Kohlbrugge als kruistheoloog
Inleiding
ledere theologie kent hoor slagaders Sommige bevatten weinig geest en leven, andere stuwen het zuurstofrijke bloed overal heen en verschaffen ri|ke troost en vreugde Vanmorgen willen we een van de slagaders van Kohlbrugges theologie opsporen In iedere preek en brief voelen we ze kloppen Ze zitten vol geest en leven, ook voor een mens anno 2003
Dat bli|kt uit een brief, die Kohlbrugge schreef ruim een half |aar na het heengaan van zi|n vrouw Daarin vermaant en bemoedigt hi| een vriend uit Utrecht Houd uw ogen met zo mistroostig op de Utrechtse keistenen neergeslagen, maar richt ze met bli|dschap daarheen waar Christus IS, zittende aan de rechthand Gods (H 80) Hebben we zegt Kohlbrugge aan het begin van die brief geen trouwring aan de vinger, waardoor wi| kunnen weten dat het naar de bruiloft gaat, naar de eeuwige bruiloft van het Lam^l Pal daaroverheen Als wi| dat alti|d konden bedenken, dan hielden we de Dom voor een strohalm, recht overeind gezet, en alle zwarigheden voor stof|es op ons zondagse pak, die makkeli|k zi|n af te kloppen, dan hielden we de duivel voor een grote, groffe, domme professor, een ezel, die ons |aar m |aar uit leugen leert, zolang Christus, onze Heere, ons m Zi|n kruisschool de waarheid leert (H 65)
Uit deze enkele regels bli|kt dadeli|k wat een slagader is in Kohlbrugges theologie de kruistheologie Meer nog Kohlbrugge zelf is een kruistheoloog, die de kruisschool doorlopen heeft en daarom de dingen ziet zoals ze zi|n Zo immers luidt de titel van ons onderwerp Kohlbrugge als kruistheoloog Wat wil dat zeggen2 Dot Kohlbrugge te allen ti|de m het kruis heeft geroemd^ Zeker Waar wi| hem ook lezen, telkens bli|kt dat hi| zich met Paulus voorgenomen heeft om slechts te weten van Christus en Dien gekruisigd Hoe overtuigend weet hi| bi| voorbeeld in zi|n li|densprediking de bazuin aan de mond zetten om Christus' overwinning op zonde, duivel en dood te proclameren Zo legt hi| Christus, wanneer Deze alles volbracht heeft, de woorden in de mond "Ik zal het luide verkondigen zodat hemel, aarde en hel het horen geopend is de hemel, geopend het Voderhart, geopend de toe gang tot de genadetroon, komt, komt, al gi| armen en ellendigen, het IS alles bereid, de zaligheid is u verworvenl" (Ld 292) En elders "Gods toorn is gedragen, de vloek is weggenomen, de zonden, hoe schrikkeli|k, hoe gruweli|k, hoe veel ook, begaan voor of na de beke ring, zij zijn alle verzoend." (Ld.271)
Ook heeft Kohlbrugge geweten dat Christus' zoenen kruisverdienste niet zonder vrucht en zegen blijft: "Hij, Die Zijn leven voor ons in de dood heeft overgegeven, heeft het ook aan Zijn kruis teweeggebracht dat wij door dit leven wonderbaar doorgeholpen worden. Leven en overvloed heeft Hij voor de Zijnen aan het kruis verworven. Daarom behoort in nood, in leven en smarten, in verlegenheid van allerlei aard het eerste te zijn dat wij opzien naar het kruis des Heeren, dat wij weten waar wij [moeten] staan, wanneer wij goed [willen] staan, namelijk bij het kruis van Jezus, en voorts weten wat juist van dit kruis ons toekomt." (Ld.224) Zo richt Kohlbrugge het kruis van Christus hoog op.
Stempel van het kruis
Toch bedoelen we iets anders, of in ieder geval: iets meer, wanneer wij zeggen: Kohlbrugge was kruistheoloog. Want daarmee willen we niet alleen aangeven dat voor Kohlbrugge het kruis voorwerp was van zijn theologie, maar ook voorteken. Het kruis blijft voor hem niet beperkt tot een hoofdstuk uit de theologie; nee, het is de hoofdzaak, die heel zijn theologie doortrekt. Het kruis vormt niet alleen één van de slagaders van Kohlbrugges theologie, maar - wat eigentijds verwoord - het zit in al de "genen" ervan. Op ieder onderdeel van de leer des heils valt de schaduw, of liever: het licht van het kruis. Maar niet alleen op de leer valt kruislicht, ook het leven wordt erdoor beschenen, het leven van de kruistheoloog, dat wil zeggen het leven van hem en haar die bij God op de kruisschool zit.
