Tussen schepping en Koninkrijk
Oliver O’Donovan over de onderlinge verhouding daarvan in zijn betekenis voor de christelijke ethiek, toegespitst op huwelijk en homoseksualiteit
AbstractThe relationship between the poles of creation and Kingdom is of crucial importance, as Jesus’ teaching on marriage clearly shows. Contemporary ethics, however, shows an enormous variety of positions, resulting in different evaluations of marriage, celibacy and homosexuality. Against the background of Anglican moral theologian Oliver O’Donovan this article addresses the question, “What is the relationship between creation and Kingdom, its significance for Christian ethics, especially with regard to marriage and homosexuality?”This article gives two-fold answer to the question based on the moral meaning of the Resurrection of Jesus Christ. First, the resurrection is affirmative, pointing back to God’s good creation and, second, it is transformative, pointing forwards to God’s future recreation. There are, therefore, only two vocations: heterosexual marriage, respecting the integrity of created order; and celibacy, anticipating the Kingdom.
1. Schepping en Koninkrijk – twee structuurmomenten
De verhouding tussen schepping en Koninkrijk is voor de christelijke ethiek van cruciaal belang. Met zijn komst en in het bijzonder door zijn sterven en opstanding heeft Jezus Christus het Godsrijk de tijd ingedragen. Hoewel alles wacht op de consummatio saeculi, is het geïnaugureerde Rijk hét beslissende gezichtspunt waaronder ons leven zich hier en nu ziet geplaatst – het evangelie van gericht en genade, van verlossing en vernieuwing. Dit primaat van de eschatologie betekent overigens niet dat daarmee de schepping wordt losgelaten; integendeel, in dit perspectief wordt de diepste bedoeling van de schep ping doorlicht én opengelegd naar Gods toekomst. Heel duidelijk komt dat naar voren in Jezus’ onderwijs over het huwelijk.
Wanneer Jezus in reactie op een vraag van de schriftgeleerden uiteenzet wat de oorspronkelijke bedoeling van het huwelijk is, verwijst Hij nadrukkelijk naar de schepping, ‘vanaf het begin is het [de echtscheiding] niet zo geweest’ (Mt. 19:8). Tegelijk spreekt Hij, niet veel later, in de kring van zijn discipelen over de bijzondere roeping die sommigen hebben om vanwege het Koninkrijk ongehuwd te blijven (de ‘ontmanden vanwege het Koninkrijk’, Mt. 19:12), als anticipatie op de ‘toekomstige wereld’ wanneer er geen huwelijken meer zullen worden gesloten (Lk. 20:34) – een revolutionaire gedachte in een cultuur waarin het gehuwd zijn als een ‘heilige plicht’ gold. Langs deze twee lijnen zet ook Paulus zijn betoog in 1 Korinthe 7 op wanneer hij ingaat op verschillende vragen over het huwelijk; hoewel hij van mening is dat het beter is om met het oog op de nood van de tijd niet te trouwen, schrijft hij dat wie daarentegen toch trouwt, goed handelt (1 Kor. 7:38).
Schepping en Koninkrijk werden zo de twee bepalende structuurelementen aan de hand waarvan de christelijke ‘ethiek’ haar weg heeft gezocht. 2 Wie de geschiedenis van deze zoektocht overziet, moet evenwel vaststellen dat het niet gemakkelijk viel om de balans te vinden. In de Oudheid en de Middeleeuwen ontstond – al of niet ingegeven door het woord van Paulus 3 – een spirituele hiërarchie waarin vanuit eschatologische motieven ongehuwd zijn of afzien van seksuele gemeenschap moreel hoger werd aangeslagen dan het huwelijkse samenleven. Hoewel Augustinus in zijn boekje De bono coniugali een correctie wilde aanbrengen op een al te doorgeslagen denken waarin zelfs aan het bonum van het huwelijk werd getwijfeld, ontstond pas in de Reformatie een zeer krachtige tegenbeweging waarin het goede van het huwelijk werd onderstreept en het volle gewicht bij de schepping kwam te liggen.
Wie naar de geloofspraktijk van vandaag kijkt, mag zich afvragen of en in hoeverre het eschatologische perspectief nog wel werkzaam is.
2. Vraagstelling en opzet
Hoe dit ook zij, het bovenstaande laat in elk geval duidelijk zien dat de verhouding tussen schepping en Koninkrijk van cruciale betekenis is voor de christelijke ethiek – de thematiek van mijn artikel. Ik wil stilstaan bij de vraag: hoe denkt de anglicaanse ethicus Oliver O’Donovan over de verhouding tussen schepping en Koninkrijk en welke betekenis heeft deze verhouding voor zijn visie op de christelijke ethiek?
Ik wil deze vraag nader toespitsen op het thema ‘huwelijk en homoseksualiteit’. In de eerste plaats omdat deze thematiek misschien wel hét morele issue is van deze tijd – toetssteen voor de westerse liberale samenleving, splijtzwam voor de gemeenschap der heiligen. Tweede reden is dat in de ethische en morele beoordeling hiervan de verhouding tussen schepping en Koninkrijk een uiterst belangrijke rol speelt. Na een beknopte terreinverkenning, waarin ik verschillende posities in kaart zal brengen, geef ik een beschrijving van het standpunt van O’Donovan. Het geheel rond ik af met een aantal evaluatieve en uitleidende opmerkingen.
3. Terreinverkenning – een bonte staalkaart
Wie het huidige veld van de christelijke ethiek overziet en probeert in kaart te brengen welke betekenis aan schepping en Koninkrijk wordt toegeschreven, ziet zich geconfronteerd met een bonte staalkaart van allerlei verschillende inzichten en standpunten. Grofweg laten zich drie posities onderscheiden.
