Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vertrouwen geboekstaafd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vertrouwen geboekstaafd

24 minuten leestijd

Er lijkt sprake van een structurele tweedeling in de samenleving: die tussen elite en volk. Bovendien lijkt het vertrouwen van burgers in de overheid de afgelopen jaren afgenomen. En inderdaad lijken we steeds meer geregeerd door regenten dan door leiders die bereid zijn verantwoording af te leggen over hun beleid en wat dat betekent voor burgers. Is die trend te keren en het vertrouwen te herstellen? En zo ja, hoe?

‘Het land moet bestuurd worden’. Dat lijkt een waarheid als een koe. Maar bij nader inzien valt er op dit motto van onze minister-president Mark Rutte nog wel wat af te dingen. Aldus Leids hoogleraar staats- en bestuursrecht, Wim Voermans, in het boek dat hij onder deze titel schreef.

Toegegeven: onder genoemd motto regeert Rutte ons land nu al meer dan tien jaar. Er zijn onder zijn bewind enkele grote stelselwijzigingen doorgevoerd. De arbeids-, woning- en energiemarkt en het banken-, pensioen- en zorgstelsel gingen allemaal op de schop. In een land dat politiek steeds verder uit elkaar lijkt te vallen, is dat een prestatie van formaat. En mochten er gaandeweg wat vragen gerezen zijn over de methoden waarvan hij zich daarbij bediende, met de wijze waarop hij het land tot nu toe door de coronacrisis heeft geloodst is lijkt de overgrote meerderheid in ons land tevreden.Maar het boek van Voermans heeft weinig van een lofrede op tien jaar Rutte. Bezien we meer in detail hoe laatstgenoemde opereert, dan vertoont zijn werkwijze steeds meer overeenkomsten met de politiek zoals die door de beruchte grondlegger van de politieke wetenschap uit de Florentijnse Renaissancetijd, Niccolò Machiavelli, werd gepropageerd.

Rutte staat in een lange regententraditie, zo stelt Voermans. En als zodanig dient hij gezien te worden als het product van een eeuwenoude, typisch Nederlandse, bestuurscultuur. Het gaat daarbij om een cultuur waarin politiek leiderschap zich bedient van overleg met vertegenwoordigers van verschillende maatschappelijke belangengroepen en de uitruil van hun wensen. Daarbij kunnen idealen en ideeën weliswaar een belangrijke rol spelen, maar altijd op de achtergrond aangezien altijd toch het pragmatisch streven naar consensus overheerst. In een dergelijke politieke traditie spelen de zogenaamde oliemannetjes vaak een doorslaggevende rol, aldus Voermans. En Rutte, met zijn imago van lachebekje en de ideale schoonzoon die zonder twijfel het beste met ons allemaal voor heeft, lijkt die rol met verve te vervullen. Strak in pak wanneer het moet, sportief en informeel wanneer het kan.

Maar dat doet niets af aan het feit dat de politiek onder strenge regie van Rutte de afgelopen tien jaar zich steeds minder heeft aangetrokken van allerlei mechanismen die in ons bestuurlijk systeem zijn ingebouwd om altijd aanwezige neiging tot machtsmisbruik tegen te gaan. Met gebruikmaking van het argument dat dit land bestuurd moet worden is de bereidheid verantwoording af te leggen over bestuurlijke keuzes steeds verder afgenomen, aldus Voermans. Sterker nog: Rutte wekt de indruk dat hij het parlement meer en meer is gaan beschouwen als een lastige pottenkijker die je het best op afstand kunt houden. Verzoeken om informatie door de Tweede Kamer werden door betrokken bewindslieden dan wel hun departementen getraineerd, er volgde geen, onvolledige of soms ook gewoon foutieve informatie. En gold het verkeerd informeren van de Kamer vroeger nog als een doodzonde die aftreden vereiste, onder Rutte komen de verantwoordelijke minister-president, ministers dan wel staatssecretarissen er steeds vaker met een ‘sorry’ en de belofte van beterschap vanaf. En het kabinet-Rutte viel ten langen leste weliswaar over de toeslagenaffaire, maar maakt gewoon beleid en neemt nog vergaande besluiten alsof er niets gebeurd is.

