Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Evangelist en publicist (deel 2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Evangelist en publicist (deel 2)

J.A. Schalekamp (1859-1944)

19 minuten leestijd

In het vorige nummer van Oude Paden werd de Nederlands Hervormde godsdienstonderwijzer J.A. Schalekamp voorgesteld en het beeld geschetst dat hij van zijn leven heeft gegeven. Schalekamp verstond de kunst van het schrijven en beleefde er een genoegen aan zijn geloof met de pen tot uitdrukking te brengen. Op hoge leeftijd schrok hij er zelfs niet voor terug om speciaal voor de jeugd het door hem beleden geloof concreet en op aansprekende wijze te verwoorden. In dit artikel geef ik eerst een impressie van de wijze waarop door Schalekamp als verteller ‘de wonderbare leidingen Gods’ in het leven van door hem geschapen personages is beschreven. Daarna ga ik in op de opstellen die hij voor de jeugd schreef. Die geven een goede indruk van het geloof dat hij als evangelist uitdroeg. Ik sluit af met een omschrijving van de belangrijkste door hem bepleite ‘geloofsartikelen’.

Schrijver van verhalen

Schalekamp publiceerde twee kerstverhalen: (1) Een spoorwegramp op eersten kerstavond 1891 te Feyenoord (1904) en (2) Kreupele Stientje (ca. 1925). ‘Bekering’ heeft daarin een voorname plaats. In het eerstgenoemde dat, voor zover valt na te gaan, een fictief ongeluk beschrijft, wordt de bekering beschreven van een ooit vermogende man die door eigen schuld genoegen moest nemen met een bestaan als timmermansknecht. Hij is aan de drank en antigodsdienstig. Hij verbiedt zijn dochtertje de zondagsschool te bezoeken. Het meisje ontkomt, wanneer zij tijdens de kerstdagen bij een oom en tante logeert, ternauwernood aan een voortrazende trein die drie andere kinderen meesleurt. Deze gebeurtenis en een droom, waarin hem zijn toekomstig lot als dronkaard voor ogen wordt gesteld – hij zag ‘zich te midden in ’t helsche vuur’ – bewerken de ommekeer in zijn leven. Hij gaat weer naar de kerk, leest geregeld in de Bijbel, bidt en dankt hardop aan tafel, stuurt zijn dochtertje naar de zondagsschool en heet een ‘fijne’ dominee welkom in zijn huis.

In Kreupele Stientje is een oud-Indiëganger voorwerp van bekering. De in het leven teleurgestelde man – hij heeft zijn dochtertje verloren – schiet Stientje te hulp wanneer zij vanwege haar gebrek door de dorpsjeugd geplaagd wordt. De op het kerstfeest geboren Stientje is kreupel sinds zij op negenjarige leeftijd vlak voor kerst bij een wild spel hard op het ijs terecht is gekomen. Zij raakt bevriend met haar redder en brengt fleur in zijn leven zodat hij van een barse man verandert in een vriendelijk mens. Bovendien eigent hij zich door haar toedoen het ware geloof toe. Hij sterft met op de lippen de woorden: ‘Het bloed van Jezus Christus reinigt mij van alle zonden’.

Zelf was Stientje een overtuigd christen na haar val op het ijs. Op haar ziekbed raakte zij geroerd bij de gedachte aan de betekenis van kerst, de komst van ‘de Heere Jezus Christus juist voor zondaren’. Zij overdacht ‘hare ongehoorzaamheid [het wilde spel op het ijs], waaraan zij haar ongeval weet, en waarover zij nu zoo diep berouw had’. Ook besefte zij tot haar vreugde dat ‘de Heere ook hare zonden vergeven wilde’. Reeds eerder, bij de geboorte van Stientje, was haar broer Wim de consequenties van kerst voor de christen onder ogen gebracht. Bij een sneeuwballengevecht vlak voor kerst was hij gewond geraakt door een sneeuwbal met een steen erin. Het kostte hem grote moeite de berouwvolle dader te vergeven en het evangelie van kerst te verstaan. Met ‘de hulp des Heeren’ overwon hij echter zijn ‘onverzoenlijkheid’. Hij zag in ‘hoe de groote zondaarsliefde door God in de overgave van Zijn Eniggeboren Zoon betoond’, de christen ertoe dwingt zijn ‘vijanden lief te hebben en geen kwaad met kwaad te vergelden’. De dader, Kees genaamd, figureert ook in het vervolg van het verhaal. Hij wordt kruideniersbediende. Na ontslag wil hij in koloniale dienst treden. In een gesprek, gevoerd ‘in een kroeg, waarvan Kees zeide, dat het zijn kosthuis was’, probeert Wim hem zonder succes daarvan af te houden. Kees sterft aan beriberi. Stientje en Wim hopen dat ‘hij nog als een brandhout uit het vuur gerukt geworden was’, maar konden daaromtrent geen zekerheid verkrijgen.

