Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een feestboeket

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een feestboeket

21 minuten leestijd

Wanneer wij ons komende maand d.v. naar Ommen begeven, om daar dominee en mevrouw Van Heyst de vriendenhand te reiken in verband met de bijzondere dagen, die zij beleven, wat zal ik dan tot hen zeggen. Hoe kan ik mijn gevoelens tegenover hen het best vertolken?

Ik meende niet beter te kunnen doen, dan het alom aangeprezen en beproefde middel te baat te nemen: Zeg het met bloemen! Echter op de^ebijzondere wijze wil ik dat doen, dat ik hen een boeket aanreik van bloemen, geplukt in de wijde hof van de literatuur over het ambt. Ze zijn overal vandaan vergaard: uit vroeger eeuwen uit andere landen, uit de historie, uit de dogmatiek en uit de letterkunde. Ze hebben ook heel verschillende kleur: sommige zijn uitdagend, andere troostrijk; er zijn erbij die beschamen of bemoedigen, die spreken van zegen of teleurstelling. Maar in die veelkleurigheid zijn zij een weerspiegeling van de hoogten en diepten, die elke ambtsdrager uit ervaring kent, en waarin zeker ook de Ommense pastor en zijn vrouw veel uit eigen leven herkennen zullen. In het algemeen is het al waar, dat er geen gedenken is, waarbij niet de lach en de traan^ de dankbaarheid en de verzuchting, de lofzang en de deemoed in elkaar overgaan. Hoeveel te meer is dat het geval bij het „wondere ambt"! Zou het misschien om die reden zijn, dat Luther in zijn zegel kruis en roos verenigd heeft?

De eerste bloem is geplukt uit de tuin van Luther's uitleg van de Bergrede (1532): „Uit Mattheüs 5 : 1 leren wij, dat het drie dingen zijn, die bij een goed prediker behoren: ten eerste, dat hij flink optreedt; ten tweede, dat hij zijn mond opendoet en iets heeft te zeggen; ten derde dat hij ook tijdig weet op te houden.

Optreden wil zeggen, dat hij zich aanmeldt als een leraar die daartoe geroepen is en die niet uit zichzelf komt, zodat hij zeggen kan: ik kom niet aanzetten uit eigen voornemen en goeddunken, doch moet het doen van ambtswege. Dat is vooral gezegd tegen hen, die ons tot op vandaag zoveel moeite en kwelling aandoen; die revolutionairen en dwepers, die de mensen vergiftigen en de gezinnen besmetten Het predikambt moet openlijk voor de dag komen en voor niemand bang zijn. Het moet nicl in een hoek, maar boven op de berg en vrij in het openbaar zich doen horen.

Ook moet hij zijn mond opendoen. Ja, laat hij gerust zijn mond flink opendoen, dat wil zeggen, de waarheid en wat hem bevolen is niet verzwijgen of maar wat mompelen, doch onbeschroomd en onverschrokken er voor uitkomen, het onomwonden zeggen, zonder aanzien en zonder iemand te sparen. Want dat belemmert een prediker hogelijk, als hij er op uit is of er zich om gaat bekommeren, wat de mensen graag horen, of wat hem kritiek, nadeel of gevaar zou kunnen berokkenen. Hij moet dus vrijuit spreken en niemand vrezen, geen blad voor zijn mond nemen, noch letten op geld, rijkdom. eer, smaad, armoede of schade. Want het predikambt is niet ingesteld tot het verwerven van geld, goed, eer, vriendschap of eigen baat, doch opdat de waarheid vrij en open aan de dag zou treden, het .boze bestraft worde, en uitgespro-V-en worde wat tot nut, heil en zaligheid van ie ziel behoort. Kortom, het geeft geen lijdelijke goederen, maar het wil leren, hoe wij zullen komen tot dat andere leven.

