Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Kofjekoker

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Kofjekoker

19 minuten leestijd

door Frans Dubbeld Als het vissersdorp Middelharnis in 1842 tengevolge van verhoging van de invoerrechten haar belangrijkste visafnemer (België) verliest, gaat het bergafwaarts met de tot dan bloeiende visserij. Reders uit andere plaatsen kopen allengs visserssloepen op en in 1856 wordt de visafslag in het Flakkeese dorp opgeheven. Vanaf dat moment varen de schippers met hun vangst op de afslag van IJmuiden of naar Engelse kustplaatsen. Stukje bij beetje brokkelt het vissersbestaan af en als het in 1921 definitief is afgelopen hebben vele Flakkeese gezinnen zich gevestigd in verschillende vissersplaatsen, verspreid langs de Nederlandse kusten.

In menige storm op het immer onbetrouwbare water van de Noordzee zijn vele visserssloepen verloren gegaan. Met man en muis. Aanvankelijk voer men met 'Bezanen', schepen met een lengte van twaalf tot dertien meter en met 'Gaffelaars' die een lengte van zeventien tot negentien meter hadden. In de negentiende eeuw vaart men met sloepen die een lengte van twintig tot vijfentwintig meter hebben. Doorgaans was een groot deel van de dertien­ of veertienkoppige bemanning familie van elkaar. Was er een schip op zee vergaan dan gingen de burgemeester en de dominee de achtergebleven familieleden op de hoogte brengen van het slechte nieuws. Als op zo'n moment de dominee voorbij kwam, viel er een beklemmende stilte in het dorp. Ten teken van rouw deed men de gordijnen naar beneden.

De weduwen en wezen hadden naast hun peilloze verdriet het sombere vooruitzicht op nog grotere armoede dan zij gewoon waren. De kleine financiële ondersteuning die zij van de kerk en het burgerlijk armenbestuur ontvingen, was bij lange niet toereikend om in de eerste levensbehoeften te voorzien en menig weduwe ging uit werken of verdiende als wasvrouw iets bij. Snoepwinkeltjes waar men voor een cent of een halve cent iets kon uitzoeken, waren andere getuigen van deze stille armoede.

Het is zeker niet in de laatste plaats aan het populaire Rotterdamse zeemansliedje te danken dat het jongste maatje aan boord bekend staat als 'ketelbinkie'. De Menheersenaars, de inwoners van Middelharnis, hebben er een eigen benaming voor; men spreekt niet van een ketelbinkie, maar van een "kofjekoker'. Het kofjekokertje moest ­ de naam zegt het al ­ 'voor 'n bakje koffie zurrege'. Verder moest hij porren, de ton­achter­de­mast legen, het drinkwater verversen, de reep schieten, helpen bij het halen van de vleet en het uitkloppen van de netten. Kortom, hij moest van alles en nog wat doen. Het was zwaar werk en de beloning was karig.

Op het Vingerling, aan de haven van Middelharnis, treffen we een standbeeld van een kofjekokertje aan, kompleet met klompen, zuidwester en koffieketel.

Op dertienjarige leeftijd monstert Arend Smit als kofjekoker aan op de MD­13, een visserssloep met de naam 'De Voorlichter'. Als we Arend Smit anno 1993 bezoeken, heeft hij de gezegende leeftijd van 96 jaren bereikt en is het slechts tien dagen voor zijn 97ste verjaardag. Hij lijkt geamuseerd te zijn en kijkt ons nieuwsgierig aan. Trots toont hij ons een tinnen beeldje van een kofjekokertje (zie foto). Het kleinood is ongeveer twaalf centimeter lang en hem ter gelegenheid van zijn vorige verjaardag aangeboden. Dan tovert hij een boekje tevoorschijn, door zijn zoon geschreven in het Menheers, het prachtige dialekt van Middelharnis en het behandelt de wederwaardigheden van Arends gezin. Hij maakt een vitale indruk. Zijn betoog ondersteunt hij met rustige gebaren. Ik vraag hem hoe hij destijds kofjekoker is geworden.