Christenen in woord en daad

Het voornaamste doel dat Schalekamp met zijn verhalen voor ogen had, was de portrettering van christenen in woord en daad. Wim en Stientje en hun ouders waren zulke christenen. In Kreupele Stientje voert Schalekamp nog zo’n gelovige ten tonele in de persoon van de verpleegster van Stientje, een vrouw, ‘niet somber en droefgeestig [...], maar vol levensmoed, doch dit alles geheiligd, door een ongekunstelde vroomheid van gemoed’.

Met name in De vrouw van den strandjutter (1919) en Een slachtoffer van jaloezie (1922) worden de kenmerken van christenen in woord en daad belicht. De juttersvrouw is strikt eerlijk. Haar man, die buiten haar medeweten zich met jutten bezig houdt, wordt betrapt en op beschuldiging een nog levende drenkeling beroofd en in zee teruggeduwd te hebben, op het schavot gebracht. Hij laat zijn vrouw een doosje met kostbaarheden en waardepapieren na dat haar een zorgeloos bestaan garandeert. Zij maakt er geen gebruik van, maar probeert de rechtmatige eigenaar op te sporen. Het blijkt een Engelse lord te zijn. De identificatie van de eigenaar gaat gepaard met een grote verrassing: de huisknecht en de koetsier van de lord blijken de zonen van de vrouw te zijn, die ooit vanwege het onheuse optreden van hun vader van huis waren weggelopen. Zij bezoeken hun moeder op een cruciaal moment. Zij dreigt uit haar schamele kamer gezet te worden wegens een huurachterstand. De lord koopt haar vroegere woning en stelt haar in staat daar in goeden doen haar verdere leven te slijten. De vrouw vermoedt dat haar man ‘dien zij, ondanks zijn ruwheid en onverschilligheid, toch innig liefhad’, zijn brood niet eerlijk verdient, en vermaant hem te bedenken dat ‘op het loon der ongerechtigheid nimmer ‘s Heeren zegen kan rusten’. Zij bidt om zijn bekering en vraagt God zijn ogen te openen opdat ‘hij zich als een zondaar’ neerwerpt voor Gods ‘genadetroon’ en leert ‘pleiten op het borgtochtelijk lijden en sterven’ van Gods ‘eenig geboren zoon, Jezus Christus’. De man sterft tot groot verdriet van zijn vrouw onbekeerd, ‘in een staat van verharding’.

De vrouw is een en al vertrouwen op God. Haar credo luidt: ‘’t Is de Heere, die al onze wegen bestuurt. Zoo Hij ’t maakt, zal het wel goed zijn. Zijn wil geschiede’. Wanneer zij haar leven overziet, is zij met ‘innige zielevreugd’ vervuld over ‘de wonderbare geleidingen des Heeren’ en roemt zij uitbundig ‘Zijne goedheid en onwankelbare trouw jegens haar’.

