Een Grondig Bewijs Tegen de Publieke Godsdienstvrijheid -5-
In de eerste drie artikelen 1 van deze serie hebt u van ds. Maximiliaen Teellinck (ca. 1606-1653) kunnen lezen de vijf door hem aangevoerde argumenten tegen het toelaten van de publieke uitoefening van afgoderij en valse godsdiensten, waarvan de eerste en belangrijkste reden was dat Gods Woord dit verbiedt. Vervolgens hebt u in het vierde artikel kennis kunnen nemen van zijn weerleggingen van een vijftal schijnredenen. In dit vijfde artikel zijn de weerleggingen van nog eens zes schijnredenen afgedrukt.
Ook deze zijn genomen uit zijn geschrift: ‘Een grondig bewijs dat het een Christelijke magistraat ongeoorloofd is in plaatsen waarover hij te gebieden heeft, de roomse superstities en afgoderijen toe te laten… (1648). De zesde schijnreden was al grotendeels in de eerste uitgave van 1636 opgenomen, alsook het slot van de zevende schijnreden. Maar de achtste tot en met de elfde schijnreden zijn in de uitgave van 1648 geheel nieuw.
Het feit dat de weerlegging van de zevende schijnreden in de uitgave van 1648 eindigt met de slotparagraaf die in de uitgave van 1636 aan het einde van de zesde en laatste weerlegging stond, zou erop kunnen duiden dat er in 1648 nog een tussenuitgave is geweest waarin de weerlegging van de zevende schijnreden de laatste weerlegging was. In dat geval zou de nu gebruikte druk van 1648 de derde druk zijn geweest.
Verder zij nog vermeld dat we voor het leesgemak alles herspeld en hier en daar licht hertaald hebben weergegeven (met dank aan dr. J.A. Bunt).
En ten slotte, dat het lezen van Teellincks weerleggingen nog tot onderwijzing en opscherping moge dienen!
Redactie
Zesde schijnreden 2
“Zo geeft men voor dat het toelaten van de roomse geestelijken en leken3nu op betere gronden kan geschieden dan voor dezen, omdat zij nu van gezindheid4veranderd zijn, zulke regels5nu niet meer hebben als ze voorheen geleerd hebben, en dat het daar niet mee te doen is, maar nu veel zachtzinniger en getrouwer zijn dan voorheen.
Antwoord
Ten eerste. Zo is dit zeker dat zij die onder ons het bovenstaande voorstaan en zulke advocaten zijn van de verandering van de Spanjaarden en van [hun] geestelijke personen, zelf ver veranderd zijn ten opzichte van de gezindheid 6 van hun voorouders, die dit liedje nooit hebben willen geloven, omdat zij van tijd tot tijd het tegendeel hebben bemerkt. Zoals in het antwoord van de Heren Staten-Generaal (28 mei 1594), gegeven op een zeker verzoek 7 van de aartshertog van Oostenrijk, breder uiteengezet 8 werd naar aanleiding van hetzelfde voorgeven van de hertog “dat de aard 9 van de Spanjaarden al veel veranderd was”. Onder die Spanjaarden werd de geestelijkheid ook begrepen. 10
Dan ten tweede. Dit blijkt ook nergens, want wat plegen zij voor dezen te doen dat zij nu niet doen, wanneer zij daartoe dezelfde gelegenheid zouden hebben als voor dezen? Is de inquisitie tegenwoordig onder hen niet nog in volle kracht? Is niet onlangs nog in het jaar 1632 in Toledo ene Johan Aventroot (1554- 1632) om de religie verbrand? 11 Het kan zijn dat zij nu zo grof niet aanvallen met branden en blaken. Dit is niet omdat hun genegenheid hiertoe veranderd is, maar omdat zij zo geen voordeel daarmee weten te doen. Maar evenwel een wolf blijft een wolf. God verhoede het dat wij onder hun klauwen zouden komen. Dan zou die oude haat weldra beginnen te werken. De vonnissen tegen Nederland zijn nooit herroepen. En hoe zeer zij veranderd zijn of wat gunst en voordeel wij van hen te verwachten hebben, leert genoeg het voorbeeld van die heren die na het overgaan van Maastricht (in 1632), door een listige aanbieding van wapenstilstand 12 , opgepronkt met een deel onvaste 13 voorwaarden (als benauwde lieden die gouden bergen beloofden, waar zij