Luther, de Staat en de Joden
(Lezing voor de Geref. Theol. Studenten Vereniging ,,Voetius" te Utrecht. Op verzoek geplaatst.)
I Luther's zogenaamde Twee-Rijken-leer staat tegen de achtergrond van een duizendjarige traditie, die men het best kan aanduiden als 'het Corpus Christian u m. Dat was een machtig geestelijk bouwsel, waarvan men paus Gregorius de Grote (590-604) wel de architekt kan noemen. De vooronderstelling ervan was de legendarische schenking van keizer Constantijn, die de keizerlijke maoht aan de toenmalige bisschop van Rome zou hebben overgedragen. Daardoor was aan de paus zowel de geestelijke maoht (Sacerdotium) als de wereldlijke macht (Regnum) in handen gegeven. Het woord Corpus (lichaam) drukt uit, dat zoa'ls de geest heerst over het lichaam, zo de Kerk over de Staat. Men sprak over het recht van de geest op heit lichaam, dat wil zeggen: van de Kerk op de Staat; en over de plicht van het lichaam jegens de geest, dat wil zeggen: van de Staat jegens de Kerk.
Binnen het Corpus Christian um was geloof tegelijk staatsburgerschap. Ongeloof, bijgeloof, ketterij, schisma ^), ongehoorzaamheid tegenover het kerkelijk gezag, het waren tegelijk politieke misdrijven. Uitvloeisel ervan waren kettervervolging, ketterverbranding, de ban. Landstreken, die zich verzetten tegen de machtsaanspraken van de paus, kregen een verbod (interdict) opgelegd om de sacramenten te bedienen. Wie stierf tijdens een interdict, stierf buiten de genade. Zó gebruikte de paus zijn geestelijke maoht om zijn wereldlijke macht door te zetten en hij gebruikte zijn wereldlijke macht om zijn geestelijke macht door te zetten. In een gedicht van Walther von der Vogelweide is verwoord, hoe het volk zulk een sacramentsverbod beleefde: Die Not war ueber alle Nolh,
Die Not war ueber alle Nolh, da lagen Leib und Seele todt ~).
Gedurende de 15e en 16e eeuw is dit geestelijk bouwwerk ineengestort. Allerlei oorzaken hebben ertoe meegewerkt: de naijver tussen de keizerlijke dynastie ^) en de paus, de strijd tussen de bisdommen en de aartsbisschop, tussen de kloosterorden en het kerkdijk gezag, tussen de clerus *) en de universiteiten; voorts het opkomend nationalisme, met name in Frankrijk; en tenslotte de bedreiging van buiten de grenzen door opdringende vijanden als Islamieten, Mongolen en Katharen.
Paus Bonifatius VIII en paus Innocentius IV hebben nog 'gepoogd de onderlinge spanningen en conflicten te verzoenen om zó een groot gemeenschappelijk front te 'kunnen vormen tegen de Aziatische bedreiging, — het was vergeefs. Hieruit blijkt, dat er geen sprake van is, dat het Corpus Christian u m door de Hervorming zou zijn ondergegaan. Het was al een lichaam in ontbinding. Luther spreekt 'het uit in: Eine Heerpredigt wider den Turken ^) (1523): ,,Het vat is gebroken en de soep IS eruit weggelopen; wij moeten de scherven er maar achteraan gooien en goede moed houden".
In zijn geschriften rond de twin'tiger jaren laat Luther zich telkens uitermate critisch over dat middeleeuwse bouwwerk uit. Hij vindt het een schandelijke uitleg van Lucas 22 : 38, volgens wC'lke ide paus het geestelijke èn het wereldlij'ke zwaard zou mogen voeren. De wereldlijke machtsaanspraak van de paus is volgens Luther geen goddelijk recht. De schenking van Constantijn noemt hij bedrog. De vermenging van geestelijke en wereldlijke macht is heilloos en maakt van de paus de antichrist. De vermenging van geestelijke en wereldlijke macht is naar zijn oordeel de wortel van alle kwaad. Zo staat het te lezen in Luther's Resolutiones, in zij'u: Vom Papsthum zu Rom '') en vooral in zijn beroemde: Sendschreiben an den christlichen Adel deutscher Nation 'j.
