Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Staat - glans en mis�re (II)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Staat - glans en mis�re (II)

22 minuten leestijd

Het einde van een illusie

In het vorige artikel over de Staat zagen we dat in 'politiek Nederland' van de jaren '70 het gevaar bestond lefat de kerk zich zou verzwageren met het linkse den-ken en eisen zou gaan stellen aan de Staat, die zelfs staatsondermijnend waren. Veel West-Europeanen, ook christenen, waren geïmponeerd door links radicale opvattingen. Hoe kon dit gebeuren?, zo vraag je je af. Het was toch voor iedereen duidelijk wat zich in de Oostbloklanden afspeelde, welk een onderdrukking dóór plaatsvond! De Franse historicus Francois Furet heeft een lijvig boek geschreven over deze kwestie. De titel van dit fraaie en indringende werk is veelzeggend' ie passé d'une illusion, ofwel: Het verleden van een illusie. Furet is een gerenommeerd Frans historicus. Een groot deel van zijn leven woonde hij in Chigaco, waar hij hoogleraar moderne geschiedenis was. Hij heeft naam gemaakt door zijn kritische geschriften over de Franse Revolutie. De laatste jaren van zijn leven maakte hij veel studie van de geschiedenis van de 20*^ eeuw en dan met name van het fenomeen van het nationaal-socialisme en het communisme en van hun wederzijdse verhouding. Ongetwijfeld heeft de val van de Berlijnse muur ertoe bijgedragen dat Furet op hoge leeftijd aan het schrijven sloeg aan het bovengenoemde boek, dat in

Feindliche Brüder

Wat Furets boek zo belangrijk en actueel maakt is dat hij met heel veel nadruk onderstreept dat het communistische regime van Rusland (Furet richt zich met name op de Sowjet-Unie) even monstrueus en misdadig was als het regime van Hitler! Tegelijkertijd wijst hij er op dat het optreden van Hitler van meet af alom afschuw opriep, terwijl dat bij Stalin niet het geval was! In het Westen werd vanaf 1933 en zeker na de Tweede Wereldoorlog met afschuw gereageerd op Hitler en het nazisme. Wie kent niet de beelden van de concentratiekampen en wie weet niet van de systematische terreur tegen de Joden? Maar, aldus Furet, Stalin deed niet voor Hitler onder. Furet heeft de huiveringwekkende voorbeelden bij de hand. Hij vertelt ons hoe Stalin in de jaren twintig en dertig systematisch miljoenen mensen op het platteland - eenvoudige boeren met hun vrouwen en kinderen - door hongersnood liet omkomen. Niet doordat er te weinig voedsel was - er was genoeg! Maar Stalin weigerde met opzet elke toevoer van voedsel om hen zo, op deze vrij eenvoudige en weinig kostbare manier, van het leven te beroven. Ook wijst Furet op de Russische strafkampen met hun mensonterende omstandigheden, waarover Soltsjenytzin een boekje open deed. In wreedheid deden ze niet onder voor de concentratiekampen van de Duitsers. En, zo onderstreept Furet, dit was bekend! Zo komt Furet tot de conclusie dat het communisme en het nationaal-socialisme in heel veel opzichten op elkaar leken. Het waren feindliche Brüder. Ze kwamen voort uit dezelfde oorsprong. De ideologie van de Franse Revolutie lag ten grondslag aan beide bewegingen. Zowel Stalin als Hitler wilden met terreur, oorlog en intimidatie de weg naar het toekomstige heil veilig stellen. De één ter wille van het superieure Duitse ros, de ander ter wille van de verdrukte onderklasse in de maatschappij: het proletariaat. Om hun doel - de heilsstaat - te bewerken deinsden ze nergens voor terug. Ook daarin komen ze overeen. Het is zelfs zo, aldus Furet, dat Hitler en Stalin van elkaar afkeken op welke wijze zij hun mocht het beste veilig konden stellen. Juist omdat ze zoveel verwantschap hadden en beiden uit waren op wereldhegemonie stonden ze tegelijkertijd wantrouwig en vijandig tegenover elkaar. Inderdaad: feindliche Brüder