Voermans gaat zo ver dat hij spreekt van ‘paalrot’ in de pijlers van onze democratische rechtsstaat. En dat, terwijl Rutte steeds vaker regeringen van andere landen op hoge toon meent te moeten aanspreken op iets dat naar zijn mening niet in orde zou zijn met de rechtsstaat aldaar.

Persoonlijk denk ik dat er weinig valt af te dingen op de analyse van Voermans. Alleen komt hij niet met mogelijke oplossingen, anders dan de opmerking dat de Tweede Kamer in staat moet worden gesteld serieus werk te maken van haar controlerende taken. Het is zeker niet zo dat hij hier het gras voor de voeten van de commissie weg maait die onder leiding van onze Kees van der Staaij moet gaan adviseren over de wijze waarop dat gestalte zou moeten krijgen.


Met Een nieuwe politieke formule bieden de staatsrechtgeleerden Sophie van Bijsterveld (Nijmegen) en Hans-Martien ten Napel (Leiden) een uitdagende bundel studies die elk voor zich proberen een weg te wijzen uit de huidige crisis. Die crisis is volgens hen niet alleen maar staatkundig van aard, maar heeft nadrukkelijk ook een maatschappelijke dimensie. Vandaar dat er in het boek, naast bijdragen over staat en legitimiteit, ook studies over politiek, maatschappelijke instituties, identiteit, burgerschap, kerk en theologie te vinden zijn. De schrijvers van de verschillende bijdragen gaan allen in gesprek met de negentiende-eeuwse Franse intellectueel Alexis de Tocqueville. Die had namelijk beweerd dat een gezonde democratie, naast instituties die elkaar in evenwicht houden, ook afhankelijk was van een onder het gewone volk breed gedragen democratisch ethos. En dat ethos werd geïnspireerd door de christelijke godsdienst.

De vraag is alleen wat we met die observatie vandaag nog kunnen, wanneer we moeten constateren dat de samenleving in ieder geval aan deze zijde van de Atlantische oceaan onderhevig lijkt aan een processen van secularisering en individualisering? Is de democratie als gevolg daarvan niet gedoemd te ontaarden in een dictatuur van de meerderheid? En heeft het maatschappelijk middenveld, dat vanouds een matigende invloed had op de macht van de staat, niet aan vitaliteit ingeboet als gevolg van het feit dat mensen alleen nog geïnteresseerd lijken in wat hun eigen belangen raakt? En wat heeft het christendom, de kerken, laat staan de christelijke theologie ons nog te zeggen, gesteld dat ze hun mond publiekelijk al durven open te doen? In haar bijdrage stelt Carinne Elion-Valter (Rotterdam) dat de huidige bestuurlijke traditie te maken heeft met een legitimiteitscrisis omdat ze vooral gericht is op de eigen continuïteit (‘Het land moet bestuurd worden’) en de principiële onvolmaaktheid van recht en politiek doet vergeten. In plaats van zich te richten op activistische beleidsdoelen die al te vaak een radicale breuk met het verleden en de lokale maatschappelijke situatie betekenen, zou ze er beter aan doen zich te beperken tot het begeleiden van veranderingen die zich in de samenleving zelf voordoen.

Het huidige overheidsbeleid wordt in toenemende waarde gedreven door de oorspronkelijk socialistische waarde van de gelijkheid, zo stelt Ten Napel. Dat leidt onvermijdelijk tot een beperking van de vrijheid, waarvoor het liberalisme zich ooit hard maakte, en de mogelijkheid er absolute aanspraken op waarheid op na te houden, waarvoor de confessionelen stonden. ‘Verreweg de meeste politieke partijen bevinden zich tegenwoordig in het links-liberale kamp. Alleen de SGP en de populistische partijen verzetten zich nog tegen het dominante gelijkheidsstreven. Daarop aansluitend, pleit Ten Napel voor een revitalisering van de oude klassiek-liberale en christendemocratische politiek.Vervolgens wijst Elion-Valter in een volgende bijdrage op de tragiek van een streven naar gelijkheid dat ingaat tegen fundamentele instellingen die eigen zijn aan een bepaalde samenleving. Wie in de negentiende eeuw dacht de slavernij af te schaffen door een huwelijk met een zwarte vrouw aan te gaan, moest tot zijn schade en schande ontdekken dat hij zijn vrouw uitleverde aan het oordeel van een samenleving die nog altijd gebaseerd was op diepgewortelde rassenongelijkheid in plaats van haar daarvan te bevrijden. Ook al was de institutionele religie op dat moment niet altijd in staat daaraan iets te veranderen, eigen aan het christendom is ook dat het tot het inzicht leidt dat in dit ondermaanse bij het streven naar verandering altijd sprake zal zijn van een tegenstelling tussen ideaal en werkelijkheid.

