Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het profetisch Woord.*)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het profetisch Woord.*)

22 minuten leestijd

En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is ; en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt als op een licht schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten. 2 Petrus 1 : 19.

Is het wel waar? Is het wel vaster dan een rots en zekerder dan eenig menschenwoord, is het wei waar, wat het Evangelie ons verkondigt ? — Zie, ongehoord en ongelooflijk is immers de boodschap, die het Evangelie ons brengt. Het getuigt van een heerlijkheid, waarbij vergeleken al onze menschen-heerlijkheid in 't niet verzinkt, van een macht, die onze machteloosheid eerst recht openbaart: de heerlijkheid en de macht van Jezus Christus, den Zoon Gods. Het Evangelie getuigt van Christus, die dood was, werkelijk dood, maar die leeft, waarachtig leeft, die overwonnen heeft de macht van den dood. En door de kracht Zijner opstanding zijn wij vanden dood gered, mogen wij leven als van den dood geredden. Het Evangelie getuigt ook van Christus' wederkomst; Zijn heerlijkheid zal eerst in de toekomst geopenbaard worden, en wij zullen hem zien gelijk hij is. Nu is die heerlijkheid nog verborgen — eenmaal zal het openbaar worden, dat Christus is de Overwinnaar, de Heer der heerlükheid. Opstanding en wederkomst — dat is de geweldige, de ongehoorde tijding, die het Evangelie ons brengt; dat is het nieuwe heil, dat ons wordt verkondigd. Dat wordt ons opgedragen te prediken ; om dat te gelooven worden wij opgeroepen. Jawel, maar is het wel waar? Dat is de vraag, waardoor ons aller hart vroeg of laat wordt aangevochten. Is het méér dan een menschenmeening, méér dan een persoonlijk inzicht? Is het iets anders dan één van de vele fabels, die de menschen nu eenmaal gelooven, maar die daarom nog niet waar zijn ? — Wat een fabels worden er ons immers al niet verzonnen en verteld: fabels van nabij, maar vooral van ver, fabels van het heden, maar vooral van de toekomst — hoe vreemder, hoe beter I hoe onmogelijker, hoe mooier! Welnu, is het met het bericht van Jezus'opstanding zoo heel anders gesteld? We vragen niet, of het mooi is, of het stichtelijk is, maar we vragen : is het wel waar? Is het een meeoing, waarover wij discussieeren kunnen, of is het waarheid die beslag op ons legt? Door die vraag worden wij allen vroeg of laat aangevochten, juist als het ons om waarheid te doen is. Die nood verbindt prediker en gemeente, omdat zij samen die vraag herkennen als de stille twijfelvraag van hun eigen bevreesde hart.

Maar nu moet het ons verrassen, dat ook de eerste apostelen telkens gesteld werden voor diezelfde vraag. Laat ons niet meenen, dat de Gemeente van vroeger boven die aanvechting verheven was. De boodschap der opstanding van Christus was ook toen een onmogelijke boodschap. Daarom, juist na Paschen wordt het Thomas te machtig, nu meer dan ooit spreekt hij zijn twijfel uit. En daarom ook, als Pdulus later in de academiestad Athene komt, vindt hij eerst wel een stampvolle Areopagus, van die wel eens hooren willen wat dat nu weer voor nieuwe prediker is; maar als Paulus predikt over de opstanding der dooden, over dat onmogelijke wonder, dan spreekt Paulus verder voor stoelen en banken, dan laat men hem beleefd doorpreeken met de boodschap: «u ziet misschien later me nog wel eens terug». De boodschap van een Christus, die is opgestaan, en die zal wederkomen om te oordeelen de levenden en de dooden, is de groote ergernis. En dat is overal zoo. En daarom moet Paulus óók aan Corinthe, die kerksche en daardoor zoo verdeelde gemeente, zijn eerste brief schrijven, die uitloopt op, die één en al getuigenis is van de opstanding der dooden, door den opgestanen Heer. Want hier, juist hier, ligt het hart der Christelijke verkondiging: Hij, die door ons wordt verworpen, is door God gesteld tot den Heer van leven en dood, en zal eenmaal geopenbaard worden als Heer en Rechter. Dit is ons behoud. Maar dit is onze ergernis.