Zij heeft haar vijanden lief. Zo blijkt uit haar bejegening van de koddebeier die behoorde tot de mannen die haar echtgenoot inrekenden. De man die een hekel heeft aan ‘de fijnen’ en haar haat om ‘hare vroomheid en nauwgezetten levenswandel’, maakt haar het leven zuur. Wanneer de koddebeier zelf zich schuldig blijkt te maken aan strandjutterij en gevan-gen wordt gezet, heeft zij geen leedvermaak. Zij bidt voor ‘de verstokte zondaar’ en smeekt God ‘dat de man nog leeren mocht zich voor den Heere te verootmoedigen’. Ook heeft zij te doen met de vrouw van de koddebeier. Zij vraagt God ‘dat het hem behagen mocht, haar een weg aan te wijzen, waardoor zij de ongelukkige vrouw tot troost en steun kon zijn’.

Voorbeeldige christenen zijn ook de hoofdpersonen van Een slachtoffer van jaloezie. Hij, Holler geheten, en zijn vrouw zijn keurige mensen en in elk opzicht het tegenbeeld van het naast hen wonende echtpaar Schönfield, slordige, ruwe en goddeloze lieden. Door een beschrijving van de lotgevallen van beide echtparen laat Schalekamp zien hoe de vromen in het leven staan en hoe het mensen vergaat die zich niet storen aan God en Zijn geboden.

Holler en Schönfeld werken in dezelfde fabriek. Holler is een modelemployee. Hij maakt carrière en wordt de meerdere van zijn buurman. Dat zet kwaad bloed bij Schönfeld en zijn vrouw. In de ban van de jaloezie probeert hij Holler in diskrediet te brengen. Eerst door een poging hem als fraudeur in een kwaad daglicht te stellen. Dat mislukt. Schönfeld wordt ontslagen, maar behoudt op voorspraak van Holler zijn betrekking. Daarna neemt Schönfeld een huurmoordenaar in de arm. Die slaat met een aan Holler ontvreemde bijl de directeur van de fabriek dood. Holler belandt in de gevangenis. Uiteindelijk komt de ware toedracht aan het licht. Inmiddels was Hollers vrouw evenzeer als haar man een slachtoffer van de jaloezie. Zo ziek van ellende was zij dat het er naar uitzag dat zij nog voor Hollers vrijlating zou sterven. Zo ver kwam het niet. Vlak voor haar dood kon Holler op waardige wijze van zijn vrouw afscheid nemen. Holler is steeds vol geloofsvertrouwen. Hij beschouwt zich als een door God ‘bewaard en rijk gezegend mens’ en is ervan overtuigd dat hij onder Gods hoede ‘ten allen tijde veilig’ is. In de gevangenis houdt hij aan die overtuiging vast, wat niet wegnam dat ‘hij diep gebukt [ging] onder de zware verdenking, die op hem rustte, en niet het minst onder de bange zorg voor zijn arme vrouw’. Wanneer zijn onschuld aangetoond is, bidt Holler voor de huurmoordenaar en voor zijn buurman, die hardnekkig zijn aandeel in de misdaad ontkent. Hij vraagt God hun daden te vergeven en hun ‘hun gruwelijke zonden [te leren] kennen en [te] betreuren en in oprechtheid voor uw heilig aangezicht te belijden’. Het is zijn grootste wens dat Schönfeld na oprechte schuldbelijdenis ‘verzoening vinden moge in ’t bloed des kruises’.

Toen Schönfeld op beschuldiging van medeplichtigheid aan moord in het cachot was vastgezet, was Hollers vrouw, hoe ziek zij ook was, zeer begaan met haar buurvrouw. Op haar sterfbed smeekt zij haar haar ‘weg, met al zijn moeilijkheden en bezwaren op den Heere [te wentelen] en op Hem te vertrouwen’, haar zonden te belijden en, ‘pleitende op het dierbaar zoenbloed van Christus’ God om genade te vragen. De smeekbede bleef onbeantwoord. De vrouw verliet ‘in een vlaag van wanhoop hare kinderen’. Later ‘vond men haar lijk te D. in een gracht’. Hoe anders was het levenseinde van Hollers vrouw. Na haar man, ‘die in stomme smart’ vanwege de aanstaande ‘scheiding des doods’ aan haar sterfbed zat, vermaand te hebben haar het sterven niet ‘zwaar [te maken] door uw opstand tegen God’, werd zij ‘verlost uit dit aardsche jammerdal en hare ziel voer op, om onder ’t geklank der hemelsche heirscharen, ten hemel gevoerd te worden’. Holler was ‘geheel wezenloos van droefenis. Al spoedig echter gaf de Heere hem genade, om in Zijn ondoorgrondelijken wil te berusten’.