een of geen van meenden te houden, gelijk de uitkomst geleerd heeft), de koning meer voordeel en profijt gebracht hebben dan het grootste leger dat hij ooit in Nederland gehad heeft. Want zonder dat het hem iets kostte 14 , hebben zij met een deel ijdele woorden al onze overwinningen gestuit, onze intocht in hun land 15 belet, dat openlag, niet voorzien van krijgsvolk, vol van verdeelde partijen en conflicten 16 . Ja, zij hebben de gehele regering zo lang opgehouden, tot grote kosten van het land, voor een ijdele hoop van haast een toezegging 17 uit Spanje te zullen verkrijgen. Daarmee speelden zij ten spot van al de regenten, gelijk zij al wederom naar hun oude aard doen (waarbij zij zich eens wel bij bevonden hebben) om ons te bedriegen, totdat de koning op alles goede orde gesteld had: geld en krijgsvolk verordineerd, tweespalten 18 weggenomen, verdachte 19 personen verplaatst en zijn zaken hersteld 20 . Totdat hij ons de overwinning van Maastricht (die wij met het vergieten van zoveel edel bloed en met gevaar 21 van ons land verkregen hadden) vruchteloos had gemaakt, ja, veranderd in een last als te ver liggend van het centrum 22 . Totdat zij alle wegen zo bezet hadden dat wij sindsdien niets meer tegen hen hebben kunnen uitrichten, wat uitheemse macht wij ook van jaar tot jaar boven ons eigen leger gehad hebben. Hoe zouden zij een grotere dienst dan welke ook, aan de koning kunnen gedaan hebben? En evenwel, omdat zij misschien in enige omstandigheden 23 zich tegen de koning vergrepen hebben, daarom zijn die goede diensten niet in aanmerking 24 gekomen, maar enigen hebben het met gevangenissen, schande 25 , ja, met hun eigen leven moeten bekopen. En zullen wij dan zo dwaas zijn dat wij ons zouden laten wijsmaken dat de koning en zijn raad ons heel vriendelijk veel gunst 26 bewijzen zullen wanneer de koning meester van ons was? Daar wij hem zoveel kosten, zoveel moeiten hebben aangedaan en zovelen van zijn eigen volk gedood en hun bloed gestort hebben? Zal zijn gezindheid jegens ons dan beter zijn, die hij voor zijn rebellen houdt en reeds lange tijd ter dood veroordeeld heeft, dan tegen zijn eigen heren en onderdanen die hun leven voor hem en zijn land gewaagd hebben, die hem zulke diensten gedaan hebben? Wie zal dat geloven die niet al willens dwaas wil zijn? Daarom, dit voor te wenden is niet anders dan om ons wat honing om de mond te strijken, in slaap te wiegen, om zo van de wolven te beter opgegeten te worden. Want kan een Moor zijn huid veranderen? Of een luipaard zijn vlekken? Kan een wolf of een leeuw zijn natuur afleggen? Elk weet wel beter!
Ja, het is er zover vandaan dat de roomsen ten goede van het land, om het land meer en meer getrouw te zijn, veranderd zouden zijn, daar zij nu meest allemaal - sinds dat de jezuïeten hier te lande een vrijbrief 27 verkregen hebben en zo door het land gevlogen zijn - Spaans geworden zijn. Ze zijn zeer bitter tegen de regering van de gereformeerden, zoals eenieder bekend is die met hen omgaat, zodat zij veel erger zijn dan hun voorouders die - al waren zij roomsen - evenwel ook vijanden van Spanje waren. Nu is dat zo niet, maar zo vele roomsen er in het land zijn (weinigen uitgenomen), zoveel voorstanders 28 heeft de koning van Spanje onder ons. Die ongetwijfeld, als de gelegenheid 29 zich voordoet 30 , hem zullen toevallen, tegen de regenten van het land. Zoals op verschillende tijden gebleken is, als er enige hoop was voor de koning om ons te overmeesteren. Direct hebben zij dan zeer stout tegen de regering en voor de koning gesproken. Gelijk zij nog wel doen als het maar te pas komt. Zodat het een geheel valse voorstelling is dat de pausgezinden of hun geestelijken of de koning of zijn raad van gezindheid 31 zouden veranderd zijn anders dan tot erger.
