Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hermann Friedrich Kohlbrugge

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hermann Friedrich Kohlbrugge

21 minuten leestijd

"Bekend en onbekend is hij door de wereld gegaan, een verleider en ketter en toch waarachtig, door God Zelf bedekt en verborgen gehouden, zodat slechts zij hem vonden, die hem moesten vinden, maar alle anderen zich in zijn nabijheid de vleugels verbrandden, nu eens niets met hem wisten aan te vangen en zich aan hem stootten, dan weer hem geheel en al verwierpen, als ware hij niets, met het woord: "Hoe heet die daar toch?" - maar hij blijft de grootste theoloog, die de Hervormde Kerk in Duitsland en Holland sedert de Hervorming heeft gehad. . ", met deze woorden besluit A. Zahn zijn "Herinneringen aan Dr Kohlbrugge"'.

Wie dit leest, zal misschien een ogenblik verwonderd opzien om tenslotte de wens te koesteren, deze buitengewone man, die met recht een originele persoonlijkheid in het Koninkrijk der hemelen genoemd is, in zijn geschriften te ontmoeten Zo'n ontmoeting zou in elk geval een gebeurtenis zijn, die - zowel op de enkeling, als op de gehele Evangelische Kerk van ons vaderland niet zonder blijvende invloed zou kunnen zijn; want "nooit is op een kansel van Duitsland na Luther zó de mens verootmoedigd en zó alleen God verheerlijkt; nooit heeft zich zo'n diepe kennis van het menselijk hart en van de goedgunstigheid en vriendelijkheid van God voor de mensen geopenbaard"^.

Door een merkwaardig gezicht wist Kohlbnjgge zich reeds in zijn jonge jaren door God geroepen een dienaar van Zijn Woord en een betrouwbare herder van Zijn kudde te worden-^/"*.!..]. Daardoor horen wij het antwoord op de vragen, hoe Kohlbrugge toch eigenlijk geleid is tot de theologie en ondanks alle chicanes, die hem in waarlijk niet geringe mate ten deel vielen, en ondanks een tweevoudige "excommunicatie" tot het ambt van herder en leraar, en wat in het bijzonder beschouwd moet worden als het "Kohlbruggiaans middelpunt", als kenn en wezen van z//n theologie, die ik meen te kunnen karakteriseren als "Agnologie", d.w.z. als een leer, in wier middelpunt Hij staat, van Wie Johannes getuigt- "Zie, dat is het Lam Gods, dot de zonden der wereld draagt"^ Overigens worden in de geschriften van Kohlbrugge een hele reeks van uitingen gevonden, waarmee wij een antwoord krijgen op de zojuist gestelde vragen Ik heb enkele daarvan in verschillend verband weergegeven - in de biografische inleiding tot de kleine Duitse uitgave van uitgezochte familiebrieven (biz. 5 en 8)'^, in het artikel in het tweemaandelijks tijdschrift "Die Furche" van Maart-April 1935, bIz 179, eindelijk in het woord-vooraf van de in 1935 verschenen Nederlandse uitgave van uitgezochte brieven'' - en ik voeg er nu hier nog een getuigenis aan toe. Het is ontleend aan een overdenking "Op het feest van Christus' opstanding uit de doden" uit het jaar 1873, waarbij de tekst Matth. 27:62 - 28:3 en Luk 24.13 - 31 gevonden wordt: "Weet gij eigenlijk, hoe het komt, dat wij zulke dwazen zijn? Wij weten, dat er een God is, en wij weten, dat er een opstanding is, dat er leven uit de dood is; maar waarom doen wij toch zo vaak, alsof er geen God was, die doodt en levend maakt en alles weer terechtbrengt? Ach, wij kunnen slechts vasthouden aan de dingen van dit leven en laten ons ter aarde werpen. En hoe traag van hart is toch de mens, om door te dringen tot de diepe bron der Schrift en te geloven wat geschreven staat! Ik heb u vroeger wel eens bij een bepaalde gelegenheid verteld, hoe ik reeds als kleine jongen dit Evangelie zo graag hoorde^ en dan telkens bij mijzelf dacht' Ach, had ik er toen toch maar bij tegenwoordig kunnen zijn om te horen, hoe de Heere deze beide discipelen Mozes en de Profeten uitlegde' - Nu, Hij heeft mij mijn wens en mijn bede in vervulling doen gaan. Ik was niet bestemd voor de studie in de theologie en toch wilde ik zo graag studeren om door te dringen tot de diepe bron en water te scheppen, en ik heb het gevonden, zonder wegwijzer, in grote nood, toen ik dorstte naar het water uit de fontein des levens"'^