Waar hij voor pleit, is dat de landsvorsten op eigen benen komen te staan, hun eigen roeping en verantwoordelijkheid leren verstaan, onafhankelijk worden van de paus en de kerk. De overheid berust op goddelijk recht (droit 'd i v i n zal men dat later noemen). Dat eigen recht van de overheid, door God haar verleend, is voor haar de enige waarborg voor 'haar zelfstandigheid. Dankzij dat droit divin werd de overheid van onderworpene aan de paus tot dienaresse van God. Hier ligt de diepe zin van de bekende zegswijze van vorsten: Wij, koning bij de gratie Gods In Duitsland spreekt men van: G o 11 es - gnadenthum.
Met de vaststelling van dit goddelijk recht der overheid is de ,grondslag gegeven van Luther's Twee- Rijken-leer.
II In het jaar 1523 verscheen daarover Luther's eerste en meest fundamentele geschrift: Von welthcher Oberkeyt wie weytt man ihr Gehorsam schuldig sei **). Het boekje bestaat uit twee delen. Het eerste deel benadrukt, dat de overheid een inzetting en ordening Gods is. Men moet daarom de overheid ook als overheid blijven eren als zij in onze ogen verkeerd handelt. Op dit eerste deel heeft zich de moderne critiek vooral gericht. Men zag Luther op grond daarvan als een vorstenkneoht; een voorstander van het: bevel is bevel!
Het tweede deel stelt met nadruk: Men moet echter God méér gehoorzamen dan de mensen. Het merkwaardige is, dat in Luther's eigen tijd de critiek vooral haar pijlen richtte op die uitspraak van de hervormer. Men speurde er een aanmoediging tot opstand tegen het wettige gezag in.
'Zowel in de moderne critiek op het eerste deel, als in de voormalige critiek op het tweede deel, gaat men aan de bedoeling van Luther met dit geschrift voorbij.
Wat Luther na de ontbinding van het middeleeuwse
De overheid is Gods regiment •') in deze wereld (waar de duivel de heerschappij voert) om voor de christenen een uitwendige orde en vrede te bewerkstelligen en om de bedreiging van boze mensen en machten -terug te dringen; iets wat wij ook duidelijk terugvinden in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Die taak van de overheid heeft echter een duidelijke begrenzing. De staat is geen Kerk en heeft daarom ook niet de taak om mensen tot christenen te maken. De overheid mag daarom ook niet over de Kerk en de Evangelie-prediking heersen. Kerk en staat hebben ieder een eigen verantwoordelijkheid en taak.
Met .dit beroemde geschrift heeft Luther een nieuw staatkundig beginsel in de wereldakker geworpen.
Mot dit geschrift is hij de eerste geweest, die op bijbelse en 'theologische gronden een pleidooi heeft gevoerd voor vrijheid van godsdienst en voor gewetensvrijheid. En dat in een tijd, toen men zich in alle christelijke landen bezondigde aan kettervervolging en kettergerichten.
Onder Luther's invloed stonden daarom in de Duitse landen de ketters en de andersdenkenden niet meer onder de dreiging van het wereldlijke zwaard.
In 1524 schreef Luther aan de keurvorst van Saksen over de Wederdopers: „Men late hen getroost en vrijuit preken waar en voor wie zij willen. Men late de geesten maar op elkaar botsen. Worden er sommigen verleid, — zo gaat dat nu eenmaal in de strijd der geesten. Het Woord Gods moet in het open veld gebracht worden en vechten".
Het gevolg is geweest, dat in Luther's jaren in de Lutherse landen geen Roomse priester, geen monnik, geen Wederdoper is terechtgesteld. In het beroemde werk van L. von Ranke: Deutsche Geschichte tm Zeitalter der Reformation^'^) kunnen wij lezen, hoe de Wederdopers behandeld werden in de omringende landen. Er waren massa-executies, zelfs in Zurich. Alleen in de Duitse landen oordeelde men, dat de overheid niet het recht had om geloofsdwalingen te straffen. Vorsten en stadsbesturen moeten hun handen niet bezoedelen met het bloed van deze arme mensen.
