Johannes Fontanus (1545-1615): Een ‘Antiek’-SGP’er! -4-
In dit laatste artikel over Johannes Fontanus 1 gaan we in op zijn laatste levensjaren, waarin hij de strijd aanbond tegen het opkomend remonstrantisme. Hoe pijnlijk was het te ervaren dat deze strijd ook in zijn ‘eigen’ stad gestreden moest worden. Voor zijn aangrijpend sterfbed, dat diepe indruk maakte op de omstanders en een getuigenis mocht zijn tegen de remonstranten, verwijzen we naar het biografische gedeelte in het februarinummer van dit jaar. 2
Leidraad is het inhoudrijke boek Johannes Fontanus. Een Gelders predikant in dienst van de orthodoxie van A.E.M Janssen en K.G. van Manen 3 . Dit boek biedt weer meer aan informatie dan de oudere levensbeschrijving van Fontanus van dr. L.H. Wagenaar (1855-1910) 4 , die evenals zijn levensbeschrijving van graaf Willem Lodewijk 5 zeer lezenswaardig is. Jammer is wel dat Wagenaar zich in het bijzonder in zijn biografie over Fontanus als een echte kuyperiaan laat kennen. Fontanus wordt daarin nogal eens weggezet als een antieke calvinist. 6
Strijd tegen de remonstranten
Men deelt de strijd met de remonstranten in Gelre wel in drie fasen in. Twee van de drie heeft ds. Fontanus actief meegemaakt. De eerste is van 1608 tot 1612 toen remonstrantsgezinde predikanten uit het Nijmeegse kwartier drie door de sociniaansgezinde Conrad Vorstius (1569-1622) opgestelde artikelen ondertekenden. Hiertegen traden drie contraremonstrantsgezinde classes van de Veluwe en Zutphen op. Belangrijkste vertegenwoordigers waren de predikanten Fontanus, zijn schoonzoon Eilardus van Mehen (1570-ca.1639) uit Harderwijk, Wilhelmus Baudartius (1565-1640) en Sebastiaan Damman (1578-1640), van wie de laatste twee predikant te Zutphen waren. Hun werd echter de mond min of meer gesnoerd omdat het Gelderse Hof de Gelderse provinciale synode verbood bijeen te komen om verdere verdeeldheid en scheuringen te voorkomen. De strijd ging echter, vooral vanaf 1612, onder leiding van dit viertal verder op gemeentelijk en classicaal niveau. De tweede fase loopt vanaf 1613 tot en met 1616, toen duidelijke partijschappen en scheuringen ontstonden. De derde fase van 1617 tot 1619 eindigt met de veroordeling van de remonstranten op de bekende Synode van Dordrecht. Deze fase heeft ds. Fontanus, die in november 1615 overleed, niet meer mogen meemaken.
Heel triest is het dat behalve in Nijmegen ook in Arnhem zich remonstrantse invloeden deden gelden. In zijn laatste levensjaren werd ds. Fontanus daarmee nog zwaar beproefd. Twee jongere collega’s bleken het remonstrantisme toegedaan. Ds. Baudartius schrijft in zijn geschiedkundig werk:
“Binnen Arnhem is niemand onder alle predikanten bestendig in de oude gereformeerde religie gebleven dan de eerwaardige heer Johannes Fontanus, die tot aan de dood toe zijn rechtvaardige ziel gekweld heeft ziende dat jonge aankomende mannen omverwierpen wat hij vele jarenlang met grote moeite en zorgvuldigheid gebouwd had.” 7
Vóór het begin van de Dordtse Synode, maar na de dood van ds. Fontanus werd binnen Gelre echter al tegen het remonstrantisme opgetreden. Het Hof van Gelre gaf na zes jaar de Gelderse provinciale synode in de zomer van 1618 toestemming om weer bijeen te komen. Er werd meer dan een maand lang vergaderd in 56 zittingen. Drie Nijmeegse predikanten waren eerder door de magistraat vanwege ernstige wanordelijkheden op grond van hun prediking geschorst. Door de provinciale synode werd de schorsing gegrond verklaard, terwijl alle remonstrantse predikanten in de classes Nijmegen, Tiel en Bommel uit ambt en pastorie werden gezet. In de drie kwartieren Veluwe, Zutphen en Nijmegen was het remonstrantisme daarmee vóór de Dordtse synode al vleugellam gemaakt. Dit was mogelijk omdat op classicaal niveau het voorbereidende werk al gedaan was; tot aan midden 1615 mede door de krachtige hand van ds. Fontanus. Van deze krachtige hand van ds. Fontanus willen we hier nog een en ander meedelen.