Dat inzicht komt ook terug bij Timo Slootweg (Leiden), die de rol van het christendom bij de vorming van onze menselijke identiteit aan de orde stelt. Door religie, zo valt hij Tocqueville bij, wordt de mens gewezen op zijn plichten tegenover anderen en leert hij te participeren in een gemeenschap. Dat kan alleen wanneer de mens zijn eigen individualiteit niet verabsoluteert. En in politieke zin kan dat alleen wanneer mensen ook hun collectieve identiteiten niet verabsoluteren, maar altijd open staan voor de ander. Helaas blijft bij Slootweg onduidelijk of dit open staan ook betekent dat wij in politieke zin mensen die hun eigen superioriteit verabsoluteren ten koste van anderen dienen te tolereren. Zo zou een pleidooi voor een christelijk-democratische Leitkultur à la Tocqueville kunnen impliceren dat wij ons, net als populisten, uitspreken tegen tribale cultuuruitingen waarvan tegenwoordig vooral vrouwen, etnische minderheden en mensen met een afwijkende seksuele oriëntatie het slachtoffer zijn. Anders dan Slootweg suggereert, heet dat niets met ongezond thuisgevoel of nationalisme te maken.

Toenemende secularisering hoeft niet te betekenen dat wij onze plichten tegenover anderen vergeten en niet langer participeren in de politieke gemeenschap, zo stelt Renée Wagenvoorde (Nijmegen) in haar bijdrage. Als voorbeeld haalt zij de klimaatmars aan – volgens haar een voorbeeld van goed burgerschap. Hier is sprake van een groep mensen, religieus of niet, die zich niet alleen maar laat leiden door puur eigenbelang, maar zich druk maakt over iets ´groters´, gebaseerd op ´hogere´ waarden als rentmeesterschap en solidariteit. Vanuit die overtuiging richt ze zich tot de politiek met de boodschap dat die meer verantwoordelijkheid zou dienen te nemen voor het behoud van onze planeet. Zonder zich direct met de klimaatdiscussie te bemoeien, zouden ook kerken daarbij een rol kunnen spelen, aldus Van Bijsterveld in haar eigen bijdrage. Al was het maar om vanuit hun eigen overtuiging gelovigen basale waarden van rentmeesterschap en solidariteit bij te brengen. Doen de kerken dat vanuit haar focus op, om met Dietrich Bonhoeffer te spreken, de laatste dingen, de theologie mag zich wel degelijk ook uitspreken over de voorlaatste dingen. En daarbij gaat het toch ook altijd om zaken die de natuur en de samenleving aangaan, aldus Christoph Hübenthal (Nijmegen) in zijn pleidooi voor een publieke theologie. Op die manier kan ze de wereld bewust maken van het feit dat er ´meer´ is tussen hemel en aarde dan ieders eigenbelang en tegenover de politiek op profetische wijze getuigen.

Daarbij is het wel de vraag waar dat profetische getuigen precies toe leidt. Op dit moment lijken veel theologen namelijk nogal dicht tegen huidige politieke beleidsvoornemens aan te schurken, zonder dat duidelijk is hoe dit uitpakt voor allerlei kwetsbare groepen in de samenleving. Een dergelijk voorbehoud geldt toch ook de door Wagenvoorde genoemde klimaatmars. Maar uiteindelijk doet dat niets af aan de waardevolle perspectieven die ons in deze bundel geboden worden. Van harte ter lezing en verdergaande reflectie aanbevolen.


Terecht meent de Utrechtse hoogleraar missiologie, Mechteld Jansen, dat in het huidige gepolariseerde maatschappelijke debat een theologische stem niet mag ontbreken.