(1) De schepping vormt de absolute grondslag van de ethiek. Het Koninkrijk blijft buiten beeld of wanneer het in beeld wordt gebracht, heeft het vooral bevestigende en restauratieve betekenis.
(2) Aan het Koninkrijk wordt zozeer een allesbepalende betekenis toegekend, dat de morele betekenis van de schepping nauwelijks of zeer beperkt uit de verf komt of sterk wordt gerelativeerd.
(3) Hoewel het Koninkrijk van beslissende betekenis is, en de transformatieve betekenis ervan tot gelding wordt gebracht, vormt de schepping de blijvende grondslag van ethiek en moraal.
Ad (1) Deze opvatting vinden wij bijvoorbeeld bij aanhangers van het natuurrechtsdenken, veelal rooms-katholiek en geïnspireerd door het gedachtengoed van Thomas van Aquino – de objectieve werkelijkheid vormt het exclusieve referentiepunt van de ethiek; het evangelie blijft buiten beeld. Waar wel betekenis aan het evangelie wordt gegeven, is dat vrijwel alleen in de restauratieve zin – de vergeving van de zonden. Het huwelijk is en blijft de unieke en exclusieve verbintenis tussen man en vrouw. 4
Ad (2) Deze opvatting heeft mede door de hernieuwde belangstelling voor de eschatologie veel ingang gevonden, maar laat in de uitwerking (grote) verschillen zien.
(a) Zo schrijft de vorig jaar overleden Henri Veldhuis in zijn boek Kijk op geloof: ‘... ‘schepping’ is een belangrijk geloofsbegrip, maar het geeft ons geen informatie over een bepaalde biologische orde, die door God bedoeld zou zijn. Bovendien gaat het sinds Jezus om de nieuwe orde van het Koninkrijk, die allesbepalend is geworden ... de liefde, ‘agape’ ... [is] de enige maatstaf die echt telt’. 5 Voor hem is het huwelijk niet exclusief voor heteroparen bestemd, maar staat het ook open voor homoparen aan wie de huwelijkszegen niet onthouden mag worden.
(b) Hoewel Ad Prosman tot een tegengestelde conclusie komt, functioneert de schepping ook bij hem in beperkte mate. 6 Zo moeten wij ‘Paulus’ beroep op de natuur niet al te zwaar laten wegen’, want ‘door het bederf van de zonden kan de natuur niet zomaar gekend worden’.
Paulus’ beroep is vooral door apologetische motieven ingegeven.
Weliswaar kunnen wij tot op zekere hoogte van schepselmatige structuren spreken – ‘zo zal het ‘puur biologische feit’ dat de mens als man en vrouw is geschapen, moeten meewegen bij de vraag wat seksualiteit is’. Maar het huwelijk wordt door de Bijbel niet gezien als een natuurlijke ordening, het is te zeer een afspiegeling van de verhouding van God en Israël en van Christus en de gemeente. Het huwelijk hoort bij Gods goede schepping, maar is daarmee nog niet iets ‘natuurlijks’; het stijgt altijd boven zichzelf uit. ‘Het huwelijk wordt uit zijn schepselmatige structuur gehaald en op de herschepping gericht.’ ‘Daarom komt het helemaal op de Schrift aan.’
(c) Verwant aan deze positie is die van de Kamper ethicus Ad de Bruijne, zij het dat hij de exegetisch-hermeneutische benadering te beperkt vindt. 7 Hij pleit voor een fundamentele bezinning op ‘seksualiteit als zodanig’, vanuit een eschatologische insteek waarin de resultaten van de wetenschap voluit moeten worden meegewogen. Centraal is voor hem het huwelijk met Christus, dat Paulus in 1 Korinthe 6 en 7 in een ‘soort concurrentieverhouding’ zet tot het menselijk huwelijk. Dat betekent dat ‘[w]at in het licht van de schepping onnatuurlijk is, ... daardoor gewoon [wordt]. En wat in het licht van de schepping natuurlijk is, spreekt niet meer vanzelf. Leven zonder seksuele eenwording of huwelijk wordt gewoon.’ Daarmee pleit De Bruijne voor een positieve herwaardering van het ongehuwd zijn en wil hij daarmee aan interseksuelen, homo’s en lesbiennes een volwaardige plaats geven – want seksualiteit is blijvend exclusief aan de huwelijkse relatie tussen man en vrouw verbonden. De kerk als familie – die in verschillende vormen gestalte kan krijgen zoals vriendschapsverbanden of kloostergemeenschappen – is het overkoepelend verband.
(d) Hoewel Robert Song, hoogleraar ethiek aan de universiteit van Durham, insisteert op het blijvend en volwaardig goed van het in de schepping gegeven huwelijk, is hij van mening dat met de komst van Christus het huwelijkse bonum van de procreatie moet worden gerelativeerd. 8 De eerder aangehaalde passage uit Lukas 20, waarin Jezus stelt dat er in de toekomstige wereld geen huwelijk meer zal zijn, heeft een niet te overschatten theologische betekenis. ‘What was crucial to the whole creation understanding of human beings, namely the nexus of marriage and procreation, will in the eschatological fulfilment of creation become redundant.’ In dat licht pleit hij voor ‘verbondspartnerschappen’ – seksuele relaties waarin van procreatie wordt afgezien (bewust kinderloze huwelijken) of waarin dat niet aan de orde is (homorelaties). Omdat voor Song de relatie tussen procreatie en huwelijk wezenlijk met de schepping is gegeven, ziet hij geen ruimte voor het homohuwelijk.