Typisch bevindelijke trekken

De verhalen bevatten een aantal voor het bevindelijk geloof kenmerkende elementen. Holler en zijn vrouw zijn leden van een godsdienstig gezelschap. Zij behoorden tot een groepje van gelovigen dat de plaatselijke kerk meed vanwege de vrijzinnigheid van de plaatselijke predikant. Zijn prediking had ‘niet Jezus Christus en Dien gekruisigd’ als middelpunt, maar ‘een goede, eerbare, zedelijke levenswandel’. In huiselijke kring schaarden Holler en zijn geestverwanten zich rondom de Bijbel.

Bijbelwoorden blijken directe betekenis te hebben voor de gelovigen in hun specifieke situatie. Tijdens een van de bijeenkomsten van het gezelschap verhaalt Holler hoe hij bij de lezing van de Bijbel aan tafel gewoon is de Bijbel steeds bij de leeswijzer open te slaan om verder te gaan op het punt waar hij de lezing eerder had afgesloten. Nu was het hem overkomen dat de Bijbel zesmaal achtereen niet bij de leeswijzer openging, maar openviel bij Jesaja 57:15-21. Voor hem was dat ‘een aanwijzing des Heeren’. Met name de verzen 20 en 21 die handelen over de goddelozen ‘als een voortgedreven zee’ en over de afwezigheid van ‘vrede’ in hun leven, raakten heel direct aan de actualiteit, de intriges van Schönfeld. Voor de vrouw van de strandjutter had het bij Jesaja 43 opengeslagen Schriftwoord voorzeggende betekenis. Toen zij daar, in de verzen 5 en 6, las: ‘Breng mijne zonen van verre’, ‘kwam er een gevoel van innige dankbaarheid en onuitsprekelijke blijdschap over haar, waaraan zij geen verklaring wist te geven’. De betekenis werd zij gewaar toen zij korte tijd later haar spoorloos verdwenen zonen in de armen sloot.

Toen Koba, het meisje dat gespaard bleef bij de spoorwegramp, haar grootmoeder verteld had dat zij de kerstdagen bij familie in Rotterdam zou doorbrengen, sprak die de raadselachtige woorden: ‘Och ja, kind, wie weet waarvoor ge soms weg moet gaan, wie weet wat de Heere nog met je voorheeft’. De grootmoeder behoort tot het slag mensen dat een antenne blijkt te hebben voor de inhoud van Gods raadsbesluiten nog voordat die tot uitvoering zijn gebracht. De evangelist staat in ere. Meer dan de academisch gevormde predikant beschikt de lekenprediker over de bijzondere gave de gelovigen tot diep in hun hart te treffen. Over de voorganger in de kerkdienst die Koba op kerst bijwoonde, lezen we, ‘want al was de prediker [...] maar een eenvoudig Evangelist, zijne prediking werd nochtans altijd met de meeste belangstelling gezocht en met onverdeelde instemming aangehoord’. Tot slot, in de beide kerstverhalen (1, 9) is de kerstboom een geaccepteerd attribuut op het kerstfeest. Voor de hervormde Schalekamp blijkt die niet, zoals voor andere bevindelijk gereformeerden, taboe te zijn.

Evangelist in de crisisjaren

In de jaren dertig van de twintigste eeuw verzorgde Schalekamp als bejaard man op verzoek van uitgever J.P. van den Tol te Nieuw-Beijerland een aantal speciaal op jonge mensen gerichte geschriften: (1) Een ernstig woord tot de Nederlandsche jeugd over de zonde en ellende van dezen tijd; (2) Neerlands roem te schande of de Heere spreekt! Een ernstig tijdwoord over de vele vliegtuigrampen in onzen tijd; (3) Alle uren in gevaar; (4) Het verdrukte Abessinië; (5) Het tragisch einde van Abessinië. Onder de titel Bange dagen werden zij in 1836 ook gebundeld en tezamen met werk van andere hand gepubliceerd. Schalekamp verloochent in de ‘pamfletten’ zijn aard als ‘oud-evangelist’ niet. Bijgevolg bieden zij een goede indruk van de inhoud en het karakter van zijn prediking, ook voor volwassenen.

