Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ingezonden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden

PALESTINA EN DE JODEN.

10 minuten leestijd

(Buiten verantwoordelijkheid der Redactie.)

In verband met de artikelen in het Eilan« dennieuws inzake bovenstaand onderwerp, sta ik andermaal voor' deze groote vraag: hebben toch zij gelijfc, die wel terdege op grond van Gods woord aantoonen, dat het Joodsche volk niet alleen nog een zelf* star-dige natie zal vormen, doch tevens zich zal bekeeren tot den Levenden God, in de erkenning van den Christus der Schrif» ten, de Messias.

Ongetwijfeld heeft de schrijver over ,,Pale« stina. en de Joden" gelijk, indien hij met de woorden: „zoowel uit de Joden als uit de Heidenen zal een deel zalig worden, doch van een volksbekeering is geen sprake," bedoelt zalig worden in de beteekenis van wedergeboren en volksbekeering in de be* teekenis van wedergeboorte, doch in de onderhavige quaestie gaat het hierom niet. De groote vraag is, of de beloften Gods aan Abraham en zijn, zaad, d.i. derhalve het Joodsche volk, inhouden, dat de Joden niet als ballingen zullen dolen en njef zullen volharden in de loochening van den Messias, Jezus Christus, tot aan de volein« ding der wereld.

Brakel o.a. wijdt in zijn Redelijke Gods* dienst eenige bladzijden aan dit onderwerp. Als hegin van zijn verweer stelt hij de vraag, of de Joodsche natie voor altoos zal verstoeten blijven, of de geheele natie nog eens tot bekeerling zal komen, geloo« vende en belijdende, dat de Messias al gekomen is en dat Jezus is de Christus. Hij geeft daarop al' direct dit antwoord, dat de nati^, zonder onderscheid zal er* kennen, dat Jezus is de Christus, de Messias in het Oude Testament beloofd en van de Vaderen verwacht, daarbij tevens verklarende, dat deze zijne conclusie het gemeene gevoe* len is vaïi de godgeleerden van alle eeuwen. (Tot goed begrip mag ik er even op wij* 2en, dat onder „erkennen van den Chris* tus" niet bet zelfd« moet worden verstaan als „in Christus gerechtvaardigd en geheiligd zijn"). In tegenstelling met de bewering van andere i zijde, dat onder het in het Nieuwe Testament bedoelde Israel alleen moet worden verstaan het geestelijke Israel, wordt door Brakel beweerd, o.a. Rom. 10, Gal. 6, dat dit slaat op het Israfelietische voUc en zegt dan verder, mieide op' grond van Godswoord, dat het Joodsche volk niet ver* hard is, om altijd, verhard te blijven. Spre* kende over de onveranderlijkheid des ver* bonds met de Joodsche natie, zegt hij (Rom. 11 : 28—32) zij zijn beminden, niet ten opzichte van hun tegenwoordigen staat, maar ten opzichte van hiet verbond miet hunne vaderen Abraham, Izaäk en Jacob; van de Verkiezing, niet ten opzichte van de eeuwi* ge verkiezing tot zaligheid, maar van hun verkiezing tot bondgenooten. Vervolgens toont hij aan, dat de Joodsche natie uit alle gewesten van de wereld en van onder alle de volkeren des aardbodems, waaron* der zij verstrooid zijn, wederom bij elkaar vergaderd zullen worden; in het land Ka*naän en al de land'en aatt Atraham be* loofd zullen komen, daarin wonen, en Je* ruzalem zullen herbouwen behalve den tem* pel en zij een republiek op zichzelf zullen zijn. Het land Kanaan zal vruchtbaar zijn, hetwelk in de Babilonische ballingschap en ook daarna niet het geval is geweest (het wordt thans evenwel vruchtbaar.)