(e) Voor evangelicaal theoloog en veelgevraagd spreekster Megan DeFranza ligt het primaat van de eschatologie in de nieuwe humaniteit van Jezus Christus. 9 Christus is het beeld van God, in Hem ‘all our identities are put to death’, en christenen zijn geroepen om aan Hem gelijkvormig te worden. Dat betekent dat elk mens, van welke geaardheid ook, zich in Christus’ humaniteit begrepen mag weten. Daarmee wil zij, mede ondersteund door biologisch onderzoek, het dominante binaire genderdenken doorbreken en zo het veel gedifferentieerder, in de schepping (!) gegeven, genderpatroon laten oplichten. Zij wil evenwel niet zo ver gaan (zoals bijvoorbeeld Susannah Cornwall) dat relaties kunnen worden vormgegeven zoals mensen dat zelf wensen – ook zij houdt vast aan de klassieke, tweevoudige vocatio van huwelijk of ascese.
(f) Volgens de lutherse ethicus James M. Childs moet de schepping radicaal vanuit de eschatologie worden verstaan. 10 Omdat de schepping van meet af aan is aangelegd op de eschatologische gemeenschap, moet niet vanuit het begin maar vanuit de bestemming van de schepping worden gedacht. Dat betekent concreet dat ‘[a]lthough marriage is the primal male-female relationship, the biblical narrative points to the eschatological new creation as the fullness of fellowship toward which human sexuality has been directed from the beginning.’ Elke relatie moet worden geordend (volgens de waarden van ‘companionship, commitment, community’) als een ‘order of anticipation’. De schepping kent verschillende fasen, die van ‘originating, continuing and completing’.
Ad (3) Deze positie wordt door Oliver O’Donovan ingenomen. Hij wil recht doen aan beide structuurmomenten, waarin hij enerzijds, vanwege het restauratieve aspect van het Koninkrijk, insisteert op de integriteit van de schepping, maar anderzijds recht wil doen aan het transformatieve betekenisaspect.
Hoewel hij zoekt naar de plaats en betekenis van de homoseksuele medemens en gelovige, ziet hij het heterohuwelijk als een met de schepping onopgeefbaar gegeven levensvorm.
3.1 Nadere toespitsing van de vraagstelling
Dit beknopte overzicht laat zien dat in de onderhavige thematiek het geheel van de theologie voluit mee resoneert: exegese, bijbelse theologie, hermeneutiek, scheppingsleer, hamartiologie, voorzienigheidsleer en eschatologie. 11 Om de vraagstelling hanteerbaar te houden, richt ik mij op het volgende. De vraag is: hoe ziet O’Donovan de verhouding tussen schepping en Koninkrijk en welke betekenis heeft dat voor de ethiek? Wanneer hij insisteert op de blijvende integriteit van de scheppingsorde, wat verstaat hij onder deze orde en welke redenen heeft hij om hierop te insisteren? Wanneer hij naast het restauratieve ook het transformatieve aspect van het Koninkrijk wil honoreren, wat verstaat hij daaronder en hoe verhoudt dit zich tot de gestelde integriteit van de scheppingsorde?
Het gaat dus om een systematisch-theologische vraagstelling, met een belangrijke dogmatische component, maar met een uiteindelijk accent op de ethiek – toegespitst op huwelijk en homoseksualiteit.
4. Oliver O’Donovan – korte introductie
Voor ik O’Donovans positie ga beschrijven, geef ik eerst een korte introductie op zijn persoon en werk.
Oliver O’Donovan (geb. 1946) behoort tot de eminence grise van de christelijke ethiek, een reputatie die hij heeft opgebouwd door een stroom van publicaties. Hij was jarenlang divinity hoogleraar in Oxford, maakte de overstap naar Edinburgh en is inmiddels weer enige tijd met emeritaat. Hij is anglicaan en rekent zich tot de evangelicale stroming in deze kerk. Naam maakte hij met Resurrection and Moral Order, een boek waarin hij een uiteenzetting geeft van de fundamenten van de christelijke ethiek. 12 In de jaren erna legde hij zich toe op de politieke theologie, wat resulteerde in een aantal belangwekkende publicaties. Vrij recent keerde hij terug naar het onderwerp van zijn eerste grote publicatie. Dat resulteerde in de trilogie Ethics as Theology. Waar hij in RMO het accent legde op de objectiviteit van de morele orde, kiest hij hier voor het gezichtspunt van de praktische rede. 13
Hoewel O’Donovan zich heeft toegelegd op de fundamentele vragen van de ethiek, heeft hij ook tal van publicaties op zijn naam staan waarin hij ingaat op allerlei concrete, morele vraagstukken, zoals huwelijk, echtscheiding, transseksualiteit, homoseksualiteit, abortus, strafpleging en rechtvaardige oorlog. 14
In mijn artikel zal ik mij concentreren op RMO. Dit werk is om verschillende redenen uitermate interessant:
• Het wil vanuit een evangelische inzet een fundamentele doordenking geven van de christelijke ethiek. Vanuit deze inzet wil de auteur verschillende in de christelijke ethiek bestaande tegenstellingen doorbreken:
° De tegenstelling tussen de protestantse nadruk op de geboden versus de rooms-katholieke verwijzing naar de schepping.
° De tegenstelling tussen een scheppingsethiek en een koninkrijksethiek – dit laatste is in dit kader natuurlijk met name van belang.
