afgeworpen heeft. Niemand van de Duitsers durft op dit moment de brandende bunker in. Bovendien zijn ze druk met de gewonden.
Ondertussen bereikt het viertal de losjes overdekte uitgang in het struikgewas en gaat er van door, onopgemerkt... Hoe vurig is nu het verlangen om het vege lijf te redden. Rennen nu, naar het bos daar vlakbij. Daar zijn ze voorlopig veiüg. Daar is zo'n dichte begroeiing! Ze gaan diep het bos in. Ook daar weten ze praktisch onvindbare plekjes. Maar uiteraard niet voor leing. Ze zullen moeten wachten tot het donker wordt om er dan pas verder van door te gaan. Als tenminste voor die tijd geen speurhonden wordeningezet, want dan zijn ze er bij. Alle vier bereiken ze het hol, waarvan Gijp het bestaan wist; geen speciale schuilplaats maar een natuurlijk, overdekte kuil, in de grond. Het duurt even voor ze wat bijgetrokken zijn en tegen elkaar kunnen praten. Henk is de eerste die begint: "We hebben reden tot dankbaarheid, makkers..." Gijp haalt de schouders op. Hij hijgt nog wat na van de inspanning en schrik. Frans weet ook niet veel te zeggen. Alleen de Jood knikt van ja. Even later zegt hij: "Adonai zij geprezen, maar we zijn er nog niet..." Henk kijkt in het halfdonker naar Frans. In diens ogen staat angst te lezen. Gijp is er ook niet vrij van. Henk had ook angst maar nu niet meer. "God is de beste Schuilplaats, jongens..." herhaalt hij, wat hij voorheen ook zei, toen het gevaar er nog niet was. Althans niet zo lijfelijk als het nu aanwezig is. "Ga maar door," antwoordt Frans. Zijn stem klinkt onzeker. De jongen is godsdienstig opgevoed, maar is er nooit mee klaar gekomen. Hij vreest nu de dood, zonder overigens lafhartig te zijn. "Ik voel me zo veihg," begint Henk weer. "Daarstraks was ik ook bang, hoor. Maar 't is nu over. Ik heb vaste grond onder de voeten. De Heere is heel dicht bij mij. Ook bereikbaar voor jullie..." "Kon ik het je maar nazeggen..." laat Frans zich horen. Zijn kin begint wat op en neer te gaan. Niet van lafheid, maar wel van angst. Doodsangst! Gijp is ook onrustig. De Jood beheerst zich. "Mocht ik het soms niet 'halen', jongens, en jullie wel... weet dan dat ik veilig ben en bhjf..." voegt Henk aan zijn woorden toe. "Asjeblieft...! Jij blijft toch bij ons... ?" valt de jonge communist uit. "Je bent een prima kameraad, dat heb ik gemerkt met die handgranaat..." Nu begint ook de Jood. "God is met je, Henk. Blijf bij ons, man. Ach, natuurlijk blijf je bij ons. Als God er één spaart, zal jij het wel zijn..." 't Klinkt niet afgunstig, maar gewoon gemeend. "Ik hoop het, vrienden - beaamt Henk - dat ik bij jullie bUjf. Maar als het anders is, wil het getuigenis van mijn woorden dan nooit vergeten, 'k Zou jullie Hierboven graag óók weer ontmoeten..." Henk zegt het wat onbeholpen, maar het komt er oprecht en welgemeend uit, dat ze alle drie diep, diep onder de indruk komen. Een tijdlang wordt er niet meer gesproken. Er is angst en hoop. En er künkt nog steeds geen hondengeblaf...
De situatie bij de oude schuilplaats is paniekerig. Twee S.D.-ers en een S.S.-er zijn behoorlijk gewond geraakt en worden door hun maats geholpen. Ze vloeken op de verrader, die hen in zo'n neteUge positie heeft gebracht, 't Is hier een wespennest, vol gevaar. Ze hebben niet eens handgranaten bij zich. Wie rekende nu op zo'n reactie? De gewonden worden zo goed en kwaad als dat kan naar de legerwagen geholpen, die op enige afstand door hen neergezet is. In een kleinere auto gaat een S.D.-man naar de stad om via het S.D.-bureau een Sanitäter (dokter) te halen. Twee S.S.-ers staan ondertussen onophoudelijk bij de brandende schuilplaats geposteerd. Niets mag hen ontgaan, "'t Is een zelfmoordcommando," oppert de ene, lange S.S.-er... en hij wijst naar de brandende puinhoop. "Daar zijn we mooi mee klaar," moppert de ander. Opeens klinken er luide knallen bij de vuurhaard. Handgranaten die door de hitte exploderen..."