Ook de ApDstel Petrus kent die ergernis en hoort die vraag onophoudelijk. En hij weet tegelijk : door deze twijfel wordt de prediking ondermijnd en de Kerk verwoest. Is het wel waar? Is het méér dan een meening der menschen of een fabel der volkeren ? Petrus beantwoordt die vraag dan niet aarzelend en zachtzinnig, want hij is er ten diepste verontrust over. «Wij zijn geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus.» Waarom niet? Waarin onderscheidt zich de verkondiging van Christus' kracht en toekomst van de fabelen der menschen ? Nu geeft de apostel een dubbel antwoord. Nu spreekt Petrus eerst van de openbaring, die aan hem en aan de andere apostelen geschied is, toen Christus verheerlijkt werd op den berg. Dat was immers geschied juist toen, toen Petrus zelf boven mate aangevochten was door twijfel, nadat zes dagen tevoren Jezus vrijuit begonnen was te spreken over Zijn lijden en sterven en opstanding.

Dat woord des Heeren wekte een storm van verzet in Petrus' hart. «Heer, dit zal U geenszins geschieden». Zijn eigen hoogmoedige hart ergerde zich doodelijk aan een lijdenden Heer en een lijdende Kerk. De Christus, de Zoon Gods, dus niet de mensch, die de volksmenigte volgten niet degene die de volkseenheid bevordert? Onmogelijk! Eén van beide: of bij is de Christus — maar dan kan zijn volk Hem toch niet verwerpen öf Hij wordt wel verworpen — maar hoe kan dan op Hem rusten het welbehagen Gods, hoe kan hij dan zijn de Zoon Gods? Aan die aanvechting is Petrus overgeleverd. Totdat, na zes dagen, aan Petrus te zien wordt gegeven : Christus verheerlijkt. Diezelfde, op wie de heimelijke verachting der menschen rust, op hem rust toch de heerlijklijkheid Gods. Christus verheerlijkt — tot een teeken en belofte van Zijn opstanding en Zijn wederkomst. Daar werd dat ontzaglijke woord gesproken — evenals bij Zijn doop — dit is mijn geliefde Zoon. Juist deze, die zich volkomen vernedert in Zijn doop en in Zijn dood, juist deze is de Zoon Gods. Alleen in Hem heeft God behagen. — Zóó was het aan de apostelen eenmaal geopenbaard, op den berg der verheerlijking. En daarin werd hen onthuld de waarheid Gods. Petrus'twijfel was het zwijgen opgelegd, omdat Gods eigen waarheid zich onwederstandelijk van hen had meester gemaakt. En nu mag hij daarvan niet zwijgen. Wee de mensch, die zwijgt, als Christus' heerlijkheid zich hem heeft geopenbaard! Daarom moet Petrus spreken. Hij mag het niet verbergen voor het navolgende geslacht, vertellende de wonderen des Heeren, opdat het navolgende geslacht die weten zou. Een machtige troost is dat voor hem en voor de geheele Kerk, tot steun in onzen geloofsstrijd, — dat teeken van Christus' verheerlijking, die belofte van Zijn toekomst. Schande zou het zijn, dat teeken te verachten, tot hulp ook in onze aanvechting 1

tEn wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is». Nu gaat de Apostel voort, en hij komt tot zijn tweede en eigenlijke antwoord op de twijfelvraag : of het wel waar is? — De apostelen wijzen niet alleen op hun eigen getuigenis, op de openbaring die hen is geschied. Neen, zij wijzen ootmoedig terug op iets anders, dat daarachter staat. Dat is hun deemoed, dat zij heenwijzen naar dat woord dat vóór hen en ook tot hen gesproken is, dat zij niets anders willen dan wijzen op dat Woord. Dat is hun eenige grootheid, dat zij alleen dat Woord willen verklaren en van dat Woord willen getuigen, en niets daaraan toevoegen en niets daarvan afdoen.