Schalekamp publiceerde zijn overwegingen voor de jeugd in ‘een ontzettend moeilijke, zorgvolle, maar niet minder ook een ontzaglijk ernstige tijd’, de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog. Hij betoogt dat ‘het allerergste’ niet de drukkende tijdsomstandigheden zijn, maar de geloofsafval en het morele verval. Die zijn de oorzaak van de crisis. In Een ernstig woord en Neerlands roem vestigt hij de aandacht op het negeren van God en zijn gebod in ‘ons’ land dat meer dan elke andere natie steeds ‘zoo rijk gezegend van den Heere’ is. In zijn geschriften over Abessinië, het tegenwoordige Ethiopië, verbreedt hij de blik naar het wereldtoneel waar de crisis zichtbaar is in de machteloosheid van de Volkerenbond en de wijze waarop het Russisch communisme, het Duits nationaalsocialisme en het Italiaans fascisme zich doen gelden. Onder verwijzing naar Jesaja 29:10 stelt hij dat God ‘ons volk’ en zijn leiders en ook ‘de geheele wereld’ en haar overheden verblind heeft. In wat zich afspeelt op het wereldtoneel onderkent hij ‘de teekenen der tijden, die de naderende komst van den Zone Gods verkondigen’, de manifestatie van de antichrist en het Beest uit de Openbaring van Johannes. Waakzaamheid is geboden, zo benadrukt hij onder verwijzing naar onder meer Mattheüs 24:23-25; Markus 13:35-37; 2 Thessalonicensen 2:3, 4; Openbaring 11:7; 13:17, 18. Onder de nationale oorzaken van de crisis noemt hij ‘genot en vermaak, werelddienst en zondelust’, die tot uiting komen in de ‘de geest der verdwazing in sportmanie en menschverheerlijking’ én in de ontheiliging van de zondag door ‘het vliegen op den dag des Heeren’, het strandbezoek en de inzet van de overheid van ‘extra-pleziertreinen tegen verminderde passageprijzen’ op de rustdag.

In Alle uren in gevaar zet Schalekamp uiteen hoe de crisis voortwoekert doordat velen zonder erbij stil te staan bezwijken voor de gevaren die hen omringen. ‘Duizenden en duizenden reizen er dagelijks onbekommerd door het leven en als God het niet verhoedt naar het eeuwig verderf’, zo stelt hij. Tot de gevaren die de jeugd bedreigen, rekent hij de ongehoorzaamheid aan de ouders, het kaartspel, de dronkenschap, de eerste stappen op de weg der zonde, die kunnen eindigen op het schavot. Ook slechte vrienden en slechte lectuur zijn een gevaar. Onder invloed van ‘verkeerde kameraden’ ontstaat de idee dat één keer naar de kerk op zondag genoeg is, de zondagmiddag zich leent voor een fietstochtje, door de week de bioscoop best een keer bezocht mag worden en er geen kwaad steekt in een voetbalwedstrijd. Wat de lectuur betreft, wijst Schalekamp erop dat de kwalificatie ‘christelijk’ lang niet altijd garandeert dat men een ‘echt christelijk boek’ in handen heeft, dat wil zeggen een boek ‘waarin wordt aangedrongen op de noodzakelijkheid van waarachtige bekeering of wedergeboorte’.

Naast de gevaren van buiten zijn er de ‘zielsgevaren’, de ‘zondige verlangens en begeerten’, de ‘influisteringen van Satan’. Daartoe behoort het verwijt aan ‘de Leeraar’ dat hij ‘te bevindelijk preekt’ en onbegrijpelijke taal uitslaat, wat vervolgens aangegrepen wordt als argument om niet meer naar de kerk te gaan. Waar men niet bij stil staat is dat ‘de natuurlijke mensch’ overeenkomstig Gods Woord ‘de dingen die des Geestes Gods’ zijn, niet verstaat.