III Een zwak punt in Luther's geschrift: Von weltlicher Oberkeyt is de onvoldoende bijbelse fundering van het goddelijk recht van de overheid. Dat heeft de beoordeling van de Twee-Rijken-leer nadelig beïnvloed. Iemand als de beroemde godsdienstsocioloog Troeltsch heeft Luther op grond van dat geschrift beschuldigd van een dubbele moraal. De overheid zou niet gebonden zijn aan de christelijke wet. Nog veel harder is de critiek op LuCher geweest van de gereformeerde Karl Barth. Volgens hem draagt Luther schuld aan het Nationaal-Socialisme door de christenen tegenover de overheid onmondig te houden. Door middel van Luther's opvattingen en leer kon Hitler het Duit-se volk in zijn greep krijgen.
De eerste, die daartegen protesteerde met woord en daad (men denke aan zijn plaats in het verzet tegen Hitler-Duitsland!), was de Lutherse bisschop Berggrav in Noorwegen. In Duitsland zelf keerden theologen als Delekat, Lau en vooral Waker Künneth zioh tegen Earth's verwijten.
Niettemin heeft de Twee-Rijken-leer bij velen no^ een slechte naam. Men vereenzelvigt haar met Bismarck's politiek opportunisme: het belang van de staat gaat boven alles!
In mijn studie: Luther en de angst van het Westen heb ik trachten aan te tonen, dat het geschrift: Von weltlicher Oberkeyt maar een eerste blauwdruk was van de Twee-Rijken-leer en dat Luthsr naderhand ir tal van geschriften er een verdere uitwerking en diepere fundering van heeft gegeven. Bijvoorbeeld in zijn uitleg van de Salomonisohe geschriften en in zijn: Wochenpredigten über Matthaus5—7 ").
In mijn studie heb ik er tevens op gewezen, dat er nog een geheel andere wijze is om de Twee-Rijkenleer te leren kennen, namelijk in de historie. Die leer is namelijk in de figuur van Prins Willem van Oranje vlees en bloed geworden. Hij is het geweest, die in zijm politiek de consequenties heeft getrokken uit Luther's leer. Aan dat aspect is tot nu toe weinig aandacht gegeven. De Utrechtse hoogleraar Geyl en de Nijmeegse historicus Rogier stellen Willem I in Erasmiaans licht. De Amsterdamse hoogleraar Jan Romein p'laatste hem en onze nationale vrijheidsstrijd in het licht van maatschappelijke veranderingen. Maar dat er sprake is van een nauwe geestelijke band
Maar dat er sprake is van een nauwe geestelijke band tussen Prins Willem en de Dillenburg èn Luther, dat komt men eigenlijk nergens tegen. En toch ligt daar de diepste wortel van zijn staatkunde, al hebben er naderhand ook Hugenootse invloeden op ingewerkt.
Wat Luther in zijn geschriften heeft verwoord, is in Prins Willem's staatkunde een historische werkelijkheid geworden. Terecht zegt daarom ProL Huizinga: „Vraagt men, wat in het staatkundige de diepste insnijding is geweest, die de tijdperken scheidt, dan moet men zeggen: de Nederlandse opstand tegen Spanje. In de staatkundige geschiedenis der 16e eeuw is de Nederlandse opstand het nieuwe, het ongehoorde, de gist van de latere wasdom. En de Nederlandse opstand is Prins Willem's werk in de mate, waarin ooit een mens een tijd bewegen kan" [De Nederlandse Natie, blz. 82).
IV Waarop heeft Luther het eigen goddelijk recht vam de overheid gegrond.? Het zijn enkele teksten, waar hij telkens op terugkomt. Mattheüs 22 vers 21 ,,Geeft den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is".
Romeinen 13. De Salomonische geschriften in de Bijbel. En Psalm 101, waarvan Luther een allerkostelijkste uitleg heeft gegeven en die hij heeft bewerkt tot een soort vorstenspiegel.
De drie belangrijkste punten van zijn Twee-Rijkenleer zijn: 1. De Kerk is geen wereldlijke macht.
2, Het Evangelie is geen staatkundig of politiek program. 3. De wereldlijke overheid is geen Kerk, geen
Op het laatste punt richten wij onze volle aandacht. Wat is toch wel de eigen roepmg en taak van de overheid.? Waarom is er behalve de Kerk ook een staat? Op grond van Romeinen 13 zegt Luther, dat de overheid Gods dienaresse is; en dat zij er is ,,u ten goede".