Want ten derde dat zij zich in deze vredesonderhandelingen zeer schappelijk 32 en meer gezeglijk getoond hebben dan Frankrijk, en hoge verklaringen 33 van hun genegenheid tot ons gedaan hebben, is geschied uit de nood waarin zij zich bevinden, uit een liefde niet tot ons, maar tot zichzelf, om ons door hun vleiende woorden af te scheuren van Frankrijk, onze staat zoveel temeer te verzwakken en zoveel meer voordeel op Frankrijk te hebben. Een kind kan het merken dat zij door deze veinzerij 34 onze staat het hoogste kwaad gedaan hebben en meer tegen ons uitgericht hebben dan zij in vijf jaar met hun wapens hadden kunnen doen. Want door de ijdele titel van vrije landen die zij ons geven, hebben zij ons onze wapens doen afleggen, onze bondgenoten doen vertoornen 35 en ons alle gelegenheid 36 ontnomen om onder het voordeel van de wapens van Frankrijk en Zweden onze grenzen 37 uit te breiden, Antwerpen te winnen om daarmee onze tuin af te sluiten. Ja, wij hebben aan al de steden in Vlaanderen en Brabant, wanneer de Fransen hen al te zeer zouden persen, de weg ontnomen om onder de bescherming 38 van onze staat zich te kunnen begeven, zoals zij konden doen.
Door het contract met Frankrijk hebben zij ons herstellend optreden 39 met Frankrijk gebroken, daar zij meer hoop hebben om steden die in Franse handen vallen, terug te krijgen dan wanneer die in onze handen zouden geraken. Ja, zij hebben door de grote invloed 40 van het Franse nabuurschap grote verzekerdheid dat door het beleid van hun Spaanse vrienden, in onze staat de regering geruïneerd zou kunnen worden wanneer de regering - als Frankrijk overwinnen zou in Vlaanderen en Brabant - door haar macht Spanje tegen Frankrijk zou gaan helpen. Wij zouden onszelf verteren 41 en geen effect van de vrede hebben. God geve dat het hiertoe niet komt! De gemoederen 42 van velen zijn maar al te wel daarover gestemd 43 . Hoe zij ook tot het welvaren van de ingezetenen genegen zijn, is behalve door het nemen van al die schepen, wel gebleken. Zij zouden die niet losgelaten 44 hebben, ten ware de Staten-Generaal zulk een krachtig besluit 45 daarover genomen hadden. Daarop zouden zij weinig acht geslagen hebben, indien zij niet zo in de laagte waren en macht hadden om zichzelf te water tegen ons te kunnen verdedigen 46 .
Zevende schijnreden
Zo geeft men voor, als men zo met de reformatie in de Meierij enz. wil voortgaan, dat het zeer grote verbitteringen en vele onheilen zal veroorzaken, dat de predikanten doodgeslagen en dat daar gedurige oproeren 47 zullen ontstaan.
Antwoord
Ten eerste. Soevereinen moeten zich door geen dreigementen laten afbrengen van hetgeen dat God hun gebiedt en het welvaren van het vaderland vereist. Anders zijn niet de hoge overheden, maar de geweldenaars meesters van alles.
Ten tweede. De verbittering van de ingezetenen in de Meierij zal wel ophouden, wanneer zij zullen zien dat men niet hun goed zoekt zoals de roomsen 48 , maar hun welvaren naar ziel en lichaam, en wanneer men de leugens en kwaadsprekerij 49 ontdekken zal waarmee de roomsen hen bedrogen hebben. 50
Ten derde. De oproeren 50 die zij zouden aanrichten, moeten geen argument zijn om dezulken iets in te willigen, maar om die temeer tegen te gaan, opdat dit niet het gehele land door nagevolgd zal worden. Er zal allicht macht gevonden worden om enige weinige belhamels die door de roomsen gaande gemaakt zijn, te bedwingen en te doen verbannen 51 als zij van zulk een doen niet willen aflaten.
Ten vierde. Dat zij de predikanten zullen doodslaan. Wij geloven dat hun bitterheid groot genoeg is, dat de priesters 52 dat genoeg inblazen en wensen, maar dat is niet te duchten. Onze zalige voorouders die de religie in ons land geplant hebben, zijn voor zulke dreigementen niet bang geweest, zoals vrome leraren dat nog niet zijn, die hun leven niet dierbaar achten om enigen voor Christus te winnen. En de hoge overheid zal zo wel zorg dragen om zulke moordpartijen te voorkomen. Men hoeft daarom hiervoor niet bevreesd te zijn.
Wij hopen dat God almachtig Zich erbarmen zal over de staat van zoveel verblinde mensen in de Meierij die noch rechts noch links nauwelijks weten. Wanneer de Heere hun de ogen zal beginnen te openen, zullen die ongetwijfeld het ijverigst zijn. Daarom zullen wij God altijd voor hen bidden.