«Het profetisch woord». Wat bedoelt de apostel daarmee? Wat anders, dan: het woord der profeten, der mannen, door God eenmaal gezonden en gegeven om Zijn Woord te verkondigen. Dat deel der Heilige Schrift, dat wij dus nu noemen met een gevaarlijke benaming: het Oude Testament. Want nu doet de apostel niet, alsof dat boek min of meer oud en verouderd is, alsof wij daarboven verheven zijn, alsof wij genoeg hebben aan een enkele tekst of een mooi hoofdstuk er van. Neen, hij wijst terug op dat geheele profetische woord, ootmoedig en beslist, en hij zegt: daar, daar zult gij acht op geven. — En hoe komt de apostel daarbij? Omdat hij een Jood is, omdat hij zoo conservatief is ? Neen, hij doet dat alleen, omdat hij dat geleerd heeft van Jezus Christus, die Zichzelf in leven en sterven vastklemde aan dat profetische woord. Vanaf het eerste woord, dat wij van Hem lezen, tot het laatste, dat Hij stervend uitroept, steunt Hij op de Schrift. En het eerste werk van den opgestane Heer is — wonderlijk genoeg — de opening der Schriften, aan de Emmaüsgangers, — de uitlegging van hetgeen in ai de Schriften van hém geschreven is. Welk een deemoed van onzen Heer, dat Hij wijst op dat woord der profeten en tot die deemoed ons oproept. Hij leest de wil Gods niet in de feiten, maar in de Schriften: «want die zijn het, die van Mij getuigen.» Het profetische woord is zinloos en ledig zonder Christus, want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie. Welnu: op Jezus Christus wijzen de profeten, en op Jezus Christus wijzen de apostelen. Hoe kan het dan anders, dan dat de apostel .Petrus nu ook héénwijst naar dat woord der profeten, omdat, zoo zegt hij, dat «zéér vast is». Door dat profetisch woord wordt ons vastheid gegeven. Waarom is het zeer vast ? Waarom anders, dan omdat bet «niet voortgebracht is door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven, hebben het gesproken.» De droeve ontdekking van ons leven is telkens weer, dat menschenwoorden zijn als zandgrond, waarop niet te rekenen valt. Maar de blijde verrassing van ons leven mag ook telkens weer zijn, dat het profetisch woord rotsgrond is, die van geen wankien weet. Onze vastheid ligt niet in ons zelf, niet in de groote gedachten der groote denkers, maar onze vastheid ligt in het profetisch woord, door heilige menschen, door God afgezonderde menschen gesproken. Dat is ons gegeven om niet te vertwijfelen in onze geloofsstrijd, om niet ten prooi te zijn aan alle aanvechting. Het woord Gods is geschonken als Gods grootste genade 1 Welk een barmhartigheid Gods, dat Hij daarin Zichzelf aan ons wil openbaren, zoodat wij Hemzelf kennen en hebben mogen — in Zijn Woord. Wee ons, als wij nu barmhartiger zouden willen zijn dan de Heere God, en op dat woord géén acht zouden geven. Welk een wijsheid Gods, dat Hij ons, aangevochtenen, dat wil geven, wat vaster is dan ons eigen zieleleven. Wee ons, als wij nu wijzer willen zijn dan de Heere God, en vastheid in ons zelf meenen te vinden ! Zeer vast is alleen het profetisch woord. Dit alleen geeft vastheid aan ons prediken en ons gelooven. In sterken nood en aanvechtig geven stemmen en ervaringen geen zekerheid: dan is er geen andere troost dan te steunen op een vaste grond, te bouwen op een vast fundament: «en wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is.»