Als het nu gaat om dat andere leven waarnaar vvij moeten trachten en om de wille waarvan wij voor dit tegenwoordige leven niet zó moeten zorgen als zouden wij eeuwig hier blijven, dan kan strijd niet uitblijven, omdat de wereld dat niet verdragen wil. Heeft nu een prediker /jjn lichaam en aardse bestaan liever, dan durft lij die strijd niet aan; hij staat dan wel op de preekstoel te snateren, maar hij predikt de waarheid niet. Hij doet zijn mond nooit eens flink open, en waar er moeilijkheden dreigen, laar zwijgt hij en bijt de vos niet.

Maar behalve optreden en zijn mond flink jpendoen, moet een goede prediker ook van oplouden weten en de maat in acht nemen".

Ook bij Calvijn en in de calvinistische traditie s steeds grote aandacht gegeven aan het prelikambt. Hoe zou het ook anders kunnen, waar Ie Geneefse hervormer de preekstoel de troon van Christus noemde, en hij zelf vanaf de kan- >el de ziel van een geheel volk gekneed heeft.

Aan de oorsprong van het ambt ligt (volgens Calvijn) de roeping. De prediker kiest niet zich- '.elf uit, maar hij ontvangt willens of onwillens 3en last. Wij weten dat de prediker van Geneve weemaal geroepen is en dat hij die roeping weemaal tegen eigen wil heeft aangenomen; de eerste keer verschrikt door de scherpe beuigingen van Farel, de tweede keer door een innerlijke onrust en vrees, die hem. in tranen deden uitbarsten.

Hij stond dan ook op de kansel niet in eigen laam, maar in de naam van God, wiens dienstknecht hij zich wist. Deze last van Godswege opnemende wettigt dan ook allerminst hoogmoed of zelfbehagen. De prediker blijft volgens Calvijn een broos vat, een gebroken aarden pot, zonder enige waarde of waardigheid in zichzelf. De prediker moet liever laag op de grond kruipen dan zulk een last te begeren. En om werkelijk leraar te kunnen zijn, moet hij zelf allereerst leerling zijn. „Laten de predikers", roept hij uit, „niets uit zichzelf beproeven of bedenken; laten zij al wat zij verkondigen, voorstellen als van God komende. Maar als dat inderdaad zo is, dan moeten zij Gods majesteit ook handhaven, en ervoor zorgen, dat de leer in alle vreze ontvangen wordt, en men er zich in eigenwijsheid niet tegen inzette". En elders: ,,Laten zij de bergen berispen, en zich verzetten tegen de heuvelen, dat wil zeggen, laten zij niel door de mensen geïmponeerd worden, maar laten zij tonen, dat het woord, dat zij dragen, de koninklijke scepter is, waaronder alle schepselen (de prediker incluis) het hoofd buigen en knielen".

Tussen Calvijn in Geneve èn het Nederlandse volk is Marnix van St. Aldegonde de belangrijkste tussenpersoon geweest. Aan hem heeft daarom het Calvinisme in Nederland een eigen levensstijl te danken. Men denke slechts aan de rol, die hij gespeeld heeft bij de oprichting van de Leidse universiteit, aan zijn psalm-berijming, aan zijn bijbelvertaling. Maar ook is hij het geweest, die hier de opvatting van Calvijn over het predikambt met nadruk gesteld heeft tegenover de leer van de dwepers en wederdopers.

Kenmerkend voor die enthousiaste groeperingen was de nadruk, die zij legden op de „waarachtigheid" en „geloofwaardigheid" van de prediker. Zij waren van oordeel, dat de waarachtigheid en eerlijke bedoeling van de prediker belangrijker waren dan de waarheid, die hij bracht. Zij stelden dus de persoon boven het ambt, de subjectiviteit van de mens boven de objectiviteit van de leer. Het is een verschijnsel, dat ook in onze tijd weer allerwege is waar te nemen. Dat iemand „het goed bedoelt", en dat hij „uit overtuiging handelt" en „oprecht is", maakt hem voor velen ,.geloofwaardig". Hij heeft dan „wat te zeggen"!

