Een veelbewogen leven in dienst van de Koning van de Kerk
Ds. David Jacob Benjamin
In de jaren negentig heb ik mij behoorlijk intensief beziggehouden met het levensverhaal van de eerste ‘zendeling’ van de Gereformeerde Gemeenten, ds. David Jacob Benjamin. In twee boeken werden artikelen over hem opgenomen. Toen in 1996 het boekje verscheen Dierbaar in Zijn oog, besloeg de bijdrage 47 bladzijden. Tot mijn spijt had deze bijdrage een ‘open einde’ – gegevens over zijn levensavond bleven onvindbaar. Op de laatste bladzijden schreef ik daarover: ‘Vast staat dat hij niet meer in het land der levenden is (…). Na een ziekte overleden? Vermoord misschien? We weten het niet. En hoe gaarne wij meer over hem zouden willen weten, we moeten met spijt constateren dat er een waas van onzekerheden, een wolk van vragen boven Benjamin hangt. ’t Is niet het belangrijkste om die verborgenheden te weten. Veel meer waarde heeft de wetenschap, dat hij is ingegaan in de rust die er overblijft voor het volk Gods.’
Toch bleef ds. Benjamin mij boeien. Het is dan ook tot blijdschap dat we geheel onverwacht enkele bijzonderheden vanuit Amerika, waar hij naar toe gegaan was, aangereikt kregen. Van zijn achterkleindochter Ruth Kambar, hoogleraar aan een Amerikaanse universiteit. Toen ik enkele malen in Amerika was, deed ik navraag bij deze en gene, zocht ik in bibliotheek en archief.
Nam ik een telefoonboek mee, waarna ik alle mensen met de naam Benjamin per brief of telefoon benaderde. Op de 21 brieven kwamen er alleen een stuk of zeven ‘onbestelbaar’ terug; telefonische contacten uit huis vandaan leverden ook niets op.
De foto van ds. Benjamin
Eind februari 2019 zette de heer Evan Kersten, een kleinzoon van ds. G.H. Kersten, mij op het spoor van de professor. Een interessante mail- en briefwisseling was het gevolg. We kregen enige informatie over zijn huwelijksleven, zijn levensavond, zijn sterven. Diverse malen liet ik zijn portret opnemen in boeken. In de hóóp dat de man op de foto inderdaad ds. Benjamin zou zijn! De foto trof ik in 1969 in een kartonnen omslagje aan in de Theologische School te Rotterdam, met nog zo’n kleine 20 andere foto’s. Fotoarchief Theol. School, stond erop geschreven in het handschrift van ds. Kersten. Ik nam aan dat het een foto van ds. Benjamin zou zijn, na deze met een andere, gedrukte foto van de predikant te hebben vergeleken, hoewel ik de absolute zekerheid miste. Er stond geen naam op de foto, kortom – er was een zeker risico. Maar dat is geheel weggenomen; Ruth Kambar mailde me dezelfde foto!
Sinds enige tijd zijn er restricties met betrekking tot de lengte van de artikelen voor Oude Paden. In twee afleveringen de gegevens vermelden lijkt ons niet zo’n goede gedachte voor een blad dat slechts viermaal per jaar verschijnt.
Daarom geven wij beknopt, binnen de ons toegemeten ruimte, wat levensbijzonderheden over deze predikant, die ontzaglijk veel heeft meegemaakt in zijn leven.
Kachelhout in Londen
Het is rond de jaarwisseling 1901-1902. Boven de stad Londen hangt een dikke mist. ’t Is kil en huiverig. De Londenaren kennen dit verschijnsel. Ze zijn eraan gewend, het hoort bij het jaargetijde.