Kortom, dit voorgeven is bedrieglijk en te verwerpen, zoals ook al de voorgaande schijnredenen, zodat onze redenen tegen het toelaten van de roomse afgoderijen en hun priesters vaststaan. En God geve dat allen die hierin iets te zeggen hebben, die mogen overwegen en in het werk stellen. Dat zij mogen zeilen naar het kompas van onze voorouders, door niet af te wijken van die oude, gezonde regels 53 . Opdat niet, zoals door die oude wetten en besluiten 54 ons land opgekomen en vastgesteld is, door deze nieuwe wegen alles losgemaakt en ons land ten gronde gezeild wordt, hetwelk God verhoeden wil. Amen.”
Achtste schijnreden 55
De roomsen hebben zowel als de gereformeerden het land helpen verlossen van het juk van Spanje en tot vrijheid helpen brengen, zij hebben zowel als de gereformeerden hun belasting- en burgerplichten 56 vervuld en behoorden daarom dezelfde vrijheid voor hun openbare godsdienst te hebben. Is het niet in de publieke kerken dan altijd in enige andere plaatsen.
Antwoord
Ten eerste. Het kan niet geloochend worden dat de roomsen, ja, velen van de geestelijken zelf bijgedragen 57 hebben aan het tegengaan van de nieuwe bisschoppen en Spanjaarden die tegen de voorrechten 58 van het land werden ingebracht en handelden. Zo heeft God de Heere wonderlijke - om de Reformatie eindelijk uit te werken - instrumenten gebruikt die het fundament hebben helpen leggen tot een werk waarvan zij nochtans vijanden waren.
Ten tweede. Zo genieten de roomsen hetgeen waarom zij meegevochten en aan bijgedragen hebben, dat is vrijheid van consciëntie om te geloven wat zij willen, zonder dat men naar hun geloof onderzoek doet of hen dwingt tegen hun gemoed iets te geloven. Zodat zij in stilheid bij zichzelf en met hun huisgezin mogen uitoefenen 59 zodanige godsdienst als hun goeddunkt. Indien dit aan de gereformeerden door de koning van Spanje was toegelaten geweest, zij zouden de wapenen nooit tegen hem hebben opgenomen. Maar men heeft hen door vuur, zwaard, galg en rad willen dwingen te geloven wat de roomsen leerden. Of zij het zelf geloofden, weten wij niet. En daartoe hebben zij vuur en bloedraad, de inquisitiemeesters, geautoriseerd zonder de wettige overheden daarin te kennen, dan om alleen blinde uitvoerders 60 van hun vervloekte tirannie te zijn. Meer aangelegd op de goederen dan op de religie van de mensen. Dat was tegen de privileges of voorrechten van het land. Hiertegen hebben alle geestelijken en wereldlijken zich gesteld. Dat genieten de roomsen. Daarom hebben zij zich niet te beklagen.
Ten derde. Zo is het geenszins de bedoeling van de roomsen zelf geweest, als zij het juk van Spanje zouden afgeworpen hebben en de heerschappij 61 alsdan overal in hun hand hadden kunnen krijgen, om dan aan allerlei religies te verlenen publieke oefening 62 en openbare vergadering. Want waar zij absoluut gezag 63 verkregen en over de onzen geheerst 64 hebben, daar hebben zij aan niemand publieke uitoefening 65 van hun religie willen verlenen dan alleen aan hun roomse religie. Evenals zij ook nu nog nergens doen, zodat zij zich niet te beklagen hebben over het feit dat de Heren Staten dit ook niet willen doen. Maar zij hebben te bedenken dat de Heren Staten meer gunst aan hen bewijzen dan zij ergens aan de onzen doen, die zij zelfs geen vrijheid van consciëntie willen geven. Daarvoor hebben wij nochtans samen gevochten, zoals zij voorgeven. Maar zij dwingen die onder hen wonen dat zij ten minste eens per jaar te biecht en tot de mis moeten komen. En nochtans, zo is het dat die ingezetenen ook hun belasting- en burgerplichten 66 en alles bijdragen 67 tot behoudenis 68 van hun land, zowel als roomsen onder ons. Als men hen meet met zulk een maat, ja, met nog een betere maat dan zij ons doen, wat reden hebben zij dan van klagen? Hetgeen dat zij hier te lande vrij en zonder bezwaar 69 mogen genieten, dat hebben de onzen in deze vredesonderhandeling verzocht, maar geenszins kunnen verkrijgen. Waarom stellen de roomsen zich dan hierin zo kwalijk op?