De stof door Brakel behandeld is te uitgebreid om deze 'in dit blad uitvoerig weer te geven, waarom ik meen met het bo* venstaande te kunnen volstaan. De redelijke godsdienst van Brakel dateert uit het jaar 1742. Toen hem zijn beschouwingen uit de pen zijn gevloeid wap er jn de verste verte geen blijk, dat de profetieën in ver* vulling schenen te worden gebracht en waar* door hij voor het door hen^ 'gereleveerde grond zou hebben gehad. Vele, vele jaren zijn nadien verloopen. Mijn belangstelling voor het vraagstuk der Joden is inzonder* heid opgewekt in het jaar 1910. In die dagen had ik een ouden vriend, een predikant, die mij tijdens een bezoek aan hem, mededeelde een belangrijke kwestie aan de hand te heb* ben. In een wetenschappelijk tijdschrift werd namelijk een polemiek gevoerd tusschen twee professoren, die naar de hun bekende tijd* rekening volgens Godswoord, elkander be* stieden over den tijd, waarop de val van het Turksche Rijk (de macht over Palestina), zou plaats vinden. Mijn vriend beschikte over zeer oude geschriften en plaatste in dit tijdschrift een ingezonden stuk, waarih hij uiteenzette, dat dezie val vroegeï zou^ zijn als door beide professoren beweerd werd en wel, naar ik meen mij te berin* neren, 1924. Aan het eind van den oorlog 1914—1918 is Palestina werkelijk losgemaakt van Turkije. De berekening naar de H. Schrift was dus vrijwel juist. » Ik ben geen theoloog en kan derhalve

» Ik ben geen theoloog en kan derhalve niet beoordeelen of de ideeën, ten aanzien van de bekeering der Joden en terugfkeer naar Palestina samenhangen met chiliaSti* sehe fantasieën (aanhangers duizendjarig rijk), doch afgezien hiervani staat menl in den tegenwoordigen tijd voor klemmende feiten, die te denken geven en alle tegen* werpingen, ten opzichte van dit onderwerp, geweld aandoen. Feit is dat de joden naar Palestina terugkeeren. Of hierbij een Zi* onistischen Bond, die zeer vrijstaat tegen* over den Joodschen Godsdienst en tenop* ziehte van de religeuze idealen van heiij Jodendom neutraal is, de hulpzame hand biedt, zegt m.i. niets. De Heere toch is vrij en souverein in het gebruik der middelen, hetgeen blijkt uit Zijn woord.

Dat de trek der joden naar Palestina alleen een gevolg is van het heimwee naar den grond der vadergn of uit het bloed dej- progroms, is niet geheel juist, omdat verschillende bij*omstandigheden, en vooral tegenwoordig, er zeer toe medewerken, dat de joden uit hun verbhjfplaatsen verdreven worden. Vooral de sedert 1881 plaats gehad hebbende vervolgingen in Rusland, mal^n een verblijf aldaar onmogelijk. Amerika, dat door hen tot voor enkele jaren als een toevluchtsoord kon worden beschouwd, heeft in de laatste jaren de Immigratiewetten der* mate verscherpt, dat betreden van haar bo* dem schier onmogelijk is. Daarnaast evenwel heeft in de jaren na het einde van den wee reldoorlog Rusland zich ten opzichte van de joden zeer gewijzigd en zelfs een Jood* sehe nederzetting gesticht in het Sibirisch Biro*Bidjan gebied (hoewel zij toch niet vrij zijn hun persoonlijk en gemeenschapsleven volgens hun eigen wil en neiging uit te voe* ren). Men kan m.i. in het laatste zien, dat de Satan poogt langs den weg van het Communisme de joden vast te houden. Zoa goed als „de verleider van den beginne" de komst van Christus in het vleesch den voet heeft dwars gezet, Christvis, tijdens Zijn oirwandeling op aarde, nog heeft trachten te verrietigen in Zijn kwaliteit als Verlosser, zoo goed kunnen we „den booswicht bij uitnemei.dheid" op zijn plaats vinden daar, waar het geldt het bestrijden van plannen Gods, ook met betrekking tot de verheffing van de Joodsche natie — de brieschende leeuw, die alles zoekt te verslinden —.

In de laatste jaren is het Duitschland, dat, bij wijze van spreken, Rusland de loef tracht af te steken in de vervolging van de joden. Aldaar geldt thans het parool, alle joden eruit en wel zoo, binnen vijf jaren geen jood meer in Duitschland.

Welke landen zullen, mogelijk spoedig, dit voorbeeld volgen? Een gewijzigde staats* vorm kan hiertoe den stoot geven.