Met de dokter komt er een tijd later ook een brandblusapparaat mee. Men gaat uiterst behoedzaam te werk. Van de ene verrassing valt de S.D. in de andere. Geen verkoolde lijken te zien. Van binnen alles uitgebrand. Waar zijn die Hollanders gebleven? Ze zijn er toch nog wel in? Iemand gooide immers een handgranaat? Tenslotte vinden ze de nooduitgang. De kruipgang. Woedend zijn ze. Zowel op de Hollanders, als op de verrader. Die laatste halen ze op. Dat duurt uren. Ze dreigen de man te zullen neerschieten. De lafaard besterft het bijna van angst. Krijtwit biedt hij een oplossing aan. "Geef mij een paar soldaten en ik zal die mannen opsporen, ik ken hier de omgeving op een prikje, 'k Weet alle kuilen en gangen." "Tja, dat hebben we gemerkt..." buldert een woedende S.D.-er. "Schiet die vent neer," zegt hij tegen een coUega. De verrader jammert luid. Echter, de coüega S.D.-er voelt wel iets voor het plan van de verrader. Na veel vijven en zessen krijgt hij drie soldaten mee en de dreiging dat als hij niemand vangt hij zelf er aan zal gaan. De zon is inmiddels gedaald. Het wordt al donker. Maar dat mag voor de verrader nauwelijks een bezwaar genoemd worden. Regelrecht stevent hij af op het bos met de natuurüjke schuilplaats. Daar zullen die jongens wel zitten tot het donker is, stelt hij scherpzinnig, maar ook in doodsangst, vast.
De jongens staan klaar om hun schuilplaats te verlaten. Ze voelen zich aardig veilig na die lange uren wachten. Ze zijn wel koud geworden. Verder hebben ze niets gemerkt. Geen hond die blafte. Uiteraard zijn ze nieuwsgierig hoe het bij de schuilplaats is afgelopen, maar dat horen ze misschien later wel... "Kom, mannen, we gaan," beslist Frans. Een voor een komen de donkere gedaanten uit het donker te voorschijn. "Die kant uit...!" 't Is helaas de verkeerde kant. Ze lopen de vijand tegemoet. "Pas op!" roept Frans opeens. Hij hoort iets. Hij ziet iets. Opeens een felle lichtstraal uit een legerlamp. Onmiddellijk khnken er schoten. "Terug naar de kuil," sist Frans. Ze verdwijnen achter het struikgewas en duiken weer in de kuil. Voetstappen naderen; er wordt weer geschoten. "Niet terugschieten," beveelt Frems, "jmders verraden we onze positie..."
't Is een ijdele gedachte. De verrader weet heel zeker waar ze zitten. Ze komen dichterbij. Frans doorziet de toestand en Gijp ook. Twee bij twee vuren ze nu terug, met hun pistolen. De aanvallers deinzen even terug. "Vuren, mannen," klinkt Frans' stem weer. Er klinken drie pistoolschoten. "Waarom schiet jij niet, Henk?" vraagt plots Gijp gejaagd.
Henk hgt op zij. Hij steunt. "De ben geraakt, jongens... dat laatste schot..." "Is het erg...?" "Er komt bloed uit mijn mond. De proef het. Mijn borst doet zeer. De..." De jongens beseffen dat Henk zwaar, zo niet dodelijk gewond is. "Jongens, gaan jullie er toch vandoor..." smeekt Henk dan. "Ze zullen mij hier vinden en dat houdt ze op. JuUie kunnen dan in het donker ontkomen. De zal voor julhe bidden..." "Nooit!" reageert Gijp. "Samen uit... samen thuis, of niet thuis..."
"Een stervende mag toch een laatste wens doen?" komt Henk weer. "Nou, zegt het dan..." aarzelt Gijp. "Dat jullie nu gaan. Anders sterf je ook, of je raakt gevangen en moet de namen van anderen noemen." Henk heeft gelijk..." beaamt Frans met trillende maar beshste stem. "Hoe is het met je, Henk?" gaat Frans gejaagd verder, terwijl hij weer een waarschuwingsschot lost, want er was beweging in de verte. "Je kunt je niet voorstellen, hoe veilig ik me voel. De ben geheel in Gods Hand... in Jezus' Armen..." Henk is nog steeds volop bij kennis. "De ga naar Huis, vrienden. De heb nog nooit zo'n vrede in me gevoeld. Als dit de vrede is waar de engelen m de Kerstnacht van zongen, dan is het iets geweldigs. Er kan mij niets gebeuren. O, wat ben üs. veilig...! Toe, jongens, gaan jullie nou. Geef maar een pistool in mijn hand. Dan zal ik nog een paar keer omhoog schieten als julhe weg zijn, dan denken ze dat jullie hier nog zitten en dat spaart tijd..." Gijp is volslagen perplex... "Van zo'n zekerheid raak je onzeker," mompelt hij. De Jood huilt, maar vermant zich weer. Op Henks smeekbede gaan ze er nu sluipstil vandoor, achter het struikgewas heen, na een kort maar te beschrijven afscheid.