Buitengewoon classicaal overleg in Barneveld
Op 12 en 13 februari 1612 vond in Barneveld een buitengewone classicale vergadering van de classes Over- Veluwe en Neder-Veluwe plaats met 31 predikanten en 7 ouderlingen. Een vergadering van twee classes was een nieuw fenomeen in het Gelderse, waarvan het initiatief waarschijnlijk van ds. Fontanus in overleg met zijn drie gelijkgezinde ambtsbroeders is uitgegaan. De bedoeling was duidelijk: de nieuwigheden de pas afsnijden. Ds. Fontanus was preses, ds. Van Mehen scriba en ds. Johannes Switterius (†1623) van Nijkerk assessor, terwijl ds. Damman als speciale afgevaardigde niet ontbrak. Een notitie waarin de drie artikelen van Vorstius als onrechtzinnig werden afgekeurd, en een beginselverklaring waren onderwerp van behandeling. Iedereen verklaarde dat men de nieuwigheden van Vorstius verwierp als zijnde tegen Gods Woord en de belijdenis en dat men al het mogelijke zou doen om de benoeming van Vorstius als hoogleraar in Leiden tegen te gaan. Tevens werd besloten om de acta van deze vergadering aan het Hof van Gelre te doen toekomen met het verzoek om de besluiten te bekrachtigen.
Op 15 februari 1612 overhandigde ds. Fontanus samen met een Arnhemse burgemeester de Barneveldse acta aan het Hof met een verzoek deze eveneens ter bekrachtiging te sturen naar de andere classes en magistraten van Gelre en Zutphen. Deze voortvarendheid van Fontanus ging het Hof echter te ver; het achtte het gewenst deze zaak op een nader vast te stellen provinciale synode af te handelen.
In een brief aan de Franeker hoogleraar Sibrandus Lubbertus (ca. 1555-1625) deelt Fontanus hem mee dat in Barneveld de volgende besluiten zijn genomen: zij die de drie artikelen van Vorstius hebben ondertekend, moeten zich verantwoorden, alle dwalingen van Arminius en Vorstius zijn afschuwelijk, de kerkorde mag op geen enkel punt veranderd worden, niemand mag op synodaal niveau als predikant worden toegelaten of een beroep naar elders aannemen dan na een openbaar onderzoek door een provinciale synode en de ambtsbroeders in Friesland moeten helpen bij de bestrijding van de dwalingen. Zo probeerde ds. Fontanus en de zijnen de dwalingen tegen te gaan.
In een maand later gehouden classicaal overleg in Zutphen onder voorzitterschap van Baudartius werden aangaande de nieuwigheden dezelfde standpunten als te Barneveld ingenomen hoewel in Zutphen de overheid buiten beeld bleef. Onder de ondertekenaars staan ook de handtekeningen van Fontanus en Mehen, hoewel hun namen niet op de presentielijst staan. Zij hebben dus waarschijnlijk later met hun handtekening hun instemming betuigd.
Overleg in Nijmegen
Tijdens de classisvergadering van 20 tot en met 22 april 1612 in Nijmegen kwamen de drie artikelen van Vorstius ook ter sprake. Ds. Fontanus en ds. Damman waren als afgevaardigden aanwezig en brachten een notitie in behandeling waarin de Nijmeegse classis verzocht werd dat de ondertekenaars van de drie artikelen aan deze classis en de provinciale synode zouden verklaren daarin verkeerd gehandeld te hebben. In de tweede plaats dat gezien de toenemende moeilijkheden in Holland het maken van een unie ten aanzien van de enigheid in de leer en de kerkorde het overwegen waard was en dat alles wat daarmee streed, werd verworpen. En ter voorkoming van toekomstige nieuwigheden moesten nieuwkomers in de classis in aanwezigheid van afgevaardigden van de provinciale synode door de classis opnieuw onderzocht worden.