• Hoewel dit werk allereerst een didactische uiteenzetting van de christelijke ethiek is, biedt het een zeer verhelderende analyse van alternatieve christelijke en seculiere posities.
• Nadeel van het werk is de compacte schrijfstijl – iets wat zijn hele werk geldt en de toegankelijkheid ervan niet altijd ten goede komt. Anderzijds, nihil sine labore – en dat levert veel op!
5. Oliver O’Donovan: opstanding, schepping en Koninkrijk
Ik zal eerst de contouren van zijn opvatting schetsen om vervolgens in te zoomen.
5.1 Inzet bij de opstanding
1. De sleutel tot het verstaan van de verhouding schepping en Koninkrijk is de opstanding van Jezus Christus. De betekenis daarvan is tweeledig: restauratie én transformatie van de schepping. In de opstanding gaat het in de eerste plaats om Gods redding van de zonde en de dood. ‘Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook allen in Christus levend gemaakt worden’ (1 Kor. 15:22). Tegelijk is opstanding meer dan herstel of restauratie, zij is ook transformatie. ‘... De eerste mens Adam is geworden tot een levend wezen, de laatste Adam tot een levendmakende Geest’ (1 Kor. 15:45). Zonder iets af te doen van de betekenis van de andere heilsfeiten, is de opstanding voor de christelijke ethiek van cruciale betekenis.
2. Met zijn inzet bij de opstanding wil O’Donovan recht doen aan én het onderscheidende van de beide structuurmomenten schepping en Koninkrijk én het verband waarin zij tot elkaar staan.
2.1. Met deze inzet wil hij het voluit christelijke karakter van de ethiek doen uitkomen. Christelijke ethiek mag zich alleen christelijk noemen wanneer zij integraal onderdeel is van het evangelie.
2.2. Schepping en Koninkrijk worden door de opstanding opgenomen in het verband van de heilsgeschiedenis en in dat licht moet hun betekenis worden verstaan. Tegelijk benadrukt O’Donovan dat dit niets afdoet van de onderscheiden en eigenstandige betekenis van de beide structuurmomenten.
2.3. Omdat de opstanding allereerst restauratieve betekenis heeft, bevestigt God daarmee de blijvende goedheid van zijn schepping. De schepping is daarom het blijvend referentiekader dat het menselijk handelen zin en betekenis verleent. Hoewel de schepping uiteindelijk op het eschaton is aangelegd, is Gods eschatologisch handelen onderscheiden van zijn scheppend werk – het ligt niet in het verlengde van de schepping, als zou het opkomen uit de immanente structuur ervan, maar is Gods vernieuwend handelen, dat zogezegd van de andere kant komt. Dit nieuwe handelen doet evenwel geen afbreuk aan de schepping, maar wordt daarin opgenomen.
Omdat voor O’Donovan de schepping het blijvend moreel referentiekader is, wil ik nu eerst stilstaan bij de vraag wat hij daaronder verstaat.
5.1.1 Schepping ís orde
Wat verstaat O’Donovan onder de schepping? Fundamenteel gezichtspunt is: schepping ís orde. Schepping is de orde en de samenhang waarin de wereld is samengesteld. 15 Hij geeft hier een aantal argumenten voor:
i. In de eerste plaats vanuit de betekenis van de opstanding. Als schepping geen orde is, is de opstanding ook zonder betekenis. Als de wereld een ongedifferentieerde samenballing van energie en materie zou zijn, wat is dan de betekenis van de opstanding? Wanneer God in de opstanding van zijn Zoon de schepping bevestigt, hoe kan er sprake van bevestiging zijn als er geen orde is?
ii. Daarnaast: absolute wanorde zou strijdig zijn met de aard van God zelf – God is volmaakt.
iii. Bovendien, de orde is gegeven met het feit dat God Schepper is. Wanneer er een Schepper is, kan de schepping niet anders dan op haar Schepper zijn gericht – een gestructureerde relatie.
Vanuit zowel heilshistorische als ‘theïstische’ overwegingen stelt O’Donovan dat de schepping niet anders dan orde kan zijn. 16
Hoe ziet deze orde eruit? Tweeledig. Allereerst kent de schepping een teleologische gerichtheid op God – voortvloeiend uit de relatie Schepper– schepping (zie boven sub ii). Vanuit deze verticale ordening en gerichtheid (op God), vloeit voort dat er ook een interne, horizontale ordening moet zijn – want, zoals eerder gesteld: wanorde is strijdig met God. Alles in de schepping deelt niet alleen in het predicaat ‘schepsel’ maar ook in dat van ‘medeschepsel’. Deze verticale en horizontale ordening brengt O’Donovan tot twee fundamentele structuurkenmerken van de scheppingsorde: dat van (1) doel (‘end’, telos) en dat van (2) soort (‘kind’, genus); de schepping is de teleologische en generieke ordening van de werkelijkheid.
Er is sprake van een teleologische ordening wanneer A is gericht op B, gericht om B te dienen, (‘What’s the point’, ‘the good of it’, ‘bonum’), zoals ‘groente dient tot voedsel’, waarin voedsel dus het doel, de telos is van groente; de vervulling van de telos is dat waarin de soort floreert (‘flourishing’, de aristotelische idee van ‘eudaimonisme’). Deze teloi geven uitdrukking aan de intrinsieke waarde van de dingen. Dit staat haaks op veel modern denken en voelen waarin, onder invloed van het zogenoemde utilisme of consequentialisme, de telos een extrinsiek karakter heeft gekregen: de waarde van de dingen is gelegen in het nut of effect, waardoor de weg wordt afgesneden naar een intrinsieke waardering. Van een generieke ordening wordt gesproken wanneer A is zoals B en omgekeerd; wanneer A en B tot dezelfde soort kunnen worden gerekend en soortgenoten zijn, zoals witlof en spinazie tot de soort groenten behoren.