De prediker van Eiberfeld heeft dat niet van een vreemde. Hij is daarin voluit leerling van de reforma-tor van Wittenberg, doctor Martinus Luther. Niet voor niets sierde een achttiende eeuwse uitgave van diens werken met haar 24 banden Kohlbrugges bibliotheek. Graag las hij daarin. Eén van de karakteristieken van Luthers theologie is zij "theologie van hef kruis" is. Tot op de dag van vandaag worden velen daardoor aangetrokken. Wellicht is het de karakteristiek bij uitstek. Hetzelfde valt van Kohlbrugges theologie te zeggen: zij draagt overal het stempel van het kruis. En ook van zijn theologie gaat nog altijd aantrekkingskracht uit. Zou de reden niet zijn dat het kruis één van de geheimen ervan is?
Daarom wagen we de stelling: goede theologie is /cru/stheologie. Nu laten niet alle stellingen zich omkeren, maar deze wel: kruistheologie is goede, echte theologie, 'k Wil het nog nadrukkelijker formuleren: slechts kruistheologie is goede theologie. En - voegen we er in een adem aan toe -: slechts een kruistheoloog is een goed theoloog.
Vanmorgen willen we nagaan hoe één en onder bij Kohlbrugge functioneert. Daartoe belichten we verschillende aspecten zoals kruis en openbaring, kruis en glorie, kruis en gericht, kruis en genade, kruis en geloof, kruis en verberging, kruis en aanvechting, kruis en navolging. We laten Kohlbrugge zelf zoveel mogelijk aan het woord.
Ziende op Christus
Waarom is slechts een kruistheoloog een goed theoloog? Ten eerste omdat hij ernst maakt met de manier, waarop de levende God Zich openbaart. Hij zoekt Hem alleen daar, waar Hij Zich laat vinden. Waar is dat anders dan in Zijn Woord, het Woord der Heilige Schrift. Kohlbrugge wordt niet moe ons die kant op te sturen: "Tot het Woord moet het heen!" (R.26) "Want God spreekt niet uit de wolken, nee, als God spreekt, dan spreekt Hij van het Bijbelblad tot ons hort." (Lr.l 27) "Want in het Woord der genade staat alles; is het Woord weg, dan is alles voorbij, alles dood, alles zonder zegen en vrucht." (Lr. 132) Daarom, "tot het Woord! Daar staat het met vlammend schrift van Gods liefde, gegrond in het bloed van het eeuwig verbond: Ik delg uw overtreding uit als een nevel en uw zonden als een wolk." (Ld.273)
Er zou nog meer te zeggen zijn over het Woord Gods in Kohlbrugges theologie. We laten dot echter rusten. Wel vragen we nog waarom Kohlbrugge zo'n nadruk legt op het Woord. Omdat hij weet dot wij in het Woord Christus hebben: "Wanneer de Heere Zijn Woord geeft, zo geeft Hij Zichzelf." (Lr.l 35) En omgekeerd: "Wie het Woord heeft, heeft God, de levende God." (7/8,465) "In Zijn Woord hoor ik God en zie ik Hem ... in het aangezicht van Jezus Christus." (Lth 1 2) Op elke bladzijde van de Schrift wil Kohlbrugge de Christus Gods zoeken. (1 3) Hij weet namelijk heel goed wat Christus tot Filippus heeft gezegd: "Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien." Een tekst, die Kohlbrugge vaak aanhaalt. (9/10,102)
Daarom, wie Gods Naam en wezen wil leren kennen, moet zich (alleen) aan Christus houden. (97) "Want het is zo troosteloos om te speculeren over de eigenschappen en deugden van een Wezen, dat wij met het scherpste verstand nooit kunnen vatten. Niemand kan zeggen wie en wat en hoe God is. Ook is niemand onder of in de hemel bevoegd om één enkele eigenschap en deugd van de hoogste Majesteit uit te spreken." (99) Behalve als de Heere ze ons voorzegt. Dat dóét Hij, in Zijn Woord.