Hier is de verborgen grond aangewezen, waaruit alle echte en alleen geloofwaardige verkondiging zegevierend te voorschijn komt zoals het licht in de vroege morgen uit de donkere schoot van de nacht met zijn duizend onzekerheden en van nood vervulde vragen. Kohlbrugge is geleid op de weg van alle heiligen. Dot is de weg, die uitloopt op de dorheid en eenzaamheid der woestijn, waar het ervaren, doorgemaakt wordt "Het valt moeilijk, zonde Ie zien en genade te geloven, als het ware zonder God voort te lopen en nochtans te weten: ik heb een genadige God in de hemel" Het is de weg, waarop iemand eerst wel zegt' "Ik moet geloven!" en "Ik begeer te geloven", om daarna te belijden: "Ik kan niet geloven" en eindelijk bij God aan te houden: "Wees mij genadigi" het is de weg, waarop Kohlbrugge zelf is geleid en waarvan hij, toen hij eens Hebreeën 12.11 predikte'^, heeft gezegd. "God leidt Zijn heiligen wonderbaar Altijd heel anders dan zij het zich hebben voorgesteld Zijn weg met hen gaat door de diepe zee. Belooft Hij hun het licht, dan maakt Hij alles duister;

belooft Hij hun hulp, dan wordt elk steunsel verbroken; belooft Hij de vrede, dan wordt de ziel in ons, ach, hoe onrustig! Belooft Hij de zegen, dan schijnen alle vervloekingen op ons neer te komen; belooft Hij eer, dan moet men luide uitroepen' "Laat mij niet beschaamd worden!" of: "Onze ziel is van verachting zeer vervuld!" (Ps. 123;3). Belooft Hij genade, dan schijnt Hij Zijn toorn over ons te hebben uitgegoten; belooft Hij heiliging, dan begint de zonde als nooit tevoren in ons te woeden; belooft Hij leven, dan gaat het alles de dood in, dan zien wij alles in een graf begraven. Waar Hij wil bouwen, daar breekt Hij af; waar Hij wil planten, daar roeit Hij uit; waar Hij wil oprichten, daar keert Hij om; waar Hij wil troosten, daar maakt Hij zielsbedroefd; waar Hij wil vervullen, daar maakt Hij leeg; wie Hij in de hoogte wil opheffen, die voert Hij in de diepte; wanneer Hij ergens Zijn intrek wil nemen en blijven, dan houdt Hij Zich verborgen en trekt weg; waar Hij Zijn liefde wil tonen, daar schijnt Hij heel hard en liefdeloos te zijn, en Hij verwondt diep, waar Hij wil genezen"".

Ik zeg nog eens' deze woorden zijn de uitdrukking voor datgene wat Kohlbrugge aan den lijve te ondervinden gekregen en naar de ziel smartelijk doorgemaakt heeft. Hier is niets, maar ook in het geheel niets van holle retoriek (welsprekendheid); maar hier is alles vanuit de ervaring gesproken, getuigenis! Zó heeft God aan hem als aan Zijn dienstknecht gehandeld naar Zijn Woord (Sirach 2:1!). Een aangevochtene is Kohlbrugge geweest een "bezochte", een "aangegrepene", iemand, wiens gedachten God telkens weer alle zeer genadig heeft door-kruist, iemand, wiens plannen telkens weer geen waarde mochten hebben naar de wil van Hem, die "getrouw en waarachtig" heet, en al zijn plannen telkens weer heeft uitgewist, zoals de onderwijzer dat doet met de onjuiste aantekeningen op de lei van de leerling.

