Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De lichtwatchters, hun woningen en het torenlicht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De lichtwatchters, hun woningen en het torenlicht

20 minuten leestijd

Bij de mooie nieuwe toren werden door dezelfde aannemer die de toren bouwde ook de benodigde nieuwe woningen opgetrokken en wel beneden op vlak terrein, op de plaats waar het duin overging in het vlakke land. De acte van erfrecht(erfpacht) voor de benodigde grond voor deze huizen ontbreekt tot nu toe aan boord dus kan ik er ook niet over uitweiden.

DEas

Het bestek en de voorwaarden is goedgekeurd op 27 april 1911 te 's Gravenhage. Het bestek gold voor het bouwen van twee dubbele Hchtwachterwoningen, een enkele lichtwachterwonmg, een opzichterwoning en emge bijkomende werken, nabij het Westhoofd gemeente Ouddorp (Z.-H.). Die bijkomende werken waren:twee dubbele en twee enkele varkenshokken, met mestputten en een inrichting voor het zuiveren van afvalwater, op een terrem genaamd 'Het Zwarte Hoekje', gelegen aan den West-Nieuwlandschen polder nabij het Westhoofd.

Nu 92 jaar later zal dat voor heel veel van de lezers misschien een beetje vreemd aandoen als dit gelezen wordt. Toen was het namelijk de gewoonte dat ieder gezin in ons 'Eilanderbestaan' helemaal selfsupporting was, wat wil zeggen dat men toen in staat was om een heel gezin een heel mensenleven lang, totaal onafhankelijk van wat dan ook draaiende kon houden. En daar hoorde dan wel een varkenshok en een kippenhok bij! Kom daar vandaag de dag eens mee aan,

Kom daar vandaag de dag eens mee aan, denk er bijvoorbeeld eens aan als men vandaag de dag ziet dat de elektriciteit even uitvalt wat dat voor problemen geeft: heel Nederland is gelijk plat, geen verwarming, geen verlichting geen tv, radio, pc, ijskast, winkels, tram, trein, verkeersüchten, kortom: niets is er dan meer wat nog mee werkt aan het veraangenamen van het leven, dus totaal afhankelijk, en in 191 Iwas er niet eens elektra!

Vandaar dus die varkenshokken, daar bleef het niet bij, want waterleiding was er ook niet bij, dus om aan drinkwater te komen moest er een voorziening gemaakt worden aan en bij de huizen om het regenwater wat naar beneden viel op de daken van de huizen, op te vangen en op te slaan in een 'Regenwaterput'. Is er geen regen viel, ja dan was er ook geen regenwater, daarom werd er ook een noodvoorziening gemaakt in de vorm van een welput met een diepte van 20 meter, zodat de mensen toch aan water konden komen.

Op deze welput moest een zogenaamde Amerikaanse molen het in de put opgewelde water oppompen naar een ook door de aannemer te leveren gewapend betonnen waterreservoir.

Koperen kraan

Vanuit dat waterreservoir heeft men leidingen gelegd naar de zes huizen met boven het aanrecht een mooie koperen kraan. De toekomstige bewoners hadden dus eigenlijk ook al een soort waterleiding in huis.

Ook kregen de woningen een binnenprivaat dat was toen ook al heel luxeus natuurüjk, met de bijbehorende 'Beerput' met een diameter van 1.50 meter, hoog 2.00 meter met bodemstuk, kruinstuk en overstort, en aansluitende leidingen naar het closet.

Alles is omschreven van het kleinste latje tot de raamkozijnen, de schoorsteerunantel, de legplanken voor de klerenkast, de grootte van de kolenbergplaats, de aardappelbergplaats in het keldergedeelte, waar ook nog een legplank gemaakt moest worden, die aangebracht werd op 'Woutermannen'. Echt waar een prachtig stukje vakwerk op

Echt waar een prachtig stukje vakwerk op papier gezet door de 'Bouwkundige Dienst der Kon Marine' in 1910. Zoals U weet: de huizen staan er nog steeds,

Zoals U weet: de huizen staan er nog steeds, maar ze zijn niet meer van de dienst "Kustverlichting". Ze zijn verkocht aan particulieren, die er nu een tweede woning van gemaakt hebben. Er zullen best ook nadelen aan deze huizen geweest zijn, denk alleen maar aan de afstand tot de bewoonde wereld voor de daar gewoond hebbende ouders met hun kinderen, die zaten vooral in de wintermaanden toch mooi in een uithoek, en waren deels op zichzelf aangewezen voor 'speling en de vermaak'.