Selectieve verontwaardiging

Dot ze Bnüc/er waren, wilden velen in het Westen, vooral na de Tweede Wereldoorlog moor moeilijk erkennen. Toch is het duidelijk het geval. Dat bleek in 1939, toen Stalin en Hitler een niet aanvalsverdrag sloten. Hitler had dit pact nodig om rust te hebben aan de oostgrens. Zo zou hij de handen vrij hebben, om de westerse mogendheden aan te vallen. Stalin, die heel goed begreep dot annexatie van Polen door Duitsland uit zou lopen op een oorlog tussen Duitsland aan de ene kant en Engeland en Frankrijk aan de andere kant, lachte in zijn vuistje. Hij sprak met Hitler af dat deze het westelijk deel van Polen mocht annexeren en hij, Stalin, het oostelijk deel. Dit laatste met een beroep op de veiligheid van Rusland. Tegelijk kwam het hem goed uit dot de westerse landen en niet hij met Hitler in oorlog zouden raken. Hij meende dat de oorlog zou uitlopen op een verzwakking zowel van Duitsland als van de andere Westerse mogendheden. Rusland bleef voorlopig buiten schot. Dot zou hem de mogelijkheid geven om zijn invloed in het Westen te vergroten, iets waar hij door infiltratie in de buitenlandse communistische partijen - met name in Frankrijk - al druk mee doende was. Door deze manoeuvre bracht Stalin de communisten in West- Europa overigens in grote verlegenheid. Tot dan toe hadden zij zich geëtaleerd als de grote tegenspelers van Hitler, bij wie men zich aan moest sluiten, om het oprukkend nazisme een halt toe te roepen. Na het niet aanvalsverdrag van 1939 kon men dat niet meer volhouden. Nota bene de grote man, die een bijna onaantastbaar gezag wist te bewerkstellingen, Stalin, schudde de hond van Hitler en gooide het met hem op een akkoord' Furet stelt dat deze manoeuvre van Stalin, waarin hij zich werkelijk bloot gaf, na de Tweede Wereldoorlog maar al te gemakkelijk vergeten werd. De reden daarvan is dot Hitler in 1942 zijn woord brak en Rusland verraderlijk binnen viel. Daardoor raakte Stalin nolens valens bij de oorlog betrokken en moest hij positie kiezen tegen HitlerI, hetgeen zijn reputatie in het Westen ten goede kwam, ondanks het verraad van 1939!

De oorlog en zijn gevolgen

Dat Hitler in het voorjaar van 1942 Rusland binnenviel, kwam de geallieerden heel goed uit. Zo ontstond er immers een tweede front. Vanzelfsprekend zochten Churchill en de andere westerse regeringsleiders contact met Stalin en werkten ze samen tegen de agressor Hitler Stalin gebruikte deze situatie om in het Westen goede sier te maken. Hij liet het tijdens en na de oorlog voorkomen alsof hij de kampioen was in de strijd tegen het nazisme.

Ook in zijn eigen land trok hij in zekere zin profijt van de situatie. Het is duidelijk dat de bevolking van Rusland zuchtte onder de terreur van Stalin. Velen zagen in de oprukkende Duitse legers bevrijders en begroetten de Duitsers met veel vreugde. Toch heeft Stalin kans gezien om zijn volk achter zich te scharen in de strijd tegen de Duitsers. Dat is echter in de allereerste plaats niet te danken aan Stalin zelf, maar aan de ongehoorde hardvochtigheid waarmee de Duitse invallers optraden. De praktijk wees uit dot de arme bevolking van Hitler niets te verwachten had. Men kon kiezen uit twee kwaden - en ..men koos voor de verdrijving van de vijand, met enige hoop dat het wellicht na de oorlog in Rusland beter zou worden. Deze hoop bleek overigens ijdel te zijn. Bovendien: om de harten van de bevolking voor zich in te winnen, sloeg Stalin een andere, ja zelfs een religieuze toon aan. Hij deed zich voor als de redder van het vaderland. Tekenend is dat hij het volk niet meer toesprak met het communistische jargon. Zo liet hij in toespraken het woord 'kameraden' achterwege om het te vervangen door de - nota bene! - kerkelijke woorden 'broeders en zusters'! Stalin wist hoe hij zijn volk moest bespelen. Deze woorden lagen bij het zo religieuze Russische volk veel beter in het gehoor en ze riepen herinneringen op aan de tijd dat de kerk de toon aan gaf, waar velen door toedoen van de terreur van het communisme met heimwee aan terug dachten. Bovendien riepen ze de hoop wakker dat het wellicht in de toekomst, na de verdrijving van de Duitsers, toch nog anders zou worden! Maar, ook dit laatste bleek een illusie. De terreur van Stalin werd na de oorlog volstrekt niet minder! Tekenend is dat soldaten die tot in Berlijn toe Hitler bestreden hadden, bij terugkomst systematisch werden onderdrukt en gedood. Zij hadden mogelijkerwijs bloot gestaan aan westerse invloeden! Stalin veranderde zijn strategie niet - de onderdrukking bleven bestaan, op even grote schaal als voordien.