Tegenover dat individualisme en subjectivisme van de geestdrijverij heeft nu Marnix van St. Aldegonde in zuiver Calvinistische geest zich te weer gesteld. In zijn Ondersoeckinge ende grondelijcke wederlegginge van deze ketterij schreef hij deze belangrijke zinnen: „Zo en verleent dan Paulus zijn leer eigenlijk

„Zo en verleent dan Paulus zijn leer eigenlijk de geloofwaardigheid niet, maar de leer maakt Paulus geloofwaardig. Waaruit overduidelijk blijkt, dat de leer de leraar geloofwaardig maakt, ende niet eigenlijk de leraar zijn leer".

Men zou Calvijn en Marnix echter geheel verkeerd verstaan, als men uit de aangehaalde woorden de slotsom maakte, dat in de prediking het subjectieve, persoonlijke element geheel ontbrak. De persoon is welisv/aar aan het ambt onderworpen, maar niet uitgebannen.

Zo zegt Calvijn ergens: ,,De plicht van een trouwe prediker is, om zelf te wenen vóór hij anderen doet wenen; om zelf innerlijk geschokt te zijn vóór hij zijn verontwaardiging uitspreekt; om in zichzelf meer droeiheid terug te houden dan hij in zijn prediking openbaart".

Het persoonlijke element moet dienstbaar zijn aan het ambt en aan de verkondiging van de waarheid Gods. De synode onder het kruis te Wezel sprak zich daarover in 1568 als volgt uit:

„Zij, de predikers zullen arbeiden, in te dringen met hunne predicatiën zoveel doenlijk is, in alle de bedekte voorhangselen en schuilhoeken van de zielen der toehoordei s, en bestraffen alle valse opinies en ketterijen en boze zeden, en niet alleen blijven staan op grove schelmstukken en blijkelijke zonden, maar ook uitschudden die verborgen geveinsdheid des harten, en daaruit voor den dag brengen, en op het bekwaamste uitroeien het seminarium (leerschool) en die modderpoel van allerhande goddeloosheid, hovaardigheid en ondankbaarheid, hetwelk zelfs in de allerbeste nog zijn voedsel en bewegingen heeft".

Een ander gevaar dat het ambt bedreigt, is de natuurlijke neiging om de ware betekenis ervan af te willen meten van de successen en resultaten, die er onmiddellijk uit voortkomen. Men noemt dat de pragmatische benadering van het ambt. Het gaat in die pragmatische beoordeling met name om de zichtbare uitwerking van de prediking op het terrein van politiek en maatschappij. AUerhand ziet men de prediking ontaarden in maatschappij-critiek en in de politieke aktualiteit. Geen moderne prediker kan aanspraak maken op erkenning en waardering van zijn ambtswerk, als hij zijn stem niet laat horen ten aanzien van brandende kwesties als kernbewaijening, racisme en progressieve politiek. Het is daarom goed in dit verband te luiste

Het is daarom goed in dit verband te luisteren naar de stem van de anglicaanse historicus H. Butterfield uit Cambridge. In zijn boek The christian in history schreef hij als volgt:

De meeste geschiedkundigen hebben de neiging om alleen aandacht te geven aan de politiek-sociale geschiedenis, en om het meer innerlijke, het innerlijk-geestelijk leven geheel over het hoofd te zien. Wanneer de geschiedschrijver bij voorbeeld bij het jaar 1800 komt, zal hij er niet aan denken om er zijn lezers op te wijzen, dat ook in dat jaar, evenals in zovele voorafgaande jaren, duizenden predikanten week in week uit het Evangelie verkondigden, de landbouwer en winkelier wezen op naastenliefde en nederigheid, hen ertoe brachten om na te denken over de diepste levensvragen, en om hun zonden voor God te belijden. En toch waren dat wezenlijke dingen om de kwaliteit van het leven te veranderen en zelfs de gang der geschiedenis te beïnvloeden; en dit is eeuwenlang ook het werk van de kerk geweest. Zelfs onder de slechtste omstandigheden was dit een licht, dat bleef branden. Het is onmogelijk om de grote invloed te meten, die deze gewone ambtelijke trouw en vroomheid gehad heeft op de Europese geschiedenis van de laatste tweeduizend jaar; maar we kunnen er een flauw vermoeden van krijgen, indien de tegenwoordige wereld zijn huidige koers in de richting van het heidendom voortzet".

