Liturgie
Gemeente-zang: Psalm 9 : 1, 2, 3 en 18.
Schriftlezingen: Psalm 46 en 2 Corinthiërs 1 : 3 - 10. Gebed.
Gemeente-zang: Gezang 303 : 1, 2 („O Heer, die daar des hemels tente spreidt").
Prediking.
Gemeente-zang: Gezang 304 : 1, 2 („Gelukkig is het land, dat God de Heer beschermt").
Gebed.
Gemeente-zang: Gezang 301 : 6, 14 (,,Mijn schild ende betrouwen" en „Oorlof, mijn arme schapen").
Tekst: 2 Corinthiërs 1: 10
„God, die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op wie wy hopen, dat Hy ons ook nog verlossen zal".
Prediking
Er was een tijd in ons volksleven, waarui de vrijheid voor volk en kerk zó vanzelfsprekend geworden was, dat de jaarlijkse 3 October-herdenking bijna alleen was de herinnering aan een ver en vreemd verleden, toen die vrijheid niet meer vanzelf sprak, toen er zo onuitsprekelijk werd geleden en gestreden en gebeden ter wille van de vrijheid van ons volk om naar Gods Woord te leven. 3 October was jaarlijks een schone traditie, een kostbare herinnering aan het aangrijpendste jaar van Leidens geschiedenis: aan de bevrijding van Spaans absolutisme en tyrannic, van volksverdrukking en geloofsvervolging. Maar dat gebeuren had toen geen levend, onmiddellijk verband met het heden. 3 October werd wel feestelijk, eerst plechtig en daarna luidruchtig gevierd, maar het was een herinnering, — alsof een oud man terugdenkt aan een gebeurtenis uit zijn jeugd, lang geleden, toen alles zo heel anders was.
De tijd, waarin wij n u staan, is een andere tijd. Wat vroeger vanzelf sprak, is nu niet meer vanzelfsprekend geworden. Meer dan ooit is ons volk n u weer geworden een volk in nood, een volk waarin immers weer geleden en gebeden wordt om dat hoge, dat ons volk boven alles dierbaar is: de vrijheid van ons volksleven en de vrijheid der Kerk. De strijd en het lijden van het verleden staan nu plotseling weer dichtbij ons. Meer dan ooJt weten wij ons nu verwant met het lijden en hopen van onze stad in dat jaar van geduldsbeproeving en geloofsbeproeving. Meer dan ooit spreekt die strijd ons aan. Zie, dan is er ook een kans, dat wij, meer dan vroeger, gaan verstaan hoe God ons door deze dag aanspreekt. Het is immers Gods werk, dat wij op deze dag gedenken. God heeft onze vaderen de moed en het geduld gegeven om de allergrootste offers te brengen, opdat ons volk in de toekomst vrij zou zijn van tyrannie en geloofsdwang. God heeft, tegen alle menselijke bescherming en vrees in, onze stad de vrijheid gegeven om Hem te dienen naar Zijn Woord. Wat God vroeger deed, mogen wij n u ontdekken als een onuitsprekelijke troost, een bemoediging juist voor onze tijd. Wij zullen wonderlijk verrast kunnen worden door de geweldige taal, die er uitgaat van dat verleden juist tot ons heden. Wij zullen mogen bemerken, dat herdenken méér is dan een herinnering, dat het van hoogst practische, actuele betekenis is. Daarom worden wij nergens zó dringend opgeroepen tot gedenken als juist door de Heilige Schrift, de Schrift van Israël en van de Kerk. Hoor toch, hoe de psalmisten en de profeten ons altijd weer tot dat éne nodige willen brengen: te gedenken de grote daden des Heren! Daartoe zijn de psalmen ons gegeven: „om te gedenken", zoals het opschrift ook vaak luidt. Dat willen de profeten ook: het volk herinneren aan hetgeen God eenmaal deed, om op grond daarvan Hem te geloven in wat Hij nu en later zal doen. Ja, daarom is het gehele Oude Testament voor 154 zulk een groot deel „geschiedschrijving": om te vertellen van, om te gedenken aan de wondere wegen die Hij ging met Zijn volk, om het te verkondigen aan de kinderen en het niet te verzwijgen. Heel Israels godsvrucht is: gedenken — en vergeet geen van Zijn weldaden. Heel Israels opvoedingswerk is: aan het volgende geslacht te vertellen de wonderen Gods. Er ii maar één zonde: te vergeten, wat Hij voor ons deed. Maar dan zullen wij dat, wat daar eenmaal op ^ October gebeurd is, ook alleen goed kunnen ge denken, als wij het zien in het licht van het Woor(' Gods. Wij moeten niet menen, dat wij vanzelf wc, verstaan, wat daar is gebeurd. Helder licht op wai daar geschiedde, werpt alleen het levende Woord vai God.