Vanwaar de tegenstrijdigheid...?

Furet legt er de nadruk op dat men dit in het Westen wist en weten kon! De grote vraag die in zijn boek steeds weer naar voren komt is: hoe heeft men zo verblind kunnen zijn dat die kennis van zaken niet die afschuw heeft teweeg gebracht, die het Hitler-regime wel teweeg bracht? Vanwaar de tegenstrijdigheid dot de gruwelen van de communistische regimes nooit een algemene afschuw wekten - terwijl ze niet minder waren dan die van de nazi's. Wat mag de verklaring daarvan zijn?

Daarvoor zijn verschillende antwoorden te geven. De belangrijkste is de volgende: Furet toont met de stukken aan dat Stalin op een sluwe manier via de Komintern infiltreerde in de West-Europese landen. Waar hij vooral zijn best voor deed, was dat er een sfeer gecreëerd werd, dat op criticasters van het communisme automatisch de verdenking viel dat ze fascist waren. Vooral in landen als Italië en Frankrijk heeft dit gewerkt. Hij wist hij de algemene opinie zo te beïnvloeden dat men een anti-communist al heel snel kon uitmaken voor een fascist. Daar kwam bij dat Stalin zich heel graag liet afschilderen als degene die het Hitler-regime overwonnen had. Hij had Berlijn veroverd. Hij was de kampioen van de moderne tijd, door Hitler te verslaan! Wie dus tegen fiem was, was voor de ideeën van Hitler. Vandaar dat hij Amerika en Engeland, die zware kritiek uitten op zijn annexatie van de Oost-Europese landen, direct na de oorlog afschilderde als fascistische landen. Zij behelsden een gevaar waar hij de Oost- Europese landen voor diende te beschermen! Door zijn propaganda en zijn zeer sluwe tactiek heeft hij en hebben zijn opvolgers velen, zeer velen zand in de ogen gestrooid. Tot op de dag van vandaag, werkt dit door En dit is er de oorzaak van, aldus Furet, dat men in het Westen niet met algemene afschuw gereageerd heeft op de gruwelen van het communisme. Stalin was immers anti-fascistisch. Hij had de oorlog gewonnen. En... er waren er velen die - hoewel men afwist van de misdaden die door de communistische regimes in Oost Europa op grote schaal werden gepleegd - weigerden zich tegen hen te keren. Wellicht moest het in Rusland door zulke verschrikkingen heen om de kapitalisten, dat wil zeggen de 'fascisten', van het lijf te houden. Wellicht, zo dachten velen lag de schuld voor de bedenkelijke kanten van Stalins optreden niet in de Sowjet-Unie, maar in het Westen, omdat de regeringsleiders van het Westen voor hem vooral in het NAVOverband een bedreiging vormden. Wellicht zouden de sowjets inderdaad het ideaal van de communistische wereld - gelijkheid en heil - weten te bewerken!! Ja, zo stelde men bovendien, was het kapitalistische Westen, dat zich tegen Stalin keerde niet even onderdrukkend als het communisme? Stalin en de communistische leiders in het Westen wilden maar al te graag doen geloven dot het in de Koude Oorlog ging om het dilemma kapitalisme of marxisme. De gruwelen in de Sowjet-Unie en de andere communistische landen waren nodig, om zich te wapenen tegen het kapitalisme, dat als systeem verderfelijk was. Zeer terecht stelt een onder Frans (christen-) historicus, Alain Besan(;on, die door Furet een en andermaal wordt geciteerd, in een terugblik op deze periode: Wie zich eenmaal had laten verleiden om de terminologie van de communisten te gebruiken en zich voor het dilemma geplaatst zog van kapitalisme of communisme had de slag eigenlijk al verloren.