De classis oordeelde echter dat de ondertekening die door sommige broeders naar de Christelijke liefde met een goed geweten ter versterking van de orthodoxe leer was gedaan, niet verwerpelijk was. De Nijmeegse classis bleef bij de algemene Christelijke unie en de kerkorde en tevens bij de oude procedures bij het beroepen en examineren van predikanten. Op deze wijze werden met een beroep op de Christelijke vrijheid en het geweten alle vragen en waarschuwingen van de twee afgevaardigden afgewimpeld. Ds. Fontanus nam overigens met deze algemene verklaringen genoegen, maar zal dat niet van harte hebben gedaan.
Provinciale vergadering in Harderwijk
Voor de provinciale vergadering van 30 juni tot en met 3 juli 1612 te Harderwijk vond vooroverleg plaats tussen elf remonstrantsgezinde predikanten onder leiding van de Nijmeegse predikant Gerardus Livius (1570-1636). Zij stelden naar aanleiding van het ‘eigen machtig optreden’ van ds. Fontanus en Damman twaalf kritische bedenkingen op die eventueel op de provinciale synode ter sprake gebracht konden worden.
Op de provinciale synode werd tot preses gekozen ds. E. van Mehen en tot scriba ds. W. Baudartius, terwijl synodaal afgevaardigd waren de dominees Fontanus en Damman, maar ook Festus Hommius (1576- 1642) uit Leiden en Petrus Plancius (1552-1622) uit Amsterdam.
De welbespraakte, Arnhemse collega van ds. Fontanus Henricus Meilingius (±1580 - na 1632) hield een felle predicatie tegen de nieuwlichters waarin de remonstrantse leraren naar aanleiding van Handelingen 20:28-30 als roofzuchtige wolven werden aangeduid. Deze preek wordt door Wagenaar de zogenaamde wolvenpreek genoemd. 8 Zoals eerder vermeld 9 , zou ds. Fontanus op zijn sterfbed nog naar deze preek verwijzen. Een jaar later zou Meilingius samen met zijn collega Henricus Brumanus in Arnhem de zijde van de remonstranten kiezen.
Merkwaardig is dat volgens de acta de Nijmeegse afgevaardigden zich nauwelijks roerden. Ds. Fontanus stelde dat de verklaring van de Nijmeegse classis voldoende was. Dit zal hij gezegd hebben mede gezien het feit dat er een formulier ter ondertekening voor aankomende predikanten werd aangenomen. In dit formulier moesten toekomstige Evangeliedienaren verklaren dat de belijdenis en de catechismus overeenkomstig Gods Woord waren, en beloven dat zij alles wat daarmee streed, zouden tegengaan. Indien iemand bezwaar tegen iets uit de belijdenis of catechismus kreeg, zou hij dit voordat hij zijn bedenkingen openbaar zou maken, op de classis ter beoordeling brengen. Tevens werd beloofd zich aan de classicale of synodale uitspraken te onderwerpen. Duidelijk is dat de invloed van ds. Fontanus en de drie eerdergenoemde gelijkgezinden groot is geweest. Na deze synode zou het provinciaal Hof echter bepalen dat de provinciale synode voorlopig niet meer bijeen mocht komen.