Wij willen daarbij overdenken het Schriftwoord 2 Cor. 1 : 10. De apostel Paulus schrijft daar: „GOL' die ons uit zo grote dood verlost h e e f t, en no verlost; op wie wij hopen, dat Hij ons ook nog vei lossen z a 1". Daar ziet de apostel dus eerst terug o het verleden, daarna ziet hij naar het heden, ma.^ dat alles is hem bovenal een troost en een hoop, al hij daarna vóór zich uitziet in de toekomst. Hij ken God uit het verleden als een God van verlossing, Hi belijdt dat God in het heden een verlossend God j — maar op grond daarvan getuigt hij, dat óók in i toekomst God Zich zal openbaren als een God d verlossing zenden zal. Hoe komt de apostel ertoe d te zeggen.? Hij spreekt hier over zijn eigen leven, d, geheel gewijd is aan de Evangelie-verkondiging. 1 nu ondervindt hij daarbij voortdurend tegenstand L bestrijding. De haat tegen het Evangelie uit zich a tegenstand tegen zijn werk en zijn persoon. Er nio zelfs een vervolging tegen hem hebben plaats geh. in Azië. Zó groot was die verdrukking, dat hij al hoop op zijn leven zelfs moest opgeven. Maar uit d alles heeft hij veel geleerd, geleerd niet te vertro wen op mensen of op zichzelf, maar alleen op Go Op welke God.? Daarop geeft hij nu het antwooi Het is immers d i e God, die Zich telkens heeft L.
Van die God getuigt de ganse Schrift, die God beijdt de ganse Kerk. Aan die God alleen is het te anken, dat ook uit de grote verdrukking en belauwdheid, waarin onze stad Leiden gekomen was, vrlossing is gekomen. Wij mogen het gedenken, hoe 'toot de nood in dat jaar is geweest. Maar het einde an al onze overwegingen zal zijn: de dank komt toe in die God, „die ons uit zo grote dood verlost ééft".
Groot was immers de nood van ons ganse volk, en in Leiden in het bijzonder, in dat jaar 1574. Amlerdam en Haarlem waren in de handen van de vij- 'iid. De zo nodige eenheid in ons volk was niet aanwezig. Prins Willem werkt onafgebroken voor onze rijheid, maar de macht en de legers van de vijand iin zoveel groter. Lodewijk en Hendrik van Nassau, (i en 24 jaar oud, zijn gevallen. Is het maar niet -eter op te houden met het verzet.? — Daar komt de -•fei-maand in het land, met al zijn pracht en vreug- '•t', maar die voor Leiden zal worden het begin van illc ellende. De week voor Pinksteren verschijnen de Spaanse troepen weer voor de poorten van Leiden "m onze stad haar vrijheid te ontnemen. Het wordt ''en droeve Pinksteren, het begin van een tijd van toenemende onbeschrijfelijke nood. Een tijd, waarin lie vijand tenslotte heel weinig gestreden heeft met het zwaard. Er is in het ganse beleg niet veel, dat uitwendig gezien heroïsch moet heten, dat het romantisch aureool heeft van gewapende strijd. Het zijn andere wapenen immers, waarmee de vijand de stad wil doen vallen: de honger. De vraag wordt voor Leiden, of het wil brengen het bijna ondragelijke