Het hoe en waarom van het verkopen van deze woningen en in welk tijdvak moet ik nog verder uitzoeken, waarschijnlijk zal dit gebeurd zijn met de overname door Rijkswaterstaat en afstoting van het loodswezen van de dienst 'Kustverlichting' naar het 'Directoraat Generaal Scheepvaart en Maritieme zaken', kortweg D.G.S.M., een onderdeel van Rijkswaterstaat. De Kon-Marine viel toen ook buiten de boot,

De Kon-Marine viel toen ook buiten de boot, omdat het complete 'Loodswezen' als zodanig werd overgebracht van het Ministerie van Defensie naar het Ministerie van Binnenlandse zaken. Op dat moment is er nogal wat veranderd bij deze eeuwenoude serviceverleners aan de scheepvaart. Hoe dan ook , over de bouw van de licht

Hoe dan ook , over de bouw van de lichtwachterswoningen zijn verder geen data meer te vinden qua oplevenng en ook niet wanneer de eerste bewoners hun intrek daar genomen hebben.

Wat we wel kunnen zien is wie er een toegewezen kreeg toen de toren gereed was om in bedrijf gesteld te worden, de opzichter was toen nog steeds Johannes van Loo, die dus in de opzichterswoning getrokken zal zijn. Verder Jan Troost N° 3, vervolgens kwam

Verder Jan Troost N° 3, vervolgens kwam Arie Redert in een van de huizen, Jo Padmos kreeg er een. Aart de Blok ook een en Jacob Fermijn. Krijn Roos werkte toen ook als lichtwachter aldaar evenals Jacob Westhoeve maar deze mensen woonden volgens hun conduitestaat van 1911 niet op het Westhoofd, en werden niet in het bezit gesteld van een z.g. vrije woning van de dienst. Dat was wel het geval met Jan de Blok, maar

Dat was wel het geval met Jan de Blok, maar die was tewerkgesteld als lichtwachter te Stellendam, of er in die plaats ook een woning was weet ik niet, maar er waren in Goeree wel enkele huizen , en ook in de Oostdijk tussen Ouddorp en Goeree waren lichtwachterswoningen aan de Hondsweg, die hebben daar gestaan tot onze Oosterburen in de jaren '40 van de vorige eeuw vonden dat ze in de weg stonden voor hun schootsveld als de Engelsen zouden komen. Dus deze moesten worden gesloopt! Deze woningen zijn waarschijnlijk ooit gebouwd voor de mensen die op de houten 'Baaken' gewerkt hebben, die ongeveer op die hoogte op het duin gestaan hebben. Jacobus Fermijn is de wachter die tot het laatst het 'IJzeren Baaken' aan de praat gehouden heeft, en zal toen verhuisd zijn vanuit hel torenwachtershuis aan het z.g.Flauwe Werk naar het Westhoofd.

Na de storm

De opbouw van de toren ging natuurlijk onverminderd door; na de storm van 30 September 1911heeft men besloten om het optrekken van de houten stelling de helft lager te maken; dus maar 6 in plaats van 12 meter, tegelijk op te trekken.

Delen van de weggewaaide bouwstelling waren terug te vinden tot op het 'Bergje', na die bewuste stormnacht.

Hoe het ook zij, de bouw heeft men zonder verdere ongevallen kunnen voltooien, en toen de aannemer op hoogte was, kwam de Firma Penn & Baudum uit Dordrecht aan de beurt om de trappen, leumngen en daarna de grote lantaarn, oftewel het Uchthuis op de toren te plaatsen, op de bijgaande foto kunt U zien dat deze gemaakt is voor dat het optiek aangebracht was. De lantaarn is nog leeg, en we zien de hijsbalk op de omloop liggen om een en ander buiten om op te halen.

Wat zal dat in Goeree wel een kaal gezicht geweest zijn in de eerste dagen dat de kroon van de toren aldaar was verdwenen, vanaf 1833, toen de opbouw gewijzigd is, is die grote lantaarn toch gezichtsbepalend geweest voor de stad, en trouwens voor de hele omgeving.