"Het leven uit God is geen rekensom" - wie de levensgeschiedenis van Kohlbrugge ook maar een weinig kent, weet, wat in en met deze korte zin is gezegd! Dit is gezegd, wat Wichelhaus "de ervaringen van een man" heeft genoemd, "die alles prijsgegeven en geprobeerd heeft, heilig te worden, de zonde te bedwingen enz., maar die het heeft leren verstaan, dat uit het vlees de Geest, uit de bittere bron van de dood het leven niet te voorschijn komt"''^, en die onder zulke ervaringen werd gemaakt tot een "hater van zichzelP' in de zin, waarin Martin Kohier dit woord eens heeft gebruikt' 'Tot iemand, die van zichzelf verlost is, tot een gekochte"^•^. Nadat God hem had "beroofd van alle vroeger geestelijk-zijn" en hem er toe had gebracht, het "op te geven, ooit weer vroom te worden", was hij de bekeerde, die zich, omdat hij met de bekeerde Paulus Romeinen 7:14 moest erkennen als het oordeel over zichzelf, alleen nog aan het oordelende en in het oordeel genadig helpende.

reddende Woord Gods kon vasthouden, om voortaan "een bedelaar te blijven aan de troon van Zijn genade, om te bedelen om een weinig en om niet meer dan een weinig genade, licht, troost en kracht, om op zijn weg verder te komen".

Hierbij zijn hem woorden als die uit Jesaja 38:17, 52:3 en 54:10 bijzonder ter harte gegaan. Zij bleven de enige grond der dankbaarheid, waarin hij deed wat zijn plicht was volgens de opdracht, die de Heere aan Zijn knechten gegeven heeft naar Jesaja 40:1 v.v. Kohlbrugge was een echte "Barnabas", een "zoon der vertroosting" (Hand. 4:36), iemand, die steeds putte uit de volheid der Schrift, waarin hij van jongs af aan thuis was, die hij als slechts zeer weinigen kende, waaruit hij steeds het rechte woord ter rechter tijd bij de hand had, om het als kind van een grote, machtige en rijke Koning door te geven aan allen, die het wilden horen en aannemen, om te bestraffen en te vertroosten: om te bestraffen alle zelfverzekerden en hovaardigen, die zich tegen de vrije en vrijblijvende genade verzetten, om "op het moeras van eigen verborgen begeerten en strevingen te bouwen en door eigen werken afschuwelijke en gruwelijke dingen bij God goed te maken" en - in plaats van te vertrouwen op het algenoegzame Woord Gods en Zijn onomstotelijke beloften en te geloven op hoop dóór, waar niets te hopen is - de werken van het vrome vlees te houden voor een Gode-welgevallige dienst; om evenwel te vertroosten allen, die in zichzelf geheel troosteloos zijn geworden en - nadat zij gekomen zijn aan het eind van al hun "mogelijkheden" - moeten belijden, dat het met hen gedaan is en dat niet zij het zijn, die het heil bewerken, doch dat een Ander het heeft bewerkt: Hij, dien Luther het "fac totum in omnibus": (de spil waarom alles draait) heeft genoemd, Jezus Christus. "O, welk een dierbare waarheid! Ja, het is met de mens geheel en al gedaan, het is met het vlees gedaan; al zijn gerechtigheid heeft in het geheel geen waarde meer; al zijn zonden hebben niets meer te betekenen. Het is met de duivel en met zijn macht, de dood, geheel en al gedaan; en al zijn list en geweld, zijn woeden en doden kan niets meer uitrichten, wordt ook in het geheel niet meer in rekening gebracht bij een eeuwige heerlijkheid; want de grote en almachtige, de sterke God heeft Zijn eer terug, heeft Zijn waarheid, het geloof aan Hem verheerlijkt. Ons leven, ons doen en drijven heeft in het geheel geen waarde meer. Alles, alles in de hemel en op de aarde en in de afgronden der hel, alle machten hier en in de lucht en daarboven, het moet zich alles bewegen volgens de bevelen, die het bloed geeft tot welzijn van al Zijn verlosten en gelovigen. Want nadat dit bloed vergoten is, staat alles heel anders in de hemel en op de aarde, dan het tevoren stond. Had de duivel met de mens alles, wat God gemaakt heeft, verdraaid, bedorven en als het ware vernietigd - opnieuw geschapen, geheel hersteld, in orde gebracht naar eeuwige geest, dit alles, alles heeft het bloed gedaan aan het hout des kruises, en gedaan is het met ons bloed. ..." " Is het evenwel het bloed alleen, wat baart uw heiligheid of uw zonde u dan zorg? Laat aan het bloed zijn waarde, aan het Lam Zijn heerschappij, en gij zult rein zijn in een reinheid, waarvan de engelen op die wijze niets verstaan". "Laat echter niemand zich in zelfverheffing verheffen!"