Eén van die eigenschappen is Gods heerlijkheid. Hoog geeft Kohlbrugge daarvan op. We kunnen er slechts over spreken, ziende op Christus: Hij is de glans, de afstraling, de weerkaatsing, in één woord de openbaring van Gods heerlijkheid. (99) In Christus blijkt dat deze heerlijkheid niet verzengend en verterend is, maar doortrokken van Gods genade, van Zijn vriendelijkheid, van Zijn wonderbare barmhartigheid en goedertierenheid. Gods heerlijkheid bevat dus stuk voor stuk deugden met het oog op onze redding (103), deugden die alle in Christus als in een brandpunt worden samengetrokken. Hij was het dierbaarste dat God had. Christus was Zijn eigen bloed. Zijn eigen hart. Zijn ziel. Zijn andere Ik. (101)
Totaal anders
Deze heerlijkheid treedt echter totaal anders aan de dag dan wij verwachten: niet openlijk maar verborgen, niet glansrijk maar armzalig, niet koninklijk, maar slaafs. Want God treedt niet op met pracht en praal, met majesteit en macht. Integendeel, incognito komt Hij tot ons, tegengesteld aan wat naar ons idee kenmerkend is voor God. Hij komt tot ons als "een God, Die de goddeloze rechtvaardigt. Die de heerlijkheid van Zijn Naam handhaaft in wat belachelijk schijnt. Die Zich openbaart in wat bij de wereld dwaasheid is." (1/2,134) Daarom vroeg Pilatus aan Christus. "Gij zijt Koning? ... Dat kwam hem toch onnozel, ja belachelijk voor. Een Koning - in de kribbe. Een Koning, aan Wie de wijzen goud moesten brengen, of het had aan reisgeld naar Egypte ontbroken .. Een Koning, Die - terwijl Herodes op de troon zit - plechtig voor de hele wereld in drie talen als Koning geproclameerd werd aan een kruis! Zo is Hij van alles ontdaan, maar juist daarin is Zijn waardigheid en heerlijkheid. Zijn majesteit als Koning der koningen." (Mt.1,5)
Als ik het goed zie, is Kohlbrugge hierin minder paradoxaal en dialectisch dan Luther. Op krasse en bijna uitdagende wijze zegt Luther meer dan eens dat Gód Zich verborgen heeft in lijden en kruis. Daarin maakt Hij Zijn wezen zichtbaar. Kohlbrugge formuleert voorzichtiger, bevreesd wellicht om de indruk te wekken dat God de Vader geleden heeft. Hij betrekt het verborgen-zijn veelmeer op Christus Zelf, Die als God de Zoon Zoon des mensen. Middelaar is geworden. "Waar Hij naar ons goeddunken Zijn goddelijke macht, eer, wijsheid en gerechtigheid had moeten openbaren, daar deed Hij het niet." Hij gaat totaal anders te werk, "want voor smaad en speeksel verbergt Hij Zijn aangezicht niet. Zijn macht toont Hij in het verborgen en ... de eer gaat in het verborgen van Hem uit. ... Alles, alles laat Hij met het grootste geduld en de grootste lankmoedigheid over Zich heengaan. Hij komt met het Woord van de Vader en zo laat Hij de mensen van Hem maken wat zij goedvinden. ... Hij ontledigt Zich van Zijn eer en macht en laat Zich smadelijk binden en wegleiden." (Ef -F.,166v )
Theoloog van de glorie
Vanwaar deze wijze van doen? Waarom geeft God Zich zo anders te kennen dan wij van Hem verwachten? Hij is immers de Almachtige, de Heerlijke, de Eeuwige? Hoe majesteitelijk stelde Hij Zich ooit aan Job voor: "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Wie heeft haar afmetingen bepaald? Wie heeft de zee met deuren afgesloten, toen zij bruisend tevoorschijn kwam? Wie telt de wolken en giet ze als kruiken leeg^" Waarom al die tegenstrijdigheden, die hun hoogtepunt of beter dieptepunt vinden in het kruis?
Dat heeft alles te maken met wie de mens is. Hij wil God kennen en dienen volgens eigen maatstaven en op eigen voorwaarden Al die maatstaven en voorwaarden komen op hetzelfde neer: ze gaan uit van wat zichtbaar is, en maakbaar, en beredeneerbaar. Theologus gloriae, "theoloog van de glorie" noemt Luther iemand die zo bezig is. Het is de mens, die zonder meer wil doordringen in het wezen van God, die geen rekening houdt met zijn verduisterd verstand, die vergeet dat hij door een enorme kloof van zijn Schepper is gescheiden, die er niet aan denkt dat hij in eerste instantie over God slechts kan en mag spreken en denken als begenadigd zondaar en niet als (meer of minder) geïnteresseerd persoon Luther bestookt hem voortdurend, vooral met zijn vlijmscherpe opmerking: de mens wil niet dat God Gód is.
Ook Kohlbrugge neemt hem onafgebroken onder schot. Nog minder dan Luther heeft hij belangstelling voor menselijke prestaties op religieus, rationeel en moreel gebied. U weet hoe Kohlbrugge hem tekent: als de vleselijke mens, die verkocht is onder de zonde, die gevallen is uit het beeld van God. Variërend op Luthers "de mens wil niet dat God Gód is" zegt Kohlbrugge: de mens "wil niet sterven, hij wil leven en God moet uit de weg; God moet gedood worden, of het moet zijn dat God hem het leven in eigen hand laat." (1/2,271) Nog twee andere kenmerkende uitdrukkingen gebruikt Kohlbrugge vaak om de religieuze mens te karakteriseren: hij gaat af op het zichtbare (Ld. 186,221), hij houdt de wet aan de hand (Rom.Vll).