Ten vierde. Zo zijn de roomsen er zelf de oorzaak van dat men zo scherpe plakkaten tegen het inkomen van hun zogenaamde 70 geestelijkheid en tegen hun samenkomsten 71 heeft moeten maken. Daar te allen tijde bevonden is dat hun geestelijken de roomse ingezetenen van ons land in hun vergadering tegen de regering hebben opgehitst en weer tot Spanje gezocht hebben over te brengen. Zij hebben hun predicaties daarop gericht 72 , zoals enige roomsen, die de staat nog wel toegedaan zijn, de regering hebben gewaarschuwd. Ja, zij hebben hun biechten en missen misbruikt om de consciënties van de mensen te verbinden tegen de wettige regering en om hen te doen geloven dat niemand dan de koning van Spanje de rechte heer van dit land is. Ja, al heeft de koning voor de gehele wereld verklaard dat hij geen aanspraak 73 op deze landen heeft, zo is het dat zij nog de mensen indrukken dat hij dit maar gedwongen heeft gedaan. En dat met de dood van deze koning 74 dit artikel ook sterft. Daar hij de Nederlanden tot nadeel 75 van zijn nakomelingen niet kan weggeven.
Dit heeft de staat gedwongen om hen aan te merken als oproerkraaiers 76 , verraders en die het voorwendsel 77 van de uitoefening van hun religie maar zoeken te gebruiken om de staat te ondermijnen. Indien zij ooit daartoe konden geraken, dan zou men wel zien wat vrijheid van religie zij alsdan aan de onzen zouden geven. Daarom zo mogen de Staten niet dan met het uiterste gevaar van het land hun plakkaten matigen 78 , maar zij moeten die scherper dan ooit handhaven 79 , aangezien door de vrede 80 zoveel opening is gemaakt dat alle zogenaamde 81 geestelijkheid van de andere zijde in het land mag komen. Op hun handelingen 82 moet daarom nauw gelet worden of wij zullen haast de droevige vruchten daarvan proeven.
Eenieder weet dat in deze vredesonderhandeling de Spaansen ronduit verklaard hebben dat zij alleen ten aanzien van het tijdelijke 83 met ons zijn overeengekomen 84 , maar dat het geestelijke de paus aangaat en zij daarover niets te zeggen hebben. Zodat al de wetten, ontheffingen 85 en dubbelzinnigheden 86 van de paus van kracht 87 zijn gebleven, namelijk dat men de ketters geen geloof moet houden en dat de zogenaamde geestelijken niet staan onder enige overheden. En daarom begrijpen we wat schelmstukken zij tegen die - in en door die regels - begaan. En meer andere schadelijke regels 88 , waartoe door de vrede hun nu de deur geopend is om die in het werk te stellen, zo niet tijdig daarin voorzien wordt.
Zo kan daarom eenieder zien hoe aan de roomsen geen openbare vrijheid van hun religie mag toegestaan worden. Al hebben zij in het begin zich tegen Spanje gesteld, zij zijn sindsdien daarvan al afgebracht door hun Spaanse jezuïeten. Geven zij tol en schatting gelijk anderen, daarvoor genieten zij ook de bescherming van het land, de stille bezitting van hun goederen zonder daarin onder enig voorwendsel 89 benadeeld te worden, en nog bovendien vrijheid van hun consciëntie.
Negende schijnreden 90
Men geeft de menisten 91 , ja, de Joden wel openbare vrijheid van hun geloof, waarom de roomsen dan niet. Zij zijn niet erger, ja, beter dan hen.
Antwoord
Ten eerste. Aan de menisten is nooit door een uitgevaardigde regel 92 van de regering openbare vrijheid van hun religie toegestaan, maar alleen bij oogluiking 93 . Dit blijkt daaruit dat in verscheidene plaatsen waar de menisten hun vergaderingen hebben willen oprichten, dit hun door de hoge regering belet is. Nooit is ook aan hen toegestaan dat zij openbare, opvallende 94 plaatsen zouden verkrijgen voor hun godsdienst, dan het hier of daar in een of de andere stad mag zijn, waar de uitgevaardigde regel overtreden werd, hetgeen daarom geen regel is.