Waarom toch deze waarschuwing? Antwoord: omdat "slechts één ding hem heeft kunnen verlossen, één ding hem ook volkomen verlost heeft-God met Zijn bloed!" "Dood hier, strijd hier, oude zonden, nieuwe nood hier, tranen hier en allerlei tegenspoed hier, veel gebeds hier en allerlei aanvechting, of het wel waar is, maar nochtans- het kruis heeft de gouden roos, waaromheen alle engelen knielen, waarvoor alle duivelen op de vlucht gaan. En zij, die het Lam deze roos brengen, wie zijn dat? Zondaren, nochtans rechtvaardigen; ellendigen, nochtans heerlijken; weerloze schapen temidden der wolven. Waar komen zij vandaan? Uit het hart Gods. Daarheen, daarheen! Komt mee, komt mee! Want de dageraad van het eeuwig rozenfeest vertoont zich reeds op de toppen der bergen! Wee de vorst dezer wereld met zijn slangenzaad, maar wél ons, die Hem verbeiden!"!''

Is dat niet: recht gepredikt? Is dat niet: op de rechte wijze verootmoedigd? Is dat niet: "op de rechte wijze vertroost? Wie in het bijzonder onderwezen wenst te worden aangaande "de Christologie bij H. F. Kohlbrugge", die grijpe vóór andere geschriften en naast de "Zeven preken over den profeet Jona" naar de drie afleveringen, die verschenen zijn onder de titel: "De tabernakel en zijn gereedschappen". Hier zal hij een nog niet overtroffen en tot op nader order ook wel nauwelijks te overtreffen uitlegger leren kennen, zonder met Nikolaus von Amsdorff de zorg te moeten koesteren, dat "de allegorie en de mysteriën ketters maken", of met Franz Overbeck tot het oordeel te moeten komen, dat een allegorische uitleg van de Heilige Schrift-"beschaamd en onbeschaamd" - als "acrobatenkunsf en "geestelijke grappenmakerij" verdient te worden afgedaan.

Het is hier de plaats, te wijzen op het geschrift, dat Kohlbrugge geschreven heeft in de herfst van het jaar 1845, toen hij voor de tweede maal tot herstel van zijn gezondheid aan de Rijn vertoefde: "Waartoe het Oude Testament? Leidraad tot de juiste waardering van de boeken van Mozes en de Profeten"'^, daarnaast op de inleiding, die onder het opschrift "Het Boek der Psalmen" voorafgaat aan zijn verklaringen van de Psalmen'* Wanneer Luther geoordeeld heeft "Dat is de juiste regel, dat iemand alle Psalmen hoort als uit de mond van Christus gesproken en deze Hem zó nazegt als een kind zijn vader nabidt. Hij kan ze Hem evenwel niet nabidden, tenzij hij Hem gelijkvormig is in de boete en in het lijden", dan is dat geheel in overeenstemming met de onderwijzing, die Kohlbrugge ons geeft' "Christus spreekt deze woorden in David, zoals Hij ze nog spreekt in de harten van alle armen en ellendigen. Maar niet zó, alsof David hierbij slechts een instrument is geweest, gelijk b.v. een levenloos ding, een pijp of een harp, maar Christus had Zijn Geest geschonken, die hem ook levend gemaakt heeft Deze Geest was met Davids geest, en Davids geest was met de Heere. En in deze eenheid, waarin het in David leefde' "Niet ik, maar G/'/l", was het in hem voortdurend Christus, die in hem bad, streed en vocht, leed en worstelde, gerechtigheid oefende en de zege wegdroeg"'^.