Intussen - zo zegt Kohlbrugge in een Catechismuspreek (EH.,216) - vergeet deze mens dat hij mens is. Altijd wil hij omhoog. We zien het al bij onze kinderen: veel liever dan op de begane grond te blijven willen ze altijd klauteren, op tafels en stoelen, op hekken en palen. Als ouderen hebben we er niet minder last van. Onze fantasie is vol van hoge dingen en zo zweven we tussen hemel en aarde. Maar we vergeten dat we vlees zijn.
In zijn verklaring van Romeinen 7 geeft Kohlbrugge een scherpe analyse van het doen en laten van de theoloog van de glorie. "Hij bedient zich van de kwaliteit, waarmee hij door God geschapen is, geheel alsof hij ... geen overtreder geworden was, alsof hij niet gevallen was, alsof niet heel zijn hart... verdraaid en verkeerd was. .. Hij bedient zich van het licht, waarnaar hij gemaakt is - niet erkennend dat heel zijn lichaam duister is - om ... in zijn door hemzelf ontstoken licht te wandelen ... Hij bedient zich van het leven om zijn dood te loochenen; van de gerechtigheid om zijn eigen gerechtigheid op te richten en dan te verzekeren dat hij zijn eigen gerechtigheden verwerpt. ... Hij bedient zich van de waarheid om God tot leugenaar te maken, ... van het verstand om ... vragen op te werpen [en] ... God te bekritiseren. Hij bedient zich van de kennis van het goede om voor zijn boze listen ... goddelijke toestemming te verkrijgen; van de kennis van het kwade om al Gods werken te bezien uit een gezichtspunt, van waaruit hij ze prijst of bedilt, al naar gelang hij zijn eigen boosheid daarbij meent te kunnen dienen. Kortom: hij bedient zich na zijn val van alles wat hij van God heeft en zoals God hem geschapen heeft, om zich naast God te stellen als een intieme vriend, als een kind naast de vader." (54v.)
En in een lijdenspreek over Christus' gevangenneming; "Ach, met wat voor een bende van scherpzinnige overleggingen, van list en schranderheid en van het licht der rede (I), met wat voor een bende van woorden, die even zovele zwaarden en stokken zijn, rukt het menselijk hart de hof van Christus' lijden en benauwdheid binnen om zichzelf staande houden tegenover de heerschappij der genade, zichzelf te handhaven in zelfgekozen wegen en in zelfgekozen vroomheid." (Ld.lOSv.) En in één van zijn ophelderende antwoorden bij de Catechismus: "Het is een God onterende onderneming van het vlees tot God te willen opklimmen door eigen kracht, wijsheid en rechtvaardigheid." (Oph., bij vr./a.39)
Zo ziet Kohlbrugge een mens, die verstrikt is in zijn eigen maatstaven en voorwaarden en zich niet ongebonden en vrij kan bewegen, ook al waant hij zich wel vrij, beheerst hij als een god naar eigen indruk het terrein en schept hij zijn eigen werkelijkheid. Niettemin, hij is een gevangene, een verblinde. Want "alle vlees, zowel wat vroom is als wat goddeloos is, verstaat niets van de heerlijkheid van het kruis." (Ld.243)
Het kruis als gericht
Wat moet God met zo'n mens? God-zij-dank weet Hij dat: hem verlossen, begenadigen, opzoeken in diens verlorenheid. Hij doet dat door middel van het kruis. Dat is Zijn antwoord op de schuld en de onwetendheid van een mens vol hoogmoed en overmoed en eigendunk Waarom door middel van het kruis? Dat is ten diepste niet te beredeneren. Wanneer we toch enkele lijnen trekken, zijn dat niet meer dan stippellijnen, waarmee we God niet narekenen, maar navolgen op het spoor dat Hij wijst. In de theologie van het kruis wordt dat beseft.
Het kruis heeft te maken met wat God over ons verzuchtte in het paradijs: "Zie, de mens is geworden als Onzer één, kennende het goed en het kwaad. Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke en neme ook van de boom des levens en ete en leve in eeuwigheid." Wil het dus weer wat met ons worden, willen wij gered worden, dan rest God niets anders dan onze verkeerd gerichte kenniszucht en levensdrang letterlijk te doori:ru/sen, te doorbreken, af te breken. Dat doet Hij door tegenover ónze wijze van doen, namelijk het kennen van goed en kwaad en de daarop gebaseerde werken. Zijn wijze van doen te zetten, namelijk het lijden, het binnentreden in de nacht van ellende en verlatenheid. En tegenover onze ongebreidelde, onbesneden levensdrang zet Hij het kruis en de dood. Omdat wij ontkennen dat alleen God het goed en kwaad kent, omdat wij ontkennen dat alleen Hij instaat voor het eeuwige leven, - ontkent Hij als het ware op Zijn beurt onze ontkenningen. Heeft er ooit een grotere ontkenning bestaan dan het kruis en de dood van Zijn Zoon?! Luthers geformuleerd; God treedt ons tegemoet in het gewaad van het tegendeel. Of zoals Kohlbrugge het verwoordt (LdH.224): "Omdat wij allen in de dood en dus onder de rechtvaardige toorn Gods lagen, konden wij slechts in Christus, de Eerstgeborene uit de doden, weer uit onze dood tevoorschijn komen."