Deze twee ordeningen zijn geen gebeurtenissen, maar behoren tot de tijdloze, basale structuur van de schepping. De verhouding Schepper–schepping is de enige teleologische relatie; de schepping zelf bestaat uit een gedifferentieerd netwerk van teleologische en generieke verbanden.
Deze structuur heeft niet alleen betrekking op natuurlijke zaken, maar ook op menselijke handelingen. Bepaalde handelingen zijn fenotypisch en kunnen worden gerekend tot een bepaalde soort of klasse, én zij hebben een teleologische structuur. Zo heeft elk spreken dienstbaar te zijn aan de waarheid en dient het huwelijk de trouw.
Het gaat hier om een natuurlijke, relatief-immanente ordening, met een uiteindelijk bovennatuurlijke referent. Daarin onderscheidt O’Donovan zich van zowel de platonische als aristotelische zienswijze op de verhouding tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Waar in de platonische voorstelling de bovennatuurlijke telos allesbepalend is, waardoor het natuurlijke niet werkelijk tot gelding kan komen, benadrukt O’Donovan de eigenwaarde en zelfstandigheid van de natuurlijke ordening. Maar in tegenstelling tot de aristotelische opvatting waarin de natuurlijke orde immanent is, kent de orde uiteindelijk een bovennatuurlijke telos – ‘a reference point outside the network of kinds and ends in nature, which nature as a whole is ordered-to-serve and which determines what the flourishing of the natural order is to be’ (35).
5.2 Scheppingsorde als morele orde
Hoe is de scheppingsorde morele orde? ‘The way the universe is, determines how man ought to behave himself in it’ (17). Dit citaat geeft kernachtig O’Donovans positie weer. De structuur van de geschapen orde is bepalend voor het menselijk handelen. Hoe determineert de schepping ons handelen?
De natuurlijke orde heeft een normatieve structuur en is daarmee ook een morele orde. Hoe moet dat worden gedacht?
Om met een eenvoudig, hierboven al genoemd voorbeeld te beginnen: groente dient tot voedsel. Deze teleologische relatie geeft uitdrukking aan de waarde (bonum) van groente én geeft (letterlijk) richting aan het menselijk handelen: de biologische eigenschappen maken het tot voedzame en eetbare planten waardoor het als voedsel genuttigd kan worden. 17
Spannender wordt het wanneer wij dit toespitsen op het huwelijk. Wat is de aan het huwelijk eigen normatieve structuur en hoe wortelt het in de natuurlijke orde? Twee gezichtspunten zijn van fundamenteel belang:
(a) Allereerst, voor elk mens zijn materialiteit én geestelijkheid wezenlijke kenmerken. De mens is materie, wortelt in de materie, kent materiële behoeften en is om te overleven aangewezen op andere mensen – daarin kent hij grote verwantschap met de zoogdieren. Éven wezenlijk is zijn geestelijkheid. Hij onderkent zijn bestaan, brengt dat in vrijheid tot expressie in de verbintenissen die hij met anderen aangaat.
(b) In de tweede plaats, God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk – dit dimorfe geslachtsonderscheid is een nadere wezenlijke bepaling van de mens, de mens is man of vrouw.
Deze fundamentele gezichtspunten moeten niet worden opgevat als een (goddelijk) voorschrift of een statistisch gegeven, maar als een metafysische of ontologische propositie. Beschrijven wij dit in de structuurkenmerken van de schepping van genus en telos, dan geven de hier genoemde kenmerken uitdrukking aan het fenotype mens, man en vrouw, en is het huwelijk als lichamelijke en geestelijke eenwording de vervulling hiervan. ‘Marriage fulfills, and so makes sense of, a feature of our common human biological feature.
What marriage can do, which other relationships cannot do, is to disclose the goodness of biological nature by elevating it to its teleological fulfillment in personal relationship. A conception of marriage that abstracts from the biological leaves the meaning of the biological order ambigious, even questionable, whereupon the temptation soon overtakes us to regard it as an arbitrary and pointless limitation on personal freedom which is better resisted.’
Belangrijk is evenwel het onderscheid dat O’Donovan maakt tussen scheppingsorde en sociale ordeningen zoals die van het huwelijk; het huwelijk is geen scheppingsorde, maar de door God gegeven en door de mens ontdekte levensvorm; de geëigende levensvorm waarin het typische van man en vrouw tot vervulling komt.
Met dit onderscheid wil hij de morele subjectiviteit van de mens honoreren. ‘Morality is man’s participation in the cosmic order.’ Deze participatie is het praktische kennen waarmee de mens in liefdevolle en gelovige gehoorzaamheid aan Christus de schepping en zijn plaats daarin doorziet en interpreteert. ‘Zu lieben bedeutet hier die Gestalt der von Gott gegebene Existenz anzuerkennen und zu helfen sie zu verwirklichen.’ 18 Een beweging die in het onderscheiden perspectief van Genesis 1 en 2 tot uitdrukking is gebracht. ‘[T] he Yahwist interest in marriage as relationship (Gen. 2:24) is interpreted by the Priestly interest in sexual differentiation as creational order (Gen. 1:27)’ 19 Met dit onderscheid zijn de ruimte en de dynamiek van het menselijk moreel handelen gegeven.