Ergens in een achterafstraatje is een man aan het werk. De ramen in het sombere werkplaatsje laten weinig licht door. De man klooft met een bijl boomstammetjes. Hij is dit werk niet gewend, z’n rug doet pijn. Het is al laat, hij draait de gaslamp uit. Steekt een binnenplaatsje over. Daar is de ingang van een groot gebouw. Church Army, staat op de gevel. Een onderkomen voor daklozen, zwervers en armlastigen. Na wat te hebben gegeten, gaat hij naar bed. Buigt eerst zijn knieën en vraagt de Heere om bewaring voor de aanstaande nacht. Bidt vurig voor vrouw en kinderen, die enkele duizenden kilometers oostwaarts zijn. Bidt ook voor de gemeente, die hij achterliet. Voor een gemeente? Jawel, deze man is predikant. Maar nu is hij van huis en haard verdreven, nu klooft hij kachelhout om dat aan de man te brengen. Om nog een grijpstuiver te verdienen. Om de volgende dag de waan van alledag weer op te pakken en de Londenaren luidkeels te verkondigen dat hij op zijn handkar kachelhout te koop heeft. Een andere verkondiging als die waartoe God hem riep …
Grote offers
In het Turkse stadje Onbar in de provincie Kurdistan, een plaats met circa 15.000 families, wordt op 25 januari 1864 in het gezin van dominee Benjamin Sr. een zoon geboren, David Jacob worden zijn namen. Vader Benjamin was in Onbar geboren. Hij en zijn vrouw kenden beiden een ander leven. Te midden van geloofsvervolging bleven zij staande, maar de grootouders Benjamin stierven voor de dienst des Heeren. Met grote offers deden zij hun zoon naar een presbyteriaanse school, waar hij Bijbels onderwijs ontving. Dat onderwijs wierp vruchten af en later werd hij predikant.
David trof zijn moeder meermalen aan, als hij haar op verborgen plaatsjes op de knieën zag worstelen om bekering van haar kinderen. Maar van verhoring bleek toen nog niets; David greep liever naar een geweer dan naar Gods Woord. Dat was niets bijzonders; vanwege de voortdurende dreiging van de Koerden leerden de ouders hun kinderen zo rond hun tiende jaar met een geweer omgaan. Koerden vielen dorpen binnen, moordden ze uit en plunderden alles wat los en vast zat. Schoolgaan deed David niet, een christelijke school was er niet meer. Maar op zijn veertiende stuurden z’n ouders hem naar het Presbyteriaans Seminarie in de stad Urmiah. Hij leefde naar het goed-dunken van zijn eigen hart, alsof er geen God in de hemel en geen eeuwigheid aanstaande was. Bidden, danken, Bijbellezen – hij liet het na. Maar de Heere beschikte anders.
In de schuddingen
Toen David achttien jaar was, werden de waarschuwingen van twee mannen gebruikt om hem aan zichzelf te ontdekken. Die beide mannen hadden hem vier lange jaren steeds gewaarschuwd. De ene was een predikant met de naam Jozef, de ander was diaken Hubyar. Hun woorden leken geheel vruchteloos, tot David op zijn achttiende met Manasse erkende dat de Heere God is. Op een nacht kon hij niet slapen, dacht dat de eeuwigheid dichtbij was en meende voor eeuwig te zullen omkomen. De Heere bemoedigde hem: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt’ (Matth. 11:28). Er waren veel duivelse bestrijders, maar ook veel Godsbemoeienissen. Later schreef hij: ‘Een jaar lang heb ik na die verruiming in de schuddingen tusschen hoop en vrees verkeerd, altijd betwijfelend, of Christus’ gerechtigheid wel de mijne was. Doch het behaagde den Heere Zich krachtig te openbaren in deze woorden: ‘Uw zonden zijn u vergeven. Ga henen in vrede.’’
Hij kreeg een vrouw, Julia, uit de hand des Heeren. Haar achternaam was George.
Op zijn twintigste werd hij predikant. Geen kerkgebouw, geen pastorie, geen twee- of driemaal naar de kerk, geen synode of deputaatschappen. Het was niet anders dan het brengen van Gods Woord op zes verschillende plaatsen. Hij moest honderden kilometers afleggen om de boodschap van vrije genade te kunnen uitdragen. Dwars door onherbergzame valleien en over bergen ging de reis, nooit alleen, maar steeds met enkele gewapende vrienden. Als hij preekte, kwam de ‘gemeente’ naar een geheime plaats in de openlucht, waar enkele vrienden de wacht hielden, bang als men was voor Koerden in hun haat tegen christenen. Soms bestond zijn traktement uit stenen die hem om de oren vlogen! Wonderlijke bewaringen overkwamen hem, ook toen hij aangevallen werd door woedende Koerden die hem mishandelden, ja bijna hadden gedood.