Zelfs in de kerk - Karl Barth

Furet laat zien dat dit nu juist de bedoeling was van Stalin. Zo probeerde hij de Westerlingen en vooral de intellectuelen op een verkeerd been te zetten en zond in de ogen te strooien. Welnu, het is hem in veel opzichten gelukt, ook in de kerken. Zelfs Karl Barth, die zich in de jaren '30 zo krachtig uitsprak tegen Hitler zog niet in dot Stalin en Hitler kinderen uit één familie waren met precies dezelfde gelaatstrekken. Op het hoogste punt van zijn invloed op kerk en theologie sprak uit dat hij weigerde Hitler en Stolin op één lijn te stellen. Letterlijk zei hij in 1949 dat Hitler een "charlatan" was en "niet een man van statuur als Stalin"!! Wie deze regels leest, wrijft zich de ogen uit Welk een euvele uitwerking heeft deze verblinding van Barth niet gehad in kerk en politiek in de tweede helft van de vorige eeuw!?

Wie waren de spraakmakende theologen in de tweede helft van de twintigste eeuw? Wat hield hen en hun kerkelijke achterban vooral bezig? Hoe werd er gedacht over kwesties als bijbelgezag, verzoening en opstanding, over atoombewapening en de theologie van de revolutie? Deze vragen komen aan de orde in een begin 2002 verschenen boek, getiteld Vijftig jaar onder theologen *). Het bevat het verhaal van een zekere Piet, die na een opleiding op Nieuw Ruimzicht en een theologische studie te Leiden, remonstrants predikant werd. Zijn volledige naam blijft onvermeld, maar het is niet moeilijk te raden dat achter deze Piet de auteur, dn E. P Meijering (geb. 1940), schuilgaat Van 1968 tot 1995 was hij (deeltijd-)predikant in verschillende remonstrantse gemeenten en van 1976 tot 2001 lector in de theologiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden.

Berkouwer, Barth en Berkhof

In een vijftal hoofdstukken vertelt de auteur op boeiende wijze wat er in de achtereenvolgende decennia tussen 1950 en 2000 in de theologische wereld gaande was. De eerste door hem genoemde theoloog is de gereformeerde hoogleraar dn G.C. Berkouwer in zijn jongensjoren logeerde Piet graag bij zijn grootmoeder in Delfzijl. Zij las het Gereformeerd Weekblad, waarin Berkouwer vaak hoofdartikelen schreef Piets grootvader en overgrootvader waren predikant geweest. Bedoeld zijn blijkbaar ds. M. Meijering (1866-1948), die als gereformeerd predikant in Delfzijl had gestaan en ds. L. Meijering (1827-1889), die de christelijke afgescheiden gemeenten van Winschoten en 't Zandt had gediend. Piet wilde in hun voetsporen treden. Tijdens zijn verblijf op Nieuw Ruimzicht en het christelijk streeklyceum te Doorn verruimde hij zijn blik op de kerkelijke en theologische wereld. Hij hoorde van professor Karl Barth en diens volgelingen in Nederland, onder wie de hoogleraar dnK H. Miskotte. Ook ontdekte hij dat er over de opstelling in de politiek verschillend werd gedacht door gereformeerden, confessionele hervormden als prof. dn G.C van Niftrik en voorstanders van de doorbraak, zoals dn Miskotte en ds. Buskes. Piet bezocht de kerkdiensten op het vormingscentrum Kerk en Wereld. Daar gingen niet alleen de rechtzinnige predikanten H. Berkhof en FJ. Pop voor, maar ook vrijzinnigen als J.M. de Jong en J.M. van Veen. Af en toe woonde hij ook andere diensten bij zoals die van de Nederlandse Protestantenbond én een kerkdienst van de oud-gereformeerde dominee Du Marchie van Voorthuijsen te Leersum. Diens preek over de bekering van de kamerling maakte nieuwsgierig naar de gedachtewereld van deze predikant. Er volgde een gesprek met hem. Ds. Du Marchie nam geen blad voor de mond. De nieuwe bijbelvertaling noemde hij 'vergif', de vertalers waren volgens hem 'ongezalfde. goddeloze mensen'. Toen Piet hem vertelde dat volgens de uitverkiezingsleer van Karl Barth alle mensen uitverkoren zijn, riep hij verbijsterd uit: 'Dit is erger dan remonstrantismel'. In de Nederlandse Hervormde Kerk leek in 1959 de richtingenstrijd in alle hevigheid te ontbranden, nadat de vrijzinnige Leidse hoogleraar in de kerkelijke sociologie, dr PSmits, in een meditatie onder de titel 'Waarvoor stierf Jezus?' een zeer omstreden uitspraak had gedaan. In hetzelfde jaar liet Piet zich op aanraden van dr Berkhof te Leiden inschrijven als theologisch student. Hij volgde o.a. de colleges van de remonstrantse godsdienstwijsgeer prof. L.J. van Holk en van prof. P Smits. In die tijd las hij met levendige belangstelling de Kirchliche Dogmatik van Karl Barth. Hij woonde een lezing bij van de geleerde dorpsdominee Frans Breukelman, die Barths dogmatiek 'nóg grootser dan Colvijn en nog veel geweldiger dan Augustinus' vond. Breukelman was niet de enige rijzende ster in die jaren. In 1962 verscheen prof. Berkhof (sinds 1960 kerkelijk hoogleraar) op zijn college met een exemplaar van een proefschrift, getiteld De mensvormigheid Gods van de gereformeerde theoloog H.M. Kuitert. Berkhof voorspelde dat we van Kuitert nog veel zouden horen! De gereformeerde wereld was in beweging. Berkouwer had in zijn boek De triomf der genade in de theologie van Karl Barth diens afwijkingen van de gereformeerde traditie nog bestreden. Kuitert daarentegen nam belangrijke gedachten van Barth over. Later verdween Berth steeds meer van het toneel.