Voor de vervulling van haar taak heeft de overheid niet genoeg aan de wetenschap, dat zij door Goid geroepen is en in Gods dienst staat. De vraag is, hoe zij die roeping verwerkelijkt. Net als Salomo heeft zij daartoe wijsheid nodig, en die moet haar van boven gegeven worden. Die wijsheid leert haar geduld, gematigdheid, billijkheid, de gulden middenweg. Len ovecneid, die nooit iets door de vki'gers kan zien, kan niet regeren. Toch moet de overheid op zekere tijd ook hard en streng kunnen zijn en de bevoegdheid benutten om het zwaard te hanteren.
Men kan zich afvragen: wanneer mildheid en wanneer gestrengheid? Het antwoord van Luther op die vraag is: daar is geen vaste regel voor te geven. Niemand kan het haar zeggen. Zij moet het zelf uitmaken. Daartoe behoeft zij wijsheid van boven. In dit verband wil ik wijzen op een prachtige passage uit één van Luther's werken over het begrip: O c c a s i o, gelegenheid. Het is te vinden 'm zijn Tafelgesprekken: „Occasio is een grote zaak. Jonge knapen verstaan dat nog niet. Het is veeleer een woord van oudere mensen, die Jjn regeringszaken ervaring hebben. Julius Caesar was een man, die de occasio gekend heeft. Pompeius en Hannibal wisten er niet van. Men kan
Pompeius en Hannibal wisten er niet van. Men kan niet omschrijven wat occasio is. In het Duits kennen wij er geen woord voor. Het begrip ,,gelegenheid" geeft het niet goed weer. Ik ihoud het ervoor, dat het woord occasio afgeleid moet worden van het Latijnse werkwoord cade re, dat vallen betekent. Occasio is dan, wat ons toevalt. De Grieken hebben ervoor het woord: ka ir os, dat wij vaak in het Nieuwe Testament tegenkomen. Dan is het „de ure"- Zo wil o c c a s i o zeggen: het gebruiken van het oins door God geschonken uur. Wie de occasio, het uur, verzuimt, laat de kans voorbijgaan; een kans, die nimmer terugkeert. Occasio houdt dus een goddelijk bevel in: Grijp in, want nu is het de tijd. Doe het nu, nu, nu, voor het te laat is. Hier is daarom sprake van een gave Gods, zoals het ook een gave Gods is om het uur te verstaan".
De roem van grote staatslieden is geweest, niet zozeer hun moed en kracht en kennis, maar het acht geven op de o c c a s i o. Zij deden daarom «iets overijld, niets uit een impuls, niets uit toorn of drift, maar op goddelijke aanwijzing. Daartoe behoort ook. dat zij zich niet laten leiden door het verlangen om alles volmaakt te willen hebben en om alle misstanden op eenmaal op te ruimen. Snelle veranderingen passen niet in een wijs staatkundig beleid. Al te ingrijpende vernieuwingen lopen meestal uit op bloedvergieten.
Dat alles berust op de wijsheid van boven!
V Hoe womderfijk het misschien ook in onze oren klinken mag, — voor LuCher is het wereldse regiment gegrond op de rede (Vernunft). Het recht is uitvloeisel van de rede. Men kan daarom van natuurrecht spreken. Alle macht, die niet redelijk is, is verwerpelijk en voert tot tyrannie. Alleen op de grondslag van de rede krijgen vrijheid, verdraagzaamheid, menselijkheid, gelegenheid om zich te ontplooien.