Droeve ontwikkelingen in Arnhem
Na zijn vergeefse tocht naar Den Haag in september 1612 en het ontgoochelende gesprek met Van Oldenbarnevelt zag Fontanus duidelijk in dat zij afhankelijk waren van de politieke wil van de overheid. Hij betreurde dit zeer. In een brief aan Lubbertus van 4 januari 1613 gaf hij daaraan op de volgende wijze uiting:
“Ik ben nu 44 jaar werkzaam in het heilig ambt. Hier in Arnhem heb ik dit ambt te midden van de grootste gevaren bijna 35 jaar uitgeoefend, de overige jaren in de Palts onder keurvorst Frederik III. 10 Maar nooit eerder heeft voor mij het uiterlijk van de rechtzinnige kerk er zo bedroevend uitgezien als vandaag. Wat nu? De beslissing over de belangrijkste theologische vraagstukken zal voor de wereldlijke overheden zijn weggelegd. Wij die voorheen herders waren over de kudde van Christus de Heere, wij zullen voortaan schapen zijn onder het gezag van de politieke overheid.” 11
Zowel de afwijkingen van de leer in Arnhem als de invloed van de overheid werden hem nog eens pijnlijk bewust op de vergadering van de classis Over- Veluwe van 20 en 21 april 1613 te Voorst. Hier werd hij weer tot voorzitter gekozen. Op die vergadering moest hij moeilijke onderwerpen behandelen. Zijn Arnhemse collega’s Brumanus en Meilingius hadden het “verbintenisformulier” 12 , dat een jaar eerder in Harderwijk was vastgesteld, niet ondertekend. De classis droeg de kerkenraad van Arnhem - dus ds. Fontanus! - op de beide Arnhemse predikanten te manen dit alsnog te doen. Ter vergadering kwam ook een brief van het Hof ter tafel met het bevel dat de predikanten omwille van de vrede geen nieuwigheden in de aangenomen gereformeerde leer en kerkorde mochten toelaten. Bij overtreding moest het Hof ingelicht worden. Er werd op de vergadering opgemerkt dat geruchten rondgingen dat Brumanus en Meilingius tot droefenis van de vromen afweken van de zuivere leer. De classis besloot dat de kerkenraad van Arnhem onderzoek moest instellen en de beide broeders vanwege onvoorzichtigheid moest bestraffen. In de kerkenraad van Arnhem werd, volgens een brief van ds. Van Mehen aan ds. Damman, daarop overeengekomen dat de beide predikanten alleen de Schrift zouden laten spreken zonder commentaar en nieuwigheden. Van Mehen vroeg zich daarbij wel af of dit voldoende was. Hij vermeldt verder dat Meilingius onlangs met andere predikanten uit het Nijmeegse kwartier bij Fontanus thuis waren geweest en hem meegedeeld hadden dat zij de remonstrantse gevoelens deelden. Zij zouden in Gelre wel 50 man sterk zijn en waren bereid de provinciale Gelderse synode zelf te bekostigen.
Duidelijk is dat de besluiten van de classis te Voorst niet meer uit te voeren waren; de verdeeldheid was te groot geworden. Een afvaardiging van de Arnhemse kerkenraad heeft deze situatie aan prins Maurits, de stadhouder van Gelre, mondeling voorgelegd, waarna deze zei dat de stedelijke magistraat de predikanten aan de aangenomen leer had te houden.
Brief aan Lubbertus
In een brief van 12 juli 1613 aan Lubbertus geeft Fontanus een verslag van de gebeurtenissen tot dat moment. Meilingius had na zijn felle ‘wolvenpreek’ zeer geageerd tegen de remonstranten en zelfs geprobeerd het Hof tot optreden tegen hen te bewegen. Fontanus had hem gemaand tot voorzichtigheid omdat niet alles van de remonstranten verkeerd was. Daarop had Meilingius hun geschriften onderzocht en was tot de conclusie gekomen dat zij geen socinianen waren en dat hij het zelfs met hen eens was. Fontanus had hem daarna gewaarschuwd niet van het ene uiterste in het andere te vallen; hij, Fontanus, wenste niets van de gereformeerde leer af te doen. Steeds meer had Meilingius zich daarna van Fontanus gedistantieerd. Samen met Brumanus was hij de remonstrantse opvatting van de algemene verzoening openlijk gaan verkondigen. Scherp had Fontanus daarop beiden vermaand, maar zij zochten heil bij hun broeders in Nijmegen. Na vermaning door het Hof werden zij onder censuur gezet, maar dit hielp weinig. Zij gingen door op allerlei wijze hun remonstrantse gevoelens te verkondigen. Ds. Fontanus doet dan zijn beklag:
“Alles is hier nu nog meer verward dan in Holland. We zijn van een prov. synode beroofd. De autoriteit van de classis wordt heimelijk veracht. Kortom, daar er geen koning in Israël is, doet ieder wat hij wil.” 13
Inderdaad was de situatie nog verwarrender geworden dan in Holland. Door het verbod van het Hof was men beroofd van een provinciale synode, terwijl de classes geen gezag meer hadden. Het liefst ging Fontanus terug naar de Palts. Hij had zich in Arnhem gedurende 35 jaar voor de waarheid ingezet en deze weten te handhaven, maar nu ging het verkeerd, wat hem zeer ter harte ging. Alleen God kon helpen. Het was het loon op de zonden. Daarom paste hem uiteindelijk standvastig geduld te oefenen. Met het verzoek de brief aan zijn zeer geliefde broeder in Christus ds. Johannes Bogerman (1576-1637) ter lezing te geven besluit hij zijn brief. Opmerkelijk is dit laatste verzoek omdat deze de voorzitter van de bekende Dordtse Synode zou worden.