Het relaas over de gevaren die een mens bedreigen, gaat gepaard met het memento mori en een verwijzing naar het toekomstig lot van de mens: ‘voor eeuwig rampzalig’ of ‘voor eeuwig gelukzalig’. Met klem benadrukt Schalekamp ‘hoe plotseling’ de dood zich kan aandienen, ‘hetzij door een ongeval, of door een ernstige ziekte’, en hoe ‘vreeselijk’ het dan voor een niet bekeerd mens zal zijn om ‘te vallen in de handen van den levendigen God’.

In de mondiale crisis wordt zichtbaar dat ‘de geheele wereld voor God verdoemelijk ligt’. Die waarheid illustreert Schalekamp aan de hand van de bezetting van Abessinië door Italië in 1935-1936, in zijn ogen ‘een symptoom en kenteeken van den geest van onzen tijd’, door hem nader omschreven als ‘de geest uit den afgrond, den geest van den antichrist, die [...] ook in ons Vaderland duizenden bij duizenden bezielt’.

Door de gebeurtenissen op het wereldtoneel, binnen Nederland en in het persoonlijke leven van haar bewoners geeft God signalen af, bedoeld als oproep tot ommekeer. In Het verdrukte Abessinië belicht Schalekamp allerlei aspecten van Abessinië en haar bevolking. Zo typeert hij de bewoners als ‘traag en lui’, ‘praatziek, ongebonden en wreed’. In dat verband vraagt hij zich af of de aanval op hen niet ‘een rechtvaardig oordeel Gods’ is, een oproep tot ‘diepe, ware verootmoediging’ tegenover God. In Neerlands roem betoogt hij dat de vliegtuigrampen die de KLM in de crisisjaren troffen – tussen 14 en 21 juli 1935 verongelukten zelfs drie vliegtuigen in een week – een ‘ernstige krachtige roepstem van Godswege’ waren, gericht tegen ‘[menselijke] zelfverheffing en menschvergoding’, en bedoeld ‘om tot verootmoediging [op] te roepen’. Ook verhaalt hij over een man, een vader van twee kinderen, die zijn vrouw had verloren. Die gebeurtenis verstond de weduwnaar die vóór het overlijden van zijn vrouw van plan was zich bij de vrijdenkers aan te sluiten, als een teken dat hij op de verkeerde weg was. Hij bekeerde zich en ‘zoekt nu ’t gezelschap van degenen die den Heere willen dienen’.

De kern van het geloof: bekering, gebed en de Bijbel als kompas

Wil het goed komen met de volken afzonderlijk en tezamen en met elk mens persoonlijk, dan is bekering nodig, het besef van ‘diepe afhankelijkheid van God’. Alleen door ‘verootmoediging en oprechte schuldbelijdenis, voor een heilig en rechtvaardig God’ geschiedt de ‘wegneeming van de oordeelen Gods op aarde’ en komt de crisis ten einde, aldus Schalekamp. In het geval van de individuele mens is de ‘ontdekkende genade’ nodig, dat hij zichzelf ‘door ’t ontdekkend licht des Heiligen Geestes’ leert kennen, zoals God hem kent, die ook zijn ‘heimelijke zonden stelt in het licht Zijns aanschijns’. Komt het zover, dan zal hij ‘door de genadewerking des H. Geestes ook, neen juist een slaand God lief leeren krijgen, in Zijne oordeelen in het algemeen, maar ook, en daarop komt het boven alles aan, in Zijne kastijdingen’ aan hemzelf.