In de oren van sommigen zal dat aanstotelijk klinken. Maar ook bij andere reformatorische theologen horen wij soortgelijke geluiden. Ik citeer Kohlbrugge: „Er is een kennis van de wil van God, die natuurlijk, dat is: de mens aangeboren is, en waardoor de mens als schepsel Gods in bloed en aderen, in geest, ziel en verstand meekrijgt, wat zijn Schepper van hem wil. Deze kennis noem ik een natuurlijke, aangeboren kennis, volgens welke natuurlijke, aangeboren kennis een mens weet, dat hij niet goddeloos mag zijn; dat hij niet vloeken mag; dat hij zijn ouders gehoorzaam moet zijn; dat hij niet moorden en stelen mag; dat onkuisheid en alle vuile taal een duistere hartstocht is; dat de één de ander gunnen en laten moet, wat hij heeft; dat een mens tevreden moet zijn met dat wat God hem gegeven heeft. Dat alles is een aangeboren kennis. Deze is van die aard, dat de overtreder zijn eigen overtredingen niet zo goed ziet, maar tegenover een ander ziet hij met zijn kennis zeer scherp Bij dat alles blijft de mens echter dezelfde die hij is: onbekeerd. Hij heeft wel kennis van de wil van God, maar hij heeft er geen hart voor, niet de daad Het is de kennis van de wil Gods zoals zij de mens is aangeboren en zoals een mens haar heeft, die onder de Wet is" {Schriftverklaringen, Deel 24, blz. 61 vv.).
Er moet ook bij gezegd worden, dat volgens Luther de rede geworteld is in de religie, in de vroomheid.
Zou de rede zich daarvan losmaken en emanciperen, dan is zij het tegendeel van een betrouwbare gids.
Sterker nog, — dan raakt de staat als rechtsgemeenschap in gevaar. Al met al blijft dus de rede een kwetsbare en tere plant. „Het edele kleinood, dat het natuurrecht en de rede >heet, is een zeldzaam ding onder de mensen", aldus Luther in zijn uitleg van Psalm 101. Men kan er dus niet als vanzelfsprekend van uitgaan, dat zij altijd en overal aanwezig is. Vaak is zij verduisterd door boze neigingen en hartstochten. Vaak ook een instrument in de hand van listige verleiders. Zo moet men constateren, dat het wereldlijke rijk een bedreigd gebied is. De politieke geschiedenis brengt de bewijzen ervoor in overvloedige mate naar voren!
Dankzij Gods barmhartigheid breekt toch echter telkens weer het iicht van de rede door. En dat is meestentijds dankzij het optreden van „Wundermanner" '-), aam wie God het licht der rede in overvloedige mate schenkt. Dat is het geval bij de heidenen, evenzeer als bij de christenen: de Perzische koning Cyrus, keizer Augustus, keizer Vespasianus, keurvorst Frederik van Saksen, onze Prins Willem van Oranje.
Soms is deze doorbraak van het licht der rede er méér bij de heidenen dan bij de christenen. Spreekt het Evangelie dat ook al niet uit? Worden daar de kinderen dezer wereld niet verstandiger genoemd dan
In het algemeen gesproken moet men zeggen: hoe christelijker en heiliger iemand is, hoe minder hij deugt voor het wereld-lijk regiment. Want dat regiment vraagt gematigdheid, nuchterheid, verdraagzaam-heid, geduld, lijdzaamheid. Dat regiment vaart op het kompas van de lankmoedigheid Gods over ons.
VI Luther zelf as in eigen persoon een bevestiging van wat wij vaststelden. -Ook hij heeft bij tijden het licht -der wijsheid en redelijkheid gemist, die nodig zijn voor heit wereldlijke rijk. Ook hij is door zijn ,,chrisiCelijkheid" en „-dromerijen" een enkele keer in conflict gekomen met zijn eigen Twee-Rijkendeer. Ik doel daarmee op zijn houding tegenover de Joden in zijn laatste levensperiode.
Er is lin de achter ons liggende jaren veel over dit o-nderwerp geschreven, en niet zelden op een onbekookte en onverantwoordelijke wijze. Er zijn zelfs dissertaties verschenen, waarin gesproken wordt over antisemitische tendenzen bij Luther. Men kreeg daarbij wel eens het gevoel, of men blij was een stok gevonden te hebben om de hond te slaan. Een afrekening idus met een soort protestantse heiligenverering! Dankzij enkele publikaties van een geleerde met
Dankzij enkele publikaties van een geleerde met groot gezag en faam als Prof. H. A. Oberman is het op grond van historische bewijzen gebleken, dat er bij Lucher geen spoor van rassisme of antisemii-tisme aanwezig was. Wij zijn er hem dankbaar voor.