En nu mogen wij als Kerk wel zeggen : wat geldt van het profetisch woord, geldt voor ons, als Gemeente van Christus, óók evenzeer van het apostolisch woord, in niet minder mate: het wijst alles immers op Christus, het eenig fundament dat gelegd is. Profeten en apostelen zijn daarin volkomen eenstemmig, en zijn daarom gelijkelijk zeer vast. Wij belijden de eenheid en gelijkheid van Oud en Nieuw Testament, de Heilige Schrift, van God ons gegeven tot onze zaligheid en tot onze troost. Wij hebben de Heilige Schrift, die zeer vast is. —

Apostelen en profeten zeggen hetzelfde, brengen dezelfde troost, hetzelfde heil, want aij wijzen op denzelfden Christus, — de profeten wijzende vóór zich uit, de apostelen wijzende achter zich, dat is waar I Maar toch is het ook voor ons van bijzondere beteekenis, dat er nadrukkelijk staat: «wij hebben het profetisch woord.» Toch heeft het ook zin te letten op het onderscheid met het woord der apostelen. Ook na de verschijning des Heeren Christus blijft het bijzonder noodig, naar het profetisch woord te hooren. Waarom ? Waarom zegt de apostel nog : luister naar den profeet ? Zie : de profeten prediken : het Rijk Gods zal eenmaal komen — het komt. De apostelen verkondigen : in Christus is het Rijk Gods tot ons gekomen. — De profeten zien uit en gelooven: eenmaal zal deze gansche schepping volledig verlost worden. De apostelen getuigen : God hééft in Christus deze wereld met zichzelven verzoend. — De profeten zien alle dingen in het licht van de groote Toekomst, en zij zeggen: het is nóg niet de wereld van Gods gerechtigheid. Maar de apostelen getuigen: Het is volbracht, wij hebben vrede, want Hij zegt: Mijne genade is u genoeg. Het woord der profeten is het woord van gespannen verwachting van de belofte; het woord der apostelen is het woord van dankbaar gedenken van de vervulling. Het profetisch woord ziet uit naar een herschapen wereld, waarin God alleen zal worden aangebeden en verheerlijkt en Zijn Rijk alleen zijn zal; de apostelen zien terug naar de heerlijkheid, die in Christus Jezus is geopenbaard.

En nu zouden wij misschien verwachten, dat de apostelen zeggen zouden : nu Jezus Christus geopenbaard is, nu is het profetisch woord verouderd. Maar ziehier nu de deemoed der apostelen: nu zeggen de apostelen toch: «wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht geeft.» Zoo deemoedig is de apostel, dat hij, die verkondigt dat Christus gekomen is, ook zegt: en toch is het waar, dat Hij zal komen. Het is volbracht — en toch moeten alle dingen nog hersteld worden. Wij hebben vrede en gerechtigheid in Christus — en toch verwachten wij de nieuwe aarde van vrede en gerechtigheid. Wij zijn dankbaar — en toch hunkeren wij. Wij zien achter ons — en toch zien wij in heimwee vooruit. «Want wij hebben het profetisch woord.» Juist de apostelen wijzen ons naar de profeten. Het eigenlijke gevaar voor ons is, niet meer te verwachten de wederkomst van Christus en Zijn Rijk. Christus is opgestaan in heerlijkheid — daarom zal Hij wederkomen in heerlijkheid. Zie, en verbaas u over dat verrassende: de apostelen wijzen terug naar de profeten, en roepen ons toe : wacht u, Gemeente, er voor, voor dat woord van verwachting en heimwee doof te zijn, want gij doet wél dat gij daarop acht hebt. Ook na Christus verschijning: verwachting. Ook na Christus verzoening: heimwee. Door de belijdenis des geloofs — de belijdenis der hóóp. Ook na het groote werk der verzoening — de belofte van een nieuwe toekomst. Juist de apostelen roepen ons op tot het heimwee naar Gods groote toekomst, naar Christus wederkomst in heerlijkheid. Het is niet genoeg, dat er voor ons leven vergeving en verzoening is: er is nog een wereld, die nog niet verlost is, die in het booze ligt. Voor die wereld, die van God afgevallen schepping, heeft het profetisch woord nog de stralende belofte van Gods nieuwe schepping, Gods Rijk van vrede en gerechtigheid, waarin de Heere alleen verheven zal zijn, en onder Zijn zachte scepter alle volkeren eeuwig wonen zullen.

