Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het net scheurde niet*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het net scheurde niet*

I

19 minuten leestijd

Wat ik in dit referaat naar voren wil brengen, is niet zozeer een theologische beschouwing, als wel een stuk levenservaring^ dat voor mijn geloof, voor mijn Schriftbeschouwing en voor mijn theologie van ingrijpende betekenis is geweest; ja, die gestemipeld heeft. Die levenservaring kan ik met het oog op de titel van mijn referaat het best aanduiden als: het scheuren van de netten. Maar misschien zal het u duidelijker worden wat ik bedoel, als ik spreek van: het breken van heilige levensver-banden. Daar ligt iets van het catastrofale in. Als 16-jarige jongen heb ik zó de breuk van mijn vader, die predikant was, met de Gereformeerde Kerken ervaren. Het net scheurde; en daarmee een stuk veiligheid en geborgenheid.

Een soortgelijke ervaring was het, toen in mei 1940 op de Pinksterdagen mijn vrouw en ik vanuit onze Koudumse pastorie de Duitse troepen door het dorp zagen trekken, en wij door de radio hoorden, dat koningin WiUielmina naar Engeland gevlucht was en het Nederlandse leger gecapituleerd had. Het net was gescheurd. De rechtsstaat was weggevallen. Een heilig levensverband was gebroken.

Nog een derde ervaring wil ik noemen^ al kan ik die niet zo nauwkeurig dateren als de twee vorige. Dat hangt waarschijnlijk samen met het feit, dat het hierbij ging om een ingrijpende mentaliteitsverandering, om een breuk met de christelijke traditie, waarvan de catastrofale gevolgen eerst geleidelijk zichtbaar werden. Als eerste duidelijke symptoom ervan noem ik de verschijning van het boekje van de Engelse bisschop John A. T. Robinson: Honest to God in 1962, dat een geweldige oplage heeft gekregen, ook in de Nederlandse vertaling, en waarin op zeer radikale wijze opruiming werd gehouden met een ontzaggelijk stuk christelijke traditie, die als ballast werd ervaren. Voor hoevelen betekende dit boekje niet een bevrijding! Zij lazen erin, wat zij altijd al op het Christendom tegen hadden, maar nooit onder woorden hadden kunnen brengen. Dat een Anglicaanse bisschop hen hierin nu voorging, was voor hen een officiële erkenning en bevestiging van hun gelijk. Dat dit boekje door de Kerk niet weersproken en veroordeeld werd, was voor hen het bewijs^ dat wat erin geschreven was, de waarheid was.

Ook dit was voor mij de ervaring van een net, dat scheurde. Van nu voortaan is er geen christelijke traditie meer, die als vaste en gemeenschappelijke levensgrond voorondersteld kan worden. Het Christendom als deposito van Europa en de Westerse landen is weggevallen. Wat overgebleven is, zijn slechts scherven. Een heilig levensverband is gebroken.

Ik zei, dat deze catastrofale levenservaringen voor mijn geloof, voor mijn Schriftbeschouwing en voor mijn theologie van ingrijpende betekenis zijn geweest. Een theoloog en een theologie, waarin dergelijke levenservaringen niet zijn verdisconteerd, waren daarom voor mij onbelangrijk en zonder zeggingskracht. Zij missen de aansluiting op de levende werkelijkheid, op de geloofsvragen van deze tijd.

Daartegenover zijn het ook deze levenservaringen, die mij andere predikers en theologen, in wier geschriften dergelijke ervaringen wel zijn opgenomen en verwerkt, steeds belangrijker en dierbaarder hebben gemaakt, in hun prediking en theologie vind ik immers niet alleen de direkte aansluiting op de levende vragen van deze tijd, maar óók het antwoord. Daarom is hun vertolking van het Evangelie niet alleen ontdekkend, bemoedigend en troostrijk, maar ook wegwijzend. Uit hun werken te putten is zowel balsem als medicijn.

Nu moet u op grond van deze uitspraak niet denken, dat wij, wat de verwerking van dergelijke levenservaringen betreft, zouden zijn aangewezen op de predikers en theologen van deze tijd. Want waarlijk, dan zag het er slecht voor ons uit!