Protestbeweging en Getuigenis

In het midden van de jaren zestig voltrok zich een belangrijke verandering in theologisch Nederland. De maatschappelijke protestbeweging deed haar invloed gelden. Theologische termen kregen voor velen een andere betekenis. Zo werd het Koninkrijk van God opgevat als de ideale maatschappij van morgen, geloof als werken aan vrede en gerechtigheid. Er was een theologie van de revolutie in opkomst, waarvan G.H. ter Schegget de representant was. Hij wilde consequenties trekken uit Barths Kirchliche Dogmatik, wat voor hem een keuze in marxistische zin inhield. Geloof betekende: geloof in Gods revolutie, die recht moet verschaffen aan armen en verdrukten op de wereld.

Een reactie van orthodoxe zijde bleef niet uit. In oktober 1971 verscheen het Getuigenis De hoogleraren dn G.C van Niftrik (die naar rechts was opgeschoven) en dr G.P van itterzon behoorden met dr W. Aalders tot de opstellers. Ethische theologen als dn J.N. Bakhuizen van den Brink, dn W.C. van Unnik en dn Th.C. Vriezen betuigden hun instemming. Het Getuigenis wijt de achteruitgang van de kerken aan de politieke prediking. De liefde tot God mag volgens de opstellers niet opgaan in de naastenliefde. De rechtvaardiging moet voorafgaan aan de heiliging. De verzoening bestaat in het door Christus gebrachte offer voor de schuld en is dus iets anders dan de verzoening tussen volkeren. Vleeswording, kruis en opstanding zijn de onwrikbare fundamenten van het christelijk geloof. Het Getuigenis bleef niet onweersproken. In een brief uit het midden van de Hervormde Kerk werd de opstellers gevraagd hoe zij over bepaalde politieke vraagstukken van dat moment dachten. Ook ds. J.J. Buskes keerde zich met grote felheid tegen hen, omdat zij de conservatieve krachten in de kerk naar de mond zouden praten. Niet alleen in de kerk, maar ook in de politiek voltrok zich in die tijd een polarisatie. Bij de verkiezingen van 1971 werd een progressief schaduwkabinet gepresenteerd en twee jaar later trad het linkse kabinet Den Uyl aan. Gepolariseerd werd er ook in de omroepwereld. De NCRV, jarenlang het bolwerk van de orthodoxie in de ether, was heel ruim en open christelijk geworden. Voor één van haar programma's had ze als herkenningsmelodie de oude vrijzinnige tophit: 'God roept ons, broeders, tot de daad!'. Als tegenwicht tegen de NCRV werd de EO opgericht. De linkse omroepen VARA en VPRO kregen de TROS als tegenhanger, die een snelle groei doormaakte. Twee theologen hadden in de jaren zeventig een bijzondere invloed in Nederland: de rooms-katholieke Schillebeeckx en de hervormde Berkhof. Schillebeeckx won de harten van velen door de besliste maar sympathieke wijze waarop hij zich tegen het kerkelijk leergezag verzette. Berkhof publiceerde in 1973 zijn boek Christelijk geloof, waarin hij 'de oude waarheid in nieuwe woorden' verkondigde (aldus Meijering). Het boek kreeg in de kerken brede instemming; alleen de uiterste rechterflank reageerde negatief. Toen in 1979 de kerkelijke discussie over de plaatsing van kruisraketten losbarstte, toonde Berkhof zich, zoals reeds in de jaren vijftig, een fervent voorstander van eenzijdige nucleaire ontwapening.