Het onderstuk, het van baksteen gebouwde wachthuis, bleef nog lang staan, maar mooi was dit niet, en zeker geen historisch gedeelte om te laten staan. Dus is het in 1952/53 gesloopt, en heeft men de schuine kap erop gemaakt.

Het optiek van Goeree van 1908 werd ook omhoog getakeld en op zijn Koningsvoet geplaatst en de verhchtingslamp kwam weer in het hart te staan. Deze kwam niet van Goeree, wanfdaar had men al op elektriciteit gedraaid, en dat was in de westduinen niet voorhanden.

De verlichtingsbron

Bovendien was men ook niet helemaal tevreden over deze vorm van verhchting: het was een erg tijdrovende en een erg storinggevoelige vorm van licht produceren, en daarenboven zeer kostbaar in aanschaf.

Het hoofd der technische dienst van de kustverlichting, de in 1895 te Delft afgestudeerde Werktuigbouwkundige Ir. P. van Braam van Vlooten, (1871-1940) over wiens uitzonderlijke kwaliteiten en studies over kustverlichting, en ook de luchtvaartverlichting een heel dik boek geschreven zou kuimen worden, was in 1905 als 'lichtkundige' in dienst getreden bij 's Rijkskustverlichting. Een aanstelling van Regeringszijde, die bij de behandehng van de Marinebegroting in dat jaar was toegezegd. Als voorbereiding op zijn taak verbleef hij

Als voorbereiding op zijn taak verbleef hij met zijn gezin eerst een jaar in Frankrijk om aldaar in het land van de Fresnel lenzenstelsels een smdie te verrichtten op de voortschrijdende verlichtingstechniek van de Franse evenknie van onze dienst. Hij heeft aldaar ook de techniek van de blik

Hij heeft aldaar ook de techniek van de bliksemhchten bestudeerd die daar toen al op de grote torens werden gebruikt, na zijn terug- Icomst werden deze ook in ons land toegepast, het 'Stelo' optiek wat ik al eerder beschreven heb, en ook de voordelen en nadelen daarvan. Ir. van Braam van Vlooten miste een mogelijkheid om proeven te kunnen doen, zodat hij, met zijn staf echt op laboratoriumniveau onderzoekingen zou kunnen doen , naar de voor- en nadelen van de toen in die tijd in gebruik zijnde soorten van verlichting langs onze Nederlandse kusten.

In het jaar 1910 was het zover dat men een aanvang kon maken met eigen proefnemingen; Er werd een proefopstelling gemaakt met drie stuks meest voorkomende lamptoestellen, die in gebruik waren langs de kust.

Op het lichtschip zijn wij in het bezit van het met de hand geschreven rapport van den Ingenieur der verUchtmg, omtrent het in den loop van 1910 aan het proefstation van de. Rijkskustverlichting ingestelde onderzoek naar de eigenschappen van het petroleumgloeigasUcht ment het oog op de invoering van een uniform systeem langs de Nederlandse kust. Het werd geschreven op 24 December 1910 door de ingenieur der verlichting, de heer P. Braam van Vlooten aan de toenmalige Inspecteur Generaal van het Loodswezen, bestaande uit 30 kantjes. De verlichtingsbronnen die die laatste jaren Werden gebruikt waren in hoofdzaak Petroleumlampen met één, drie en soms wel zes branders onder een schoorsteen, en ook petroleum vergasserlampen, de 'gloeiUchten', met gloeikousen, en dan daarnaast de nog steeds in het proefstadium draaiende elektrische bliksenüichten, daarvan lezen we in het rapport dat er nu een te Hoek van Holland wordt opgebouwd.

Problemen met oUesoorten

De uitgebreide proeven gedaan te Schevenmgen, waren eigenlijk alleen bedoeld om te trachten de problemen op te lossen met de diverse oliesoorten geleverd door onder andere de 'Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van de Petroleumbronnen in Nederlandsch Indie', gevestigd te s'Gravenhage. Merknaam olie: Keizerohe; De 'American Petroleum Comp'. Merknaam en soort: Electriek; Bleuland van Oord, zogenaamde veiligheids petroleum.