Bij de noodzaak van het gebed tot God plaatst Schalekamp diverse kanttekeningen. De aanval van Italië op Abessinië in 1935 riep in Nederland gevoelens van afschuw op. Een landelijk comité, begaan met het lot van het onder de voet gelopen volk, deed een oproep tot gebed uitgaan aan alle Nederlandse vrouwen. Schalekamp is daar op zichzelf niet tegen, maar stelt vast dat velen daaraan gehoor geven die ‘nog nooit in waarheid voor zichzelf gebeden hebben’. Hij verbindt aan de oproep de wens dat God ‘in Zijne genade, den Geest der genade en gebeden [moge] uitstorten over zijn volk’, want alleen ‘het krachtig gebed eens rechtvaardigen vermag veel’. Bovendien geeft hij te kennen een voorstander te zijn van ‘een nationale boete- en bededag’, zoals die in het verleden werden gehouden op initiatief van de overheid en waarop in alle kerken ‘door getrouwe leeraren gewezen werd op de zware schuld van het Nederlandsche volk tegen den Hoog Heiligen God’, en op de noodzaak van ‘boete en berouw’. Zo’n dag zou nu moeten uitgaan van de koningin en de regering. Over de strijdende partijen in Abessinië merkt hij op dat zij beide smeekten om Gods zegen. In het geval van de Italianen acht hij dat ‘godonterend’. Dat oordeel acht hij in het geval van het verdrukte volk niet gepast.

Wel spreekt hij de vrees uit dat het de Abessiniërs ontbrak aan ‘ware verootmoediging’ en in hun gebeden de grondtoon ‘wij hebben gezondigd’ afwezig was.

Wil het goed komen met mens en wereld, dan zullen zij zich moeten richten naar Gods ‘onfeilbaar Woord’. Schalekamp signaleert hoe de leden van de Volkerenbond zich laten leiden door ‘eigenbelang’ in plaats van door de Bijbel, ‘Gods heilig en dierbaar Woord’, en hoe droevig het is dat in Nederland een geslacht is opgegroeid voor ‘hetwelk Gods Woord [...], maar al te zeer ’n gesloten boek is’. De opening van de Bijbel, waarvan de inhoud ‘nieuw en frisch’ blijft, is noodzaak, want hij is ‘het eenige kompas’ op de ‘reis [van de mens] over de wereldzee’. Het wijst ‘ons steeds de juiste richting’ naar ‘de veilige haven’ en ‘teekent ons den rechten koers naar den hemel’, benadrukt Schalekamp herhaaldelijk. De opvatting van de Bijbel als kompas en als ‘de eenige vertrouwbare bron der waarheid’ gaat gepaard met de mening dat het protestantisme de meest zuivere vorm van het christendom vertegenwoordigt, ‘in zooverre’ zijn vertegenwoordigers ‘in waarheid christenen zijn’. Het Europese christendom staat daar grosso modo ver vanaf. Schalekamp oordeelt dat het ‘verdwaald en verwaterd’ is en ons land vele ‘naamchristenen en hypocrieten’ telt. Zijn uiteenzetting over het Abessinische christendom grijpt hij aan om te laten zien hoezeer het gekenmerkt wordt door dezelfde soort misstanden als het rooms-katholicisme. Het is ‘vol heidensch en Roomsch bijgeloof’. Een beschrijving van het Abessinische paasfeest loopt uit op de vaststelling dat ‘net als in de roomsche kerk, alles schitterende en blinkende pracht en praal, en vormendienst [is], wat het oog bekoort en de zinnen streelt, maar het hart koud laat, en de ziel versmachten doet’. Op elk gebied, ‘doch vooral op godsdienstig terrein [wordt] de mensch vereerd boven den levendigen God, die alleen maar alle eer waardig is’. Schalekamp concludeert dat de godsdienst van de Abessiniërs, ook al noemen zij zich ‘christelijk’, ‘zóó verbasterd’ is dat ‘de kern ervan geheel onder allerlei dwaalleringen en misbruiken bedolven ligt’.

Wil het goed komen met Nederland, dan moet de Bijbel ‘getrouw’ gelezen worden, zo houdt Schalekamp zijn jeugdige lezers voor. Van het centraal stellen van de Bijbel verwacht hij de restauratie van Nederland als protestantse natie. Dan ‘kan er weer ’n geslacht van bijbelvaste christenen opgroeien, zooals b.v. onze vaderen, die stoere calvinisten, die den 80-jarigen bloedstrijd [...] gestreden hebben’.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 2019

Oude Paden | 48 Pagina's

Evangelist en publicist (deel 2)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 2019

Oude Paden | 48 Pagina's