Christus' kruis en lijden zijn allerminst een verlegenheidsoplossing van de Allerhoogste geweest, maar ontmaskering van de menselijke geldingsdrang en gericht over zijn grootheidswaanzin. Een theoloog van het kruis weet dat, belijdt 6a\. Kohlbrugge schrikt er niet voor terug om dat in atonale, onwelluidende klanken ten gehore te brengen, zeker voor oren uit de 21 ste eeuw. Wat betekent het kruis? De uiterste schande, de grootste smaad, in één woord: de ergste vloek. "Want waar God iets tot stand wil brengen, wat nieuws wil scheppen in Christus, daar moet Adam - Christus draagt als Middelaar de persoon van Adam ! (HJL) - openlijk ten toon gesteld en aan de schandpaal gehecht worden, opdat hij weet wie en wat hij is met zijn waanwijsheid in de dingen Gods; daar moet hij zijn schande dragen ...; daar moet hij gevonnist en ter dood gebracht zijn, opdat de genade van Christus alleen heerst." (l/2,463v.)
Het kruis als genade
Aan de laatste citaten merken we dat het Kohlbrugge amper lukt om over het gericht van het kruis te spreken zonder het op hetzelfde moment te hebben over de genade van het kruis. Dat nu kenmerkt met name de theoloog en de theologie van het kruis: dat men in het kruis het teken van Gods genade weet, waarin Hij Zich neerboog over een wereld, verloren in schuld. O zo verborgen, maar tegelijkertijd o zo werkelijk.
Op dit kruispunt van gericht en genade trekt Kohlbrugge het ene register na het andere open. "Mijn geliefden, welk een liefde is de liefde van Christus! Hoezeer zullen wij daarvan moeten roemen, wanneer wij Hem zien, gelijk Hij is! Ja dan, eerst dan zullen wij het recht gevoelen wat het betekent: mijn kruis werd Zijn kruis. Hier in dit aardse leven weten wij nog niet wat wij zijn zullen. Maar dat Hij ons kruis tot het Zijne heeft gemaakt en het Zijne tot het onze, daarover moeten wij toch heilig lachen!" Want mijn kruis Zijn kruis: daarmee wil Christus niets anders zeggen dan: "Uw vloek is Mijn vloek, uw smaad Mijn smaad, uw schande Mijn schande, uw schuld Mijn schuld, uw straf Mijn straf. Ik ruil (!) met u, verslagen gemoed. Ik ruil met u, verbrijzelde ziel, gij zult niet meer treurig en zo diep bedroefd zijn." (Ld.l94v.)
In een andere lijdenspreek plaatst Kohlbrugge ons vanaf het begin op Golgotha. Vol ingehouden verrukking zegt hij: "Begroeten wij de heilige plaats, waar onze dierbare Heiland Zijn laatste lijden geleden heeft; waar Hij de beker gedronken heeft, die Hem door de Vader te drinken gegeven was. ... Aan Golgotha kan geen arm zondaar denken of hij gevoelt zich op eenmaal overgezet in de hemel der heerlijkheid, in het hart van een genadige Vader, in de schoot van zijn geliefde Heere en Heiland. ... Want gedragen heeft Hij de zonde van onze naaktheid voor God, waar wij menen bekleed te zijn met gerechtigheid. .. Gedragen heeft Hij de zonde van onze hoogmoed tegen God, waar wij menen zelf de weg naar de hemel te banen." (Ld.205v.,211)
Zich erdoorheen geloofd
"O gelukkig geslacht - zegt Kohlbrugge in één van zijn bekende Hebreeënbriefpreken - dot van zijn Hogepriester niet gelooft dot Hij het om zo te zeggen heeft kunnen wegblazen." Integendeel, Hij is in onze plaats in de wanhopigste toestand geweest, maar Hij heeft Zich erdoorheen geloofd en óns heeft Hij mét Zich erdoorheen geloofd. Het werd een weg langs hel en afgrond, ja, het ging er dwars door. (5/6,402)
Hier blijkt Kohlbrugge een kruistheoloog in optima forma te zijn. Niet omdat hij zo meesterlijk de theologie van het kruis zou weten te hanteren. Immers, hoe dichter een kruistheoloog, een kruisschoolleerling bij het kruis komt, hoe hulpelozer en sprakelozer hij zich voelt. Maar Kohlbrugge is dat omdat hij beseft dat Gods verberging juist op Golgotha haar diepste diepte bereikt. Om hvee redenen- omdat voor ons de Gekruisigde in het geheel geen gedaante of heerlijkheid meer heeft én omdat voor de Gekruisigde Zelf alles zo ontzaglijk verborgen is. Vooral de passages in Kohlbrugges prediking, gewijd aan de tweede gedachtengang, zijn zeer indrukwekkend. Zouden in de prediking van alle eeuwen op dit punt bladzijden zijn die Kohlbrugge's prediking evenaren, laat staan overtreffen?