offer van toenemende verschrikkelijke honger ter wille van de zaak der vrijheid. Onrustbarend wordt de voedselnood. De schroef van de voedselvoorziening wordt hoe langer hoe meer aangedraaid. Bij de dag worden de levensmiddelen minder. Het gaan door de straten wordt de graatmagere burgers onmogelijk zwaar. In geen zeven weken proefden de meesten meer brood. Soep bereidt men van gehakte huiden en wortelen; fijngehakt gras met zout was nog wtl te eten. Kraamvrouwen krijgen niet meer dan 1/4 beschuit per dag, jonge kinderen worden met paardedarmen gevoed, en hoevelen sterven niet voordat zij het zonlicht hebben aanschouwd! — Daar kwam nog bij: de p e s t z i e k t e, waaraan minstens 3000 Leidenaren sterven. De dagverslagen maken er geen ophef van, maar al die zo zakelijke berichten doen een zee van stil gedragen leed vermoeden. Drie duizend inwoners verloren: hoe nameloos veel rouw en leed! Zonder ophouden trekken de lijkwagens door de straten, en vaak zakt een buurman die als drager de laatste eer bewees, onder de baar ineen. Leiden werd een dodenstad.
Zou men de zware strijd dan eindelijk maar niet opgeven.? Deed men maar niet het best zich over te geven, althans met de vijand te onderhandelen, die toch immers zo oppermachtig was.? Dat was de verzoeking, waartoe zovelen de stad trachtten te verleiden. Daar waren de glippers, een heel klein groepje uit de bevolking, maar dat zich verbazend rumoerig roerde; een handjevol laffe verraders, die op de grens van twee werelden*) niet wisten waar zij staan moesten, en zich lieten gebruiken als gewillige instrumenten van de vijand. Telkens weer richtten de glippers zich met hoogdravende woorden, met listig opgestelde brieven en geschriften tot de burgerij om die zand in de ogen te strooien door hun leugens. Wel, zo schreven zij, bracht die Prins van Oranje niet enkel honger en ellende aan deze stad, nu hij maar voortging met zijn verzet.? Juist de Spanjaarden, zo schreven ze, kwamen alleen om te verlossen en te bevrijden! De glippers begrepen niet, dat het volk zó onverstandig kon zijn om zich zulk een ellende op de hals te halen! Maar ja, als men niet horen wilde, dan zouden de grote legers komen, — en dan hieven de glippers een lofzang aan op de geweldige kracht der Spanjaarden. Eerst vleiden ze, dan dreigden ze. De Leidenaars hoorden het aan, maar zij lieten zich niet vangen. Zij hadden een goed geheugen: zij wisten wat dat betekende, dat de Spanjaarden kwamen om te verlossen en bevrijden! Zij hoefden maar de namen te noemen van Naarden, Zutfen, Oudewater, Haarlem — om zo menig verschrikkelijk bloedbad weer scherp voor zich te zien. Leidens vroedschap zendt die brieven dóór aan Willem van Oranje en bidt hem ,,over hen vaderlijke zorg te willen dragen, gelijk zij hem betrouwen". — En nog maar stroomden de glipperbrieven binnen.