Volgens Jansen draait de tegenstelling tussen ‘volk’ en ‘elite’ om de vraag naar vertrouwen. Kon het volk er lange tijd vanuit gaan dat elites hun welzijn op het oog hadden, tegenwoordig lijkt dat steeds minder vanzelfsprekend. Om te beginnen is het vanuit theologisch perspectief nog maar de vraag of we zo gemakkelijk moeten meegaan in het gemak waarmee wordt uitgegaan van een tegenstelling tussen volk en elite. Of sluiten we dan de ogen toch al te gemakkelijk voor een maatschappelijke realiteit waarin sprake is van een toenemende kloof tussen arm en rijk, tussen wereldburgers en mensen die verlangen naar een veilig thuis, zo vraagt Jansen zich af.Wanneer inderdaad sprake zou zijn van een dergelijke kloof, dan kan die een christelijke theologie onmogelijk koud laten. Want dat geloof gaat nu juist over herstel van vertrouwen, en het is de taak van de theologie, meer in het bijzonder de missiologie, daarvan tegenover anderen getuigenis af te leggen. En is Jezus ons daarin ook niet voorgegaan als grensganger tussen arm en rijk, tussen elites en hen die zich in de marge van de samenleving bevinden?

Om te beginnen is het van belang om als theologen het oor te luisteren te leggen bij het volk, om te horen wat eraan schort. Alleen dan, zo stelt Jansen, kan onze roeping worden waargemaakt “dat geloofsgemeenschappen weer een vorm van thuis bieden, die gebaseerd is op de oefening om altijd ‘open huis’ te houden.” Niet dus op de manier van de populisten, zo is Jansen stellig van mening. Die verdiepen volgens haar de kloof tussen volk en elite alleen maar en voeden de maatschappelijke woede. Daartegenover was Jezus met ontferming bewogen over een opgejaagd en afgemat volk. En die ontferming geldt alle volkeren. Daarbij moet niet gedacht worden aan bepaalde identiteiten, maar aan de gehele mensheid, zo zegt Jansen het de bekende missioloog Johannes Hoekendijk na. Probleem met populisten is, aldus Jansen, dat zij het volk nu juist wel definiëren in termen van eigen nationale identiteiten. Daarbij wordt, zo stelt ze in navolging van het heersende denken in de politieke wetenschap, het goede volk uitgespeeld tegenover een slechte elite die haar uitlevert aan immigratie en globalisering – precies de processen die als bedreigend worden ervaren voor de eigen nationale identiteit. Bovendien wordt de christelijke godsdienst gereduceerd tot een middel om die nationale identiteit opnieuw te articuleren en van een sacraal aura te voorzien. Dan gaan inderdaad de grenzen dicht voor vluchtelingen. En dat is natuurlijk niet hoe een echt-christelijke samenleving reageert, zo meent Jansen. Maar het is wel goed, zo stelt ze, om na te gaan waar het sentiment dat zich tegen vluchtelingen keert vandaan komt. Er zit ook iets in van gebrek aan vertrouwen dat politieke leiders zich, naast vluchtelingen, ook om hun eigen volk bekommeren. Ze concludeert terecht: “Als het volk dat basisvertrouwen kwijtraakt en er geen kanalen zijn om het te herwinnen, zal de woede zich richten tegen degenen die de belofte hebben afgelegd om het volk te representeren…” En hoewel vaak getwijfeld wordt aan het vermogen van het volk om te beslissen wat goed voor haar is, weet het volk veel meer dan de elite denkt, zo merkt Jansen zeer terecht op. Zij weten beter dan wie ook welk effect overheidsbeleid heeft op hun directe leefomgeving. En als onderdeel van ‘de elite’ zijn ook missiologen, naast wijze politici, geroepen dat volkse weten ter verdisconteren bij het zoeken naar een oplossing. Het is de nobele taak van theologen te helpen “de grenzen tussen volk en elite vreedzaam te overschrijden”. Daarbij met het bestaan en het belang van een ‘waarheid’ die volk en elite delen vooropstaan. Het is de taak van de missiologie, samen met andere wetenschappen, om daarnaar te zoeken. Maar bij wat ze vervolgens stelt, wreekt zich dat ze zich bij haar tekening van het populisme beroept op politieke wetenschappers in plaats van haar oor werkelijk te luisteren te leggen bij ‘het volk’. Want, zo stelt ze, “herstel van vertrouwen kan niet gebaseerd zijn op het koesteren van een sterke groepsidentiteit tegenover anderen.” Dan dreigen minderheden te worden onderworpen aan de dictatuur van een meerderheid. Het feit dat zij zich bij haar missiologische roeping in de huidige samenleving geïnspireerd weet door de onlangs overleden Joodse rabbijn Jonathan Sacks is veelbetekenend. Want behoort hij niet juist tot een minderheid die nog niet zo lang geleden het slachtoffer werd van een door rassenhaat gedreven meerderheid? Echter, anders dan Jansen voor waar wil hebben, keert Sacks zich bij zijn pleidooi voor het creëren van een thuis helemaal niet tegen natiestaten. Ze kan ook niets met het populistische argument dat de natiestaat vooralsnog de beste garanties biedt voor het voortbestaan van de democratische rechtsstaat. Ook geeft Jansen zich onvoldoende rekenschap dat kritiek op het huidige immigratiebeleid weinig te maken heeft met de hang naar een sterke groepsidentiteit, maar eerder met de problemen die bepaalde immigrantengroepen met de hun eigen cultuuruitingen veroorzaken voor met name kwetsbare groepen in onze samenleving. En zolang die problemen niet geadresseerd worden, zal ook het door haar geroemde “Wir schaffen das” van Angela Merkel door groepen in de samenleving die daarvoor uiteindelijk de prijs betalen met afgrijzen worden aangehoord. Jansen heeft een zeer lovenswaardig perspectief geopend op de vertrouwenscrisis die geleid heeft tot een groeiende tegenstelling tussen volk en elite. Het zou haar pleidooi om gezamenlijk te werken aan het overwinnen van die tegenstelling nog geloofwaardiger maken wanneer zij inderdaad haar oor ook werkelijk te luisteren zou leggen bij ‘het volk’ en het niet alleen maar aan populisten overlaat om aan hun problemen met bepaalde, ronduit schadelijke, cultuuruitingen stem te geven.