"Waarheen ging Christus uit?" zo vraagt Kohlbrugge in een preek (de zogenaamde "schedelpreek") over de tekst "En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats." Het antwoord luidt: "Daarheen, waar het met alle beloften Gods gedaan scheen te zijn Hij ging uit, niet van schande tot eer, maar van eer tot schande; niet van de dood tot het leven, maar naar een plaats, waar al het Zijne en Hij Zelf de dood inging; niet van het gericht tot de troon, maar van de troon tot het kruis, waaraan men Hem zou vastnagelen, waaraan Hij niets zou zien dan verwerping, hoon en bespotting, tot het kruis, waaraan Hij niets zou zien van alle beloften, waarop Hij vertrouwd had; waaraan Hem alle grond onder de voeten zou wegzinken; waaraan het de schijn zou hebben als ware al de arbeid Zijner ziel verloren arbeid, al Zijn gebeden verworpen gebeden; waaraan Hij juist het tegenovergestelde zou ervaren van hetgeen Hij geloofde; tot het kruis, waaraan alles zou opgaan in ijselijke duisternis, in het uiterste verlaten-zijn van God en mensen. Daar zou het al de schijn hebben als had Kajafas gelijk, als hadden alle overpriesters, schriftgeleerden en farizeeën gelijk, als had heel Jeruzalem, als had de duivel gelijk, als had de wereld, de zonde gelijk; en als ware Hij, Christus, een leugenaar, een van God verworpene, verlatene, verstotene, als had Hij Zichzelf verdorven, in het ongeluk en in de verdoemenis geholpen, als had Hij Zich door de duistere machten der hel als werktuig laten gebruiken, als leed Hij nu Zijn rechtvaardige straf, als had Hij nu de hel te verwachten tot Zijn eeuwige woning. En nochtans, nochtans, juist zó, juist dóór, in zulke tegenstrijdigheid, in zulke hitte der aanvechting, - wat duivel scheen, was God; wat leugen scheen, was waarheid; wat schuim scheen, was goud, wat dood scheen, was leven; wat verdoeming scheen, was genade, wat zonde scheen, was gerechtigheid; wat hel scheen, was de volzaligheid van de hemel!" (Ld.200v.)
Tal van andere passages uit Kohlbrugges lijdenspreken zouden hier te noemen zijn. Om des tijds wille gaat dat helaas niet. Ik denk vooral aan de preken over de kruiswoorden "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn" en "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten". Of aan de preek over "Het is volbracht", waaruit ik toch nog enkele regels citeer "Erken nu hier het geloof (!) van onze Heere. Door de troost van de eeuwige Geest, Die op Hem was, heet het in Zijn binnenste aldus: Ofschoon Ik hier hang, een worm en geen man, ofschoon een vloek voor de wet, ofschoon zonde in dit Mijn lichaam des vleses, zo weet Ik nochtans: God is Mijn God, Ik ben de rechtvaardige Knecht van Mijn Vader en heb daarboven alles in orde gebracht."
AAoet de christen niet lijden?
De laatste woorden maken duidelijk hoezeer voor Kohlbrugge de plaatsvervanging en de verzoening het hart van Christus' kruis betekenen. Zijn lijden en sterven zijn een borgtochtelijk lijden en sterven. Niet voor niets zegt Christus tegen de Emmaüsgangers: "Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?"
In een brief aan zijn dochter Anna haalt Kohlbrugge deze tekst aan. Daaraan heb ik honderdmaal tot mijn troost gedacht, schrijft hij haar. "En ik heb er bijgevoegd: moet niet de christen (!) al deze dingen lijden en zo in de heerlijkheid ingaan?" (H.l 15) Deze passage maakt in één keer duidelijk dat er nog een aspect aan de theologie van het kruis verbonden is, namelijk dat wij gelijkvormig worden gemaakt aan Christus' lijden en kruis. Zo is Gods wijze van doen met allen die Hij achter Zijn Zoon aan ten hemel doet gaan. Deed Hij Zijn eigen Kind van lijden tot heerlijkheid gaan, zo handelt Hij ook aan en met Zijn aangenomen kinderen. Hier en nu blijft het kruis ons leven en geloven stempelen. Het wordt geen gepasseerd station.