Het eigenlijke van het ambt is, dat het orgaan van het Lichaam van Christus is. Zó alleen waarborgt het ambt de werking van Woord en Geest.

Daarom heeft het zijn inhoud uit de profe-tische, priesterlijke, koninklijke zalving van Christus, en zijn karakter uit de belijdenis der vaderen. Op al deze gronden is het ambt niet zwevend, niet onbelijnd, niet subjectief, maar het rust op vaste grondslagen en heeft sterke normen. Het bezit een traditie van eeuwen, zodat iedere ambtsdrager geworteld is in de bodem der historie.

De nadruk, die onze tijd legt op het eigene, persoonlijke, hedendaagse en aktuele, is daarom een bedreiging van de ware ambtsbediening. Men vergete niet, dat het bijbels is om te zeggen, dat de persoon met het ambt wordt „bekleed". De persoon heeft niet over het ambt te heersen, maar het ambt over de persoon.

Iemand, die dat in de loop van zijn ambtswerk hoe langer hoe meer is gaan beseffen, en het gemis daarvan steeds sterker als een groot kwaad in de Kerk is gaan zien, is Prof. J. H. Gunning. In zijn boekje Rekenschap uit 1898 schreef hij: ,,Onmiddellijke betrekking der enkele ziel tot den Heiland is niet genoeg voor het ambt; er moet ook een onmiddellijke betrekking tot het gehele Lichaam van Christus zijn. Het geloof van de dienaar mag niet individualistisch zijn, maar staat in levende verhouding tot de gemeente als 's Heren Bruid. Het gemis daarvan is door het persoonlijkste geloof en de vurigste welsprekendheid niet te vergoeden Daarom is het een kwalijke zaak, dat het onzp Voorgangers zozeer ontbreekt aan historisch besef en aan eenheidsbesef met de Kerk der eeuwen. Als dat ontbreekt, ontbreekt het hun woord en optreden ook aan het gezag, dat kenmerkend is voor het ambt. Ook de inhoud var hun prediking moet daaronder lijden en kan ze geen ,,vaste spijze" meer zijn. Zij wordt tot vro me „stichtelijkheid".

Na deze woorden over het bovenpersoonlijkt karakter van het ambt, komt Gunning tot deze weemoedige bekentenis:

,,Ja, ik heb (in de Kerk) geleden; in deze Rekenschap moet ik het uitspreken. Het voegl niet, de worstelingen der binnenkamer in hel openbaar te beschrijven: maar laat mij sobei zeggen, dat ik persoonlijk voor mijzelve, ah zwak en zondig mens, begonnen ben den steur ener Kerk die mij droeg, van een Gezag dat var. 's Heren wege boven mij stond, smartelijk te missen. Ik heb den groten Calvijn gedankt ai'- ik in het 4e deel zijner Institutie las dat „de deelneming aan de Kerk zoveel vermag, da zij ons in Gods gemeenschap houdt", of als hi.i bij Efeze 4 vers 11 aantekent: „Wij zien hot God, die de zijnen in één ogenblik zou kunner volmaken, hen niet tot mannelijke volwassen heid wil doen opgroeien dan door de opvoeding der Kerk". Ik heb daarna bevonden dat her stel der Kerk niet slechts als hulpmiddel tegei' mijne en veler zwakheid, maar allereerst om de ere des Heren moet worden gezocht, ook voo' de opleiding der aanstaande Voorgangers. En eindelijk heb ik uit Schrift en historie geleerd, dat de Kerk, het Lichaam van Christus, even als elk ander lichaam niet in één afzonderlijk deel kan genezen tenzij het gehele lichaam naar 's Heren ordening worde hersteld".