Ten tweede. Zo is wel waar dat zij in veel plaatsen getolereerd worden, namelijk dat zij in stilheid bij elkaar komen uit oorzaak van enige gunst die prins Willem, hoogloffelijker gedachtenis, hun vergund heeft, omdat zij nooit bevonden zijn aan uitheemsen verbonden te zijn 95 of tegen de staat iets te ondernemen 96 . Alles is ook maar tot wederopzegging. Zo zij bevonden worden in hun vergadering zich te kanten 97 tegen de staat en tegen de gehoorzaamheid aan de Staten, men zou dan ongetwijfeld niet minder ijver tegen hen bij de regering vinden dan tegen de roomsen. Daar die grondwet daar ligt en menigmaal vernieuwd is, ook zelfs in deze vredessluiting, dat men alleen de gereformeerde religie publiek zal handhaven. 98 Waarom de Staten niet toestaan dat zelfs de menisten ergens nieuwe plaatsen om hun godsdienst te plegen, zullen innemen, behalve die zij vanouds gehad hebben, zoals in verscheidene plaatsen dit ook aan hen is geschreven. Hoewel zij al stouter beginnen te worden dan voorheen door op dat schrijven geen acht te slaan, waaruit de regering te rechtvaardiger oorzaak zal hebben om hen ook meer te bedwingen dan voorheen.
Ten derde. Wat aangaat de Joden, dat zij vrijheid hebben, geschiedt maar in een of twee steden tot een gruwel van alle rechte Christenen. En het is te vrezen dat zulke plaatsen nog Gods toorn daarom zullen voelen. Hoewel het geschiedt om temeer handel 99 en welvaart daardoor in hun steden te verkrijgen, maar de tijd zal het leren. Dat men ze in de steden laat wonen, kan niet berispt worden, maar aan hen publieke uitoefening van hun religie te vergunnen, is door alle Christenprinsen ongeoorloofd geoordeeld. En daarom zo kan noch het oogluikend toestaan 100 van de menisten, noch de tolerantie van de Joden, enigszins pleiten 101 voor de openbare godsdienst van de roomsen. Daar het ene kwaad met het andere niet moet verdedigd worden. En voorbeelden zijn ook geen regels. Of anderszins, wanneer wij ook naar het voorbeeld van de roomsen in hun landen hier te werk gingen, zo moesten zij zich daarin tevreden houden. Naar welk voorbeeld zij ook de vrijheid van hun consciëntie zouden kwijt worden, wat wij niet toestaan.
Tiende schijnreden 102
De roomsen zijn zeer machtig in het land en zij zullen in deze vrede niet willen zijn zonder publieke godsdienst, of men heeft te verwachten dat zij gezamenlijk zullen opstaan en met geweld de kerken zullen innemen.
En daarom is het beter dat men die gecontroleerd voor hen laat inruimen of plaatsen ordineert waar zij hun godsdienst kunnen doen.
Antwoord
Ten eerste. Dat zij zo sterk zijn geworden, is gekomen door de grote oogluikende toelating 103 en het inlaten van de roomse geestelijken, die er ontelbaar meer in het land zijn dan de predikanten en veel meer middelen hebben om het volk tot zich te trekken: door giften, dreigementen, uiterlijke schijn van godsdienst en de genegenheid van alle mensen tot superstities en afgoderijen! Hierin dan door te gaan en nog ruimere deur open te stellen zal hun getal nog groter maken. En daarom ook hun stoutigheid om niet alleen de kerken in te nemen, maar ook de regering, waarvan zij stellen 104 dat die hun zowel als de gereformeerden toekomt. Zo wanneer zij die in hun macht krijgen, dan zullen zij zelf zulke regenten daarin plaatsen die hen nu het meeste voorspreken, zoals in veel plaatsen gebleken is.
Ten tweede. Zo heeft de oogluikende toelating 105 van de roomsen in andere plaatsen wel geleerd hoe het dezulken bekomen is. Elk weet wat een grote vrijheid de roomsen verkregen hebben in Ierland door de kwade regering van de bisschoppen - om de koningin te behagen -, zodat hun geestelijken daar met hele schepen ingelaten werden en overal publiek hun diensten deden. Ja, de roomsen werden in al de regeringen, tot de hoogste toe, ingelaten onder voorwendsel 106 dat zij dan wel tevreden zouden zijn en mede het land en de gereformeerden zouden helpen voorstaan. Maar zodra zij zagen dat zij zo sterk waren dat zij de gereformeerden hoopten te kunnen overmeesteren, zo zijn zij op hen aangevallen en hebben meer dan honderdduizend huisgezinnen van de gereformeerden vermoord. Zo hebben ze zichzelf absoluut meester gemaakt. Was dat niet een goede betaling voor de vrijheid die hun vergund was? Dit weten onze roomsen ook steeds wel als argument aan te voeren 107 en te dreigen dat het hier ook als in Ierland zal gaan. Is het dan wel geraden om hun hier te lande ook zulk een vrijheid te geven en zo sterk te maken om naar verloop van tijd zelf met onze vrouwen en kinderen vermoord te worden. Hierbij zouden zij nog denken - door de verleiding van de priesters - Gode een dienst te doen. Of is het niet veeleer tijd om middelen te bedenken hoe men het getal van de roomsen in ons land zal doen afnemen? Door hun de hun verleidende en ophitsende jezuïeten en andere roomse geestelijken te ontnemen en hen door een groter getal van predikanten en andere personen te laten onderwijzen, om hen van hun roomse dwalingen afstand te laten doen en de gereformeerde religie aan te nemen. Dat zou een grote zekerheid aan onze staat geven, terwijl noodzakelijk hierop door de regenten serieus gelet zal moeten worden, eer wij het verzuim van dezen te laat komen te beklagen. Zo ver is het daarvan af dat men om hun dreigementen dat ze zelf de kerken en regering zullen innemen, die voor hen behoorde in te ruimen. Want daarmee zullen zij niet beter, maar erger worden. Daar zij nooit tevreden 108 zullen zijn, voordat de gehele regering veranderd is, zoals hun menigmaal zelf ontvalt en de regenten wel weten.