Neen^ het zijn eigenlijk alleen maar predikers en theologen van vroeger eeuwen, op wie wij ten aanzien van onze tijdsvragen een beroep kunnen doen. Want bij velen van hen doen wij de ontdekking, dat de catastrofale ervaring van gescheurde netten en gebroken levensverbanden niet louter een ervaring is van onze eeuw, maar dat zij ook in vroeger eeuwen bekend is geweest. Zo bij Kohlbrugge, bij Luther en bij Augustinus.

Wat de eerste, ons meest nabije prediker betreft, — Hermann Friedrich Kohlbrugge geeft er in zijn preken over Johannes 21 (Jezus bij de zee van Tiberias), die door Ds. Van Heyst zijn vertaald en uitgegeven, blijk van, de ervaring van het gescheurde net te kennen. Althans de grote zorg en angst^ dat het zal gebeuren. Ik citeer uit de vierde preek:

„Het net betekent immers het Woord des Heren en alle door het Woord geheiligde middelen, heel de wijze waarop de Here regeerc en te werk gaat om van God afgekomen mensen in hun zonden op te rapen en hen onder de heerschappij van Zijn genade te brengen; heel de wijze, waarop Hij hen onder de heerschappij van Zijn genade houdt en overbrengt op de vaste grond van Zijn opstanding en overwinning. Wanneer wij hierop acht geven, dan kunnen wij dit slechts met aanbidding en verwondering gadeslaan, dat al de eeuwen door het net niet gescheurd is. En toch wordt het ons wel eens bang te moede, dat het net uiteindelijk toch nog scheuren zal, en blijft het dus de vurigste bede, dat de Here dit genadig wil verhoeden.

Wat wij met onze ogen zien en met ons verstand omvatten kunnen^ is dit: Het hangt alles van het net af. Scheurt het net, dan zijn de vissen, die de Here gegeven heeft, voor ons verloren. Zal het scheuren? — De hel zegt: Ja, het zal scheuren, het kan niet houden! En reeds bij voorbaat vol leedvermaak wacht zij er slechts op, dat de Here, dat Zijn discipelen de vangst ontgaat.

Het zal scheuren, het kan niet houden!, zo prof eteren mannen Belials het de wereld in; en als het .van hen afhing^ dan zou het ook scheuren. —• En het hart van hem, die Gods Woord liefheeft, klopt onrustig; het is hem angstig en bang te moede, terwijl hij ziet, hoe het net wordt opgetrokken, en hij zucht: Ach, als het maar houdt, als het maar niet scheurt!

Ja, het is waar: de vissen zijn in het net. De Here heeft wonderen gedaan. Grote en vele dingen hebben wij gezien; maar als nu uiteindelijk het net scheurt, wat dan?" (blz. 44, 45). Kohlbrugge stond tezeer midden in het leven, hij kende tezeer de stormen van zijn tijd, hij had ook te veel littekenen opgelopen in de kerkelijke strijd, dan dat hij niet zou beseffen hoe bedreigd de christenheid was in kerk en wereld. Daarom zijn zorg en angst, dat het net scheurde.

Ik kom nu tot Luther. Het geschrift, waarin mijns inziens het duidelijkst tot uitdrukking is gekomen, dat ook hij de catastrofale ervaring kende van het gescheurde net, van de breuk van heilige levensverbanden, is zijn: Heerpredigt wider den Turken, dat hij uitgegeven heeft naar aanleiding van het bericht, dat de Turken de stad Weenen belegerden (1529). Daarnaast moet ook genoemd worden wat hij in 1528 en in 1541 over het Turkse gevaar geschreven heeft.