Arnhem
De situatie in Arnhem werd hachelijk. Midden mei had Meilingius bekendgemaakt dat hij de remonstrantse gevoelens was toegedaan, en hij leerde deze ook. De leer der predestinatie werd verdacht gemaakt. Een duidelijke tweedeling onder het kerkvolk was het gevolg. Op 25 juli 1613 besloot de Arnhemse kerkenraad dat geen andere predikant van buiten meer op de kansel mocht komen dan hij die de unanieme toestemming van de eigen predikanten had. Over de predestinatie en andere geschilpunten mocht niet worden gepreekt. Het was waarschijnlijk Lubbertus, in wie Fontanus groot vertrouwen had, die per brief van 6 november 1613 Fontanus wist over te halen zich bij dit door de overheid opgelegd compromis neer te leggen. Het compromis was er alleen om een kerkelijke scheuring te voorkomen; het was slechts tijdelijk en redelijk. Gezien de situatie in Arnhem was er geen andere mogelijkheid en door zich erbij neer te leggen kon Fontanus laten zien hoezeer hij de vrede beminde en de overheid achtte. Slechts node gaf Fontanus hieraan gehoor en hield zich rustig.
Op de classicale vergadering in Arnhem verschenen op 27 mei 1614 enkele vertegenwoordigers van het Hof en het Arnhemse gemeentebestuur met een acte waarin stond dat omwille van de vrede ter handhaving van “de enigheid in leer” en de sinds de Reformatie in het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen aangenomen gereformeerde leer Meilingius en Brumanus “met hart, hand en mond” moesten beloven op de preekstoel noch privé, direct of indirect, daartegen iets in te brengen. Anderzijds mochten zij over hun gevoelen in hun geweten niet worden lastiggevallen. Na lang doordrijven van de heren politici werd deze overeenkomst “ongaarne” 14 door de classis aangenomen, terwijl Meilingius en Brumanus bij handslag akkoord gingen.