En nog maar stroomden de glipperbrieven binnen. Maar men begrijpt, dat de drijfveer van dit alles niemand anders is dan de Spaanse bevelhebber, de lis-tige Valdez En men stuurt hem eindelijk een antwoord een gezegelde brief, schijnbaar van gewichtige inhoud, maar in weikchjkheid slechts bevattend een vel wit papier, waaiop heel fijntjes maar een versregeltje geschreven staat, dat vertaald luidt „De vooglaar, op bedriegen uit, — Den vogel lokt met zoete fluit". Al de listen en bedreigingen om zich toch te schikken in de nieuwe gang van zaken, hebben in Leiden geen succes Leiden weerstaat de verzoekingen van de glippersi
Misschien was dan nog veel gevaarlijker de lauwe geest van zovelen, vooral onder de regenten, die geen glippers waren, maar die uit zelfzucht en eigenbelang ervoor terugschiikten zware offers te brengen voor de gemeenschappelijke zaak Douza bericht ons, dat het vooral de hogere standen waien, ook de fabrikanten, die geen zeffopoffering kenden en met zo mm mogelijk kleerscheuren van de hele zaak wilden afkomen „Het ging mij aan het hart — schiijft hij —, dat de buigeiij meer ovei had vooi de goede zaak dan de regenten" Hoe eer hoe liever wilden zij maar een verdrag met de vijand Des te verwonderlijker, dat het verzet zo haidnek
Des te verwonderlijker, dat het verzet zo haidnekkig, zo volhardend, zo ten emde toe is geweest Hoe is het toch te veiklaien, dat al die hongei en ziekte, al die nood en dood dooi een ganse stad is verdragen? Waarom zoveel geleden en gebeden en gestieden, met een schijnbaar onzeker resultaat? Omdat het ging niet om bijzaken, maar om de hoofdzaak, om het hoogste, waarom het een volk kan gaan om de v r ij h e 1 d om naar Gods Woord te kunnen leven De strijd ging met over deze of die regeerder, deze of die staatsvorm, maar om de handhaving der vrijheden en rechten van ons volk om te mogen leven naar Gods gebod en naar eigen geweten Achtei de Spaanse overheersing stak de dwang, de tyrannic, het absolutisme, dat absoluut het hele leven wilde onderwerpen met aan het gebod Gods, maar aan de dwang van de staat Fn die dwang hield dan tegelijk in de dwang om zich te buigen onder het gezag van de paus, van de kerk van Rome, — of om anders met de schrikmiddelen van de inquisitie kennis te maken Daarom ging het in de grote vrijheidsstrijd van ons volk ,,Haec libertatis ergo" — zoals op het noodgeld in die tijd te lezen staat
De strijd van ons volk was daarom ook de stiijd om een rechtvaardige overheid, die geen tyrannic was. De rechtsorde was geschonden op ondragelijke wijze Rechtsverkrachting, leugen, bedrog machts misbruik, laster werden op onduldbare wijze bevorderd door de overheid Niemand voelde zich veilig. Alva zelf schreef , Een ieder moet voortdurend in angst verkeren"
Niet ieder zag van de aanvang af, dat het hierom ging zo listig vleide en loog de Spaanse tyrannic dat het jaren duurde voor de ogen van het volk werden geopend om de ware aard van deze tyrannic scherp te herkennen. Nog lange tijd bleven er zelfs, die niet wilden zien wat ieder k o n zien. Maar toen ons volk eenmaal de ogen waren opengegaan, toen heeft het geweten de strijd hiertegen is van God gewild, de strijd hiertegen is ons geboden, de strijd hiertegen is alle offers waard en zal nooit mogen worden opgegeven 156 En dat is het scherpst gezien door allen die leefden bij een geopende Bijbel, die in die jaren beleefden de bevrijdende ontdekking de opening der Schriften, de her-ontdekkmg van het levende Woord Gods Want uit die Bijbel hebben zii gelezen God wil niet de tyrannic, God wil niet de hoogmoed der tyrannen die alles naar hun hand zetten Hij wil, dat volk en overheid ootmoedig zich buigen onder Zijn Woord — en niemand beletten God naar zijn geweten te dienen God is een God üie geen tyrannic duldt Daarvoor streed ons volk Die strijd heeft ons volk en ook onze stad aanvaard en volhard tot het einde toe Die strijd voor vrijheid van geloven heeft ons volk samengebonden, in dii strijd eerst is ons volk zichzelf geworden, volk vav Nederland geworden