Ik citeer nu enkele passage's uit die geschriften:

„Wat kan er goed zijn in het Turkse bestel, als daarin weggevallen zijn de ware godsdienst, de ware overheid en het ware gezin? Als wij er niet tegen opkunnen, dan moeten wij ons laten raden en helpen door de wederkomst van Christus, die toch niet ver kan zijn. Want de wereld is aan het einde gekomen, het Roomse Rijk is vergaan en uiteengevallen Wij moeten het laten gaan en ons onder de duivel bukken Want waar wij ook terecht komen, de duivel zal onze waard zijn, hetzij bij de paus, hetzij bij de Turken Het vat is gebroken en de soep weggelopen; wij moeten de scherven er maar achteraan gooien, en voor zover mogelijk goedsmoeds zijn " (Münchener Ausgabe, Erganzungsreihe III, S. 424, 442, 443, 484, 485).

Dan richten wij onze aandacht op Augustinus. Als van iemand gezegd kan worden, dat hij de catastrofale ervaring kende van de breuk van heilige levensverbanden, dan van hem. De verovering en plundering van het eeuwige Rome door Alarik en de West-Goten in het jaar 410 heeft zijn leven goeddeels gestempeld. Het voortdurend verder oprukken van de barbaarse horden in de Donau-landen en in Gallië, tot zij omstreeks 400 de Alpen overtrokken en Italië binnenvielen, had allang de angst voor zulk een catastrofe wakker gemaakt. En toen Rome was gevallen, werd dat door een ieder beleefd als de ondergang van Kerk en Staat (Verg. H. F. von Campenhausen, Tradition und Lehen, artikel: Augustin und der Fall von Rom, S. 253-271).

De weerslag ervan komen wij tegen in: De civitate Dei, het boek waaraan Augustinus zijn halve leven gewerkt heeft en waarin hij een antwoord heeft pogen te geven op de bange vraag, of de ondergang van Rome het leven niet zinloos had gemaakt. Met de psalmist verzucht hij: „Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht, daar men de ganse dag tot mij zegt: Waar is uw God?" (De civüate Dei I, 29).

II

Ik noemde Kohlbrugge, Luther en Augustinus geloofsgetuigen en predikers, die alle drie de catastrofale ervaring hebben gekend van het gescheurde net, van de afbraak van heilige levensverbanden.

Toch moet u dat niet zó verstaan, dat deze drie predikers en theologen zo belangrijk zijn alléén door het feit, dat dergelijke ervaringen hun niet vreemd zijn. Neen, hun betekenis ligt daarin, dat zij zulke ervaringen hebben gekend, en tegelijk in hun prediking en theologie hebben opgenomen en verwerkt. Immers^ dankzij dat laatste is hun vertolking van het Evangelie ontdekkend, bemoedigend, troostend, maar vooral ook wegwijzend. Hun werken zijn voor ons niet alleen balsem, maar ook medicijn.

Het is noodzakelijk daarop nadrukkelijk te wijzen, omdat de catastrofale ervaring van het gescheurde net een zware aanvechting voor het geloof is; ja, een verzoeking! De wijze waarop Kohlbrugge erover spreekt in zijn vierde preek over Jezus bij de zee van Tiberias, maakt ons dat duidelijk: „Het wordt ons bang te moede Scheurt het net, dan zijn de vissen^ die de Here gegeven heeft, voor ons verloren. Zal het scheuren? — De hel zegt: Ja, het zal scheuren, het kan niet houden! Ook de mannen Belials profeteren het de wereld in: Het net zal scheuren, het kan niet houden! En het hart van hem, die Gods Woord liefheeft, klopt onrustig; het is hem angstig en bang te moede ".

De catastrofale ervaring van het gescheurde net is een aanvechting voor het geloof. Wij heb- 136ben erin te maken met „de listige verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten" (Efez. 6 : 11, 12). Als ons daarbij niet geschonken wordt de wapenrusting des geloofs, kunnen wij aan dergelijke aanvechtingen bezwijken. De voorbeelden daarvan liggen in de geschiedenis voor het grijpen.

Zo is bekend, dat de kerkvader Hieronymus door de val en ondergang van Rome zó geschokt is geweest, dat hij „zijn eigen woorden niet meer kende"^ dat wil zeggen: zijn verstand stond stil, hij was radeloos, hij kon het niet verwerken. En ook is bekend, dat Melanchthon door al wat zich afspeelde op politiek, sociaal en kerkelijk gebied, telkens de wanhoop nabij was.