In de acta wordt over het standpunt van ds. Fontanus niets opgemerkt, terwijl de als afgevaardigde aanwezige dominees Damman en Van Mehen verklaarden op geen enkele manier het met de verklaring eens te kunnen zijn omdat anderen zich op de overeenkomst van deze classis zouden kunnen beroepen. Persoonlijk wilden zij zich overigens wel met hen verzoenen. Ds. Fontanus heeft in een brief van 11 juni 1614 aan Lubbertus zijn ongenoegen over deze overeenkomst kenbaar gemaakt. Aan het eind van de brief blijkt dat hij toch mag berusten in de wil des Heeren: “Onze magistraat staat nu mannelijk voor de waarheid, maar wat als zij minder worden of sterven? Ik echter zal, in afwachting van de uitkomst, die in de hand des Heeren is, mij rustig houden.” 15 Uit de brief blijkt tevens dat er vóór de classis heel wat hatelijkheden gepasseerd waren. Opvallend is dat hij naar prins Maurits verwijst die in mei 1591 stadhouder van Gelre en Zutphen geworden was en toen beloofd had “de gereformeerde religie, die de hoofd- en kleine steden van dit vorstendom en graafschap uit bijzondere genade van God hebben, te handhaven” opdat “die alleen en geen andere religie in dit landschap meer uitgeoefend worde”. 16 Niet ten onrechte merken Janssen en Van Manen met een verwijzing naar het vroegere onderhoud tussen Fontanus en Van Oldenbarnevelt in Den Haag op: “Kennelijk voorzag Fontanus al in 1614 dat Maurits en Oldenbarnevelt elkaars antipoden zouden worden op kerkelijk- en staatkundig terrein.” 17
Laatste reis en overlijden
Terwijl zijn gezondheid al te wensen overliet, begaf ds. Fontanus zich samen met ds. Baudartius op weg naar Amsterdam. Op 17 september 1615 trof hij daar enkel gelijkgezinden van naam uit alle gewesten aan om een nieuw verzoekschrift voor een nationale synode op te stellen en om de arminianen in hun loop te stuiten. Daar waren onder anderen de volgende predikanten aanwezig: de Amsterdamse predikanten Petrus Plancius en Johannes Hallius (1549-1619), Festus Hommius uit Leiden, Johannes Bogerman uit Leeuwarden, Joos van Laren of Jodocus Laretius (1586-1653) uit IJzendijke, Godefridus Udemans (1581/2-1649) uit Zierikzee en Johannes Langius (†1624) uit Vollenhove. Als nestor van de vergadering gaf ds. Fontanus leiding aan deze vergadering. Samen met Baudartius en Hallius ondertekende ds. Fontanus een officiële verklaring waarin stond dat Van Oldenbarnevelt drie jaar geleden in een onderhoud (september 1612 in Den Haag) gezegd had dat het de Staten-Generaal in de oorlog tegen Spanje nooit gegaan was om de handhaving van de gereformeerde religie alleen, maar om de vrijheid van de gewesten met welke godsdienst dan ook. Deze verklaring samen met de toenmalige afkeurende reactie van ds. Fontanus hebben een rol gespeeld in het gerechtelijke proces tegen Van Olden barnevelt.
Na deze reis heeft ds. Fontanus de Arnhemse kerkenraad vanwege toenemende zwakheid niet meer bezocht. Baudartius merkt op dat na deze vermoeiende reis “hij en iedereen wel kon bespeuren dat de dag van zijn verhuizing voorhanden was”. 18 Toch hield hij niet op de kansel te beklimmen. We hebben in het eerste artikel bij de beschrijving van zijn indrukwekkend sterfbed Baudartius veel aan het woord gelaten. Hij mocht menige bezoeker, onder wie voorname mannen van hoge afkomst, nog vermanen om bij de zuivere leer te blijven, en gaf hun nog stichtelijk onderwijs. 19 Zijn gedurig gebed tijdens zijn ziekte om in zijn sterven de remonstranten geen gelegenheid te geven tot lastering is kennelijk vervuld. Bijna allen die getuige waren van zijn sterven, spraken met verwondering, aldus Baudartius: “Dit is geen sterven, maar het is waarlijk in den Heere ontslapen.” 20
Ds. Fontanus ligt begraven in de Grote of Eusebiuskerk te Arnhem, waarin een eenvoudige steen met de initialen IF tot aan september 1944 zijn graf sierde. Na de oorlog is een nieuwe steen geplaatst met een sober reliëf en met als onderschrift de woorden: “Ter gedachtenis aan den eersten hervormer van Gelderland Johannes Fontanus. Hij bediende het Woord Gods in deze kerk van sept. 1579 tot 22 nov. 1615.” Boven het reliëf staat: “Hebreën 13v.7.” Hier staan de bekende woorden te lezen: Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandel.