„Twee maanden nadat mijn grootvader van vaders kant was overleden, is mijn moeder gestorven. Mijn vader was Noordzeevisser en na de begrafenis van moeder moest hij weer naar zee. Ik was toen vijf jaar en ben bij mijn grootmoeder gaan wonen. Ze heeft me grootgebracht en is altijd een moeder voor me geweest. Voor honderd procent! Ik ben tot m'n 28ste bij haar blijven wonen, dus je hoeft niet te vragen of ik het naar mijn zin had! Goed, later. Ik was een schooljongen van dertien jaar en had hier en daar al een beetje gewerkt, maar vast werk, nee, daar kwam nog niets van. In de winter kwamen de vissersschepen hier klaarmaken, zoals ze dat noemen. Aftuigen, opknappen, optuigen. Dat duurde zo'n vier weken en dan gingen ze geschilderd en al weer weg. Toen die schepen hier in de haven lagen, kwam er iemand van Rederij Kolff (rederij Wed. C. Kolff & Zn. te Middelharnis) vragen of ik kofjekoker wilde worden. Op het moment dat ze dat kwamen vragen, was mijn vader al weer veertien dagen naar zee. Ik wilde wel, maar grootmoeder was er van overtuigd dat vader geen toestemming zou geven want hij wist maar al te goed hoe het was en hoe het op een visserssloep aan toe ging. Nou, toen heb ik haar de rug ingerejen (= ik had net zolang gezeurd en gezanikt tot ik mijn zin kreeg) en tenslotte vond ze 't goed. Zodoende ben ik kofjekoker geworden. Ik ging naar zee! We voeren hiervan

Ik ging naar zee! We voeren hiervandaan de Noordzee op. Och, ik wist nog van niks natuurlijk. Ik was voor de eerste keer op zee en "t woei een aardig briesje. Ik vroeg aan een van de matrozen; „Stormt het?". Hij zei: „Nee joh!". De volgende dag waaide het harder, dus ik weer: „Nu stormt 't toch?", en hij zei: „Nee hoor. De sloep gaat een beetje op^en neer, maar dat doet 'ie toch al gauw."

Nou, een dag of vier later ging het flink tekeer en toen zei ik: „Nu stormt het toch zeker?". „Nee", zei hij, „nu waait het gewoon een beetje harder. Kijk, zie je dat kleine zeiltje daar boven het grote zeil? Dat moet weg als het gaat stormen." Dat was het Jek, een klein zeil dat boven het grote zeil aan de mast wordt gehesen om meer wind en dus meer snelheid te maken. Zodoende had ik weer iets geleerd." „Als we op d'n haring gingen, werd er met netten gevist, met de vleet, en dan gingen we zo'n zes weken de zee op. Is de reis uit, zo noemen ze dat, vang je je scheepje vol, dan ga je naar huis natuurlijk. Maar ja, dat was niet het geval en we voeren maar verder en veder. Op een gegeven moment zei ik tegen de man die 's ochtends aan het roer moest staan: „Als je land ziet, roep je me dan even?" De andere morgen kwam hij me om pasjes voor zessen roepen en ik kijken en kijken, maar geen land te zien.... „Zie je 't niet?", vroeg hij. „Nee", zei ik.

Hij antwoordde: „Dan kijk je niet goed. Je kijkt naar beneden maar je moet naar boven kijken. Daarboven zit een topje en dat moet je goed­i in de gaten houden." Nou, op het laatst zag ik dat topje niet meer, maar wel de kant, de wal. Ja, dat heb je als je nog zo'n jongetje bent. Dan moet je alles nog leren.

Op een gegeven moment kwamen we bij de Shetland Eilanden boven Schotland terecht, bij Lerwick. Je weet wel, Lerwick, waar onlangs die grote olietanker (de Liberiaanse 'Brear' in januari van dit jaar in Garth's Bay voor de kust van Lerwick) kapot geslagen is. Dat heeft in alle kranten gestaan. Goed, daar kwamen wij dus terecht. Het laat zich moeilijk vertellen hoe mooi het daar was. Het water was er zo helder dat je tot op een diepte van zes, zeven meter de bodem nog kon zien. Schitterend. In die baai stond een erepoort van rots, van de natuur zal ik maar zeggen. Daar kon je zo doorheen zeilen, als 't had gemoeten met z'n drieën tegelijk. Ja, dat was onvergetelijk mooi.

Als we gingen ankeren in die baai dan konden we even aan land en ik moest dan het drinkwater verversen, want dat was na een week of drie, vier een beetje gaan ruiken, snap je? Dan haalde ik vers drinkwater uit de waterputten die daar waren en geloof me, dat was het lekkerste water van de wereld!"

Met name in de zomermaanden was Lerwick voor veel Hollandse haringvissers een tweede thuishaven. Gingen de vissers aan wal dan was dat meestal op zaterdagen. Ze maakten dan van de gelegenheid gebruik om bijvoorbeeld een kaartje naar huis te sturen of enkele boodschappen te doen.