Kan een goede leider in positieve zin verschil maken in de samenleving? In een tijd dat niet gelijkheid, maar deugdzaamheid de leidende waarde was, werd die vraag per definitie met een volmondig ‘ja’ beantwoord. Een van de eersten die deze vraag al in de vierde eeuw voor Christus stelde was de Griekse wijsgeer-generaal Xenophon. Hij was een tijdgenoot van Plato en ook een leerling van Socrates. Anders dan Plato, was Xenophon er echter niet van overtuigd dat een goede leider ook altijd een goed mens was, aangezien voor beiden andere maatstaven gelden.

Een goed mens hoort in alle opzichten deugdzaam te zijn. Plato en Xenophon hadden daarbij Socrates voor ogen, christenen denken daarbij in de eerste plaats aan Jezus. Voor hen gold dat ze vroom waren, rechtvaardig, wijs en in staat het betere te verkiezen boven de plezier – tot in de dood toe. Iets dergelijks geldt niet in die mate van politieke leiders, zo is Xenophon stellig van mening. Naast goed zijn en gelijk hebben, zijn ze tevens geroepen ook gelijk te krijgen en het goede te realiseren. Daarvoor is soms het gebruik van geweld in de strijd tegen het kwade onvermijdelijk. Ook een leugentje om bestwil is zo af en toe zeker gerechtvaardigd. Tenminste, als het niet was om de eigen macht en de persoonlijke belangen van de vorst veilig te stellen, maar om een ideale samenleving te bevorderen. Daartoe behoorde niet alleen dat het goede werd bevorderd, maar ook dat het kwade werd tegengegaan en vijanden zo nodig werden vernietigd.

Voor Xenophon gold de Perzische vorst Kyros de Grote als het voorbeeld bij uitstek van een rechtvaardig heerser. Zelfs de Grieken, zijn vijanden, hadden groot respect voor hem. En ook in het Oude Testament wordt hij in positieve zin genoemd als degene die de Joden toestemming gaf om terug te keren naar het beloofde land en hen in de gelegenheid stelde hun tempel te herbouwen.