De ervaring van het gescheurde net is als aanvechting een gevaar voor het geloof. Het gaat door de zifting heen. Wij moeten die ervaring zien als de zware beproeving, waarover in het Gebed des Heren gesproken wordt: „Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de Boze". Wanneer wij dat enigermate hebben ingezien, zal het ons duidelijker geworden zijn, wat de geestelijke betekenis is van figuren als Kohlbrugge, Luther en Augustinus. Zij hebben namelijk de catastrofale ervaring van het gescheurde net niet alleen gekend, maar die als aanvechting ontmaskerd en vanuit Gods Woord door het geloof overwonnen! Daarom zijn zij voor ons zo ontdekkend, bemoedigend, troostend en vooral wegwijzend.

Om u de ervaring van het gescheurde net als aanvechting van de Boze duidelijker te maken en dichterbij te brengen, wil ik haar omschrijven met behulp van een verhaal uit de hedendaagse literatuur. Het boek, dat ik daartoe benut, is geschreven door Louise van Santen en draagt als titel: Wie valt, doet niet meer mee. Het is een uitgave van Het Wereldvenster te Baarn.

De situatie, die in dit boek getekend wordt, is die van een tijd, waarin in een snel tempo alle dingen radikaal veranderen. Daardoor ontstaat er een niemandsland tussen eergisteren en overmorgen en een onoverbrugbare kloof tussen de oudere generatie en de jongere.

De verdienste van dit boek is, dat het op zeer persoonlijke wijze beschrijft, wat het voor een mens inhoudt als hij terechtkomt in dat niemandsland en betrokken wordt bij dat generatieconflict. Daarom kan men dit boek met rechteen tijdspiegel noemen.

De hoofdfiguur van dit boek is een 64-jarige weduwe, moeder van drie kinderen, helemaal gevormd en gestempeld door het christelijkburgerlijk levenspatroon. Zij is een trouwe echtgenote geweest voor haar man en een lieve, 'oorbeeldige moeder voor haar kinderen. Het eerste hoofdstuk begint met te vertelan, dat haar jongste dochter in verwachting is, vat haar in grote verwarring brengt, want het iieisje is niet getrouwd. Ze „hokt" (zoals dat eet) met een vriend, die veel critiek op de laatschappij heeft en onduidelijke artistieke dealen nastreeft. Zó ziet deze moeder zich opens geconfronteerd met een situatie, die ze iet verwerken kan, omdat ze merkt dat haar pvattingen van wat mag en niet mag, en haar edachten over goed en kwaad, door de jongere eneratie niet meer gedeeld worden. Die situa- 'e verbijstert haar.

In de volgende hoofdstukken van het boek szen we, hoe daarna de conflict-situatie's zich ermenigvuldigen. Telkens doet zij de ervaring p, hoe de bodem waarop zij leefde, onder haar 'egzakt en er geen vastigheden meer zijn. Haar oon onderneemt een in haar ogen onverantoord emigratie-avontuur. In het voorbeeldige ezinnetje van haar oudste dochter dringt een omosexuele figuur door. En alsof dat alles nog iet genoeg is, krijgt zij nieuwe bovenburen, bij ie de kinderen verslingerd zijn aan drums, opmuziek, waarvan zij door geluidsversterers rijkelijk haar deel krijgt. Als zij dan een jhuchtere poging onderneemt om zich terug te "ekken in een verzorgingsflat, schrikt zij bij e eerste kennismaking daar zó voor de sfeer in et huis, dat zij zich laat schrappen als aspirantewoonster. Thuis gekomen, voelt zij zich door 'dereen verraden en verlaten. De wereld van isteren is ondergegaan; de wereld van heden Il morgen verafschuwt zij.