Ter verduidelijking van de toenmalige problemen moet ik eigenlijk even een kleine uiteenzetting geven over de brandstof die men ter beschikking had om licht te maken; Verzadigde koolwaterstoffen worden in de natuur op enorme schaal aangetroffen in de vorm van aardoUe, ook wel genoemd crude oil (ruwe olie ) waarmee men met, of door destillatie diverse soorten van grondstoffen scheiden kan. De samenstelling is sterk wisselend naar gelang de vindplaats. Noord Amerikaanse aardolie bevat veel alkanen, de Russische, Califormsche en Roemeense olie veel cycüsche verbindingen, dat zijn verzadigde koolstoffen, waarin de koolstof atomen een gesloten ring vormen. De Indonesische, tenslotte, bevatten veel Aromatische verbindingen.

In de tijd dat Van Braam van Vlooten zijn rapport schreef was zijn opmerking: "tot voor korte üjd werden deze ohën allen gebruikt om brandstof te leveren voor Petroleumlampen (het oudste gebruik) of om er smeerolie, vaseline en paraffine van te maken".

In het begin van de vorige eeuw was men begrijpelijk qua raffinage van olieproducten nog lang niet zover dat de processen gestuurd werden door laboratoriummensen die alles continue in de gaten hielden.

Het hele gebeuren stond nog in de kinderschoenen, men probeerde er uit te halen wat men kon gebruiken, en de uitkomst van de geraffineerde producten waren begrijpelijk zoals vandaag aan de dag: Een beetje meer of een beetje minder teerresten in de kerosine ja dat kon gebeuren natuurlijk Maar dit was nu precies waar de Van Braam Van Vloten in zijn organisatie de grootste problemen mee had, want de nog steeds in de kerosine oftewel petroleum aanwezige hele kleine teertesten, minuscule kleine druppeltjes teer veroorzaakten bij het proces van versmiven en vergassen naar de uiteindeüjke verlichtingsbron ven de torens een groot probleem. De de petroleum werd deels verstoven en deels met warmte vergast, om dan in gasvorm onder of in een groot soort gaskous verbrand te worden, maar die kleine druppeltjes teer werden wel dik vloeibaar, maar bleven toch druppeltjes en verstopten de doorvoeropeningen naar de vlam, ze sloegen neer op de oppervlakten die ze moesten passeren, en kwamen ze dan per ongeluk toch in de gaskous terecht, dan veroorzaakten ze daar een roetvormige neerslag.

De gevolgen waren dat de doorstromingsopening kleiner werd er dus minder gas naar de verbranding kon gaan, met als gevolg: minder licht; ook de roetvorming in de gaskous verduisterde de uitstraling: dus nog minder licht.

Kortom stoppen en schoonmaken, maar ja een vuurtoren is er om gezien te worden, en niet om steeds maar weer het Ucht uit te doen, daar moest dus wat aangedaan worden.

Opstarten

Zo'n lamp moest ook nog echt opgestart worden, want hij moest, net als een oude gloeikopmotor, van te voren warm gestookt worden met een benzine- of een spiritusbrander, want dan kon men pas de petroleum langzaam toevoeren om het proces op gang te Imjgen. Het was nataurlijk niet alleen een Nederlands probleem, want in Frankrijk & Duitsland was men ook driftig zoekende naar een oplossing hiervoor.

In Duitsland is door Prof. Dr. Ir Edeleanu een procédé ontwikkeld om dit probleem op te lossen. Dit zal ongetwijfeld in dezelfde periode of iets later geweest zijn. Het procédé draagt de naam nog steeds van genoemde meneer, en het heet extraheren van aromaten uit kerosine fracties bij lage temperaturen.

Extraheren (extractie) is een bewerking waarbij men met behulp van een oplosmiddel een stof uit een mengsel isoleert. En dat nu was de oplossing, men was in staat om die teer eruit te krijgen, als oplosmiddel gebruikt men een zwavelzuur en het resultaat: lampenoUe... vandaag de dag te koop in de super... maar toen nog niet.

Alle oliesoorten werden in de jaren 1900- 1910 vergast, en op alle grote kustüchttorens deden toen de branders met een gloeikous als Uchtbron dienst.