«Wij hebben». Hebben wij het werkelijk? Moeten wij nu niet eerlijk worden, moeten wij nu niet zeggen: hadden wij het maar, maar wij hebben het verloren 1 Wat zou de kerk anders zijn, als zij eens werkelijk hoorde naar dat woord van heimwee en verwachting jder profeten ! Is dat juist niet de zondeval der kerk, dat wij dat woord zijn kwijtgeraakt, dat het profetisch woord welhaast verstomd is? Want dat woord plaatst ons midden in de nood der wereld en der volkeren; het doet ons vragen in deze wereld naar gerechtigheid en vrede ; het verontrust ons door ons te doen lijden onder de nood der schare, en stelt ons verantwoordelijk voor de schuld van ons volksleven. Juist het profetisch woord wekt in ons het groote heimwee naar de toekomst des Heeren. — O, moeten wij dan niet veeleer belijden: Wij hebben het profetisch woord verloren? Nochtans zegt de apostel: wij hebben het! Het is ons gegeven tot onze bestraffing en onze bekeering, tot onze schaamte en ons behoud. Het stelt ons schuldig, maar het is ons eenig heil. Wij hebben het woord zooals wij hebben een Koning, die over ons regeert, zooals wij hebben een Rechter die ons zal oordeelen. Wij hebben het woord der profetie, al hebben wij kerksche menschen het er niet naar gemaakt het te mogen hooren : toch wordt het tot ons gesprokan, toch is het nog niet van ons genomen. Komt en verbaast u over dit onuitsprekelijk wonder : tot ons, afkeerigen, dooven, wordt het Woord nog gesproken 1 Hoe zullen wij er dankbaar genoeg voor kunnen zijn ? Dit moet ons brengen tot een groote eindelooze verwondering : nog hebben wij het profetisch woord. En het is alleen aan Gods onbegrijpelijk geduld te danken, dat Hij ons nog het profetisch woord geeft, dat zeer vast is.

«En gij doet wèl, dat gij daarop acht geeft». Als ons eenig heil ligt in dat woord, zal het ééne noodige ook zijn, daarop acht te geven. Wij hebben niets anders noodig dan dat ééne. Waarom zoekt men de genezing voor den nood onzer Kerk toch overal, in deze actie of die beweging, maar niet in het ééne: in het Woord? Wij hebben alles wat wij noodig hebben in dat Woord. Wij hebben geen nieuwe profeten noodig, geen profeten van de daad en geen profeten van de toekomst. Want ons ts gegeven Christus, en in Hem hebben wij alles, alles, voor nu en voor later, voor leven en sterven, voor leer en leven, alles wat wij behoeven is in Hem gegeven, van wien het profetisch woord getuigt. Wij behoeven dat profetisch woord niet uit te denken of uit te vinden. Het is ons gegeven. Wij hoeven geen gesloten wereldbeschouwing te hebben, geen systeem hebben we noodig. Wij hebben niets anders noodig, dan dat van dat woord worde getuigd, en dat woord worde verstaan en geloofd.

«Gij doet wèl, dat gij daarop acht geeft». Wat dat is: acht geven ? Geeft acht! Wat is dat anders dan : aandacht, aandacht van den geheeien mensch, aandacht waarbij men zichzelf vergeet, aandacht waarbij men gehoorzaam vraagt: wat zegt het Woord?