Tegelijk dient opgemerkt dat het er Xenophon niet om is te doen een waarheidsgetrouw beeld van Kyros te schetsen. Een aantal van zijn beweringen omtrent de Perzische vorst zijn overduidelijk in strijd met de historische feiten. Xenophon heeft vooral een ideaalbeeld willen schetsen om toekomstige leiders te inspireren dezelfde eigenschappen te ontwikkelen. Want tegenover zijn politieke tegenstrevers, die zich laten leiden door genotzucht, zelfoverschatting, afgunst en wreedheid, is Kyros het toonbeeld van deugdzaamheid. Hij is welwillend, rechtvaardig, moedig, matig, gastvrij, trouw, vrijgevig, be-zonnen, niet overmoedig, vroom jegens de goden en vol piëteit tegenover zijn ouders en andere hooggeplaatsten, beheerst, vriendelijk en respectvol, vergevingsgezind, enzovoorts en zo verder. Hij is echter niet deugdzaam om de deugdzaamheid zelf, maar om een ander doel te bereiken, namelijk om het welzijn van de staat te bevorderen. Want, zo stelt hij in een toespraak tot bondgenoten, ´als voor iedereen duidelijk is dat we proberen degenen die ons kwaad doen te overtreffen in kwaad doen en onze weldoeners in gunsten de loef af willen steken, dan ligt het voor de hand dat velen om die reden met ons bevriend willen worden en dat niemand graag onze vijand wil zijn.` Dat klinkt meer als Machiavelli of, meer recent, Donald Trump. Inderdaad, geen mensen die bekendheid hebben verworven als goed mens. Maar daar gaat het niet om in de politiek, zo lijkt Xenophon te willen zeggen. Het gaat er voor een politieke leider uiteindelijk om dat hij doet wat goed is voor het algemeen belang. Dat veronderstelt weliswaar ook dat iemand niet slecht is, maar vooral dat hij bereid is alles te doen om de vijanden van dat algemeen belang met alle mogelijke middelen te verslaan. Het is interessant om het ideaalbeeld dat Xenophon ons van Kyros schetst, te lezen met onze huidige politieke leiders voor ogen. Voldoen zij aan het beeld van een goede leider? Daarbij dient echter ook een andere vraag te worden gesteld. Want als het is zoals Xenophon veronderstelt, namelijk dat de vorst, beter dan wie ook, weet wat in het algemeen belang is, welke ruimte is er dan nog voor verantwoordelijke burgers met een visie op het algemeen belang die gebaseerd is op de eigen geloofsovertuiging? Wordt hier, bovendien, soevereiniteit niet te zeer als ongedeeld gezien, en voorbijgegaan aan zoiets als een soevereiniteit in eigen kring? Is de staat niet slechts een van die kringen, en dient de reikwijdte van haar macht en invloed dus ook niet per definitie beperkt te zijn? Zeker als we zien dat de huidige leiders tekort schieten naar de maatstaven van het ideaalbeeld dat Xenophon ons schetst? Ook met deze kritische vragen in het achterhoofd is lezing van dit boek echter van harte aanbevolen. HvdB


‘Het is perfect mogelijk om een heel redelijke, sociaal-politieke, morele invulling aan een begrip als authenticiteit of zelfontplooiing te geven.’ Tot zover het citaat van de Pools-Belgische filosofe Alicja Gescinska die mede-filosoof Onno Zijlstra als kapstok van zijn betoog hanteert. Onno Zijlstra neemt de lezer mee in het gedachtegoed van filosofen als Jean-Jacques Rousseau, Charles Taylor, Søren Kierkegaard, Bas van Stokkom en anderen. Ook sociologen en historici komen langs over het begrip authenticiteit. Zijlstra’s centrale vraag is ‘Wat is authenticiteit?’ Het boekje is tegelijkertijd ook een kritiek op ‘neoliberaal individualisme en populistische domheid.’ Bij elkaar levert dat een begripsinvulling van het woord authenticiteit op, die ongeveer als volgt luidt; ‘Jezelf zijn is weloverwogen, op een betrokken manier, midden in het leven staan. Sleutelwoorden zijn openheid, reflectie en verantwoordelijkheid. Authenticiteit is een waarde die niet verheven is boven andere waarden, zoals barmhartigheid, rechtvaardigheid, waarheid en liefde. Een mens is vrij om te kiezen als twee waarden conflicteren in een situatie. In het denken en doen ontstaat hierdoor een patroon van unieke, authentieke keuzes.’ De verschillende uitleg van het begrip authenticiteit in de geschiedenis komt eerst aan bod. Rousseau zag authenticiteit als ‘worden zoals de mens bedoeld is of zou moeten zijn.’ Hier zit een deugdenethiek achter. Niet authentiek zijn is verworden tot een egoïstisch, trots en afgunstig mens. Authenticiteit is vervolmaking. De Romantici vervormen dit ideaal vervolgens. Eerlijkheid, ook het uitkomen voor eigen fouten, wordt een eigenschap die van alle zonden vrijpleit. Het essentialisme gaat daarna in op de vragen; ‘Wie ben ik?’ en ‘Wat is jezelf zijn precies?’ Er wordt gespeeld met begrippen om het ‘zelf’ te vangen. Als de verabsolutering van het begrip authenticiteit doorzet, verdwijnt de connectie met het geheel, zoals het volk en de cultuur. De democratische revolutie van de jaren zestig laat dit duidelijk zien. De vraag ‘Waar ben jij allemaal op tegen?’ komt centraal te staan.Dit pamflet kan worden gelezen als een kritiek op de hedendaagse cultuur die is voortgevloeid uit deze jaren zestig. Tegenover de authenticiteitscultuur – wees vooral jezelf – zet Zijlstra het authenticiteitsideaal. Authenticiteit kan dus, met een beroep op Taylor en Kierkegaard, ook betekenen dat je iets doet wat je eigenlijk niet zou willen doen. Andersom, dat je iets laat, wat je wél had willen doen. De kritiek op de authenticiteitscultuur is dat zij gecombineerd met consumentisme en sociale media vooral een massacultuur is geworden.