In zijn inleiding schrijft Van Vloten: "De Uchtsterkte van de door anulaire optieken uitgestraalde bundels hangt, behalve de afmetingen van het optiek, af van den glans der lichtbron, (ec lat intrinsique, Rachenhalle, intrintie brichtaes) D.I. de lichtsterkte per eenheid van oppervlakte van de projectie der lichtbron op een vlak loodrecht op de waarnemingsrichting. Een optiekpaneel fungeert a.h.w.als een tweede Uchtbron, welke afgezien van verhezen door absorptie, reflectie en dispersie per eenheid van oppervlak evenveel licht uitzendt als de lichtbron, welke in het brandpunt is geplaatst. De lichtsterkte van een door een optiekpaneel uitgezonden lichtbundel is derhalve recht evenredig met den glans der in het brandpunt geplaatste Uchtbron".

Hij gaat dan verder met zijn betoog door te steUen "dat van alle bekende Uchtbronnen bezit de krater van den electrischen lichtboog den grootsten glans geeft. Dit nu was de uitkomst van de proeven die in hetzelfde laboratorium te Scheveningen eerder waren gedaan met het door mij al eerder beschreven Stelo optiek.

De toen in gebruik zijnde bliksenüichten werden echter alleen voor de aUerbelangrijkste verkenningsUchten gebmikt, omdat de aanschaf'- en bedrijfskosten enorm hoog lagen.

De glans van een petroleumlamp: b.v. een 4 pits concentrische lamp bedroeg in die tijd 8, 8 H.K./cm2.

Terwijl de toen al zo'n zestien jaar bij de Franse techmsche dienst der Kustverlichting in gebruik zijnde z.g. Aurische vergasgloeihcht brander, bij een druk van 16(X) m/m 22 H.K. cm2 bedroeg.

De invoering van bovengenoemd gloeilicht was dus een vooruitgang van niet geringe betekenis, vergeleken bij de eerbiedspetroleumlampen waarvan de in Frankrijk voor belangrijke verkenningsUchten gebruikelijke zes pitslampen (dit lamptype kwam in Nederland alleen voor op een enkele toren, en wel te Westerschouwen,

deze had een nuttigen glans van zegge 11, 8 H.K.). Al deze laatste waarden zijn ontleend aan opgaven voorkomende in het in 1908 verschenen werk: 'Phares Signaux Maritimes par C. Ribiere', blz 110. Wanneer men deze vetgas gloeünrichting op of bij een onzer vuurtorens wilde gaan gebruiken zou dat betekenen dat we bij elke toren een oliegasfabriek moest gaan plaatsen, die wat kostprijs betreft nooit te realiseren zou zijn, dus werd men min of meer genoodzaakt uit te zien naar andere mogelijkheden. Bovendien kwam er nog iets bij, de omwentelingssnelheid van het optiek, en de daarmede verband houdende schitteringsduur.

Schitteringsduur tekort

Op grond van laboratoriumonderzoek meende men destijds, dat voor een integrale lichtindruk een schitteringsduur van 0,1 sec voldoende was op grond daarvan had men geen bezwaar gehad de 6 pitslampen waarvan de vlamdiameter 30 mm bedraagt te vervangen door gloeikousen van 30 mm diameter, met welke afmeting in optieken met 70 cm brandpuntafstand en een omwenteüngssnelheid van een omw in de 20 sec: een schitteringsduur van O, 13 sec werden verkregen. In de praktijk bleken deze schitteringen van

In de praktijk bleken deze schitteringen van 0,13 sec veel te kort voor de volle lichtsterkte geheel tot haar recht te doen komen, dit euvel ;zou te verhelpen zijn geweest door grotere gasbranders te construeren met het daarmee gepaard gaande zeer grote gasverbruik, wat op zich de installatie weer veel te kostbaar zou gemaakt hebben. Het was wel vooruit te zien dat waar het

Het was wel vooruit te zien dat waar het petroleum gestookte gas een zo hoge calorische waarde bezit, ook petroleum damp een goed resultaat zou opleveren. Spoedig daarop ( 1898 ) is men dan ook geslaagd in het construeren van een petroleum gloeilichtlamp waarbij de petroleum.door hitte van den brander in damp omgezet uit een fijne opening in den Bunschen brander spoot. Voor de grote UchttoesteUen (92..70 ) en 50 cm brandpuntafstand werd een type vastgesteld met een gloeikous van 85 mm diameter.