Elfde schijnreden 109
De gereformeerden moeten zulke middelen niet gebruiken om hun religie voort te planten, daar zij met geweld zoals in de Meierij enz. die arme lieden van hun kerken, godsdienst en priesters zouden beroven. Zij moeten die door verenigingen en onderwijzingen zoeken te winnen en vertrouwen dat het licht sterker is dan de duisternis, de waarheid dan de leugen.
Antwoord
Ten eerste. De gereformeerden moeten niet wijzer zijn dan God of toelaten wat God hun verbiedt, namelijk het toelaten van afgoderij. Maar Hij gebiedt hun die onder hun soevereiniteit uit te roeien, zoals wij in het begin bewezen hebben, of zij zouden daarin geen gereformeerden, maar gedeformeerden 110 van Gods Woord zijn.
Ten tweede. Zo moet een goede arts 111 , een vader van het huisgezin, niet alleen zijn patiënt/kind vermanen zich voor vergif 112 te wachten en goede spijze te gebruiken, maar hij moet zijn patiënt/kind ook het vergif ontnemen dat hij eten wil, en zulke moordenaars verdrijven die zijn patiënt/kind het vergif tot verderf willen ingeven. Of anderszins, wanneer hij het vergif en de moordenaar toelaat, zo kunnen zijn vermaningen tot het tegendeel hem niet verontschuldigen van het verderf van zulk een.
Ten derde. Zo is het wel zeker dat het licht sterker is dan de duisternis, en de leugen dan de waarheid om iemand te verlichten en te onderrichten, maar niet wanneer men iemand toelaat om degene die men wil verlichten of onderwijzen, de ogen en oren toe te houden. Dan kan licht en het verstand tot dezulken niet komen. Zo lang als men de roomse geestelijkheid en hun afgodische godsdienst toelaat, zo worden door die beiden van hen de ogen en oren toegehouden, zodat zij noch zien noch horen willen. Wat kunnen dan het licht en de waarheid daaromtrent doen? Maar wil men dat die krachtig zijn, zo moet men die beletsels wegnemen. Dan zal het licht de duisternis en de waarheid de leugen wel verdrijven. Ja, alle Christelijke overheden zijn het in consciëntie schuldig te doen waar zij kunnen, of anders worden zij schuldig aan het verderf van zulke lieden voor wier zielen zij zowel moeten zorgen als voor hun lichamen. Het zou ook belachelijk zijn dat men predikanten in kwartieren zou zenden om de mensen te bekeren, tot de waarheid te brengen en het onkruid aldaar uit te wieden, en dat men aan de andere zijde de roomse geestelijkheid daar zou houden en uitbetalen 113 om de predikanten in hun werk tegen te staan, om omver te werpen al wat zij zouden kunnen bouwen en meer onkruid te zaaien dan zij goed zaad. Als iemand zo te werk ging die zijn land wil bebouwen, dat hij de ene goed zaad en de andere kwaad zaad liet zaaien; of in het bouwen van zijn huis, de een het wel laat opbouwen en de ander het laat afbreken, zou men zulk een niet uitzinnig achten? Of moet men oordelen dat zij geen goede vruchten en begeerten wilden hebben, noch het huis gebouwd? Omdat het zo bij onze overheid niet ligt, daarom zo is het dat de overheden niet alleen predikanten in die gebieden laten aanstellen, maar zij weren ook wat de predikanten in hun werk zou mogen beletten. En hierin voortgaande hebben zij Gods zegen te verwachten.