Zo eindigt het boek met de hevige crisis, aarin de hoofdfiguur van het verhaal door al aar belevenissen is terechtgekomen. Men kan ch afvragen, of de schrijfster met dit bewoen slot min of meer heeft willen suggereren, at die crisis voerde tot zelfmoord. In ieder geal is het de lezer duidelijk, dat zij staat aan de md van de afgrond. Ik vermoed, dat velen van u er met mij van

Ik vermoed, dat velen van u er met mij van vertuigd zijn, dat de levenservaring die in dit 3ek is beschreven, de ervaring van tallozen is. Iet is de ervaring van het gescheurde net, van ' e afbraak van heilige levensverbanden. Wat oudt men over aan zekerheid en vastheid, als e bodem onder onze voeten bezwijkt? Als de igrond roept tot de afgrond en alle baren eri olven over ons heengaan? Als (om met Kohlrugge te spreken) „de hel en de mannen Be- • als ons toeroepen: het net is gescheurd; het eeft niet gehouden!"

III

Wanneer het nu onweersprekelijk is, dat wij Il deze tijd door zulke aanvechtingen en veroekingen besprongen kunnen worden, dan zulen WIJ er wijs en verstandig aan doen, ons de namen van mannen als Augustinus, Luther en Kohlbrugge in het geheugen te prenten, omdat zij dergelijke ervaringen niet alleen gekend, maar ook in het geloof doorworsteld en overwonnen hebben. Ook zij zijn door afgronden heengegaan, waarbij de baren en golven hen overspoelden. Maar de duivel en de mannen Belials hebben hen niet overmocht. De Here God heeft hen staande gehouden. En het is nu op grond daarvan, dat hun geschriften voor ons van zo grote betekenis zijn. De wijze waarop zij met het zwaard des Geestes, dat is Gods Woord, de aanvallen van de Boze hebben gepareerd, maakt hun getuigenis voor ons zo ontdekkend, vermanend, bemoedigend en wegwijzend. Daarover wil ik nu iets zeggen.

En dan begin ik weer bij hem, die ons het meest nabij en vertrouwd is, namelijk Hermann Friedrich Kohlbrugge. Ik citeer andermaal uit de vierde preek over Johannes 21 :

„Hoewel er zovele waren, scheurde nochtans het net niet. — Ik zeg, dat dit een groot woord is, net zo groot als het woord van het kruis: Het is volbracht. Ja, uit het woord van het kruis is dit woord voortgekomen en daaruit komt het nog voort Bij een vroegere wonderbare visvangst, waarvan in Lucas 5 sprake is, scheurde immers het net. Vooral Johannes is dit opgevallen O, dat wij er toch acht op gaven, dat zoveel niet scheurt, niet stuk gaat, wat volgens de natuur of vanwege het geregelde gebruik, dat wij ervan maken, allang gescheurd of stuk gegaan moest zijn! Een gemeente Gods bestaat uit grote en vele zondaars, die met hun bewegingen er slechts op uit zijn, een gat in het net te slaan, om zó weg te komen van de middelen, die er tot hun heil zijn. Het Evangelie antwoordt: Hoewel er zovele waren, — nochtans — het net scheurde niet! En er ligt in deze woorden voor Gods volk van alle tijden en alle landen een belofte, die in de 46e Psalm aldus luidt: Ofschoon de zee woedde en bruiste en door haar onstuimigheid de bergen instortten, — nochtans zal de stad Gods zich verblijden in haar fonteinen! Zó staat er in Job 26 vers 8: Hij vat het water tezamen in Zijn wolken, en de wolken scheuren daaronder niet. Zó is Zijn doen, zó zijn de wonderen van Zijn macht en genade Hij, die al deze wonderen heeft gedaan, zal het net ook wel bijeenhouden. Hij laat niet varen de werken Zijner handen

Daar het Hem nu eenmaal behaagt door dit net Zijn raad uit te voeren zal het net niet scheuren" (blz.43v.v.).