De glans van deze lichtbron bedroeg volgens de opgave van den Fransche Verlichtingsdienst onder normale omstandigheden 32 H.K. cm2.

Ongetwijfeld was ook deze uitvinding voor de kustverUchting van grote betekenis en werd overal successieveüjk het petroleum vlamUcht door petroleum gloeiUcht vervangen. Sedert de eerst geconstrueerde lampen heeft de Fransche Verlichtingsdienst in 1907 een nieuw lamptype ingevoerd, terwijl in Pruisen een lamp volgens het Systeem "Pintsch"wordt toegepast. Bij de invoering van het petroleumgloeiUcht

Bij de invoering van het petroleumgloeiUcht hier te lande heeft men zich de vraag moeten stellen welk systeem de grootste voordelen bezat.

Deze vraag kon niet beantwoord worden dan na zelfstandig grondig onderzoek, hetwelk eerst kon plaats vinden na het gereed komen van het proefstation te Scheveningen. Onafhankelijk van de vraag welk systeem de

Onafhankelijk van de vraag welk systeem de grootste voordelen bezat was het echter a- priori duideUjk dat eUc der bestaande systemen beter was dan de oude hier gebruikeUjke 4 pitslampen.

Reeds in 1903 is men er dan ook toe overgegaan het nieuwe Uchttoestel van Kijkduin en de bestaande UchttoesteUen van Scheveningen en Egmond te voorzien van petroleum gloeiücht inrichtingen.

Deze inrichtingen werden betrokken van de firma "Barbier Benard & Turenne "te Parijs , en waren behoudens kleine wijzigingen analoog aan de eerste branders van het Fransche Depot des Phares.

Later in (1908) is het hchttoestel van Goeree voorzien van het nieuwste Fransche type, vervaardigd door den leverancier van het Depot des Phares.H Luchaire te Parijs terwijl in dat zelfde jaar in het Uchttoestel van Eierland ter verduidelijking dat is de toren op het eiland Texel, een inrichting volgens het systeem 'Pintsch' werd aangebracht.

Bij het gereedkomen van het proefstation te Scheveningen waren er dus drie typen sedert kortere of langere tijd in gebruik, waarmee men dus van start kon . Type 1 was een lamp zoals geinstaUeerd op

Type 1 was een lamp zoals geinstaUeerd op de toren te Kijkduin, de daar gebruikte petroleumsoort Keizerolie,

Fabrikaat kous HiU, petroleumdruk 2, 5 atm., verbruik, O, 875 kg/uur.

Type 2 was een lamp zoals geïnstalleerd op de toren van Eierland (Texel), de daar gebruikte petroleumsoort was

Electric ( American Petr : comp) fabnkaat kous Hill, petroleumdruk 2 ? atm, verbruik o, 875 kg.

Beide lantaarns werden opgebouwd en bediend door een Scheveningse lichtwachter die jaren lang met deze lampen gewerkt had. Type 3 was een inrichting zoals in Goeree in gebruik geweest was, waarschijnlijk omgewisseld voor dat Stelo BliksemUcht, maar die men nu dan weer op de nieuwen toren wilde plaatsen.

De lamp werd opgebouwd door de sinds 1 April 1910 te Scheveningen aangestelde Opzichter Isaac van Eijk, deze heeft vanaf 1 juU 1891 tot bovengenoemde damm te Goedereede deze functie vervuld, en was dus zeer bekend was met deze installatie, en zo ook de lamp precies zo instelde als hij daar gebrand had.

Uit het totale rapport bUjkt dat het vooral voor het optimaal uitvoeren van de proefopstelüngen van heel groot belang was dat de 3 lampen dezelfde instellingen kregen die de torenwachters bij normal bedrijf gebruikten, dat de hoeveelheid verbruikte petroleum dezelfde was, en ook de gaskous dezelfde was.

Op Goeree gebruikte men een Fransch fabrikaat gaskous n.1. 'Luchaire', de lampwas ook aflcomstig uit Frankrijk en meegeleverd in 1908 met het nieuwe toen geïnstalleerde optiek.