Wij hebben er in het voorafgaande op gewe- '.en, dat het persoonlijke en subjectieve weliswaar aan het ambt is onderworpen, maar daar- )m niet uitgebannen. Tot dat persoonlijke en individuele hoort ook de lichamelijkheid, het aardse bestaan van de predikant. Zulke dingen ^laan met de karakteraanleg en de aangeboren begaafdheden in dienst van het ambt. Vinet aeeft er daarom in een studie over Pascal eens ip gewezen, dat een al te grote begaafdheid (.zoals bij Pascal!) een gevaar voor het ambt van zijn. Een uitzonderlijke intelligentie, geesigheid en welsprekendheid voeren makkelijker -n sneller tot heerschappij over de ambtsgeioorzaamheid en nederigheid dan slechts gerin- ,e begaafdheid. Ook hier geldt, dat de „rijken" .1 velerlei verzoekingen vallen! Daarom moet nen de ambtsdrager prijzen, die zoveel zellkenlis heeft, dat hij weet waar in zijn karakter en .anleg de invalspoorten voor hoogmoed en zelfucht liggen.

Hetzelfde nu geldt voor de gezondheid en viale kracht. Ook die kunnen in de ambtsbedieung een zegen èn een gevaar zijn. De apostel '^aulus wist ervan en had langs een moeilijke >veg geleerd, dat Gods kracht vaak in menseijke zwakheid volbracht wordt. Een wankele n bedreigde gezondheid hoeft geen,schade te berokkenen aan het ambtswerk. Vergeten wij liet, dat niet alleen Paulus een wankele ge- 'ondheid had, maar ook de kerkvader Augusti- 'lus. Zijn leven lang is hij geremd door een chroiisch gevoel van zwakte. In het prachtige boek .an Prof. Van der Meer o/er Augustinus als aelszorger worden wij er over ingelicht:

„Augustinus had een hekel aan reizen. Hij von noch tegen de zee noch tegen winterkou- Ie. Op zijn oudere dag sprak hij in zijn brieven wer zijn „alom bekende zwakheid". Ook weten wij, dat hij in zijn jeugd telkens overspannen •vas en eenmaal ernstig ziek. Als reden voor /-ijn vertrek uit Milaan gaf hij op zijn kortademigheid en beklemde borst, elders zijn maagpijn. Ook weten wij van een heftige koortsaanval en van een infectie-ziekte".

Behalve de voortdurende zorg van Augustinus voor zijn gezondheid, is er nog iets anders in het leven van deze begenadigde zielszorger, dat iedere ambtsdrager tot troost en bemoediging kan zijn. Ik bedoel de wijze, waarop hij zonder ophouden de lasten van de hem toevertrouwde gemeente heeft gedragen. En welke beslommeringen dat met zich mee kan brengen, daarvan weet iedere pastorie-bewoner mee te praten. Ook hierover halen we enkele regels aan uit het genoemde Augustinusboek van Prof. Van der Meer:

„Hij kende zijn mensen door persoonlijk contact. Hij maakte ernst met het woord van Ambrosius: „Het eerste van alles is: ken de u toevertrouwde gemeente des Heren!" Zonder uitstel ging hij naar de zieken, die hem lieten roepen om met hen te bidden en hun de handen op te leggen. Ook kwam hij geregeld bij weduwen en wezen. Tallozen kwamen ook uit zichzelf naar de pastorie. Ondanks zijn hartgrondige afkeer van onbeduidende beslommeringen liet hij zich toch door ieder bestormen en lastigvallen. Zaten de mensen ergens over in, dadelijk renden zij naar de pastorie. Zij kwamen met hun twijfels, hun ruzies, hun leed, hun gezinsmoeilijkheden. Zij kwamen om troost, om raad, soms alleen om te klagen, hun hart uit te storten, hun toorn te luchten. En de pastor benutte de gelegenheid om de brutalen te beschamen, de ontspoorden in het geweten aan te spreken, veten uit te doven, herstel van verhoudingen te bewerken".