Wij hebben in een eerdere aanhaling uit deze preek van Kohlbrugge gehoord, dat hij onder het net verstaat: „het Woord des Heren en alle door het Woord geheiligde middelen, heel de wijze waarop de Here regeert en te werk gaat om van God afgekomen mensen in hun zonden op te rapen en hen onder de heerschappij van Zijn genade te brengen". Thans horen wij hem zeggen, dat het net niet scheuren zal. Hij is niet van het net afhankelijk, maar het net is van Hem afhankelijk. En Hij houdt Zich aan Zijn Woord!

Kohlbrugge zegt deze dingen in een preek. En een preek pleegt nu eenmaal niet bediscussieerd te worden. Evenwel rijst toch de vraag, hoe wij deze uitspraken moeten verstaan. De ervaring schijnt ze immers te weerspreken. Hoeveel netten zijn in onze tijd niet gescheurd!

Wij richten nu onze aandacht op Luther. Wat zegt hij ?

Uit een brief van de dagen van de Rijksdag te Augsburg in 1530, toen zijn vrienden een zware strijd te voeren hadden voor het Evangelie, haal ik een passage aan, waarin de Hervormer hen bemoedigt. Hij schrijft: „Ik heb dezer dagen twee wonderen gezien. Het eerste, toen ik uit het raam keek en de sterren aan de hemel zag en heel het schone gewelf Gods en er was nergens een pijler te bekennen, waarop de Meester dat gewelf deed steunen; toch viel de hemel niet in en staat het gewelf nog vast. Nu zijn er veel mensen, die zoeken naar pijlers, en zij zouden ze graag grijpen en tasten. Omdat hun dat niet gelukt, sidderen en beven zij, als zou de hemel instorten, alleen maar omdat zij de pijlers niet zien. Als zij ze maar grijpen konden, zou de hemel wel vaststaan! Het andere wonder: ik zag grote, zware wolken boven ons heen varen. Ze waren zó vol water, dat men ze met een grote zee zou kunnen vergelijken. Maar ik zag geen grond, waarop ze rustten, en ook geen kuip, waarin ze gevat werden. Toch vielen ze niet op ons, maar groetten ons met een zuur gezicht en vloden verder. Maar toen ze voorbij waren, kwamen de bodem en ons dak, die ze vastgehouden hadden, stralend te voorschijn: de regenboog! Die schijnbaar machteloze lichtglans had de watervracht gedragen en ons beschermd. En toch zijn er velen, die met angst en vrees naar die zware wolkenlast zien en er méér respect voor hebben dan voor die ijle, smalle, lichte regenboog. Want zij zouden wel graag de kracht van die boog willen voelen, maar omdat ze dat niet kunnen, vrezen ze, dat de wolken een eeuwige zondvloed zullen aanrichten Onze regenboog is zwak, de wolken van de vijand zijn machtig, maar tenslotte zal toch blijken, wie het sterkste is".

Eigenlijk is deze brief een bevestiging en uitwerking van de zo even aangehaalde preek van Kohlbrugge. De vraag die wij daarbij stelden, namelijk of de ervaring niet de woorden van Kohlbrugge logenstraft, vindt hier immers een antwoord. Luther zegt: Die ervaring is maar schijn; in werkelijkheid bezwijkt Gods werk en bezwijken de middelen, waarmee Hij werkt, helemaal niet! Het enige, wat waar is, is dat er tijden zijn, dat Gods werken schuil gaan achter zware en dikke wolken. Maar die wolken drijven over en dan zien wij, dat de bodem waarop wij rusten, en het dak waaronder wij schuilen, geenszins geschonden zijn. Integendeel, — zij treden stralend te voorschijn! Gods werk houdt stand. Zijn trouw is bestendig.

En nu nog enkele opmerkingen over Augustinus. In zijn voordrachten over het Evangelie van Johannes uit de jaren 416 en 417 heeft hij aan de verschijning van Christus bij de zee var Tiberias en aan de wonderbare visvangst ruime aandacht gegeven; daarbij komt ook he„ wonder van het net, dat niet scheurde, te/ sprake.