En m die strijd van ons hele volk, en van onze stad m het bijzonder, is ons een trouwe, wijzc en grote leidsman gegeven in Prins Willem van Oranje de Vader des Vaderlands. Wonderlijk, slechts vanuit de verte kon Prins Willem de strijd van leidci volgen' Vanuit Rotteidam, waar hij eerst verbleei e juist m deze maanden zijn zware ziekte dooistona daarna vanuit Delft, waar nij in het Pnnsenho) voortdurend op de hoogte bleer van de toestand ii Leiden, leefde hij mee met Leidens nood en was dv eigenlijke ziel van het verzet. Voor de zaak onze bevrijding brengt hij de allergrootste offers. Eci land, waarin vrijheid zijn zal, staat hem voor ogen Terwijl de wilde Geuzen alleen leven voor wraak leeft Oranje voor de vrijheid Met alle vragen en zoi gen kwam men tot hem Een brief van de Piins vai Oranje, — meer dan iets was dat een gebeurteni voor onze stad, een gedurige bemoediging voor d' hele bevolking, een versterking van de hoop. Zo di brief van 12 Augustus, waarin Oranje melclde, „d, die van Leiden zich verzekerd mochten houden da men zijner en der State zijds met afliet alle mogf lijke middelen in het werk te stellen tot bijstand e ontzet der stad", „begeerende daarom — zo emdi de brief —, dat gijlieden middelerwijl in uliedc vroomheid altijd volherdet" — Daar, op een afstan lijdt de Prins van Oranje mee met zijn volk m noot En als hij daar ziek neerligt, door uitputting c koorts verzwakt, moeten zijn lippen telkens gepic veld hebben „O God, mijn arme volk" Maai als c dan boden uit Leiden bij hem komen om te veitellci dat Leiden nog volhoudt en nog niet is bezweken, - dan geeft dat bericht hem nieuwe veerkracht, da schijnt dat de beste medicijn Leiden houdt het nog dat IS ook voor de Prms de zaak, waarvoor hij no leeft Hier staan wij vooi het wonder der waarach tige verbondenheid van vorst en volk. Hier wordl voor heden en voor de toekomst, van die beide open baar u w zaak is m ij n zaak, u w lijden i m ij n lijden, u w verlossing is m ij n verlossing
Maar die verlossing ligt met in Oranje's hand Ook de Prins is een zwak mens Zijn wapenen baten hem met Zelfs het grote waagstuk, de doorbraak dei di)ken, brengt het water nog niet voor de muren van Leiden Fruytiers zegt het zo treffend in zijn ron ^ oud-Hollands „Op dezen tijd heeft de Heeie dei heirscharen beginnen te toonen, dat zwaaid, schild paard, man noch geschut, met en kan helpen, zoo Zijn krachtige hand de zaak niet en wil vorderen want met al deze konden zij niet uitrichten, zoo hun nmd en water ontbrak, die de Heere moest geven". i)at is de diepste afhankelijkheid en hulpeloosheid, aarin Leiden gebracht wordt: zelis als de dijken iin doorgestoken, baat het niets als de wind niet ut het zuid-westen zal komen. Daarom spot de vijul: „Het is uw prins zo mogelijk de stad te ontzet- .1, als het ons mogelijk is met de hand de sterren i^rijpen". In zó grote nood wordt Leiden gebracht, jJac het eruit leren zal niet te veitrouwen op zichzelf, of op mensen, maar alleen op God die helpt in 'JO'd, de Enige die waarachtige verlossing kan zen- . En als er één is geweest, die de stad Leiden .It opgewekt alle vertrouwen alléén op God te ••-•.ellen, dan de Prins van Oranje. Deze sprak: „Ook .' werd dit gehele volk uitgemoord, de Here zal de ' ;nen toch niet verlaten". Zó hebben onze vaderen eerd: er is niemand die verlossen kan van zó grotyrannie dan de Here God alleen.