Het is noo-dzakelijk er in dit verband op te wijzen, dat er momenteel boeken in omloop zijn die door hun kwasi-wetenschappelijkheid veel theologen beinvlo'eden en wantrouwig maken tegenover Luther, it-erwijl het toch werken zijn zonder enige historische waarde. Zulk een geschrift is met name heit bij -de Arbeiderspers uitgekomen boek: De Arische Mythe van Léon Poliakov. De schrijver was al bekend door een breed opgezette studie over het verschijnsel van het antisemitisme in de geschiedenis. Wat mij vooral -in het eerstgenoemde werk erg tegenstaat, is -de duidelijke ideologische vooringenomenheid tegen de Europese cultuur en de sterke gevoelsgeladenheid, die het de schrijver -niet mogelijk maken om het verleden objectief te bezien. Hij brandmerkt bepaalde uitspraken als ancisemiüisoh, die het zeker niet zijn. De tekening van Luther is gewoon absurd. Hij maakt hem tot een voorloper van de mythe van het superieure Arische ras en van het latere Duitse nationalisme. Van het feit dat hij toch niets anders wilde zijn dan prediker van het Evangelie, blijft bij Poliakov niets over.
Vanuit de herontdekking van het Evangelie moeten wij Luther's houding tegenover de Joden verstaan.
Zijn gedachtengang was -deze: het Evangelie is eeuwen-lang geblokkeerd geweest door verkeerde uitleg.
Thans schijnt het weer in volle klaarheid en -heerlijkheid. In die nieuwe glans moet het nu ook aan -de Joden, als toch in wezen de eerst-rechthebbenden, gepredikt worden. En dat niet alleen. Zij zijn door de kerk en de christenheid zó schandelijk bejegend, dat wij veel aan hen goed te maken -hebben. Door een -liefderijke houding tegenover hen kan wellicht ook hun haat tegen de christenen en tegen het christelijk geloof worden overwonnen. Op grond van deze totaal andere benaderingswijze was Luther ervan -overtuigd, dat voor de Joden het welaangename uur was aangebroken, waarover Paulus spreekt in het slot van Romeinen 11. Vanuit deze gezindheid schreef hij het boekje, dat zoveel opzien baarde: Dasz Jesus Christus ein geborener Jude sei '*) (1523).
Twintig jaar later slaat Luther echter tegenover de Joden een veel bitterder toon aan. Twee geschriften uit het jaar 1543 leggen er getuigenis van af: Vom Schem Hamphoras und vom Geschlecht Christi ^^), en: Von den }uden und ihren Lügen ^'"'). Wij komen in deze werken o-nverteerbare uitspraken tegen, die geheel in itegenstelling zijn met wat hij voorheen schreef. Met name de maatregelen, die hij de overheid aanraad-t te nemen ten opzichte van de Joden, zijn aanstotelijk, hoewel ze -nog gematigd zijn bij wat bijvoorbeeld Erasmus over de Joden geschreven heeft.
Luther kenmerkte zijn harde uitspraken als ,,scharfe Barmherzigkeit", dus als gestrenge barmhartigheid.
Hun huizen en synagogen moeten maar worden afgebroken. Hun Talmud-geschriften moeten hun ontnomen worden. Het m-oet hun verboden worden het land rond te trekken en -handel te drijven.
De vraa^ rijst: Wat heeft hem in vredesnaam bewogen om zó te schrijven.? Was het verbittering vanwege de teleurstellende ervaringen met de Joden en vanwege hun harde onbekeerlijkheid.? Lag -de oorzaak in boze lastergeschriften van enige Joden, die Jezus' moeder smaadden als soldatendeerne.? Of is hier sprake van ongeremde gevoelsuitbarstingen van een on-evenwidhtig geworden grijs man.?
In ieder geval moet geconstateerd worden, dat als Luther ergens in tegenspraak is gekomen met vroegere opvattingen, dan hier. Hoe laat deze ,,scharfe Barmherzigkeit" zich rijmen met zijn Twee-Rijkenleer.? Men zou tooh oo-k de inquisitie en de ketterverbranding kun-nen goedpraten met strenge barmhartigheid en goede bedoelingen! Hoe is het te verklaren, dat Lu-therin 1543 zulk een terugval maakte ten aanzien van zij-n vroegere uitspraken over het wereldlijke regiment.?
Welnu, in de laatste periode van zijn leven is die gedachte steeds sterker in 'hem geworden. Overal meende hij tekenen van de emdtijd waar te nemen.