Het is Augustinus geweest die het eigene van deze levensvorm op noemer bracht in de drie teloi van het huwelijk, proles, fides en sacramentum en daarmee uitdrukking gaf aan het bonum van de unieke en onverbrekelijke eenheid en samenhang van het lichamelijke, morele en spirituele. 20
Zo bezien is het huwelijk wezenlijk heteroseksueel bepaald. De vraag die nu voorligt is in hoeverre het Koninkrijk hierin een kwalificerende betekenis heeft?
5.3 Schepping en Koninkrijk
Wanneer schepping en Koninkrijk de twee bepalende structuurelementen voor de christelijke ethiek zijn, en O’Donovan zozeer op de betekenis van de scheppingsorde insisteert, is het de vraag welke betekenis hij aan het Koninkrijk toekent.
5.3.1 Schepping en geschiedenis
Om deze vraag te beantwoorden sta ik eerst stil bij de verhouding schepping en geschiedenis. Want wanneer de morele orde transhistorisch is, welke rol en betekenis blijven er dan nog over voor de geschiedenis? O’Donovan betoogt dat de orde juist een noodzakelijke voorwaarde is voor de geschiedenis; zonder boventijdelijk referentiepunt kan geschiedenis niet werkelijk geschiedenis zijn. ‘A story has to be a story about something; but when everything is story there is nothing for the story to be about. The subject of a story must be something or someone of intrinsic value and worth; if not, the story loses all its interest and importance as a story’ (60). Het is pas in het licht van de scheppingsorde dat de geschiedenis zin en betekenis ontvangt. 21
O’Donovan trekt een scherpe scheidslijn tussen schepping en voorzienigheid. Onder verwijzing naar de woorden uit Genesis 1 en 2 dat God zijn werk op de zevende dag voltooide en dat het zeer goed was, stelt hij dat de schepping compleet is. ‘That which most distinguishes the concept of creation is that it is complete’ (60). Daaruit maakt hij een aantal belangrijke gevolgtrekkingen:
i. De scheppingsorde is ‘not negotiable within the course of history’ (61).
ii. De schepping is ‘the ‘presupposition’ and ‘condition’ of history’ (62). De schepping is daarom niet de eerste fase van de geschiedenis (contra Childs); maar moet als creatio ex nihilo en niet als creatio continua worden verstaan. 22
iii. De natuurlijke orde ‘does not form an impregnable barrier which man can never choose to breach; it merely establishes the conditions upon which such a breach can be made.’
De orde schept juist ruimte voor de geschiedenis: de intense vreugde van de eerste mens bij de ge-waar-wording van zijn vrouw. De orde doorlicht de geschiedenis, juist ook in haar wanorde: de huwelijksmoraal van de aartsvaders, het destructieve van polygamie, het onnatuurlijke van echtscheiding.
Nu duidelijk is dat de geschiedenis zin en betekenis ontleent aan de scheppingsorde, hoe kan dan de heilsgeschiedenis zo’n bepalende rol spelen in de christelijke ethiek?
5.3.2 Schepping en Koninkrijk
Laat ik beginnen met het hernemen van O’Donovans uitgangspositie. ‘The resurrection of Christ, upon which Christian ethics is founded, vindicates the created order in this double sense: it redeems and transforms it’ (56). De opstanding is dus allereerst de ontische bevestiging van de scheppingsorde, als bevestiging van de goedheid van al het geschapene én als herstel van wat is verloren gegaan door de zondeval. 23 De zonde gaat de mens aan, niet de mens op zichzelf, maar de mens als beelddrager van God - de eerste Adam geroepen met de bijzondere opdracht om de schepping te beheren. Van belang is dat het bevestigende aspect van de opstanding de ongewijzigde normatieve aanspraak en claim van de schepping onderstreept – de zonde doet geen afbreuk aan de normatieve structuur van de schepping.
Opstanding is niet slechts bevestiging en herstel, maar ook transformatie. Wat moet hieronder worden verstaan? ‘It leads us to that further destiny to which, even in the Garden of Eden, we were already directed’ (55). Het gaat dus om een telos die van meet af aan met de schepping is gegeven, een bestemming waarnaar de mens, ook wanneer de zondeval niet zou hebben plaatsgevonden, zou toeleven, de eschatologische telos van de schepping. Waarin bestaat deze eschatologische telos?
O’Donovan wijst op de bijbels-theologische betekenis van de hemelvaart: de gelovigen zullen delen in de heerlijkheid van de verhoogde Christus. Deze eschatologische telos is weliswaar van meet af aan de bestemming van de mens, maar niet onmiddellijk met het mens-zijn gegeven; het komt, zogezegd, van de andere kant.
Dé vraag is nu hoe de vernieuwende betekenis van het Koninkrijk hier en nu doorwerkt? Zoals gezegd, O’Donovan wil ook aan dit aspect recht doen, want – toegespitst op het huwelijk – ‘classical Christian thought, too, believed in the transformation of marriage’ (70). De gemeenschap van de opstanding zal samenleven in een liefdevolle trouw voorbij aan de ‘limits of marriage’. In hoeverre kan en mag in deze tegenwoordige tijd hierop worden geanticipeerd? Betekent dat bijvoorbeeld de openstelling van het huwelijk voor homoseksuelen? Cruciaal is de betekenis van 1 Korinthe 7. ‘The key to Paul’s famous discussion in 1 Corinthians 7 is his rejection of the concept of an ascetic marriage, a kind of half-way house between marriage and singleness.’
In de kerk werd de roeping tot ‘the single life’ verstaan als een anticipatie op het voltooide Koninkrijk, maar het betekende niet ‘a loss of integrity’ van het huwelijk. Beide roepingen hebben en behouden hun eigen normatieve structuur; het ging mis toen de kerk dit als een morele keuze ging beschouwen.