Dan komt eindelijk, eindelijk het ontzet. Vrijdag October dringt de zuidwesten wind de wateren . naar Leiden. Met bruisend geweld stuwt Mtt-, water door de gaten in de dijken over '-" landen heen. Het water, Hollands vijand, is 'x toen weer tegelijk Hollands vriend en belder. God zendt het wassende water ter verlosig. Met forse slagen roeien de Geuzen over de wa- '^n om Leiden te hulp te komen met het kostelijke edsel. De nacht van Zaterdag op Zondag brengt de ote, laatste wending: de Spanjaard is vertrokken. J Lammenschans blijkt verlaten te zijn. Het water •engt de schepen der Geuzen in de stad. Valdez .loet het tegen wil en dank erkennen: „Dit geschiedt ^'enszins buiten een bijzondere toelating des Alachtigen". En in de lage landen vouwen zich dui- .nden handen en wordt het beleden: „Pat is de almachtige God, de Here der heirscharen, wiens naam -'n noodhelper is". Leiden ondervond juist toen het .'hier onmogelijk scheen, dat God een God is van "rlossing. Op die 3e October, als alles stroomt naar ie Pieterskerk, als daar de 9e Psalm wordt gezongen, wotdt God gedankt en geprezen:
Omdat mijn vijand, hoe geducht. Teruggekeerd is en gevlucht; Hy is, schoon stout te veld getogen. Vergaan, gevallen voor Uw ogen.
Wat er leefde op die dag in de harten van dat be- -ajde volk, is niet te beschrijven. Maar iets ervan 'rilt toch door in de sobere woorden, die op die morgen iiet volk werden voorgelezen. Jan van Hout, de stads- "-pcretaris, is de steller van die bekende afkondiging: • Alsoo de almogende barmhertige God en goedertieren Vader, wiens hand nimmermeer gesloten is, om de Zijnen genade en barmhertigheid -te bewijzen, met tegenstaan (niettegenstaande) Hij dezelve dik- \\ijls beproeft, en tot het uiterste laat komen, ~ e i n d e 1 ij k belieft ons met Zijn genadige oogen 'lan te zien, en na zoo vele ellenden, miserien, benauwdheden, hongersnood en calamiteit te verlossen, en met provianden en victualiën te doen versorgen, daarvan wij nimmermeer Sijn godlijke majesteit ten volle konnen danken; — Zoo vermanen Mijne Heeren de Commissarissen en Gerecht uit haar macht en autoriteit, gebieden, lasten en bevelen zich met ganscher harten tot God te begeven en H e m voor Zijn oneindige goedigheid en onvoorziene barmhertigheid hartgrondig te danken, te prijzen en te loven, — en de victualiën die binnen gekomen zijn met dankbaarheid, doch soberlijk en matelijk te nuttigen, en zal een ieder tot dien einde terstond in de Pieterskerk gaan".
Wat daar gebeurd is mag nooit vergeten worden, want wat daar gebeurde was beslissend voor eeuwen, beslissend voor het hele volksleven, beslissend voor de vrijheid der Kerk. Daarom werd al in het volgende jaar door de overheid bepaald: „dat deze dag van eeuwigheid tot eeuwigheid behoort te blijven jn de memorie der menschen. Zijn goddelijke majesteit te alle tijden behoort gedankt, gelooft en geprezen te worden van zulke groote weldaad".
Zo gedenken wij dan ook heden, wat daar is gebeurd, en wij danken die God, „die ons uit zo grote dood verlost heeft". Willen wij die bevrijding werkelijk zó gedenken, dat wij ootmoedig alle eer geven aan God.? Het treffende in het leven onzer vaderen was, dat zij met leeuwenmoed streden tegen tyrannic en onrecht, — maar tegelijk met diepe ootmoed hun lijden aanvaardden uit Gods hand; dal zij m a n n e 1 ij k waren in hun verzet, — maar k i n - d e r 1 ij k, met oneindige teerheid zich bogen voor hun God; dat zij zelf deden al wat mogelijk was, maar dat zij beleden: onze verlossing komt alleen van God. Willen ook wij niet vervallen in die grote zonde van onze tijd: volksverheerlijking, ook niet in heldenverheerlijking; willen wij alle eer geven aan die God ,,die ons uit zo grote dood verlost heeft".? (Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1981
Kerkblaadje | 8 Pagina's