Ten besluite
Aan het eind van deze artikelen over Fontanus is wel duidelijk dat hij volkomen terecht als de reformator van de Veluwe wordt aangeduid. Hij was echter niet alleen een zeer actieve verbreider en verdediger van de zuivere leer, maar daarbij ook een bidder voor land en volk. Op dit laatste wijst Baudartius allereerst toen velen in Arnhem het remonstrantisme toevielen:
“maar ook binnen Arnhem zelf, alwaar al zijn collega’s, ja, ook enige personen uit de magistraat en kerkenraad, ook verscheidenen van de aanzienlijksten in de gemeente de leer der remonstranten zijn bijgevallen, waarover deze Godzalige dienaar van Jezus Christus zijn rechtvaardige ziel zeer gekweld heeft en waarover hij zeer bedroefd is geweest, vaak diep zuchtende en zo overvloedig tranen stortende dat zij langs zijn grijze baard en mantel vloten en op de aarde afliepen.”
Dit weerhield ds. Fontanus er echter niet van om ook de daad aan het gebed te paren:
“Maar hij heeft over deze droeve toestand van de kerk van Christus niet alleen gezucht en deze beweend, maar ook zijn uiterste best gedaan om de oude gereformeerde religie te verdedigen en in stand te houden, dag en nacht niet ophoudende God de Heere vurig te bidden voor de welstand van Zijn kerk, ook met preken en schrijven zijn plicht doende, zichzelf in zijn hoge ouderdom nergens in verschonende, maar gaarne en dienstvaardig reizende en trekkende in hitte en koude door regen en wind waar hij meende of hoopte iets te kunnen doen of adviseren tot voordeel of ter bevordering van de goede zaak van de kerk en het hele vaderland…” 21
Voor ons is tevens van belang dat ds. Fontanus door Gods genade geen duimbreed van zijn belijdenis wilde wijken. Hij hield onbeweeglijk vast aan de plicht van de overheid in “het woord des Evangelies overal te doen prediken” en in het “weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst” van artikel 36 NGB, terwijl hij anderzijds de zelfstandigheid van de kerk wenste te handhaven. Wanneer de overheid te ver ging in haar macht of in haar plicht tekortschoot, spaarde hij haar zijn kritiek niet en sprak hij haar daarop aan.
Opmerkelijk is het dat samen met graaf Jan van Nassau twee Duitsers een lichtend voorbeeld hebben mogen zijn als het gaat over de praktisering van artikel 36 NGB. Met alle verdere waardering kunnen een Wagenaar en de zijnen dan wel van ‘antiek-Calvinisten’ in hun opvatting op dit punt spreken, maar men wil niet inzien dat men zelf van Gods Woord en de belijdenis afwijkt. Helaas geldt dit ook van het SGPhoofdbestuur dat de belijdenis van artikel 36 zegt te onderschrijven, maar in de praktijk een beleidslijn openlijk goedpraat die daarmee in flagrante strijd is. Ten diepste zegt het daarmee eigenlijk dat de reformator Fontanus en allen die hem in zijn politieke opvattingen wensen te volgen, niets anders zijn dan antiek-SGP’ers. Wij wensen deze aanduiding dan met ere te dragen in de wetenschap dat Gods Woord standhoudt tot in der eeuwigheid!
Ter afsluiting wijzen we nog op het feit dat ds. Fontanus de veroordeling van de remonstranten op de Dordtse synode niet meer heeft mogen beleven, noch ook de afzetting door de Gelderse provinciale synode vóór deze nationale synode van alle remonstrantse predikanten in de classes Nijmegen, Tiel en Bommel. God geeft Zijn eer niet aan een ander, noch Zijn lof de gesneden beelden (Jes. 42:8). In dat opzicht heeft dominee Fontanus het loon op zijn werken op aarde niet mogen zien. Maar aan hem was een groter loon gegeven om in de hemel eeuwig zijn Zaligmaker in alle volmaaktheid alle lof, eer en aanbidding toe te brengen. In die wetenschap mocht zijn sterfbed nog een predikstoel voor vriend en vijand worden!
Noten:
1) Zie voor de vorige afleveringen het februarinummer van In het spoor, p. 2-14, het meinummer, p. 79-90 en het julinummer, p. 123-133 van dit jaar.
2) Zie de pagina’s 5 en 6 van het februarinummer van dit jaar van In het spoor.