Tussen de ratten
David werkte met buitengewone ijver om zielen voor Koning Jezus te gewinnen. Hij werd eens gevangengenomen en moest in een vunzig kerkerhol de ratten gezelschap houden. Als hij honderd dollar, in die tijd een ontzaglijk grote som geld, zou betalen, mocht hij uit de gevangenis. Onmogelijk! Het bedrag werd verlaagd naar zestig en daarna naar veertig dollar. Zijn vrouw deed wat ze kon om dit bedrag bijeen te brengen. Ten slotte kon ze het lenen. Tegen 50% rente. David kwam vrij, maar was tevens vogelvrij verklaard. Er werd gespaard voor terugbetaling. Vergeefs, de Koerden stalen enkele malen het gespaarde geld. Vervolgens werd zijn huis in brand gestoken. Er was met Habakuk geen rund meer in de stallingen. Tenslotte besloot hij naar West-Europa te gaan om daar geld te verdienen en met een volle beurs weer terug te keren.
Een bed vol doornen
Hij trok via de stad Tiflis, ongeveer 500 kilometer verder, naar Stockholm, Zweden. Geld voor de reis kreeg hij van een Joodse geldschieter, tegen 60%. In Stockholm kwam hij, dodelijk vermoeid, bij een hotel aan. ‘Mijn bed leek wel vol doornen’, schreef hij later. Klagend, luid wenend en kermend stelde hij zijn nood de Heere voor. Zo hard, dat de hoteleigenaar het hoorde en hem vroeg wat eraan scheelde. Hij bood hulp. Via via kwam hij bij de oude ds. Bergmann terecht, die hem financieel wilde steunen. Van harte. Even later kraste zijn kroontjespen op een postwissel, bestemd voor zijn gezin in Turkije.
Ds. Bergmann gaf hem het advies om naar Engeland te gaan. Om daar te proberen aan de kost te komen. En zodoende troffen we hem in Londen aan met z’n kachelhoutjes. Dat zware werk bracht hem dicht aan het einde van zijn krach-ten. Met als gevolg dat hij bijna zes maanden moest worden verpleegd in een Londens ziekenhuis. Was dat nu Gods leiding?
Hij werd uit het hospitaal ontslagen, was weer voldoende aangesterkt. Maar kachelhout slijten was zinloos, het was inmiddels hartje zomer. Met zijn laatste geld vertrok hij naar ons land. Bij een zekere familie Van Rossem-Gunning in Arnhem mocht hij een halfjaar blijven. Deze mensen stelden alles in het werk om geld voor hem en zijn gezin bijeen te brengen, nadat zij van de voorzitter van het Presbyteriaanse Zendingsgenootschap in zijn woonomgeving goede getuigenissen over hem hadden ontvangen. Samen met ds. A.S. Talma (‘de rooie dominee’) schreef mevrouw Van Rossem een boekje over de erbarmelijke situatie van ds. Benjamin teneinde geld binnen te krijgen. Ds. Kersten heeft dat boekje in handen gehad, maar nooit heb ik een exemplaar daarvan ergens gezien.
Verlopen paspoort
David besloot naar zijn gezin terug te keren. Dit vanwege aanvallen van reuma. Na zeven maanden Londen en acht maanden Amsterdam en Arnhem was er een groot verlangen naar zijn vrouw en kinderen. Een reis met moeilijkheden: in Rusland werd zijn beste kleding gestolen, waardoor hij aan vinnige kou werd blootgesteld; aan de Russisch-Perzische grens werd hij twee dagen en nachten gevangengezet omdat zijn paspoort langer dan een half jaar was verlopen. Hij kreeg toestemming om zijn reis te vervolgen na betaling van ongeveer 50 gulden. Het laatste stukje van de reis trok hij mee met een karavaan. Een roversbende van eigen landgenoten beroofde hem van het allerlaatste wat hij bezat. Dicht bij huis gekomen, zag hij een vriend die meteen met spoed naar het huis van familie Benjamin ging om zijn gezin van zijn komst op de hoogte te stellen. Zijn vrouw en kinderen snelden hem tegemoet. Benjamin stelde voor om op de stoffige weg neer te knielen om de Heere te danken.