Zijn dat niet de eeuwen door de oerervaringen van alle pastoriebewoners geweest? En is het geen zegen voor kerk, volk en land als het ambt nog zó functioneert?

En dan kende Augustinus in zijn ambt en pastorie nog niet eens de grote verrijking, die de intrede van de predikantsvrouw in het gemeente-leven heeft betekend! Alleen daarom is er al reden om Luther altijd dankbaar te blijven. Want hij is het geweest, die voor haar de pastoriedeur ontsloten heeft. En het was Katharina von Bora, die door haar huwelijk met Luther voor eeuwen het lichtend voorbeeld is geweest van al die zorgzame, nijvere, spaarzame pastorie-bewoonsters, waaraan het lutherse en calvinistische protestantisme zo onzegbaar veel te danken heeft. In een Luther-boek lezen wij dit over haar:

,,Katharina von Bora, stammend uit een oud adelijk Saksisch geslacht, was met enkele vriendinnen onder Luther's goedkeuring weggevlucht uit een klooster. Met echt vrouwelijke beslistheid heeft zij Luther's voornemen om te trouwen, ondersteund. Zij is voor hern een ideale levensgezellin geweest. Het huwelijk werd gekenmerkt door die verbinding van genegenheid, nuchterheid, praktisch inzicht en trouw, die altijd de beste garanties zijn voor een duurzame verbintenis. Katharina heeft het groeiend gezin met zijn permanente gasten met vaste hand geleid. Dat zij zuinig was van aard, kwam goed van pas, gezien Luther's grenzeloze gulheid. Dat zij tevens een waardevolle gezellin was in het geestelijk leven van haar echtgenoot, wordt bewezen door talloze dankbare opmerkingen, die Luther over zijn vrouw maakt in brief en gesprek. Menigmaal heeft zij met haar geloof hem in zijn aanvechtingen getroost en vermaand!"

Veel aspecten van het wondere ambt zijn in de voorafgaande regels al aan de orde gekomen. Eén belangrijk element nog niet, namelijk de verhouding van predikant en kerkeraad. Hoeveel mogelijkheden van steun, bemoediging en onderricht, maar óók van afbrekende kritiek, liefdeloosheid en tegenwerking zijn hier niet aanwezig! Geen predikant, die er uit ervaring niet over meespreken kan.

Wat mij persoonlijk betreft, mijn rijkste herinneringen liggen hier aan de kerkeraad van de Friese gemeente Koudum. Er waren daar ouderlingen die meer voor me betekend hebben dan mijn hoogleraren; diakenen met wie ik tot op vandaag een vriendschapsband heb.

Het zal wel door dergelijke dierbare herinneringen zijn, dat ik jarenlang een verhaal in mijn bureaula heb bewaard, geschreven door John Watson en handelend over de verhouding van kerkeraad en predikant in de kerk van Schotland. De titel ervan luidt: De wijsheid, die de liefde leert. Hier volgt er een samenvatting van met toevoeging van een citaat van de meest karakteristieke uitspraken:

Het gaat over de predikant van de gemeente te Drumtochty. Hij heeft een preek gehouden over een rijke, maar moeilijke tekst. Veel aandacht had hij gegeven aan de voorbereiding, maar toch was het niet geworden wat hij graag gewild had. Na het uitspreken van de preek had hij zich dan ook erg hulpeloos en onmachtig gevoeld. Welke predikant zijn dergelijke ervaringen onbekend? En nu volgt de tekst van het verhaal:

„Langzaam ging ds. John Carmichael de kerk uit, als een verslagen man. Langer dan anders toefde hij in de consistoriekamer, uit vrees zich buiten onder de kerkgangers te bewegen. Iemand klopte aan de deur. Het was de ouderling, wien de gemeente van al de kerkeraadsleden de hoogste achting toedroeg. Als bij instinct vermoedde de predikant, waarvoor hij kwam en wat hij wilde zeggen. Hij verwelkomde de ouderling zo goed hem dit mogelijk was, en nodigde hem uit te zeggen, wat hij op zijn hart had.