Uitgebreid gaat Kohlbrugge daarop in in zijn preek over "Vrouw, zie uw zoon. Zoon, zie uw moeder." "Mijn geliefden, zo begint hij, gemeenschap te hebben aan het lijden van onze Heere Jezus is het lot van allen, die door de Heere uitverkoren zijn om Zijn heerlijkheid te aanschouwen. Met de troost van de Heere Jezus zullen wij niet vervuld zijn, indien wij niet allerlei wegen van uitwendig en vooral van inwendig lijden doorgemaakt hebben Er is voor hen die onder een met doornen gekroond Hoofd de goede strijd te strijden hebben, doorgaans van alles waardoor ze aangevochten worden." Kohlbrugge brengt vrijwel direct een onderscheid aan tussen het lijden, dat een gevolg is van onze zonden, zoals nalatigheid, losbandigheid, verslaving, én het lijden om Christus' wil, zoals smaad en laster, aanvallen van de duivel; maar ook de beproeving van het gewone leven laat hij eronder vallen: huiselijk leed, ziekten en plagen.
Kohlbrugge wist waarover hij sprak. Denk aan zijn ontheffing uit het ambt als 24-jarige in de Lutherse kerk van Amsterdam, omdat hij opkwam voor de eer van zijn Zender, aan het lidmaatschap bij de Hervormde Gemeente hier te lande, hem willekeurig belet; aan het overlijden van zijn jonge vrouw, die hem twee kleine kinderen naliet van bijna drie jaar en van nog geen half jaar; aan zijn ambteloze peri- ode von twintig jaar; aan de tegenwerking om predikant in Eiberfeld te worden. En heeft God hem eindelijk een preekstoel gegeven, dan duren de beproevingen voort: hij moet meemaken dat zijn zoon Jakob, nog maar 25 jaar oud, in den vreemde sterft, op Java, waar hij officier was; in datzelfde jaar verliest hij zijn misschien wel meest trouwe en begaafde leerling, Johannes Wichelhaus; enkele jaren later raakt hij zijn tweede vrouw kwijt; en nog weer later moet hij ook zijn enig kind uit het tweede huwelijk, zijn dochter Anna, verliezen. Hoezeer verborg God Zich voor Hem. Hoezeer werd in zijn eigen leven de kruistheologie uitgeschreven. Hoezeer werd hij zelf aan Christus gelijkvormig gemaakt.
"Waartoe - vraagt Kohlbrugge in genoemde preek - al dit lijden? Waarom maakt God het niet anders? Omdat wij zijn zoals wij zijn, moeten wij door de woestijn heen om in het land der ruste te komen." De weg daarnaartoe "gaat door nacht en duisternis, door diepe wateren, door de hel, door lijden en smart, door veel kwelling, door aanvechting, door alle stormen heen. Waarom? Omdat de wereld de atmosfeer van de duivel is. Bovendien hebben wij alles door onze zonden bedorven. Zo blijft er voor God niets over dan ons aan de hand van het geloof, aan de hond van de Geest, ongedeerd door alles heen te helpen." (Ld.228v.)
Realistisch
Inderdaad, aan de hand van het geloof. Van dat geloof, dat eigenlijk niet kon geloven vanwege alle aanvechting, vanwege het woeden der zonden, vanwege het stoken van satan. Van dat geloof dat niets voelt en niets ziet, maar slechts weet te roepen en zuchten. (Ld.315) Waar de wereld en de atheïst, en ten diepste ook ons eigen hart, menen: hier eindigt het geloof, - daar begint het juist! Een titanenstrijd, slechts weggelegd voor volhouders en doordouwers? Nee, want in de nacht van het kruis én bij het licht van het kruis doet de Heilige Geest het geloof geboren worden. Hij leert te hopen waar niets meer te hopen is, omdat Hij ons met heel ons hebben en houden werpt op God en Zijn belofte. Het Woord wordt ons alles. Dat geven we gelijk, ook tegen onszelf in.
De nacht van het kruis en het licht van het kruis dat is afsterving en opstanding, verbrijzeling en verheuging, vernedering en verhoging. Heel ons leven doet daarin mee. ledere gebeurtenis, groot en klein, wordt binnen de lichtkring van het kruis getrokken Daarom is er geen realistischer theologie dan kruistheologie Zeker, vandaag de dag doen wij veel moeite om aanvechting te voorkomen en we zijn uit op een theologie, waarbij we allerlei zaken harmonieus kunnen inpassen. Maar of we eruit komen? Lezing van een kruistheoloog als Kohlbrugge leert ons, of liever: de Gekruisigde Zelf leert ons waar het op aan komt: dat wij acht zullen geven op het Woord en nergens anders op.