Het gericht kon volgens hem niet ver meer zijn. Het bewijs daarvan is een bewaard gebleven geschrift met allerlei berekeningen van de afloop der gesdüedenis.
Het heet: Supputatio annorum mundi, wat betekent: berekemng van de jaren der wereld. Het is een fantasierijk geschrift met allerlei geschiedenis-tabellen vanaf de schepping tot 1540. De uitkomst van die becijferingen is, dat de jongste dag zeer nabij moet zijn.
Welnu, als dat zo 'is, dan is de tijd nog maar kort. Dan loopt de wereld en het wereldJijke regiment ten einde. Dan moet nu met de laatste ernst gewaarschuwd worden en opgeroepen tot bekering- Dan is nu de tijd aangebroken voor de laatste liefdedienst aan de medemens in zijn onbekeerlijkheid: Dwing hem om dn te gaan! Ziedaar de beweegreden van Luther voor zijn „scharfe Barmherzigkeit". Ziedaar ook de reden, waarom Luther eigenlijk geen belangstelling meer had voor zijn vroegere Twee-Rijken-leer. Dat alles heeft zijn tijd gehad. De eindtijd-verwachtingen stroken niet meer met die leer. Eindtijd-verwachtmgen behoren tot de ,.profetieën en gezichten" uit Handelingen 2. Het zijn verwachtingen, die het wereldlijke regiment verstoren en de rede verduisteren.
Klaarblijkelijk is Luther dus op het einde van zijn leven zó sterk vervuld geweest van de nabijheid der laatste dingen dat de voorlaatste dingen van geen belang meer voor hem waren. De voortgang der geschiedenis heeft bewezen, dat Luther hierin ongelijk 'had. En wij kunnen er niet aan ontkomen te zeggen, dat 'Op dit punt Lu'ther voor ons een waarschuwend teken is. Tegen liet getuigenis van hem in zijn laatste jaren in moeten wij vasthouden aan 'de Twee-Rijkenleer. En wij zullen dat moeten blijven doen tot het uur aanbreekt, dat de Here God zelf een einde maakt aan het wereldlijke regiment, omdat het Godsrijk gekomen 'is. Dan hebben zowel Kerk als Staat hun tijd gehad.
De Twee-Rij'ken-leer van Luther berust dus op 'het natuurrecht, op de rede. In onze tijd dringt zich echter de vraag op: Is dat nog mogelijk na de nachtmerrie van het NaCionaal-Socialisme.' Wie waagt'het nog te spreken van 'het licht der rede na het rede-bederf in de 19e en 20e eeuw? Wie durft Karl Barth weerspreken, als hij in de dertiger jaren tegen Emil Brunmer schrijft: „Zij (dat is de rede) kan slechts de theologie en de kerk van de antichrist ten goede komen; de evangelische kerk en theologie kunnen door 'haar alleen maar ziek worden en sterven"?
Heeft Barth gelijk? Heeft het moderne nihilisme ") het fundament weggenomen 'Onder de Twee-Rijken-leer? Dat zou een uiterst donker uitzicht zijn. Het zou immers inhouden, dat er staatkundig geen m'ogelij'kheid meer zou zijn voor een leefbare wereld; alleen voor een ideologische staat of voor de anarchie '^)!
Ik wil erop wijzen, dat Luther in zijn wonderschone uitleg van de 101ste Psalm, welke psalm hij een vorstenspiegel noemde, er met nadruk op wees, dat „het edele kleinood, dat ihet natuurrecht en 'de rede heet, een zeer zeldzaam ding is onder de mensen".