Vol goede moed begon hij na twee weken weer te preken, driemaal op zondag. Ook stichtte hij een school, waar binnen korte tijd tachtig leerlingen naartoe gingen. Het geld daarvoor brachten Hollandse vrienden binnen. Maar de Koerden zaten niet stil; toen hij eens uit preken was, drongen 25 gewapende rovers zijn huis binnen en eisten geld. De vrouw van ds. Benjamin vluchtte, maar viel en raakte gewond. Hun zoontje Jacob nam een zusje van een jaar op z’n arm en vluchtte het dak op. Door de angst vielen ze eraf. Jacob brak zijn been, zijn zusje overleed. De Koerden, die niet veel van hun gading konden vinden, sloegen de boel kort en klein. Toen de predikant thuiskwam van de preekbeurt, trof hij dit alles aan en zakte in elkaar van ellende. De Koerden lieten het niet bij deze ene keer, maar kwamen steeds weer terug. Ten slotte besloot het gezin te gaan verhuizen.
Eindelijk in Yonkers
Voor de zoveelste maal in hun leven betrokken ze een onderkomen, nu in Urmiah. Ze zagen zich genoodzaakt om geld te lenen voor hun levensonderhoud. Het begon met weinig, maar de schuld liep door de extreme rente op tot 900 dollar. Niet terugbetalen betekende levenslange gevangenisstraf. Tot overmaat van ramp werd een zwager van Benjamin door de Koerden vermoord. Zijn weduwe werd met zeven kinderen aan het gezin Benjamin toevertrouwd. Wat nu? Terug naar Holland? Tot verdriet van vrouw, kinderen en gemeente werd daartoe besloten in de hoop geld los te krijgen. De oudste zoon ging met zijn vader mee. Via Zweden, waar ze vergeefs ds. Bergmann zochten, die, gelet op zijn hoge leeftijd naar alle waarschijnlijkheid overleden was, trokken ze naar Arnhem. Daarvandaan vertrok de zoon naar Rotterdam, vond er een werkkring, maar verliet snel daarna ons land om naar Amerika te gaan. Op 7 februari 1906 vertrok ds. Benjamin eveneens naar Amerika. Een landgenoot in de plaats Yonkers bood hem onderdak. Daar werd de foto van hem gemaakt, waarover wij schreven. Benjamin kon toen niet vermoeden dat hij in die plaats jaren later nog eens het Woord Gods zou brengen … Hij reisde naar Cleveland (Ohio) en vroeg toestemming om te preken. Dat werd hem geweigerd. Twee predikanten, Bolt en Hoffman, beiden Nederlanders, hielpen hem en lieten hem voorgaan. Door deze inkomsten kon ds. Benjamin naar Michigan reizen. In Detroit aangekomen, wilde geen mens hem helpen. Nadat zijn laatste geld in de zak van een hoteleigenaar was verdwenen, zat er niets anders voor hem op dan op een bankje in een van de vele parken te overnachten. Een Luthers predikant ontmoette hem, nam hem mee naar zijn huis en gaf geld om naar Grand Rapids te reizen. Daar aangekomen, trof hij enkele predikanten aan die hem lieten voorgaan in hun gemeenten. Een commissie van vier predikanten zouden zijn verleden onderzoeken. De inlichtingen waren gunstig.
Er werd besloten hulp te bieden en in een artikel in De Wachter werd aandacht gevraagd voor de nood van deze prediker. Ook in De Heraut, orgaan van de Gereformeerde Kerken in Nederland, werd op 28 oktober 1906 een oproep tot hulp geplaatst. Benjamin zocht toen contact met het Presbyteriaanse Zendingsgenootschap. Verpletterend was de schriftelijke reactie: men kon hem niet gebruiken!