Acht geven op het Woord — daarmee roept de apostel ons op tot diezelfde deemoed, die hijzelve ons toont, tot een dagelijksche bekeering van onze persoonlijke en onze kerkelijke zonden. Het Woord roept immers juist ons kerksche menschen op uit alle rust, en stelt ons voor de ontzettende nood der wereld. Het Woord bindt ons den nood der volkeren op het hart, stelt ons midden in ons volksleven, maakt ons één met hun nood en hun schuld. Het profetisch woord doet ons schrikken over onze schandelijke zelfgenoegzaamheid. O, dan moeten wij vergaan van schaamte over ons erbarmelijke christendom, over de gevaarlijke toeschouwers-houding, het makkelijke neutraal willen blijven. Acht geven op het Woord, dat zal dus altijd beteekenen : leven in schaamte,ookin kerkelijke schaamte, in schrijnend schuldbesef, ook in kerkelijk schuldbesef door de groote schuld van de Kerk tegenover deze wereld. Juist dat Woord stelt ons als schuldige?! midden in de wereld.

Maar acht geven op het Woord, dat is óók hooren het Woord der belofte voor ons volksleven, dat is "ook: deze wereld zien in het licht van de eeuwige beloften Gods, in het licht van Gods heerlijke toekomst. En op grond van die toekomst wordt het ons toegeroepen: berust niet in de afschuwelijke gang dezer wereld, berust niet in de schandelijke lauwheid der Gemeente, maar geef acht op het Woord van Gods groote toekomst, en durf het onmogelijke verwachten. Acht geven op het Woord, — dat zal er ons praktisch dan toe brengen moeten te vergeten onze gewichtige beginselen en onze oude stokpaardjes, bereid te zijn nieuwe wegen in te slaan, als het Woord daarheen wijst. Dan zweren wij niet bij wat is overgeleverd, dan worden wij voortgedreven tot nieuwe wegen, als wij acht geven op het Woord. Ja, in de praktijk zal dat beslissend uitkomen: of wij liever hebben de traditie — of het verrassend en verontrustend profetisch woord.

Acht geven op het Woord. Dus niet: acht geven op de dienaars des Woords; die krijgen de aandacht niet I Gij doet wel, dat gij hen niet te veel aandacht geeft. Het is een zwakke tijd voor de Kerk, een tijd van verveling en ledigheid, als men aan de menschen en aan de dominees alle aandacht gaat geven, om te kritiseeren of te vereeren. Maar in een tijd van nood vraagt men de dienaars des Woords alleen: geef mij het Woord of ik sterf!

Acht geven op het Woord 1 Dat is de roeping van Gemeente en van haar leeraren. Dat bindt ons samen als Gemeente, meer dan iets anders. De Kerk is niet de gemeenschap van vrome menschen, niet de gemeenschap van menschen die eens iets nieuws tot stand willen brengen, maar de gemeenschap van allen, die acht willen geven op het profetisch woord. Wij komen in de Kerk samen uit allerlei hoek, uit allerlei richting : maar wij komen samen rondom een middelpunt. Dat bindt ons samen. Dat wijst ons den rechten weg door het leven. Dat neemt ons alles af en verontrust ons nameloos. Dat is onze eenige vastheid en ons eenig behoud. Daarom doet gij wèl, dat gij daarop alleen geloovig acht geeft — en op niets anders.

«Als op een licht, schijnende in eene duistere plaats». Duister is de plaats waar wij leven. Duisternis heerscht buiten ons en duisternis in ons, zoodat niemand onzer den werkelijken goeden weg weet. Wij dwalen voort als verdwaalden in een duister bosch, misleid en onwetend. Ons grootste gevaar blijft, dat wij den weg méénen te weten. Duister is het, niet omdat er een een kuituur ondergaat of omdat Europa sterven gaat. Maar duister is het doordat het Woord niet gehoord wordt, door ons ongeloof en onze verblinding, doordat ons verstand is verduisterd. Toch moeien wij verder, door deze duistere plaats. Hoe zullen wij er door komen? Zullen wij er door trachten te komen, door onze oogen toch te richten naar die duisternis van ons leven en van deze wereld, en er doorheen te boren met onze blik en er door te tasten met onze voet? Maar in het duistere bosch brandt een lamp, die ons wijst waar wij de voetstap hebben te zetten. Nu blijft het wel eens stikdonkere nacht rondom ons, maar wij ontvangen juist genoeg licht voor eiken stap. Uw Woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad. Ja, het profetisch Woord heeft een praktisch doel: het leidt ons op den rechten weg naar het einde, naar de toekomst. Onze weg door dit leven gaat dagelijks langs afgronden. Wat een gevaren om te vallen in de afgrond van de vertwijfeling of te verdwalen in de mist der hedendaagsche meeningen 1 Juist omdat wij midden in de duistere wereld leven, kunnen wij het niet zonder het woord van Hem, die zegt: «Ik ben het licht der wereld». Hier is het waarachtige licht dat schijnt in de duisternis. Maar wij zien van Hem alleen — Zijn Woord. En gij doet wèl dat gij daarop acht geeft als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Als men het innerlijke licht wantrouwt, en het Woord gelijk geeft, zal ons hart worden verlicht en versterkt en vertroost. Nu blijft de duisternis hier volledige duisternis. Maar wij ontvangen juist genoeg licht voor ons leven. Het woord is slechts een lamp, nog niet een volkomen verlichting. Het is er slechts om ons te leiden en te redden, nog niet om ons volkomen te verlichten.

«Totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uwe harten.» Totdat, totdat de schaduwen zullen vlieden, en de schemer zal voorbijgaan, en Christus de blinkende Morgenster zal verschijnen, en de Dag zal beginnen, de groote, eeuwige Dag van Christus. Dan zullen wij Hem zien van aangezicht tot aangezicht, en wij zullen Hem zien gelijk Hij is, en aldaar zal geen nacht zijn want de heerlijkheid Gods heeft die stad verlicht, en het Lam is haar kaars, Christus, de «Zon der gerechtigheid.» Naar dien grooten, zaligen Dag wijst

Naar dien grooten, zaligen Dag wijst het profetisch woord. De komst van dien Dag is het ééne, groote doel van het woord der profeten. Als die Dag komt, is de lamp niet meer noodig, want het eeuwig Licht verlicht onze harten. Nu wachten wij hier vol heimwee op dat «totdat». Tot het aanbreken van dien Dag kunnen wij niet zonder de lamp, zullen wij acht geven op het profetisch woord, het woord der verwachting en het woord van het heimwee.

Is het wel waar? Is Christus waarlijk opgestaan, is Hij wel waarlijk de Heer der heerlijkheid, heeft Hij waarlijk alle macht ? Die vraag is de nood van ons leven. Er is maar één antwoord : naar het Woord i In onze vertwijfeling en onze aanvechting en hopeloosheid, — naar het Woord der belofte vaii den grooten Dag van Christus, het Woord dat zeer vast is. Zooals de lamp wijst naar den vollen dag, zoo wijst het Woord naar den grooten Dag van Christus. Op dat Woord zullen wij in onzen nood acht geven. De eigenlijke roeping der Kerk is: acht te geven op dat profetisch woord, dat ons belooft de wederkomst des Heeren, en daardoor te zijn een stad boven op een berg, een stad vol verwachting.

Zoo zullen wij dan bidden, dat dit woord ons telkens opnieuw mag geopend worden. Het zal er voor leeraar en gemeente om gaan, dat wij telkens willen komen tot een nieuwe ootmoed, een nieuw deemoedig vragen naar dat woord. Wij zullen gedurig hebben te bidden met den 1193 Psalm : behoud mij, bewaar mij, leid mij door Uw Woord. En als wij er nu maar acht op geven, gemeente en leeraren, jongeren en ouderen, en niet eigenwijs willen zijn. Dan zullen nog de wonderen geschieden, dan zullen de verrassingen niet uitblijven. Zoo laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden, want Die het beloofd heeft is getrouw. «Ontdek mijne oogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet», «Ondersteun mij naar Uw toezegging opdat ik leef: laat mij niet beschaamd worden over mijn hoop».

*) Intreerede, gehouden door Ds. H. C. Touw op 31 Maart te Leiden, op verzoek van verschillenden hier geplaatst.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1940

Kerkblaadje | 4 Pagina's

Het profetisch Woord.*)

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1940

Kerkblaadje | 4 Pagina's