Dit is volgens O’Donovan dé sleutel tot het verstaan van de ethische betekenis van de verhouding schepping en Koninkrijk. Ook de vernieuwende doorwerking van het Koninkrijk doet geen afbreuk aan de integriteit van de scheppingsorde en de levensvormen die daarop geënt zijn. Dit betekent concreet voor het huwelijk dat dit de onopgeefbare levensvorm is voor heteroseksuele paren; openstelling voor homoparen betekent een herdefiniëring waarin het wezenlijke van het huwelijk wordt losgelaten. 24
6. Conclusies
Ik rond af met een aantal concluderende en uitleidende opmerkingen.
1. Oliver O’Donovan biedt naar mijn opvatting een goed doordacht betoog – ieder die zich verhoudt tot de onderhavige vraagstelling, zal zich tot hem moeten verhouden. Met zijn inzet bij de opstanding neemt hij de schepping op in het verband van de heilsgeschiedenis én weet hij de eigen betekenis van de schepping te honoreren. Zo kan hij recht doen aan het eigene van de christelijke ethiek, zonder iets af te doen van de publieke aanspraak ervan. De schepping gaat immers iedereen aan en daarom vraagt ook onze tijd om een goed doordachte scheppingsleer.
2. In het licht van het betoog van O’Donovan zou ik aan de onder 3 Ad (2) beknopt weergegeven opvattingen de volgende vragen willen voorleggen:
Wie met Veldhuis van mening is dat de schepping geen informatie over biologische orde geeft, moet zich afvragen wat de prijs is die daarmee betaald wordt. Verwordt de schepping niet tot een betekenisloze categorie? Dat geldt in iets andere zin ook voor Childs, volgens wie de schepping als een historische categorie moet worden opgevat. Verlies je daarmee niet uiteindelijk elk moreel ankerpunt? Wie met Prosman terughoudend is om het huwelijk als een ‘natuurlijke’ inzetting te beschouwen en zich terugtrekt op de Schrift, moet zich afvragen of je daarmee de inzichtelijkheid van de ethiek te veel prijsgeeft en of de morele autoriteit van de Schrift een freischwebend karakter krijgt, nu de natuurlijke referent wordt losgelaten?
Wanneer DeFranza de nieuwe humaniteit in Christus tot het scharnierpunt maakt van de eschatologie, kan dat alleen maar worden bijgevallen, maar ligt de betekenis ervan niet in de eerste plaats erin dat Hij de tweede Adam is, en speelt gender en zijn ongehuwd zijn hoogstens een secundaire rol? De Bruijne wil nadrukkelijk binnen de door O’Donovan gestelde kaders bewegen, tegelijk kantelt bij hem het zwaartepunt van het in de schepping gegeven huwelijk naar het ongehuwd zijn. Afgezien van de exegetische vragen die deze stellingname oproept, is het de vraag of daarmee niet tekort wordt gedaan aan het de schepping bevestigende aspect van Christus’ opstanding.
3. Hoewel Song als leerling van O’Donovan heel veel aspecten van diens denken honoreert, is het de vraag of hij ook wérkelijk de integriteit van het huwelijk respecteert. Het mag waar zijn dat in het licht van de opstanding procreatie in een nieuw licht is komen te staan, maar kun je dat isoleren zoals hij dat doet en doe je dan uiteindelijk geen afbreuk aan het huwelijk als levensvorm? Voor O’Donovan is het huwelijk onopgeefbaar heteroseksueel van karakter en zou niet open moeten worden gesteld voor homoparen. Een andere, hier niet behandelde vraag is: welke plaats is er voor homoseksuelen? Deze vraag verdient volgens O’Donovan een hermeneutische benadering: ‘How this form of sensibility and feeling is shaped by its social context, how it can be clothed in an appropriate pattern of life for the service of God and discipleship of Christ’. 25 Een te exploreren vraag waarvoor de gehele gelovige gemeenschap zich geplaatst weet en waarin zicht op schepping en Koninkrijk van cruciaal belang is.
B.A. Belder is predikant in de hervormde gemeente in Brakel. Hij doet onderzoek naar de christelijke ethiek van Oliver O’Donovan.
‘The creation of the world by God and its redemption in Jesus Christ are the poles in relation to which Christians have consistently narrated the moral history of the world.’ 1
1 Oliver O’Donovan, A Conversation Waiting to Begin. The Churches and the Gay Controversy, Londen 2009, 86. Hoewel de termen ‘Koninkrijk’, ‘verlossing’ en ‘eschatologie’ hun eigen betekenisaccenten hebben, zijn zij inwisselbaar. Ik heb een voorkeur voor het woord ‘Koninkrijk’ omdat dit de samenvattende term is die door Jezus zelf wordt gebruikt.
2 ‘Ethiek’ heb ik tussen aanhalingstekens geplaatst omdat zij pas relatief recent als eigen (theologische) discipline bestaat.
3 Zie daarover Michael Banner, Christian Ethics and Contemporary Moral Problems, Cambridge 1999, h. 1, 7 en 9.
4 Zie bijv. Jean Porter, Natural and Divine Law: Reclaiming the Tradition for Christian Ethics. Ontario: Novalis Press and Grand Rapids: Eerdmans, 1999; John M. Finnis, Law, Morality, and Sexual Orientation (1995). Te raadplegen op: http://scholarship.law.nd.edu/ ndjlepp/vol9/iss1/2. W.H. Velema, ‘Schepping en verlossing’, in J. Kamphuis e.a., Hoe staan wij ervoor?, Barneveld 1992, 69-102. Zie ook de roemruchte Nashvilleverklaring, https://nashvilleverklaring.nl/.