Bij ds. Pieneman …
De dag nadat deze brief was ontvangen, kwam ds. Benjamin in contact met ds. Titus Hager, predikant bij de gemeente aan de Turner Ave in Grand Rapids. Die verwees hem naar ds. Kornelis Pieneman. Deze predikant was in februari 1906, kort geleden dus, in Grand Rapids komen wonen. Ze kenden elkaar, hadden elkaar in Rotterdam ontmoet. Ds. Benjamin zag het als een gebedsverhoring dat ds. Pieneman hem niet na de maaltijd liet vertrekken met onbekende bestemming, maar hem vier maanden lang een kamertje in de pastorie aanbood. De Heere legde banden tussen beiden. Pieneman was maar acht maanden ouder, maar was een vaderlijke vriend voor Benjamin. Er werd een collecte voor hem gehouden, die 142 dollar opbracht. Toen ds. J.C. Wielhouwer, die in Paterson predikant was, ervan hoorde gaf hij nog eens 25 dollar.
… en ds. Kersten
Na verloop van tijd adviseerde ds. Pieneman hem om naar Holland terug te keren. Dat gebeurde. In New York vertrok hij per boot naar Rotterdam. Daar kwam hij zondag 2 december 1906 aan. De volgende dag stond hij al op de stoep van de Boezemsingel 46, de pastorie van de toen 24-jarige ds. Kersten. Met een aanbevelingsbrief op zak van diens bijzondere vriend ds. Pieneman. Toen ds. Kersten merkte dat de man tegenover hem de tale Kanaäns door genade sprak en dienaar des Woords was geweest, vloeiden de harten ineen. Geheel vreemd was Benjamin niet voor ds. Kersten; hij had kortgeleden een bericht over hem gelezen in De Heraut. Hij zag het als zijn dure plicht om deze zo zwaar beproefde mededienstknecht te helpen. Tevens werden de ogen van ds. Kersten geopend voor de noodzaak om zending te bedrijven. Zou de Heere deze ds. Benjamin daarvoor willen gebruiken? Voorlopig kreeg hij een opgeschud bed in de Rotterdamse pastorie.
Niet zuinig met geld
Heel kort daarna vergaderde de classis Barneveld. Ds. Kersten bracht de aandacht van de afgevaardigden op zijn bezoeker. De classis besloot te collecteren voor ds. Benjamin. Maar … vroeg tevens ds. Kersten om het een en ander over deze predikant in een brochure te vermelden om het zodoende aan een breed publiek bekend te maken. Ds. Benjamin wilde dat zelf wel ter hand nemen. Eerst in het Syrisch, daarna vertaalde hij het in het Engels en daarna kwam een Hollandse versie: Eenige trekken uit het leven van Ds. David Jacob Benjamin Armenisch Zendeling. Door hem zelf medegedeeld en ten zijnen voordeele uitgegeven. In maart 1907 vertrok ds. Benjamin weer naar zijn gezin. Daar kwam hij niet met lege handen aan; ƒ 2.105,24 had hij meegekregen. Er zou voortaan 500 gulden per jaar aan hem worden toegekend, van vrienden en van onze Hollandse en Amerikaanse gemeenten. Daarna kwam er een verblijdend en tegelijk een zorgvol bericht. Verblijdend, omdat hij was benoemd tot onderwijzer aan een Duitse weesschool voor zestig Syrische meisjes in Urmiah. Zorgelijk was het bericht dat hij ‘niet zuinig omgaat met het geld.’ Zondagochtend en -middag preekte hij in de school, zondagavond in de dorpen in zijn omgeving.
Ds. Kersten bleef ds. Benjamin steunen. In 1909 stelde hij opnieuw een brochure samen: Eenige mededeelingen aangaande Ds. D.J. Benjamin. Tevens rapporteerde hij aan de Synode van Middelburg. Aanvankelijk liet ds. Benjamin weten dat het goed ging. Maar al spoedig werd het anders. De Koerden hadden opnieuw wreed toegeslagen, hadden zijn nichtje vermoord en vijf steden waar veel Christenen woonden, aangevallen. Ongeveer 200 mensen werden omgebracht. ‘Gedenk onzer in uwe gebeden, zoo gij kunt, help ons’, zo luidde de alarmbel aan ds. Kersten.