„Ik ben door de kerkeraad gezonden met een boodschap, dominee. Niet omdat ik beter ben dan de andere broeders maar alleen omdat ik wat ouder ben". En toen na enige tijd stilte ging de ouderling voort: „Als de dienst is afgelopen, willen de kerkeraadsleden nog wel eens onder de grote beukeboom met elkaar napraten over de preek. U moet niet denken, dat ze dat doen om de dominee of zijn preek te beoordelen en te wegen. O neen, veeleer verzamelen wij het brood, dat wij die morgen 24 mochten ontvangen, opdat wij ervan mogen eten gedurende de dagen van de week en kracht hebben om onze weg voort te zetten.

„Deze morgen", sprak hij na weer een korte pauze, „ontdekten wij dat eenzelfde zaak onze harten bewoog. Wij beseften, dat wij niet bij elkaar waren als kerkeraad, en het is dan ook niet om zakelijke dingen, dat ik bij u kom. Wij spraken met elkaar als ouderlingen der kudde en nu ben ik gekomen als een vriend in alle nederigheid. Een jaar omstreeks is het geleden, sinds ge uw ambt onder ons aanvaardde. Daarmee hebt ge een zware last op u genomen, want er is geen last zo zwaar als de last der zielen De gemeente ziet en weet, hoe u woekert met de talenten, die God u gegeven heeft. Maar ge zijt nog jong, en de dienst des Woords is heei moeilijk".

De predikant vroeg de ouderling vrijmoedig uit te spreken, wat hij op zijn hart had. En hij vervolgde: „De ouderlingen hebben overwogen dat het nu de geschikte tijd is, om u eens U zeggen, dat wij allen vol dank zijn aan God dat Hij u als onze predikant gezonden heeft Wij verbazen ons over de schatten van waarheid en genade, die gij ons iedere zondag wee brengt. We worden gevoed, niet met ledige woorden, maar met het beste der tarwe. Zelfs de kinderen krijgen erbij hun deel. Wanneei het u nu eens toeschijnt, dat een gedeelte var de preek ons niet duidelijk is geworden, dai zouden wij het als een grote vriendelijkheid zien als gij die waarheid nog maar eens herhalei wilt. En indien enkele ogenblikken van naden ken u daarbij helpen kunnen, zullen we graa; in die tijd een psalm zingen. Bovendien vragei wij u, of gij u vooral wilt herinneren dat, even als 's morgens de rook opstijgt uit de huizen i' Drumtochty, zo ook op de zondagmorgen hui gebeden opstijgen voor hun predikant".

Het was vooral dank zij dat gesprek op öu zondag, dat ds. John Carmichael jarenlang me blijmoedigheid en trouw zijn ambtswerk in he midden van die afgelegen gemeente in d Schotse hoo^anden heeft mogen en kunne' voortzetten".

Uit deze keurgarve van citaten is — hoop iK — de betekenis van het wondere ambt no' weer eens nieuw in het licht komen te staan De direkte aanleiding om dit boeket te verzamelen, is de 40-jarige ambtsbediening van d' Van Heyst. Maar over zijn hoofd heen richt i - mij ook tot zijn vrouw, tot de Ommense kerke raad en gemeente, en zelfs tot alle predikanter. predikantsvrouwen en gemeenten.

Wij zagen: het wezen van het ambt is de roeping. Maar daarnaast zijn er niet weinig factoren, die horen tot het welwezen van het ambt. En juist op die bijkomende factoren wordt vaak te weinig gelet! ^_ AALDERS

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1978

Kerkblaadje | 16 Pagina's

Een feestboeket

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1978

Kerkblaadje | 16 Pagina's