Voor Augustinus is deze geschiedenis een afbeelding van de jongste dag. De ochtendschemering, het staan van Christus aan de oeve" van het meer, het aan land slepen van het nel, wijzen daarop. Hij herinnert aan Mattheüs 1"' vers 48, waar gesproken wordt over het Ko ninkrijk der hemelen in het beeld van ee sleepnet in de zee. „Wanneer het vol is, haa" men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugde lijke werpt men weg".

Wat daarom in deze geschiedenis gezeg wordt over het net, dat niet scheurde, slaat vol gens de kerkvader op de situatie van de Ker' in de eindtijd. En daarover maakt hij verrassen de en verhelderende opmerkingen, die ons he^ pen kunnen in tijden van aanvechting, als alle., ons lijkt te ontvallen.

„Wat betekent het" — aldus Augustinus — „dat er in Johannes 21 staat: Zij konden het ne niet meer trekken vanwege de menigte dex vissen; en zij sleepten het net aan land, en hoe wel er zovele waren, scheurde het net niet Wat anders dan dat het getal dergenen, die to de opstanding ten leven behoren, eerst op d oever, dus bij de voleinding der wereld, oper baar zal worden! Zij, die aan de rechterzijd van het schip gevangen zijn, blijven veilig be sloten in het net, waarin zij op de jongste da,<' op de oever getrokken worden".

Ook voor Augustinus is het net zinnebeelc van het Woord des Heren, van de Kerk en var alle door het Woord geheiligde middelen. Ii' dat net verzamelt de Here God Zijn uitverko renen ten leven. Dat net scheurt niet! Het houd* de gelovigen omvangen. Maar, — wél is het voor Augustinus zó, dat dat net veelszins onzichtbaar en verborgen blijft, onder de waterspiegel, in de diepte. Tot volledige openbaring en zichtbaarheid komt het net nog niet. Het i.'^ ermee als staat in artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: „Deze heilige kerk wordt van (door) God bewaard, of staande gehouden tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zii somwijlen een tijd lang zeer klein en al tol niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen

IV

Zowel Augustinus, als Luther, als Kohlbrugge, hebben dus de zekerheid gehad, dat ook in ie meest duistere perioden van de geschiedenis n in tijden van de grootste aanvechting, Gods /erk stand zou houden en het net niet zou cheuren. Ondanks het woeden van de duivel en 'e overmoed van de mannen Belials zal het net iet de vissen veilig het land bereiken. Daarmee sporen zij ons aan, om in bange jden niet te deserteren. Zij zeggen hetzelfde Is eertijds Paulus: ,,Daarom, mijn geliefde roeders, weest standvastig, onwankelbaar^ te Jen tijde overvloedig in het werk des Heren, etende dat uw arbeid niet ijdel is in de Here" [ Cor. 15 : 58). En eigenlijk ook hetzelfde als de .ere Christus al tegen Petrus gezegd had: „Op eze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen en de oorten der hel zullen haar niet overweldigen" VTatth. 16 : 18). El' is dus een eeuwig, onverbrekelijk verband issen Kerk en Koninkrijk, tussen Voorzienigeid en Voleinding, tussen de weg der middelen 1 de Verlossing; en daarom is er evenzeer een ^u v'ig en onverbrekelijk verband tussen onze 'beid thans en de vervulling straks! Jodocus m Lodenstein heeft dat eens zó onder woor- >n gebracht, dat hij zei, dat naar aard^ wezen 1 inhoud onze heiliging nu in niets verschilt an de heerlijkheid der verlossing. Er is alleen )rake van een gradueel verschil. In plaats van te vertwijfelen en te deserteren, »bben wij dus op onze post te blijven staan en ouw te blijven aan onze roeping. „Want God j- ons een toevlucht en sterkte, ten zeerste be- )nden een hulp in benauwdheden. Daarom Hen wij niet vrezen, al verplaatste zich de rde, al wankelden de bergen in het hart van zee" (Psalm 46 : 2, 3).


* Referaat, gehouden op zaterdag 22 april 1978 in de Marcuskerk te Utrecht op de conferentie van de ,,Kring van vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge".

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1978

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Het net scheurde niet*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1978

Kerkblaadje | 8 Pagina's