In het verband van deze en dergelijke gedachten verwondert het ons niet, dat Kohlbrugge er telkens weer de nadruk op heeft gelegd, dat wij in en met de Heilige Schrift, zo zeker als zij Heilige Schrift is, een ondeelbaar geheel vóór ons hebben: "Gods Woord geheel en al, van het eerste vers van het eerste Boek van Mozes af tot aan het laatste vers van de Openbaring van Johannes toe"'^. In de volstrektheid van zijn uitspraken en eisen is het het Woord, dat de gehele mens wil hebben, dat overal veld wil winnen en alles doordringen om op alle gebieden des levens de alleenheerschappij te voeren. God doet, zo zeker als Hij God is en niet een mens, en zo zeker als er buiten Hem geen Heiland is, in en met Zijn ondubbelzinnig Woord Zijn totalitaire aanspraak gelden, waartegenover de mens schuldig is een silentium altissimum (een zeer diep stilzwijgen) in acht te nemen, indien hij zich niet schuldig wil maken tegenover God. - "Gods Woord komt niet tot u, opdat gij er een half of een heel uur door gesticht wordt; het is geen Woord voor de Zondag, maar een Woord om ernaar te handelen en te wandelen!" Gods Woord sterft niet; het is vóór alles en na alles, en daarom is dit het allerzekerste: "Gods Woord zal langer duren dan de perioden van de geschiedenis der machten".

Daarom heeft Kohlbrugge zichzelf telkens weer bemoedigd meteen "Vastgehouden aan het Woord'" en is niet moede geworden, de naaste toe te roepen: "Blijf bij het Woord, dan blijft gij, waar het Woord blijft!" het Woord evenwel is hem allereerst Jezus Christus. "Naar Hem moeten wij uitzien, die met ogen van eeuwige ontferming op ons neerziet". "Hij is bij ons alle dagen, totdat wij naar huis gaan. Voor een andere Jezus of Christus beware ons God!" Dat is het, wat Kohlbrugge voor onze aandacht brengt.

Het behoort tot de verrassingen, die de lezer van de geschriften van Kohlbrugge worden bereid, dat de uitleg van de bijbelteksten telkens gegeven wordt in de diepste geestelijke diepte. Dikwijls speurde de man, die een uitstekend kenner was van de oude talen, de woorden van de grondtekst lange tijd na en beoefende aan de hond van de polyglotte vergelijkende taalstudiën om de "zin" van een enkel woord recht te kunnen "vatten", correspondeerde bij gelegenheid ook wel met zijn "Timotheüs" Wichelhaus om bijvoorbeeld de "betekenis" van de in Leviticus 16 driemaal voorkomende "Azazel" vast te stellen De geleerden van onze dogen hebben aan dit woord veel gissingen vastgeknoopt en "gevonden", dat het "een in het ritueel van de verzoendag voorkomende uitdrukking van onbekende (!) betekenis" is. En het klinkt ons gewoonweg als een grap in de oren, wanneer ons onthuld wordt, dat dit zonderlinge woord "waarschijnlijk een in de woestijn wonende boze geest (l) aanduidt". Men had zich allang door Kohlbrugge kunnen laten onderrichten, dat de Septuaginta "apopompaios" hebben vertaald en de Vulgato "emissarius" schrijft. "De weggaande bok" luidt de uitdrukking in het Nederlands en is dus niets anders dan de heenwijzing naar "het Lam Gods, dat de zonden der wereld weg-draagt" I