Kuitert en Van de Beek

Zowel in het midden van de Hervormde Kerk als bij gereformeerden en rooms-katholieken had intussen de politieke prediking haar intrede gedaan. Opmerkelijk was dat een politiek linkse theoloog als ds. Buskes zich op een gegeven moment tegen zulke actualistische prediking keerde. Hij vond het dwaasheid om te zeggen dat actuele onderwerpen in het centrum van de prediking moeten staan. Zelfs Kuitert, door Van Niftrik eens 'een omgekeerde Groen van Prinsterer' genoemd, omdat hij overal waar revolutie was, geloof (in plaats van ongeloof) aan het werk zag, wees in de jaren tachtig politieke prediking, behalve in een heel bijzondere noodsituatie, af. Met de verschijning van zijn boek Alles is politiek maar politiek is niet alles barstte er een theologische bom in kerkelijk Nederland. De linkse kerkelijke pers reageerde furieus. In een tv-debat met de Duitse theologe Dorothee Sölle gaf Kuitert te kennen dat zijn boek tegen de Christenen voor het Socialisme gericht was. In diezelfde tijd verklaarde hij in een interview met Trouw dat hij een nieuwe vorm van ketterjacht vreesde, nu niet met het dogma maar met ethiek en moraal tot inzet. Voor velen was niet meer het geloof in de lichamelijkheid van Christus' opstanding het criterium voor het christen-zijn, maar het beamen van de leus: 'Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland' In 1981 volgde dn A. van de Beek in Leiden dn Berkhof op als kerkelijk hoogleraar Van zijn hand verscheen in 1984 een boek onder de titel: Wbarom? Over lijden, schuld en God. Op de vraag, waarom God, als Hij goed en almachtig is, het kwade op deze wereld niet opheft, geeft Van de Beek het volgende antwoord. Vanuit het geloof in Gods almacht moeten we belijden dat ook het kwaad uit Zijn hand komt. Maar vanuit het geloof in Gods goedheid moeten we zeggen dat God het kwade niet wil en dat Hij het in een nieuwe toekomst wil overwinnen. In de geschiedenis doet God keuzes en de beslissende keuze is die voor Jezus Christus. 'In Jezus Christus heeft God besloten met de wereld door te gaan. Alle dingen zullen hierbij meewerken ten goede, niet alleen de ontdekking van de penicilline, maar ook die van de atoombom'. Een andere kerkelijke hoogleraar in Leiden, dn F.O. van Gennep, veroorzaakte in orthodoxe kring veel commotie met zijn verklaring dat hij niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloofde. Maar zijn in 1989 verschenen cultuurhistorische studie De terugkeer van de verloren Vac/er vond veel weerklank. Van Gennep bepleitte in dit boek een terugkeer van de goddelijke Vader uit de joods-christelijke traditie, die geen autoritaire Vader is die onze vrijheid beknot, maar ons juist wil bevrijden door in Christus te tonen dat Hij met en in ons wil lijden, en daarmee laat zien dot de macht van het onrecht niet het laatste woord heeft. De opstanding van Christus en ook de andere bijbelse wonderen zag Van Gennep niet als reële, met de zintuigen waar te nemen gebeurtenissen, maar als gelijkenissen van hoe God met ons mensen wil zijn. In de jaren negentig trok Kuitert met zijn publicaties opnieuw in brede kring de aandacht Hij werd in zijn kritiek op het traditionele christelijke geloof steeds radicaler In zijn boek Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Een herziening verwerpt hij leerstellingen als de drieëenheid, de twee naturen van Christus en de lichamelijke opstanding Toch vindt Meijering dot voor dit boek met enige moeite nog wel de kwalificatie 'neoconservatief' kan worden gebruikt. Door de buitenkerkelijke Versnel werd Kuitert zelfs nog als 'ouderwets en gereformeerd' bestempeld! Hieruit blijkt wel hoe betrekkelijk zulke termen zijn. In 1998 verscheen: Jezus. Nalatenschap van het christendom. Kuitert beweert in deze 'christologie' dat het geloof in God in het gedrang komt door de veel te grote aandacht die op een vaak onkritische manier aan Jezus wordt besteed. V/e moeten volgens hem terug naar de jood Jezus van Nazareth, die Gode alle eer gaf. In een heel andere hoek van het theologische spectrum hield Van de Beek de aandacht op zich gericht. In zijn lijvige boek Schepping. De wereld als voorspel van de eeuwigheid (1996) stelt hij een onderwerp aan de orde dat in de theologie verdacht en moeilijk geworden was. God heeft gewild dat wij er zijn, aldus Van de Beek. V^ij zijn er niet toevallig, maar vanwege de goedheid van God. Alles wat we zijn, alle mogelijkheden van het leven, ook die van protest tegen en van verdriet over het leven, zijn ons geschonken We danken God voor verdrukkingen, voor slagen en voor strijd, omdat we daarin delen in de gemeenschap van de Gekruisigde. In 1998 publiceerde Van de Beek zijn werk Jezus Kurios. De christologie als hart van de theologie. Daarin wordt zo ongeveer het tegendeel betoogd van Kuiterts 'christologie', die in hetzelfde jaar verscheen. Als uitgangspunt kiest de auteur de Griekse kerkvaders Irenoeus, Athanasius en Cyrillus van Alexondrië Zij bieden de theologische vertolking van het centrale gegeven uit het Nieuwe Testament: in Jezus is God midden onder ons. Van de Beek wijst op het onweersprekelijke feit dat juist de oudste geschriften in het Nieuwe Testament een hoge christologie bieden.