Zijn enige troost
De ene brief volgde op de andere. Daarin hield ds. Benjamin de gemeenten op de hoogte. Het Woord des Heeren werd door hem gestrooid, dat kon geen Koerd tegenhouden. Hij moest zijn arbeidsveld wel verplaatsen en trok naar Rusland, naar de plaats Armawir. Driemaal was hij de laatste maanden gevangengezet. ‘Ik was zeer bezwaard, doch heb ondervonden dat mijn eenige troost is mijn toevlucht tot den Heere te nemen’, schreef hij aan ds. Kersten. Hij stuurde ook een foto mee, waarop hij tussen gemeenteleden en schoolkinderen is afgebeeld. Hij stichtte in Armawir een schooltje, liet de kinderen Engels leren en ook de Catechismus, de Tien Geboden, de Geloofsbelijdenis en het Onze Vader. Bij een drietal jonge mannen nam hij de eerste ritselingen van het zaligmakend genadewerk waar.
De duivel zat niet stil; Benjamin bevestigde in het geheim een huwelijk, maar dat lekte uit. Er werd op hem geloerd. Toen hij een begrafenis leidde, viel een bende op hem aan, onder leiding van een Russische geestelijke. Ternauwernood ontkwam hij aan de dood. Een andere keer vlogen de stenen hem weer om de oren. Hij miste zijn vrouw, die hij sinds 27 juni 1909 niet meer had gezien, en ook zijn nog thuiswonende kinderen, Nathan, Nicolaas en Emma. Daarbij drukten de financiële lasten zwaar. De huishuur was 85 gulden per jaar voor zijn gezin, in Armawir had hij ook huur te betalen en voor de kinderen moest er schoolgeld op tafel komen. Tenslotte vroeg hij Hollandse vrienden om geld. Hij was inmiddels 46 jaar, maar was een versleten man geworden. ‘Ik ben zeer oud en zwak geworden en heb niet één tand meer’, zo schreef hij in een ps-je.
Twee jaar al werkte hij in Rusland. Maar tijdens de Synode die op 17 mei 1911 in de Boezemsingelkerk in Rotterdam plaatsvond, stelde voorzitter Kersten een kleine, donker uitziende man aan de vergadering voor: ds. Benjamin!
Het werk in Rusland was niet ongezegend gebleven. Hij had het laatste jaar al 82 maal gepreekt. Hij gewaagde van vier mannen en drie vrouwen, van wie hij geloofde dat ze toegebracht zouden worden tot de gemeente die eenmaal zalig zal worden. Toch moest er veel in het geheim gebeuren: avondmaalszondagen, begrafenissen en huwelijksbevestigingen. Begraven gebeurde ’s nachts. Zo moest hij eens een rouwsamenkomst leiden omdat een catechisantje van hem was overleden. Ondanks het geheime karakter van de begrafenis waren velen in het nachtelijk uur samengekomen. Hij wees de hoorders erop dat de dood een vruchtgevolg is van de zonden. En de Heere zegende die woorden, die men nooit eerder had gehoord in de orthodoxe kerken. Er dreigde gevangenneming. Maar Benjamin zei: “Ik ben niet alleen bereid om de gevangenis in te gaan, maar ook om voor mijn geloof te sterven. Ik ben niet meer dan mijn Zaligmaker, Die om mijnentwil de dood is ingegaan.”
Reizen en trekken
De Synode had wel bezwaar tegen het feit dat ds. Benjamin in Rusland preekte en zijn pastorale arbeid deed. Het was immers de bedoeling van de Hollandse kerken dat hij in Urmiah zou werken, bij zijn vrouw en kinderen. En dat hij nu onaangekondigd in Rotterdam was gearriveerd, werd hem niet in dank afgenomen. De broederband werd daardoor bepaald niet verstevigd. Men wilde dat hij terug zou gaan naar Perzië. Als hij dat zou doen, zou hij 750 gulden ontvangen om terug te reizen. En Benjamin deed dat; hij kocht een enkele reis naar Urmiah in Perzië.
Maar … begin 1912 schreef hij ds. Kersten dat hij naar de plaats Soubulah vertrokken was, vier dagen reizen van Urmiah vandaan. Hij was gevlucht, gevangengenomen, maar weer vrijgelaten. In Soubulah was werk voor hem, zo schreef hij. De zendingsdeputaten waren niet blij met deze brief. Was er noodzaak om steeds te reizen en te trekken? Men begreep wel dat er bittere noodzaak kon zijn om te vluchten naar andere oorden. En natuurlijk kon niet altijd overleg met ds. Kersten plaatsvinden. Toch zat het de deputaten niet lekker. En toen men hoorde dat ds. Benjamin zich had aangesloten bij een Luthers Zendingsgenootschap, dat in Amerika het hoofdkantoor had, was de maat bijna vol. Het geld dat in Holland voor hem werd opgebracht, kwam meer aan hem en zijn gezin ten goede dan aan de zending. En dat was niet de bedoeling.