Kohlbrugge's "Overdenking van het eerste Hoofdstuk van het Evangelie naar Mattheüs "stelt alles in de schaduw, wat ik tot dusver heb gelezen over de verborgenheid van de vleeswording des Woords, en ik kan slechts herhalen: telkens wordt de uitleg gegeven in de diepste geestelijke diepte Daarbij was het Kohlbrugge gegeven, met het oog van de discipel van Jezus de wereld in te kijken en ook in de kleinste en onaanzienlijkste dingen en voorvallen in de natuur een gelijkenis te zien. Hier worden ook de bij, de spin en de vogels tot leermeesters van de mens "Er komt een bij gevlogen op een bloem Een engel Gods heeft er honing in gelegd. De bij vraagt de engel toestemming om te drinken, en hij zegt' "Drink zoveel je maar wilt!" Het bijtje vraagt, "Wat ben ik schuldig?", en de engel glimlacht en zegt: "Daarvoor is het er immers! Wil je mij evenwel een genoegen doen, welnu! ga don naar het huis van de buurman en draag er iets van de honing naartoe!" Dat is het Evangelie!" - "bij de hoop, het zékere verwachten van God, is geduld, en men blijft in de weg, die God gewezen heeft Men gaat er niet uit weg, maar doet als de spin - honderdmaal wordt haar web vernield; zodra het echter vernield is, herstelt zi| het met groot geduld, terwijl zij let op de wind, die het haar mogelijk maakt, de draad op zijn plaats te brengen". - "In de vorm van een kruis vliegen de vogels naar boven!"

Tenslotte dient nog gedacht te worden aan een geschrift, waarnaar heden geluisterd moet worden als een beslissend en oordelend woord aan en over de Kerk. "Het ambt der ouderlingen of: hoe de heilige apostel Petrus als mede-ouderling de bisschoppen vermaant" Hierin heeft Kohlbrugge de Gemeenten met haar "bisschoppen", "ouderlingen" en "voorgangers" haar in het Woord Gods gegronde verplichtingen zó "ingeprent", dat alles, wat hier staat te lezen, zowel vóór honderd jaren, alsook heden geldt en daarom onze onverdeelde aandacht en meest nauwgezette opvolging verdient- in een tijd, waarin het "kerkelijk" leven over de gehele linie vervallen is aan een verwereldlijking, die nauwelijks meer overtroffen kan worden, en dus wel méér een dood don een leven moet worden genoemd. Midden in onze kerkelijke "ordeningen" dreunt de donder van het oordeel, wanneer wij het ons moeten laten zeggen: "Men heeft zich tevergeefs moeite gegeven, een Gemeente de helpende hand te bieden door wettelijke bepalingen. Slechts het Woord van Christus heerse, en ieder ouderling geve zich moeite, allereerst te doen en daarna te onderwijzen hetgeen het Woord zegt, dan gaat het met de ordening der Kerk als vanzelf, zodat zij er zal zijn overeenkomstig het apostolisch woord Waar het Woord regeert, daar regeert Christus Zelf als Koning en is wel tegenwoordig met Zijn majesteit, genade en Geest. Waar evenwel de mensen zich niet buigen onder het Woord en zelf willen regeren, daar worden zij door hun eigen organisatie doodgedrukt; daar is enkel en alleen gewetensverkrachting, twist, krakeel, tweedracht; en terwijl men boven aan het bouwen is, zakt het aan de onderkant weg, en het is van het begin tot het einde niets anders dan een torenbouwvan Babel...."

"Allerwegen stelt men kunstmatige pogingen in het werk om de sociale en kerkelijke nood te lenigen; maar waar is het verstand, het inzicht, de erkenning, dot alleen de prediking: "Het gras is verdord, de bloem is afgevallen, maar het Woord des Heeren blijft eeuwiglijk" elke nood uit de weg ruimt of over elke nood heen helpt? Zo tracht men ook de Kerk op allerlei manier de helpende hond te bieden. Er zijn er, die van een vaste (permanente) synodale- en consistoriale mocht of van een opper-bisschoppelijke of andere opper-macht heil voor de Gemeente verwachten Moest het hun niet in het geweten treffen, dot zij niet luisteren naar de vermaning van een apostel, die zo zachtmoedig een woord spreekt tot hun hart en de oorzaak aanwijst, wanneer het met de Kerk, zoals zij zeggen en klagen, slecht gesteld is?" "... Is het met de Gemeente zover gekomen, dat zij Gods Woord prijs geeft en zich neerbuigt voor de afgoden, dan kan zij deze straf verwachten, dat zij door de Heere verkocht wordt onder de hond der mensen, ook komt zij niet weer vrij, tenzij zij zich weer tot het Woord bekeert en het eeuwig Evangelie aangrijpt".