Veel is er de laatste halve eeuw in de wereld en in de kerken veranderd, maar er is ook veel hetzelfde gebleven. Dn Meijering geeft het volgende voorbeeld. In het jaar 2000 hield hij een lezing voor de CSFR. In de discussie werd hem door een student in spi|kerbroek gevraagd: 'Heeft Jono nu drie dagen in de vis gezeten of niet?' Het antwoord was nuancerend' 'Het lijkt me heel onwaarschijnlijk, maar niet omdat ik het voor onmogelijk houd Op literaire gronden vind ik het niet erg waarschijnlijk dat dit verhaal door de verteller historisch is bedoeld' Veertig jaar geleden zou die vraag ook zijn gesteld, door een minder populair geklede stu

dent.en zou misschien hetzelfde antwoord zijn gegeven. Het verschil is eigenlijk alleen dat het aantal mensen dat zoiets vraagt, zeer sterk is afgenomen. Zo ook worden in de kwestie-Den Heyer in verband met de verzoening over en weer dezelfde argumenten gebruikt als in de kwestie-Smits in 1959, terwijl de gemoederen even hoog oplopen. Alleen is, aldus Meijering, het aantal mensen dat zich over de zaak opwindt, veel kleiner geworden. Hierbij moet mijns inziens toch een vraagteken worden geplaatst. Is de verminderde theologische interesse dan het enige verschil met vroeger? Wordt daarmee niet voorbijgegaan aan wat 'de stille revolutie' in de Gereformeerde Kerken in Nederland is genoemd? Deze revolutie heeft er immers toe geleid dat theologen in de genoemde kerken meningen verkondigen die een halve eeuw geleden in die kring volslagen ondenkbaar waren. In enkele decennia zijn de Gereformeerde Kerken, voorheen een bolwerk van rechtzinnigheid, radicaal veranderd zowel qua verschijningsvorm als qua karakter


') Dr E P Mei|ering, Vl/ftg laar onder theologen Hoe het veranderde en gelijk bleef. Uitg Meinema Zoetermeer, 2002, 212 p., paperback.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 2002

Ecclesia | 8 Pagina's

De Staat - glans en mis�re (II)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 2002

Ecclesia | 8 Pagina's