(wordt Deo volente vervolgd)
Noten:
1) Zie: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 253-258, decembernummer 2016, p. 298-303, februarinummer 2017, p. 28-33 en meinummer 2017, p. 90-94
2) In het origineel staat: ‘V.’
3) vande Geestelijcke/ ende de Roomsche Catholijcke
4) van nature
5) maximen
6) natuur
7) missive
8) gediduceert
9) humeuren
10) Demet. Fol. 340
11) Zie: Copye, van ’t proces ende sententie teghens Joan Avontroot/ die gekomen is in Spangien in ’t Hof van Madril, om de spreken met den Koningh van liberteyt van conscientie, maer vande Inquisiti gevangen en na Toledo ghebracht, ende na seven maenden ghevangenis/ levendigh verbrant/ op den 22 mey 1632. Ende nu van een Liefhebber der waerheyt overgeset in onse tale, t’Amsterdam, voor Gerrit Jansz Arensteyn.
12) Treves, wat letterlijk wapenstilstand betekent. Ds. Teellinck verwijst hier niet naar het sluiten van het Twaalfjarig Bestand of Trêves. Dit was een periode van twaalf jaar wapenstilstand, namelijk van 1609 tot 1621, waarin door de Republiek niet of nauwelijks met de Spanjaarden werd gevochten. Maar het gaat hier om onderhandelingen over wapenstilstand die na de inname door Frederik Hendrik van de stad Maastricht (in 1632) hebben plaatsgevonden.
13) water-verwige
14) zijn kost
15) te weten de Zuidelijke Nederlanden
16) faxien en disidentien
17) credentie; ook: tegemoetkoming
18) dissidentien
19) gesuspecteerde
20) geredresseert
21) hasarderen
22) hart
23) circumstantien
24) consideratie
25) disgratien
26) faveur
27) sauvegaerde
28) favoriten
29) occasie
30) presenteerde
31) conditie
32) minnelick
33) protestatien
34) dissimulatien
35) offenseren
36) occasien
37) limiten
38) protexie
39) herstelling; in Vlaanderen en Brabant
40) impressie
41) consumeren
42) humeuren
43) gedisponeert
44) gerelaxeert
45) vigeusen resolutie
46) defenderen
47) revolten
48) papen
49) calomnien
50) revolten
51) delogeren
52) papen
53) maximen
54) resolutien
55) In het origineel staat: “VI. Reden.” Vermoedelijk heeft de drukker zich hier vergist, want er is hier duidelijk sprake van een schijnrede, niet van een reden tegen de publieke godsdienstvrijheid. De achtste tot en met de elfde schijnreden heeft ds. Teellinck waarschijnlijk later nog toegevoegd.
56) schot en lot
57) gecontribueert
58) privilegien
59) exerceren
60) executeurs
61) regiment
62) exercitien
63) gebiet
64) geprevaleert
65) exercitie
66) schot en lot
67) contribueren
68) mainunitie
69) ongemolesteerd
70) pretense
71) conventiculen
72) gedirigeert
73) pretenderen
74) Filips IV (1605-1665)
75) prejuditie
76) meut-maeckers
77) pretext
78) mitigeren
79) maintineren
80) Vrede van Münster (1648). Dit was een vredesverdrag dat op 15 mei 1648 in Münster gesloten werd tussen Spanje en de Republiek der Verenigde Provinciën.
81) precense
82) actien
83) temporeel
84) geconvenieert
85) dispensatien
86) æquivocatien
87) vigeur
88) maximen
89) pretext
90) In het orgineel staat: “VII. Reden.” Ook hier is sprake van een schijnreden, niet van een reden.
91) Van Menno Simons (ca. 1496-1561), een belangrijk leider van de wederdopers.
92) by order
93) geconniveert
94) uitsteeckende
95) dependeren
96) molieren
97) banderen
98) maintineren
99) neering
100) conniventie
101) mediteren
102) In het origineel staat: “VIII. Red.”
103) conniventie
104) pretenderen
105) conniventie
106) prætext
107) alligeren
108) contenteren
109) In het origineel staat: “IX. Reden.”
110) gedisformeerden
111) medicijn
112) fenijn
113) gageren
Fotoverantwoording:
a) By Joostik (Own work) [CC0],via Wikimedia Commons
b) Depositphotos
c) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 4.0] via Wikimedia Commons
d) Depositphotos
e) Depositphotos
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 2017
In het spoor | 60 Pagina's