.Waar evenwel het oordeel begint bij het huis Gods, zal het daar niet het allereerst de wachters treffen? Wat zal de Heer des huizes nu zulke wachters doen, die beginnen te eten en te drinken en de dienstknechten en dienstmaagden des Heeren te slaan? Heeft Hij niet gezegd, dot Hij, wanneer Hij komt, hen in tweeën zal houwen?"

Met deze drie grote, door Kohlbrugge gezette vraagtekens moge besloten worden. Zij zijn, op de juiste wijze verstaan, niets anders dan de vermaning om waakzaam en nuchter te zijn, de roepstem aan ons om te volharden tot het einde toe, mets te willen weten dan Jezus Christus, en wel de Gekruisigde, en m weerwil van allerlei li|den onze plicht te doen in de Kerk en voor de Kerk, "wier gehele nood voornameli|k hierin bestaat, dat men wel gelooft in zi|n eigen geest, maar met in de Heiligen Geest''

' Evangelisch Reformierte Kirchenzeitung, 25" Jaargang, 1875 biz 201 206, 289-297

^ t a p bIz 294 - ik maak hier in het bi|zonder opmerkzaam op de beide artikelen van Rolf Eberhard "Das homiletische Problem und die Predigt H F Kohlbrugges" en "Die theologische Existenz H F Kohlbrugges' in het maandblad "Evangelische Theologie", afl 4 (Juli 1934)enafl 11 (Febr 1935)

^ In het lweemaandeli|ks ti|dschrift "Die Furche", uitgegeven door Hans Lil|e, 21''Jaargang 2= afl (Maart April 1935) bIz 178vv

''GW Locher, Aus dem Leben und Wirken des Dr Herm Friedr Kohlbrugge, Eiberfeld, z | , bIz 6 v

5Vgl noot 3

' "Lass dir an Meiner Gnade genugen " (Furche-Bucherei, Bd 4), Furche-Verlag, Berlin, z |

^ "Door Zi|ne wonden is ons genezing geworden" Brieven van Dr HF Kohlbrugge H Veenman en Zonen, Wagenmgen, 1935

^ Bedoeld zi|n de woorden Luk 24 13-31

' Amsterdamsch Zondagsblad 1894 bIz 89 '" Ik zeg niet toen hi| over Hebr 12 11 predikte' Het is |uist wat W Buitkamp heeft opgemerkt "Kohlbrugge predikte nooit over


'' Men wordt bi| deze woorden zeer sterk herinnerd aan vele plaatsen in de geschriften van Luther en ik maak hier een vergeli|king met slechts een van zi|n woorden, waarmee hi| over God spreekt als over Degene "die dan het meest gedachtig is, wanneer Hi| schi|nt te vergeten, en dan het meest bezoekt wan neer Hi| schi|nt te vedaten" (In de verklaringen van de Brief aan de Hebreeen uitgegeven door Joh Ficker Anfange reforma torischer Bibelauslegung 2" deel bIz 18)

'^ "Der Herr der Herrlichkeit Aus Briefen von Johannes Wichelhous (Furche Bucherei, Bd 16) Furche VeHag Bedin, z | , bIz 23

'•^ Martin Kohier, Theologe und Christ Ermnerungen und Bekentnisse, uitgegeven door Anna Kohier Furche Verlag Berlin 1926, bIz 260

''' Uit een preek over Micha 4 8

'^ Kohlbrugge sprak met van "Oud' en 'Nieuw" Testament, hi| bediende zich van de Schriftuurli|ke aanduiding "Mozes en de Profeten' 'Evangelisten en Apostelen I

'^Schriftauslegungen, 20"afl Eiberfeld, 1921, bIz 121

'^ In een preek over Psalm 18 21 25

'^ Vragen en Antwoorden tot opheldering en bevestiging van de Heidelbergse Catechismus, bIz 3

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 augustus 2003

Ecclesia | 24 Pagina's

Hermann Friedrich Kohlbrugge

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 augustus 2003

Ecclesia | 24 Pagina's