Even later hoort de zwaargewonde Henk iets vóór zich... Hij schiet in de lucht. Wel twee, drie keer. Het spaart inderdaad tijd. Zelf ligt hij momenteel vrij onkwetsbaar. Gijp had hem verlegd. Zijn krachten nemen af. Opeens hoest hij. Bloed golft uit zijn mond. Hij krijgt het benauwd. Nog meer bloed. Nog meer hoesten. Plotseling staan de soldaten voor hem, mét de verrader. Licht schijn op z'n gezicht. "Wo sind die Ander...?" snauwt een Duitser. "Waar zijn je vrienden?" schreeuwt de verrader in grote angst. Henk antwoordt niet. Hij hoest weer. De ene Duitser wil hem in het gezicht slaan om een bekentenis, maar de andere, iets hoger in rang, belet hem dat. "Last ihn sterben," zegt hij kort. Hij beveelt de rest mee te gaan om de mannen te gaan zoeken. De verrader moet bij de stervende blijven. Een onbegrijpelijke beslissing, eigenlijk.
Henk herkent in het donker toch het gezicht van de verrader. "Heb jij..." begint hij. "Bemoei je met jezelf," snauwt de verrader. "Ik bid voor je..." hakkelt Henk verder. "Bid voor jezelf, man, je gaat er aan..." "De ben bereid...! De voel me volkomen veilig... Het is vrede..." Een oneindig meelij schiet in Henk omhoog. Als deze verrader eens voor Gods gericht komt te staan? Eenzaam, zonder Christus... zonder veiligheid... O, wat dan...? Henk probeert met z'n laatste krachten nog iets tot zijn behoud te zeggen, te doen. "Help me..." hakkelt hij. De verrader vraagt, zijns ondanks, wat hij moet helpen. "Hier..." fluistert Henk en hij wijst naar zijn borst. Naar de binnenzak van z'n colbert. "Wat moet ik doen, man?" klinkt het korzelig. "Haal... dit... er... uit..." De verrader doet het. Het is een zakbijbeltje. "Voor jou..." snikt Henk juichend... 't Zijn zijn laatste woorden op aarde. Zijn hoofd valt opzij en hij is niet meer. De verrader is kapot. Zijn ruwe ziel kan dit niet verwerken. Er is een impuls om dankjewel te zeggen, maar de stervende leeft niet meer. Hij wil het Bijbeltje wegwerpen, maar hij steekt het toch bij zich. Hij heeft zich nooit zo ontsteld en onzeker gevoeld en weet niet wat hij met dit alles aan moet. Voor het eerst vraagt hij zich af of hij wellicht een schurk is...
De drie jongemannen ontkwamen. Ze beseften dat Henk hun eigenlijk redde. Dit zelfde idee heeft ook de verrader. Hij werd niet neergeschoten door de S.D. omdat Henk als rantsoen geaccepteerd werd. Hij kon het sterven van de jonge HoDander echter nooit meer vergeten. Er kwam een soort verdriet in hem, dat hij voordien niet kende. Het vloerde hem en dreef hem uit naar het zakbijbeltje van Henk... Dat maakte hem aanvankelijk niet gelukkiger, en tóch... hij bleef lezen...! Frans en Gijp bleven vrienden. Ze hadden beide dezelfde wond in hun hart... Henk! Zijn daden en woorden bleven naspreken met een kracht die bij zwakheid hoort. Ook de Jood onderging dit min of meer. Was Henk niet als tarwegraan gestorven en zorgt God dan niet Zelf voor vrucht...? Viel het échte Tarwegraan daardoor niet als zaad in hun geopende hart? Zaad dat Woord is, waarvan God zegt dat het niet leeg tot Hem terugkeert, maar zal doen wat Hem behaagt. Of dat nu is in het hart van een knokploegcommandjint, een communist, een Jood, of zelfs van een verrader...
Immers, toen Hét Tarwegraan afdaalde naar deze aarde kon er gezongen worden: Heil en vree, wordt gebracht, aan een wereld, verloren in schuld. Beschikbaarstelling van de beste Schuilplaats... voor daklozen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 2001
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 2001
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's