Bij Zijlstra’s uitweidingen over de onderwerpen kunst en populisme wordt de kern van zijn verhaal duidelijker. Bij het onderwerp kunst voelt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van Zijlstra’s begrip van authenticiteit wat geforceerder aan. Over populisme daarentegen, schrijft de filosoof bevlogen en helder. De hedendaagse burger wordt door een krachtige overheid van zijn authenticiteit beroofd. Het ontbreekt vervolgens in de werking van de neoliberale overheid – Zijlstra zegt het niet hardop, maar de lezer kan het invullen – aan openheid, reflectie en verantwoordelijkheid. De burger zoekt vervolgens zijn heil bij de zogenaamd authentieke populist. Een goede theoretische schets van de haat-liefde verhouding tussen het neoliberalisme en het populisme. Het individualisme doet de samenleving geen goed. Dat is duidelijk. De vraag komt op waarom de filosoof geen pamflet geschreven heeft over het woord ‘vertrouwen.’ Een kleine definitiebepaling van het verschil tussen ‘authenticiteit’ en ‘authenticiteitsideaal’ had de lezer meer duidelijkheid verschaft. Nu wordt in een klein bestek veel gewisseld tussen verschillende begripsbepalingen. Pas aan het einde van het verhaal wordt het de lezer helder dat dit boek meer een maatschappijkritiek dan een filosofische analyse wil zijn. Daarboven roept het gebruik van het begrip ‘authenticiteit’ bij de lezer vragen op die niet beantwoord worden. De belangrijkste vraag is; ‘Hoe kan een postmoderne cultuur nu een positief authenticiteitsideaal nastreven?’ Het subject is toch al niet eens meer een levende realiteit? Een uitweiding over de relatie tussen authenticiteit van Boven gegeven of van onderop gemaakt (hoe dan?), zou dit boek meerwaarde gegeven hebben. Desalniettemin, is dit een – voor de christelijke lezer duidelijk evangelisch geïnspireerde – maatschappijkritiek die juist vanwege de keuze voor het opnieuw definiëren van het populaire woord authenticiteit een breed bereik heeft.

JW


Ter gelegenheid van de Tweede Kamerverkiezingen schreef Pieter Omtzigt dit boek waarin hij zijn visie op de goede manier van politiek bedrijven uiteenzet. Sinds 2003 is hij lid van de Tweede Kamer. Tot deze zomer voor het CDA. Door de manier waarop hij door partijbestuur, campagneteam en fractie is bejegend, heeft Omtzigt de CDA-fractie verlaten en is hij vanaf medio september 2021 als onafhankelijk Kamerlid verdergegaan.