Ook schreef hij: „Het is een illusie te menen, dat iedereen het bezit. Als 'dat zo was, dan zouden dwazen, kinderen, vrouwen evengoed kunnen regeren als David, Salomo, Augustus of Hannibal. Welk een chaos zou daaruit voortkomen!" „Maar — gaat hij dan verder — er zijn in de ge
„Maar — gaat hij dan verder — er zijn in de geschiedenis telkens figuren, die er als het ware door de Here God zelf in onderwezen worden. En n'iet alleen geeft Hij zulke figuren aan Zijn volk Israël, maar ook aan de heidenen. En niet alleen in de vorstenstand, maar ook in de burgerstand. Zulke mannen zijn niet wat ze zijn door opvoeding of omstandigheden, maar doordat de Here God hen verwekte en aandreef Zulke wondermannen zijn niet erfelijk, ze zijn niet
Zulke wondermannen zijn niet erfelijk, ze zijn niet ons eigendom. Ze zijn niet aan onze wil onderworpen ... God wil vrij zijn om zulke wondermannen als edelstenen te schenken waar, wanneer en aan wie Hij wil"-
Wanneer wij 'deze woorden op ons laten inwerken en ze toepassen op de 19e en 20e eeuw, — is 'het dan vol te houden, dat wij thans in een wezenlijk andere situatie zijn terechtgekomen dan Luther in zijn dagen? Immers neen! Wie het anders ziet, is vervallen in de Supputatio, de eindtijdberekeningen van Luther.
Neen, gelijk thans was ook in Luther's dagen -het natuurrecht een zeldzame plant. Gelijk thans openbaarde zich ook toen de vrijgeesterij. Ook toen waren er geesten als naderhand Voltaire, Nietzsche, Sartre en Gide; geesten, die alle fundamenten loswrikken onder het wereldlijke regiment. Calvijn spreekt er met ontzetting over'in zijn: Tractaat der ergernissen.
Maar wat leert het Evangelie ons? „Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt" (Lucas 21 : 28). Waar wij dan echter wel aan moeten denken en rekening mee 'houden, is dat die verlossing ook kan zijn een nieuwe doorbraak van het licht der rede en een nieuw besef van het natuurrecht.
De geschiedenis leert ons om erg voorzfichtig te zijn met de leer der laatste dingen. Augustinus is al begonnen om daarvoor te waarschuwen. De leer der laatsite dingen veroorzaakt heel gauw kortsluiting met Gods raad en Gods bedoelingen. Dat gevaar 'ligt ook in 'het Chiliasme ^^), m het Doperdom. Wij moeten bedenken, dat de Here God, met eerbied gesproken, nog heel andere pijlen op Zijn boog heeft. De hele geschiedenis is vol van onvermoede wonderen, uitkomsten, wendingen. Het gaat altijd anders dan wij met onze Supputatio menen! Is onze eigen vaderlandse geschiedenis er niet het bewijs van.?
VIII „Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog", zegt het Evangelie. Zijn wij ons voldoende bewust, dat die itekst ook kan betekenen het gebed om wonderen in de geschiedenis; het gebed om wondermannen; het gebed om een nieuwe doorbraak van de rede en het natuurrecht.? Waarlijk, wij kunnen en mogen de Here God niets voorschrijven. Hij is souverein en almachtig. Zijn mogelijkheden zijn onbegrensd. Laten wij oppassen voor berekeningen!
Het ligt geheel dn deze lijn om hier te herinneren aan het gebed voor de overheid, dat ons in het Nieuwe Testament met zoveel ernst op de lippen wordt gelegd; .,Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen ite doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaats'ten, opdat wij een stil en gerust leven mogen leiden in alle godsvrucht en eerbaarheid" (I Timotheüs 2 : Iv.).
Dat gebed vinden wij terug bij alle apostolische vaders, bij de reformatoren.
Tegen de achtergrond van het voorafgaande beseffen wij enigermate, wat de inhoud van dat gebed was. Het was het gebed voor de overheid bij de erkenning en vervulling van haar eigen roeping en taak. Het gebed dus om een staatsbestel, gegrond op de
Het gebed dus om een staatsbestel, gegrond op de rede, die zich gebonden en afhankelijk weet van God en Zijn Wet.
Onze slotsom moet zijn, dat de Twee-Rijken-leer van Luther in wezen helemaal geen staatkundige lüheorie is geweest, maar een geloofsstuk en een gebedszaak. Vooronderstelling van de Twee-Rijken-leer is een gelovige en biddende gemeente. Het subliemste voorbeeld ervan uit onze vaderlandse geschiedenis is het gebed van de stervende Prins Willem: ,,Mijn God, mijn God, heb medelijden met mij en met dit arme volk". Moeten wij niet zeggen, dat wij als volk en natie bestaan tot op vandaag dankzij dit gebed.?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1984
Kerkblaadje | 8 Pagina's