De nadrukkelijke aanwezigheid van de Hollandse vissers in deze Schotse stad heeft tot op de dag van vandaag haar invloed doen gelden. Een kruispunt tussen Lerwick en Scalloway heet 'Hollanders knowe'. Er is een Hollands kerkhof en de laatste zaterdag van juni staat bekend als 'Dutchman's Saturday', de drukste dag van het jaar in Lerwick.

„We visten op haring met de vleet. Aan de reep, een zware kabel, hingen zo'n honderd tot honderdvijftig rechthoekige netten die rechtstandig in het water dreven. Die netten waren ongeveer zestien meter hoog en de bovenkant van zo'n net bevond zich op een diepte van twaalf meter. Daar zwom dan d'n haring in. Ja, als het goed ging, haha! Aan de reep zaten dobbers, een soort tonnetjes die wij 'jonen' noemden. De lengte van de vleet varieerde van drie tot viereneenhalve kilometer. De vleet waar wij mee visten was bijna vijf kilometer lang! Het schieten, de reep uitzetten in het

Het schieten, de reep uitzetten in het water, vond meestal in de namiddag plaats. Dat was zwaar werk voor de kofjekoker. Het schieten van de reep duurde al gauw anderhalf uur. We visten drie tot vijf uur. Het halen van de vleet en het uit de netten kloppen van de haring duurde vijf tot zes uur. Dan was je nog niet klaar, want al die haring moest ook nog eens gekaakt worden! Ik heb het meegemaakt dat we veertien dagen lang twee uur rust per dag kregen. Twee uur op de vierentwintig! Even een dutje doen en dan weer vooruit...."

„We hadden drie dagen aan één stuk door gevaren en geen mast gezien, op heel de Noordzee niet. De schipper zei: „We zul'n nog maar 'n endje gaan vervaere, nog maar 'ns kieke...".

Wij weer verder varen. En verder en verder. Wat er toen gebeurde, ja, dat was bijna niet te geloven. We kwamen als het ware in een mastbos terecht. Van alles door malkander. „We zullen 't hier maar eens proberen", dachten we en we hebben toen temidden van dat mastbos onze netten uitgegooid. Jonge, jonge, wat een haring! En dan te bedenken dat al die anderen nog geen graatje hadden gevangen.... Wij haalden nota bene een hele school uit de zee. Tweehonderdeenentwintig kantjes en een half vat. In één sleep. Een kantje is een ton waar zo'n slordige negenhonderd maatjesharingen m kunnen. Als een kantje vol is weegt het al gauw negentig kilo, dus ga maar na.... Die haring moesten we kaken, maar

Die haring moesten we kaken, maar het was zoveel dat het ons allemaal niet lukte. We hebben toen nog een partij haring gesteurd. Dat is net als een bokkem, weet je, dan zit de keel er nog in. De haring wordt dan zonder te kaken ingezouten.

De volgende dag probeerden we het nog een keer en toen vingen we nog negentig kantjes. Dat was genoeg reden om naar huis te varen, maar onderweg hebben we nogmaals de reep geschoten en toen vingen we weer zeventien kantjes! Het was bijna allemaal jonge haring, dat wel. Na twee dagen gingen ze al verkleuren. Eer we thuis waren was het meest al half­ deksel van de ton een halve maan kraste dan was de inhoud half­wrak. Kraste hij er een volle maan in dan was het helemaal bedorven, wrak dus! Ja ja, zo is alles bij een bepaalde firma de viswinkel ingegaan. Dat was dus de helft gestolen van die mensen! Dat kan ik me nog goed herinneren..."

„Het leven aan boord was hard. We moesten lange dagen maken en de beloning was karig. Het eten was sobertjes. Soms, als er slechte vangsten werden gemaakt, bestond het eten uit drie maal daags brood.

Eén keer hadden we een vat bier aan boord. Dat was 's zomers. We kregen dan vaak rijst met bier. Gewone groenten kon je niet meenemen, omdat dat te snel zou bederven. Peulvruchten, dat kon wel, dus wat we meenamen waren erwten, bruine bonen, peentjes, enzovoorts. De volgende keer namen we dan weer bietjes en krootjes mee en als het even kon namen we natuurlijk ook aardappelen mee. 's Zondags aten we Jan­in­de­zak. Daar keek ik naar uit! Het 'verse' brood dat we meenamen was door de bakker op een speciale manier behandeld, zodat het ongeveer twee weken goed bleef. Voor de rest van de reis hadden we gekaakt brood. Dat waren ronde broden die op een bepaalde manier gebakken en daarna gedroogd werden. Als je het ging eten kon je dat brood in de koffie weken. De kaas die we hadden was ook op een speciale manier behandeld en we konden het goed houden in de pekel. Dat werd dan later op de boterham geraspt. Wat we ook vaak aten was vis!!!" „Als je 's morgens uit de kooi kwam, begon je direkt met werken en pas als je klaar was met je werk, kon je de kooi weer in. Ik werd 's ochtends gepord: „Héé, 'n bakje gae zette!", of het een of het ander. Er waren zes matrozen die om de beurt de wacht hadden. Die moesten elkaar om het uur bij de schipper aflossen. Nou, het kon nog zo hard waaien, maar je moest er niet op rekenen dat die gasten ook maar ene keer dat keteltje koffie meenamen voor de stuurman en de schipper. Ik moest maar zien. Met de koffieketel in m'n ene hand moest ik me met m'n andere hand vast zien te houden aan de lijnen.