Waar zal de jood heen? Met betrekking tot een zich elders vestigen, doet zich in dezen tijd het groote bezWaar voor, dat geen land, een enkele uitgezonderd, vreemdelin*gen kan opnemen, temeer niet, omdat men op expansie is aangewezen.

Ongetwijfeld klemmende omstandigheden te over dat de joden het oog moeten ves* figen op Palestina,

Is dit nu alles toeval?

Het vraagstuk van 15.000.000 joden (moet z'ijn 18.000.000) verspreid over de geheele wereld, behoeft niet als zwaartepunt te worden gezien voor de terugkeer naar Pa* lestina, wanneer men zulks beschouwd met betrekking tot de Almacht Gods. Bovendien „de wijsheid der menschen is dwaasheid bij God." Ik wil er dit mede zeggen, als het Gods voornemen is de joden in Pales* tlna terug té brengen, laten wij ons dan niet overgeven aan twijfel in deze of ver* moeien met wiskundige berekeningen, want „Hij doet de dingen zijn alsof ze waren." Naast de bovenstaande, m.i. wel sprekende

Naast de bovenstaande, m.i. wel sprekende feiten, nog het volgende. Jeruzalem zal, volgens Gods Woord, dorpsgewijze bewoond worden. Volgens Brakel heeft dit nog niet plaats gehad, doch zijn de berichten juist, dan gaat het thans deze richting uit. Land* en Tuinbouw, Veeteelt enz. zijn ter hand genomen. Voor beplanting (volgens Gods Woord) zijn indertijd dnor Amerika 2.000.000 stekken gezonden. De Doode Zee is een goudmijn voor de joden, deze Ie* verde reeds jaren geleden 100.000 ton kali 'per jaar voor bemesting en wat nog wel het merkwaardigst is, de regen is er sterk toege* nomen, men heeft reeds een vermeerdering van 50 "o geregistreerd.

Het optreden van de Arabieren tegenover de joden is ongetwijfeld niet gering. Meer* dere moeilijkheden staan de joden in den weg, zullen er ongetwijfeld niet minder op Worden. De 40*jarige reis (Egypte—Kanaan) getuigt van lijden en strijden. Ook toen bleek dat de beloften Gods, die in Jezus Chi-istus amen zijn, door de joden niet werden geloofd, ze wilden maar liever terug naar de vleeschpotten van Egypte.

Wat zal het Joodsche vraagstuk uiteinde* lijk te zien geven? Zal het werkelijk geschie* den als wordt verondersteld en zoo ja, zal de oplossing liggen in het nageslacht, of zal het proces in snel tempo teneinde loopen? Ot za'i er niets gebeuren ?

Los van deze vragen is het noodig dat de Christenen, ik bedoel hen aangeteekend in Rom. 2 : 2S en 29 (waar geschreven staat „want die is niet een jood, die het in het openbaai is, noch die is in de besnijdenis, die in het openbaar in het vleesch is, maar die is een jood, die het in het verborgen is en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis, wiens lof niet is uit de menschen, maar uit God") hun taak ten opzichte van de joden kennen. Hen niet alleen te dragen en te verdragen, doch hen, waar mogelijk, de Waarachtigheid en de waarheid van het Woord des LIeeren mede te deelen en ook in de gebïden (tevens huisgezin en bede* huis) te gedenken. Och de Heere mocht zich nog wenden. Want wat zal het den jood baten, terug te keeren naar het land der vaderen, wat zal het een ieder mensch hel* pen in alles geijverd te hebben, en niet ver* zoeno te zijn met den God van Abraham, Izaäk en Jacob, door het bloed van den Middelaal Gods en der menschen, de Mes* sias, Jezus de Christus.

G. W. CARON.

Maastricht, Juli 1936.

Onderschrift der Redactie:

Ofschoon het stuk van den heer Caron tamelijk lang is, nemen we het toch in zijn geheel op, allereerst omdat we zijn belang* stelling voor onze artikelen op prijs stel* len en voorts omdat de zaak onze lezers evenzeer zal interesseeren. Onze redacteur hoopt volgende week in een afzonderlijk artikel den inzender te beantwoorden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Eilanden-Nieuws

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 augustus 1936

Eilanden-Nieuws | 6 Pagina's

Ingezonden

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 augustus 1936

Eilanden-Nieuws | 6 Pagina's