5 Henri Veldhuis, Kijk op geloof. Christelijk geloof uitgelegd, Zoetermeer 2005, 247/8.
6 Ad Prosman, Homoseksualiteit tussen Bijbel en actualiteit. Een poging tot verheldering, Heerenveen 2018 2 , 110-113, 250/1 en 262.
7 Ad de Bruijne, Seksualiteit in de laatste dagen. Diesrede, http://www.tukampen.nl/diesrede. Zie ook zijn bespreking van Prosmans boek in Theologia Reformata jrg.58, nr. 2 2015, 226-227.
8 Robert Song, Covenant and Calling: Towards a Theology of Same-Seks Relationships, Londen 2014.
9 Megan K. DeFranza, Sex Difference in Christian Theology: Male, Female, and Intersex in the Image of God, Grand Rapids, MI en Cambridge, UK: Eerdmans, 2015.
10 James M. Childs, ‘Eschatology, Antropology, and Sexuality: Helmut Thielicke and the Orders of Creation Revisited’, in: Journal of the Society of Christian Ethics, 30, 1 (2010): 3-20.
11 Zie daarover (met literatuuroverzicht) Hans Schaeffer, Createdness and Ethics. The Doctrine of Creation and Theological Ethics in the Theology of Colin E. Gunton and Oswald Bayer, Berlijn 2006 en G.C. den Hertog, De passie van de hoop. Over de verhouding van eschatologie en ethiek, Zoetermeer 2007.
12 Oliver O’Donovan, Resurrection and Moral Order. An Outline for Evangelical Ethics, Leicester 1986 1 /1994 2 , hierna aangeduid als RMO; de tussen haken geplaatste cijfers verwijzen naar de pagina’s in dit boek.
13 Zie voor de tot 2015 bijgewerkte bibliografie Robert Song en Brent Waters, The Authority of the Gospel. Explorations in Moral and Political Theology in Honor of Oliver O’Donovan, Grand Rapids 2015.
14 Om enkele publicaties te noemen: Oliver O’Donovan, Marriage and permanence, Groove Booklet on Ethics nr. 26, Bramcote Nottinghamshire 1978. ‘Transsexualism and Christian Marriage’, Journal of Religious Ethics 11 (1983) 135-162. ‘Discussing Homosexuality with St. Paul: A Theological and Pastoral Approach’, in: Denyse O’Leary (red.), A Crisis of Understanding. Homosexuality and the Canadian Church, Burlington Ontario 1988, 51-61. ‘Homosexuality in the Church: Can there be a fruitful theological debate?’, in: Timothy Bradshaw (red.), The Way Forward? Christian Voices on Homosexuality and the Church, Grand Rapids Michigan/Cambridge UK 1997/2003 2 , 20-36. Oliver O’Donovan, ‘Reading the St Andrew’s Day Statement’, in: Chris Sugden en Vinay Samuel (red.), From Anglican Life and Witness. A Reader for the Lambeth Conference of Anglican Bishops 1998, Londen 1997, 38-51. ‘Schöpfung und Ehe. Kann sich Lehre entwickeln?’, in: Christoph Raedel (red.), Das Leben der Geschlechter. Zwischen Gottesgabe und menschlicher Gestaltung, Münster 2017, 157-173.
15 Voor O’Donovan zijn de termen ‘scheppingsorde’, ‘wereld’, ‘universum’ en (‘menselijke) natuur’ inwisselbaar (18).
16 Het lijkt voor de hand te liggen om hier het woord ‘theïstisch’ te gebruiken, maar omdat O’Donovan een aantal kritische kanttekeningen bij het theïsme plaatst, is het de vraag of de term op zijn plaats is. Zie zijn The Desire of the Nations, 31/2.
17 De schepping is een goddelijk artefact. Daarmee wordt het is-oughtprobleem omzeild. In haar ‘is’ ligt het ‘ought’ vervat als uitdrukking van de intentie van de goddelijke Ontwerper.
18 ‘Schöpfung und Ehe’, 165.
19 ‘Transsexualism and Christian Marriage’, 151.
20 Zie daarvoor ook Sherif Girgis, Ryan T. Anderson, Robert P. George, What is Marriage? Man and Woman: A Defense, New York, Londen 2012.
21 O’Donovan zet zijn positie uiteen in een scherp contrast met het zogenoemde historisme – de opvatting waarin alles gehistoriseerd wordt. ‘The heart of historicism can be expressed in the thesis that all teleology is historical teleology’ (58). O’Donovan biedt een indringende analyse waar ik niet verder op kan ingaan.
22 Daarmee worden eventuele vragen vanuit de evolutietheorie omzeild omdat deze op het terrein van de geschiedenis/voorzienigheid liggen.
23 Ik laat hier het noëtische aspect onbesproken. Hoewel er natuurlijke kennis is, biedt alleen Christus werkelijk zicht op de schepping.
24 Dit valt volgens O’Donovan niet in dezelfde categorie als echtscheiding. Hoewel echtscheiding wezenlijk afbreuk doet aan het huwelijk, ligt dit op een ander niveau.
25 Oliver O’Donovan, A Conversation waiting to begin,117. Zie daarover ook G.C. den Hertog, ‘Een gesprek dat nodig op gang moet komen. Oliver O’Donovan over homoseksualiteit en ethiek’, in: Soteria, dec. 2010, 17-29.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's