Kofjekoker, dat is de benaming hier in Middelharnis. Anderen noemen het ketelbinkie of reepschietertje. In Vlaardingen noemen ze het een 'afhoudertje'."

Een 'afhoudertje' werkte op de beugvisserij. Beugvisserij is een vismethode voor onder andere kabeljauw en schelvis. De beug is een zeer sterke lange lijn, soms wel met een lengte van achttien kilometer! Er zaten op bepaalde afstanden dunnere dwarslijnen aan, de zogenaamde beug­ of hoekwanten. Aan het eind van die dwarslijn zat de haak, ook wel 'sneu' genoemd en in Middelharnis sprak men wel van een "stel'. Het aas dat aan die haken ging, was koeielever of gezouten geep en soms bestond het uit prik. Het beazen van de haken was een heel karwei. Als er op kabeljauw werd gevist, zaten er 3600 haken aan de beug en viste men op schelvis dan zaten er maar liefst twee keer zoveel haken aan!

„Tegenwoordig gaat dat anders. Er wordt nu met behulp van computers en sonar gevist, 's Avonds, voor ze te kooi gaan, bellen ze even naar huis om welterusten te zeggen of zo. In die tijd was je vaak wekenlang van huis zonder dat er enig kontakt met de buitenwereld was. Als een schip langer wegbleef dan de bedoeling was, dan werden de mensen thuis onzeker. Bleef een schip té lang weg, dan begreep men het al. Kan je je voorstellen hoeveel onzekerheid zoiets met zich meebracht? Ene keer waren wij al bijna zeven

Ene keer waren wij al bijna zeven weken van huis. Eén van de matrozen zei: „Schipper, zou je niet eens op 't huis gaan zeilen? Voor je 't weet gaat de dominee voorbij en gaan de mensen de gordijnen laten zakken!"

Dat heb ik nog twee keer meegemaakt. In 1910 is een oom van mijn vrouw met zijn sloep vergaan. Veertien mensen verdronken... Het jaar daarna gebeurde het tweede ongeluk. Er had bij ons aan boord een jongen gezeten die inmiddels zelf schipper was geworden op een sloep. We hebben bijna een halve winter met hen gezeild en daarna nooit meer iets van ze gehoord of gezien. Weer veertien mensen verdronken.... Voor mij was toen de maat vol en ik ben er mee gestopt. Ik was twee jaar lang kofjekoker geweest en dat was dat!

Wat een ellende voor de mensen die achterbleven. Onvoorstelbaar! Och, och, die vrouwen hadden 't zwaar.... Je moet niet vergeten, het was nog in de tijd van de grote gezinnen. Er waren nog geen wasmachines en er was nog geen aardgas. De financiële bijdrage die zo'n weduwe kreeg, was vaak zo rond de ƒ 1,50 en daar kon niet eens de huur van betaald worden. Het huishoudelijk werk was zwaar en als zo'n vrouw gezond was en de kinderen waren nog klein, dan kon ze daarnaast buitenshuis ook nog eens zwaar werk gaan doen. Lukte dat niet, dan kon ze proberen om als wasvrouw iets bij te ging toen nog met de hand, weet je? Waren de kinderen zo groot dat ze konden gaan werken en een centje verdienen, dan ging het ietsje beter, al moet je je daar maar niet teveel van voorstellen. De jongens gingen naar zee en de meisjes gingen netten boeten of bij een boer werken, het was in ieder geval altijd zwaar werk. Je begrijpt wel dat de ramp niet te overzien was als moeder ziek werd. Daar komt nog bij dat veel werk seizoengebonden was, dus er was nogal veel werkloosheid. Zelf ben ik in mijn lange leven nooit werkloos geweest. Dat vind ik een groot geluk."