Dan wordt het kruisevangelie ons tot troost, omdat we ontdekken dat het een evangelie is voor aangevochtenen, die met olies wat ze zien en voelen niet bij de genade kunnen komen. Aan hen wordt de belofte van het heil geschonken. Die kunnen ze niet afwijzen; daar zijn ze te arm voor Maar ze loten zich door God gezeggen dat de Domtoren met meer is dan een strohalm. Het is het kruis dat ons daarvan verzekert.
Droog het maar goed, zo zeg ik vanmorgen tegen u en mijzelf. Want (TK,38v.) "als ik het goed droog, draagt het mij. U ziet hier dikwijls een grote slang langs de weg schieten; als die op mij afkomt, houd ik haar het kruis voor en zij gaat op de vlucht . . Als er onweer op mij afkomt en de bliksem boven mijn hoofd neerschiet, glijdt die altijd of op dit kruis ... Als ik ween en ik zie op het kruis, don word ik weer blij en goedsmoeds, als ik het kus, al schijnt het mij soms een roede, don is het zoet; als ik mijn wonden ertegen houd, don genezen ze Dit hout haalt alle doornen uit mijn voeten Tegen elke doodsgeur, die ik inadem, is het mij een levensgeur En hoe donkerder het wordt, des te meer glanst dit hout, zodat ik kan zien waar ik mijn voet zet."
Ten slotte
Nog vele lijnen zouden te trekken en vele toepassingen te maken zijn. Niet alles kon aan de orde komen. Al heb ik wel geprobeerd de voornaamste elementen uit Kohlbrugges kruistheologie te belichten. Moor we eindigen. We doen dat met een slotpassage uit Kohlbrugges preek "Het is volbracht" (Ld.300) Daaruit blijkt hoezeer Kohlbrugge juist vanwege het kruis weet te roemen, op meeslepende wijze: "Mijn geliefden, de dood is overwonnen; de werken van de duivel zijn verstoord; het leven is aangebracht; de plaats is bereid, het kleed van eeuwige gerechtigheid, het bruiloftskleed, is voor de armen en naakten gereed, de vrucht heeft zich gezet om te blijven. God is gerechtvaardigd in de Geest; de Wet is weer aan hoor eer gekomen; zonde, schuld en straf zijn gedragen; de Trooster, de Geest ... is verworven; de heiliging is tot stand gebracht ...; van het kruis is ons alles van de Vader geopenbaard; onze droefheid zal in vreugde veranderd worden. Alles is het onze. Het lijden van deze tegenwoordige tijd, zonde en nood, het moet alles meewerken tot eeuwige zaligheid. Die mee wil, kome meel Laat niemand zich weerhouden door zijn zonde, door zijn beschuldigend geweten. — Wat zou de nood? Zij moet ons goud graven. Wat de zonde? Zij moet ons in de burcht van Jezus' heiligende wonden drijven. Wat de duivel? Hij is uit de hemel geworpen. Wat de wereld? Zij moet ons de rechte weg naar Gods hart wijzen. Wat de dood? Die moet ons de wagen bereiden, de Eliawagen, waarmee wij ten hemel varen." Daarom, "moed gegrepen! Nog een weinig tijd en wij zullen Hem zien van aangezicht tot aangezicht en Hem danken: Gij, Heere Jezus, hebt alles alleen gedaan! Gij hebt alles volbracht!"
Of zoals Kohlbrugge het ooit schreef aan zijn broer Jacob door middel van een rijmpje:
"Al moet ik langs de kruisweg gaan,
die kruisweg is de hemelbaan!"
Gebruikte afkortingen:
1/2 etc. = H F. Kohlbrugge, Twaalf twaalftallen leerredenen. Eerste en tweede twaalftal etc.
Ef.-F. = H.F. Kohlbrugge, Schriftverklaringen Efeze en Filippenzen
EH. = H.F Kohlbrugge, De eenvoudige hieidelberger
H. = G. Helbig, Door Zijne wonden is ons genezing geworden. Brieven van Dr H.E Kohlbrugge
Ld. = H.F. Kohlbrugge, Lijdenspreken
LdH. = H.R Kohlbrugge, De leer des hieils
Lr = J.C.S. Locher, Toelichting en verweer
Lth. = H.F Kohlbrugge, Door lijden tot heerlijkheid
Mt. = H.F Kohlbrugge, Overdenking van het eerste hoofdstuk van Maltheüs
Oph. = H.F Kohlbrugge, Vragen tot opheldering en bevestiging van de Heidelbergse Catechismus
R = A. de Reuver, Bedelen bij de bron
Rom.VII = H.R Kohlbrugge, Romeinen VII
TK = H.F Kohlbrugge, De taal Kanaans
Verder ligt aan deze lezing vooral ten grondslag:
- H.J. Iwcnd, 'Theologie crucis" in Nachgelassene Werke 2
- W. von Loewenich, Luthers theologia crucis
- Th. Sticsny, Die Theologie Kohlbrügges
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 juli 2003
Ecclesia | 16 Pagina's