Tijdens de Synode van Krabbendijke in mei 1912 werd gemeld dat ds. Benjamin zich had losgemaakt van de Gereformeerde Gemeenten. ‘Mocht de Heere hem trotsch alle wispelturigheid nog dienstbaar maken tot de uitbreiding van Zijnen Naam en van Zijn Koninkrijk.’ Men ging niet in op het voorstel van ds. Benjamin dat hij afscheid zou nemen van de Amerikaanse zendingsorganisatie.
Griek en Barbaar
Het Rapport van Deputaten voor de Zending, gelet op het taalgebruik door ds. Kersten opgesteld, en behandeld op de Synode te Rotterdam op 17 mei 1916, vermeldt onder meer: ‘Doch sinds Ds. Benjamin zich van ons losmaakte, daagde voor ons niemand op, die den begonnen arbeid weder opvatten zou. Wijl voor onze gemeenten ’t onmogelijk is een eigen Zending in vollen omvang te beginnen, zal de Zendingsarbeid voorloopig wel tot staan zijn gekomen (…). Zij besluit met de bede, dat de Heere eens nog den weg ons opene, dat ook onze schuld aan Griek en Barbaar zij ’t niet betaald, dan toch een weinig moge worden afgelost.’
En toen stopte het verhaal en het spoor van ds. Benjamin liep dood toen wij in 1996 over hem publiceerden. We vroegen ons af wat er nadien met hem gebeurd kon zijn. Overleden na een ernstig ziekbed? Vermoord door de Koerden? Na ontberingen gestorven in een verbanningsoord in Siberië? Zo besloten wij toen ons verhaal.
Maar er kwam dus geheel ongedacht en onverwacht een ‘wordt vervolgd.’ Ds. Benjamin vestigde zich enige tijd met zijn gezin in Kensington, New Britain, Connecticut. Hij preekte in diverse plaatsen. In de stad Yonkers in de Yonkers Church, hoek Riverdale Avenue/Highland Avenue, waar hij niet in het Engels, maar in het Assyrisch preekte. Daarvoor preekte hij in Philadelphia, in de Gaston Presbyterian Church en in de First Assyrian Presbyterian Church aan de Jackson Street in Yonkers. In de familiekring kreeg hij een koosnaam, Poppa Jura, dat zoveel betekent als ‘grote vader.’ Zijn zoon Jacob, die zoals we schreven naar Amerika was geëmigreerd, veranderde de naam Benjamin in Ardashier. Waarom? Dat is voor ons onbekend. Zijn zoon Nicolaas (Nicolai) is de grootvader van professor Ruth Kambar, die ons gegevens aanreikte. En een dochter van Emma, de zus van Nicolai, is op het moment van het schrijven van dit artikel nog in leven, 94 jaar oud.
Ds. Benjamin preekte zolang hij kon. Ook schreef hij voor de American Bible Society, het Amerikaanse Bijbelgenootschap.
Op maandag 19 januari 1942 omstreeks 19.00 uur kwam zijn levenseinde, enkele dagen later zou hij 78 zijn geworden. Hij werd begraven op 22 januari op de begraafplaats Oakland Cemetery in zijn woonplaats Yonkers. Kennelijk heeft de eerder vermelde familie Van Rossem-Gunning uit Arnhem contact gehouden met ds. Benjamin en zijn gezin; zij zorgden in financieel opzicht voor de dochter Emma.
Ds. David Jacob Benjamin. Min of meer grondlegger van het zendingswerk, zoals dat decennia later gestalte kreeg binnen de Gereformeerde Gemeenten. Hij heeft zeldzaam veel verdriet, ontbering en spanning mee moeten maken. Gezworven over de wereld, soms van huis en haard verdreven, in gevangenissen, in doodsgevaar, heeft hij uiteindelijk zijn rust verkregen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 2019
Oude Paden | 48 Pagina's