Het eerste kwart van het boek gaat over Pieter Omtzigt zelf. In interviewvorm, opgetekend door filosoof en columnist Welmoed Vlieger (1976), vertelt hij over zijn le-ven, de studies die hij volgde, onder andere in Italië. En uiteraard zijn ervaringen in de politiek als lid van de Tweede Kamer en als lid van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa. In dit laatste orgaan heeft hij, samen met andere leden, een groot corruptieschandaal aangepakt. Omtzigt diende hiervoor een motie in die ondertekend was door bijna 200 leden. Er kwam een onafhankelijke onderzoekscommissie met een snoeihard rapport. Twaalf leden van de Assemblee werden geschorst. Berechtingen in hun eigen land volgden, met gevangenisstraffen tot gevolg. In Nederland kennen we Omtzigt vooral van het toeslagenschandaal. De Belastingdienst had onterecht de toeslagen van een fors aantal gezinnen groepsgewijze stopgezet en de reeds uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Illegaal, want eerst had per gezin nagegaan moeten worden of er wel sprake was van fraude.

Omtzigt vertelt de hoofdlijn van deze affaire en analyseert waarom het zo grondig mis heeft kunnen gaan. En waarom het zolang duurde voordat werd ingegrepen. Naast de Belastingdienst hebben ook regering en Kamer boter op hun hoofd. En de journalisten zitten veelal te dicht bij de macht om voldoende kritisch te kunnen zijn. Omzigt typeert zijn voornaamste rol als Kamerlid: kritisch controleren wat de regering doet. Dat is volgens hem zeker niet voorbehouden aan de Kamerleden die tot de oppositiepartijen behoren. Maar controleren, Jaarverslagen en Rekenkamerrapporten grondig lezen, dat doen veel Kamerleden niet. Ze maken liever wetten, plannen voor de toekomst en regeltjes die wetten ‘perfectioneren’ – en dus heel complex maken. Terecht maakt Omtzigt bezwaar tegen de manier waarop politici omgaan met modellen: ze varen er blind op. De echte werkelijkheid raakt uit beeld. Koopkrachtplaatjes worden een doel in zichzelf, in plaats van een middel. Inkomensmaatregelen worden zo ingericht, dat ze goed scoren in de koopkrachtplaatjes van de standaardgezinnen. Maar ondertussen maken die het Belastingstelsel nodeloos ingewikkeld. Ook is de belastingdruk voor gezinnen met een middeninkomen absurd hoog. Van een inkomensstijging met bruto 1000 euro, houd je maar 200 euro netto over. Bij de topinkomens is dat € 505. En mensen met vermogen worden door de fiscus in de watten gelegd. Kortom: het stelsel is ingewikkeld en inconsistent. Van belasten naar draagkracht komt niets terecht. Omtzigts betoog bevestigt het onderzoek dat het WI-SGP hierover in 2012 publiceerde. In dit boek stelt Omzigt een nieuw sociaal contract voor, met het oog op herstel van vertrouwen tussen burgers en overheid. Een greep uit de voorstellen: macht en tegenmacht zijn nodig, om de burger te beschermen willekeur en machtsmisbruik door de overheid. Daarvoor is onder meer een Constitutioneel Hof nodig dat wetten toetst aan de Grondwet. Het kiesstelsel moet anders, waarbij provinciale afdelingen meer zeggenschap krijgen en er stemdistricten komen die samenvallen met de provincies. (Dat gaat de SGP zetels kosten). De Kamer moet zich concentreren op zijn kerntaken en zich niet verliezen in actualiteitendebatjes. Het maatschappelijk middenveld moet niet langer aan het infuus van overheidssubsidies liggen, maar onafhankelijker worden, zodat het een echte buffer vormt tussen de staat en de burger. Er gaat bijna 100 miljard euro om in belastingfaciliteiten, zonder dat nagegaan wordt of deze effectief zijn. Omtzigt wil af van de modellen van planbureaus en wenst een grotere rol voor denktanks.

Hoewel ik bij sommige maatregelen zo mijn vragen heb, kan ik de grote lijn van Omtzigts betoog goed volgen. Dit boek is een aanrader voor wie meer wil weten wat Omtzigt motiveert en waardoor de overheid, inclusief de volksvertegenwoordiging, van een aanzienlijk deel van de burgers een dikke onvoldoende krijgt. Herstel van vertrouwen vergt een andere mentaliteit. Laat politici vooral eens op het grondvlak van de samenleving hun oor te luisteren leggen. Want door de fixatie op modellen en koopkrachtplaatjes zijn velen losgezongen van de realiteit.

JAS

Dit artikel werd u aangeboden door: Wetenschappelijk Instituut voor de Staatkundig Gereformeerde Partij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 2021

Zicht | 120 Pagina's

Vertrouwen geboekstaafd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 2021

Zicht | 120 Pagina's