3) A.E.M. Janssen & K.G. van Manen, Johannes Fontanus. Een Gelders predikant in dienst van de orthodoxie [1545- 1615], Nijmegen 2015, 304 pagina’s (voortaan: Johannes Fontanus)
4) L.H. Wagenaar, De Hervormer van Gelderland, Kampen 1898, 172 pagina’s (voortaan: Wagenaar)
5) L.H. Wagenaar, Het Leven van Graaf Willem Lodewijk. Een Vader des Vaderlands,”Uz Heit”, Amsterdam, zonder jaar, 496 pagina’s. Zie verder over deze Godvruchtige stadhouder naar aanleiding van dit boek de artikelenserie van mijn hand onder de titel: ‘Graaf Willem Lodewijk (1560-1620): Een voedsterheer van de kerk -1- , in: In het spoor, 33 e jrg., nr. 6, 2009, p. 220-230, de tweede aflevering in het februarinummer van 2010 (nr. 1, p. 22-33) en de laatste aflevering in het oktobernummer van 2010 (nr. 4, p. 184-196) van In het spoor.
6) Dit begint in deze biografie al op de tweede pagina van de inleiding, die geen paginatelling kent, en zet zich in het hele werkje voort. Zo heet het op pagina 35 “de antieke Calvinisten” en op pagina 66 staat naar aanleiding van het verzoek van de Arnhemse kerkenraad om het verbod van de uitoefening van andere dan de gereformeerde godsdienst de denigrerende opmerking te lezen: “Hier ziet ge de grote man in zijn zwakheid of liever in de zwakheid van zijn eeuw”. Verder op pagina 76: “het antiek-gereformeerde streven” en ten slotte op pagina 168 de “antiek-Calvinist”.
7) G. Baudartius, Memoryen ofte Cort Verhael Der Gedenck-weerdichste so kercklicke als werltlicke Gheschiedenissen van Nederland, Vranckrijk, Hooghduytschland, Groot Britannyen, Hispanyen, Italyen, Hungaryen, Bohemen, Savoyen, Sevenburghen ende Turkyen, Van den Iaere 1603 tot in het Iaer 1624. Zutphen 1624 2 . Het werk verscheen in 1620 voor de eerste maal onder deze titel en werd in 1624 opnieuw in uitgebreidere vorm uitgegeven in 2 delen. Het citaat bevindt zich in het tweede boek, p. 91 (voortaan: Baudartius)
8) Wagenaar, p. 134
9) Zie het februarinummer van dit jaar van In het spoor, p. 5
10) Aan deze Godvruchtige keurvorst hebben wij in een reeks van 13 artikelen onder de titel ‘Frederik III van de Palts (1515-1576). Een voedsterheer van de kerk’ in dit blad uitgebreid aandacht geschonken. Zie het oktobernummer (nr. 4, p. 211-219), het decembernummer (nr. 5, p. 236-247) van 2012, het februarinummer (nr. 1, p. 27-37), het meinummer (nr. 2, p. 79-91), het julinummer (nr. 3, p. 120-130), het decembernummer (nr. 5, p. 241-255) van 2013, het februarinummer (nr. 1, p. 30-41), het julinummer (nr. 3, p. 135-145), het decembernummer van 2014 (nr. 5, p. 258-277), het februarinummer (nr. 1, p. 9-21), het julinummer (nr. 3, p. 133-149), het oktobernummer van 2015 (nr. 4, p. 243-256) en ten slotte in het februarinummer (nr. 1, p. 25-36) van 2016 van In het spoor.
11) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 246
12) Zo noemt Wagenaar dit formulier. Wagenaar, p. 125 en 140.
13) Geciteerd bij: C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus. Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie, Kampen 1963, p. 444 (voortaan: Van der Woude)
14) De laatste drie citaten zijn te vinden bij: Johannes Fontanus, p. 257
15) Geciteerd bij: Van der Woude, p. 447. Zie ook: Johannes Fontanus, p. 259
16) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 258 (onder noot 29)
17) Johannes Fontanus, p. 259
18) Baudartius, VII, p. 13
19) Zie noot 2.
20) Baudartius, VII, p. 13
21) Beide citaten: Baudartius, VII, p. 13
Fotoverantwoording:
a) Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via Wikimedia Commons
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017
In het spoor | 60 Pagina's