De beantwoording van de gestelde vraag, weUce van deze 3 typen het beste was en derhalve voor een algemene invoering in aanmerking zou komen, bleek achteraf al spoedig niet zoo gemakkelijk zulks zich vooraf liet vermoeden.

De factoren, weUce invloed op de resultaten uit oefenen bleken in zo grootte verscheidenheid aanwezig te zijn, dat een systematisch onderzoek naar de invloed van elk dezer factoren afzonderlijk voor een goed begrip aan het vraagstuk noodzakelijk was.

De inrichting type 1 werd al direct als technisch minderwaardig, en niet geschikt voor algemene invoering, en dus verder buiten beschouwing gelaten.

Met de beide overgebleven lampen ging het onderzoek verder, alle beschikbare oliesoorten zijn eindeloos uitgeprobeerd, en uiteindeUjk ging men over op een nieuw soort van brandstof, namelijk.Terpentina B & High Flush B dit waren toen de als eerste verkrijgbare absoluut teervrije handels producten.

Pharoline

Het product kreeg de naam 'Pharoline' van Pharos de bekende vuurtoren uit de oudheid, de resultaten waren dusdanig dat alle verdere proeven verder gingen met gebruikmaking van deze grondstof

Dit, vrij veel tijd in beslag genomen hebbende onderzoek, heeft er uiteindelijk toe geleidt dat men een geheel nieuw type lamp heeft ontwikkeld en geconstrueerd in het proef lab, tevens is gelijktijdig bewezen dat het hebben van een eigen proefstation van groot nut was voor onze eigen kustverlichting in Nederland.

De conclusie aan het eind van het rapport:de in eigen beheer ontwikkelde "pharoline "gloeiUcht installatie inclusief montagekosten zou per toren 1500, = gld moeten gaan kosten, terwijl de petroleum gloeilicht installatie van Goeree twee jaar eerder al 1700, = gld gekost had. Bovendien was de nieuwe brandstof ook

Bovendien was de nieuwe brandstof ook belangrijk goedkoper dan petroleum en nog een bijkomend voordeel was dat de gevaarlijke opslag van deze olie in de toren ook niet langer nodig was.

En dan aan het eind van zijn reportage dankte de Van Braam van Vloten een tweetal van zijn medewerkers voor hun onvermoeide ijver en bijstand bij dit langdurige onderzoek, deze Heren waren de adjunct Ingenieur b/h Loodswezen B.A Verheij, en de opzichter/instrumentmaker bij het proefstation L.de Nie.

Dit was dus even een kleine omweg om even uit te leggen wat er nu eigenüjk voor lamp op de toen nieuwe toren geplaatst werd in 1912 , dus een 'Pharoline' gloeilicht. Er bestaat bij mijn weten nog een zo'n installatie compleet, uiteraard niet meer m bedrijf, maar als museum object opgesteld.

Huizen gereed, ingericht en bewoond toren gereed , dus het was zover , er was een bericht aan zeevarenden uitgegaan, en men kon de zaak opstarten voor de eerste keer, dat gebeurde op de avond van maandag 12 augustus 1912, toen was de Nederlandse kust er weer een stuk veiliger op geworden. Dik vierentwintig draaide het optiek zijn rondjes met de nieuw ontwikkelde lamp van Ir. Van Braam van Vloten, tot ook die techniek achterhaald was en men in de nacht van 4 op 5 oktober overging op de nieuwe energiebron , 'elektriciteit'.

Of de toren in de eerste wereldoorlog nog uit bedrijf geweest is , of tijdeüjk geblus geweest is, ben ik tot heden niet achtergekomen, maar ook dat vinden we nog wel eens ergens terug.

Tot zo ver dan weer het verhaal van de nieuwbouw, toren en huizen in het West- Nieuwland 'Westhoofd'.

SIEMON BEZUUEN.

HELLEVOETSLUIS.

Telefoon: 0181-313890.

Dit artikel werd u aangeboden door: Eilanden-Nieuws

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 2003

Eilanden-Nieuws | 10 Pagina's

De lichtwatchters, hun woningen en het torenlicht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 2003

Eilanden-Nieuws | 10 Pagina's