Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

4 minuten leestijd

Roger E. Olson, Christian T. Collins Winn, Reclaiming Pietism: Retrieving an Evangelical Tradition (Grand Rapids MI: Eerdmans, 2015) 190 p., $ 18.00 (ISBN 9780802869098).

Te lang is dit boek blijven staan in het rijtje boeken dat nog gerecenseerd moet worden. Zou het toch te maken hebben met de zinnen waarmee Olson (George W. Truett Theological Seminary, Waco, Texas) en Collins Winn (Bethel University, St. Paul, Minnesota) hun boek openen: ‘“Pietism” is a bad word, or so claim common opinion and usage. We want to challenge and correct that’ (x)? De auteurs zijn erin geslaagd een beknopt, helder en goed leesbaar overzichtswerk te schrijven dat zijn waarde heeft naast de veel omvangrijkere (en duurdere!) Companion to German Pietism, 1660-1800 (red. Douglas Shantz, Brill’s Companions to the Christian Tradition 55, $ 152.00), eveneens uitgegeven in 2015.

De auteurs willen niet alleen beschrijvend, informerend en analyserend te werk gaan, maar – zoals de titel reeds aangeeft – ‘Evangelicals’ (in de Amerikaanse context) ervan overtuigen dat het nodig is om welbewust zich te verdiepen in de eigen wortels. Olson en Collins Winn brengen de negatieve associaties die het woord piëtisme oproept in verband met de beschuldigingen van Albrecht Ritschl in de negentiende eeuw en Karl Barths kritische beoordeling in de twintigste eeuw. De oorspronkelijke piëtistische beweging echter, zoals die geïnitieerd is door Philipp Jakob Spener, ‘have much to contribute to theologies influenced by Ritschl and Barth, even by way of correction’ (17).

In het tweede hoofdstuk worden voorlopers van het piëtisme voor het voetlicht gehaald als Johann Arndt, Jakob Böhme en ook de man die binnen de Nederlandse context veel spanningen heeft veroorzaakt: Jean de Labadie. De conventikels, waar De Labadie zich sterk voor heeft gemaakt, zouden later een van de karakteristieken van het piëtisme worden. Spener zelf heeft De Labadie meerdere keren horen preken in de periode 1660-1661 en bezocht in Genève ook de samenkomsten ten huize van De Labadie. Onder de titel ‘Reforming the Reformation’ komen in hoofdstuk 3 en 4 de belangrijkste vertegenwoordigers van het piëtisme ter sprake – de reeds genoemde Spener en verder August Hermann Francke en Nikolaus Ludwig von Zinzendorf. Veel aandacht is er voor Speners hoofdwerk Pia Desideria. Indrukwekkend is het om te lezen hoe Francke zijn werk als hoogleraar Grieks en Oriëntaalse talen in Halle gecombineerd heeft met het werk als pastor voor de armen van de stad – een combinatie die ervoor zorgde dat de beoefening van de theologie niet geïsoleerd raakte van de werkelijkheid van het geleefde leven.

De vraag wat piëtisme inhoudt, beantwoorden Olson en Collins Winn door tien ‘authentic hallmarks’ te benoemen. In dit hoofdstuk zouden nog meer de bronteksten zelf voor het voetlicht gebracht kunnen worden. Piëtisme is allereerst een vorm van orthodox protestantisme. Verlossing wordt gezien als ‘experience of inward transformation by the Holy Spirit through faith as personal appropriation of Gods’s grace’ (89). Verder komen onder andere aan de orde zichtbaar christendom, liefde voor de Bijbel en het algemene priesterschap van de gelovigen. Deze kenmerken zijn niet exclusief voor het piëtisme, maar de combinatie maakt de beweging wel tot wat zij is geworden.

De context van beide auteurs is duidelijk te merken, wanneer zij in hoofdstuk 6 laten zien wat er met het piëtisme gebeurd is toen het door emigranten meegenomen is naar Groot-Brittannië en Noord-Amerika. Vanuit Europees perspectief zou hier meer aandacht geschonken kunnen worden aan het puritanisme en de Nadere Reformatie. Ten slotte laten de auteurs zien hoe het piëtisme heeft doorgewerkt in de negentiende en twintigste eeuw. Hier vallen de namen van Schleier macher, Kierkegaard en vader en zoon Blumhardt. Van de twintigsteeeuwse theologen klinkt alleen de naam van Jürgen Moltmann vertrouwd in de oren. Donald Bloesch, Richard Forster en Stanley Grenz zijn voor mij onbekenden.

De auteurs zijn erin geslaagd om in onze context te laten zien dat het piëtisme waardevolle impulsen bevat voor de beoefening van de theologie. Hun pleidooi dat wetenschap en vroomheid met elkaar verbonden dienen te zijn, kunnen we van harte bijvallen: ‘Pietism believes that Christian theology should never be a merely academic exercise; it should be practiced and believed within the bossom of the worshipping community by individuals whose lives are committed to Christ by faith’ (185).

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 2020

Theologia Reformata | 122 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 2020

Theologia Reformata | 122 Pagina's