„Ik ging voor het eerst naar zee als dertienjarige jongen, op de MD-13, de 'Voorlichter'. Daarna heb ik nog gevaren op de MD-l 1, de 'Oranje Nassau', een splinternieuwe sloep. Ik heb het nodige meegemaakt. We kwamen in een vliegende storm terecht en een nadere keer zijn we bijna gestrand. Het gebeurde meer dan eens dat we met een slechte vangst thuiskwamen.... Toen er voor de tweede keer in een korte spanne tijds een sloep met veertien mensen was vergaan, ben ik met varen gestopt en bij een smid gaan werken. Ja, haha, Smit-met-een-t werd smid-met-een-d! Daar kwam een einde aan toen de smid, mijn baas, werd opgeroepen voor militaire dienst. Ik was nog te jong om die smederij zelf bij te houden en ben toen iets anders gaan doen. Van alles en nog wat. Ik heb zelfs nog meegewerkt met pulp lossen, van de suikerbieten. Ja, dat was ook weer zoiets....

We werkten daar met z'n vieren: twee getrouwde mannen en nog een andere jonge jongen. Ik moest samen met één van die getrouwde mannen de centjes gaan trekken, gaan afrekenen met de boeren waar we de pulp voor hadden gelost. Zo gezegd, zo gedaan. Het werk was klaar en we hadden afgerekend. Hij was in de gemeente rond geweest en ik buitenom op de fiets. Op een gegeven moment zei hij: „We hebben nu veel geld verdiend met pulp lossen. Wat doen we nu? We kunnen d'r wel een guldentje of vier voor onszelf afhouden....". Vier gulden, dat was toen veel geld! Ik zei: Ja, dat is mooi, dan hebben we

Ik zei: Ja, dat is mooi, dan hebben we weer eens iets en weet je wat we doen? We delen de boel.... U betaalt de getrouwde man en ik de jonge jongen.... en weet je wat we ze geven? Hun loon natuurlijk! Ik steel niet van een ander!!!" Nou, die kerel schrok wel even. Ik was

Nou, die kerel schrok wel even. Ik was in zijn ogen nog maar een kleine snotaap, maar ik gaf hem wel z'n vet! Uiteindelijk zijn die andere mensen netjes uitbetaald. Dat is allemaal écht zo gebeurd en pre

Dat is allemaal écht zo gebeurd en precies zo gezegd. Zelf heb ik het ook nog meegemaakt dat ze stiekum geld van me inhielden. Maar ja, vooruit maar. Het is gebeurd en ik ben d'r toch gekomen...."

„Die smid ging in militaire dienst. Een paar jaar later werd ik ook opgeroepen. Ik kwam er niet onderuit en moest opkomen, maar lang heeft dat niet geduurd. Nee, ik kon er zogezegd niet goed tegen, haha....

Het was in de tijd van de eerste wereldoorlog, een tijd van dreiging en krisis, maar achteraf heb ik toch dikwijls gelachen om mijn diensttijd. Sommige jongens moesten in die tijd maar liefst 38 maanden dienen als het zo uitkwam en dat onder moeilijke ik er net op tijd uit, net voordat ik naar het veldleger moest. Mijn sektiekommandant, een sergeant uit Overflakkee, wilde mij naar de kaderopleiding sturen. Ik zou dan korporaal worden, maar ik zei tegen hem: „Ik ga liever korporaal naar huis...." ledere dag ging ik naar de dokter. Mijn

ledere dag ging ik naar de dokter. Mijn klacht? Platvoeten! En die dokter maar doorvragen en doorgraven, het leek af en toe wel op de verhoorkamer van de politie. Dat heb ik zes weken volgehouden. Elke ochtend naar de dokter. Eén keer had ik twee dagen rust, toen heb ik het spreekuur overgeslagen, maar voor het overige ging ik iedere dag, tot en met de zondagen toe. Dat vond die arts niet leuk, want dan moest hij op zondag dienst doen en daar hield hij net zoveel van als twee die er helemaal niet van houden, haha. Het is me tenslotte gelukt. Ik hoefde niet naar het veldleger en.... de dokter kon weer van zijn zondagsrust genieten...."

„Twee wereldoorlogen heb ik meegemaakt. Twee wereldoorlogen en de ramp van 1953! Dat is hier ook erg geweest. Toch hebben we hier nog geluk gehad. Het water was namelijk net niet over de kaai heengekomen. Was het water uit het zuiden gekomen, over Battenoord, dan zou de ramp niet te overzien zijn geweest. Maar ja, 't was toch wel erg genoeg zo. Ik kende een matroos die zijn leven lang op zee was geweest en alles had meegemaakt wat je op zee mee kan meemaken. Alles had hij overleefd, maar de goeie man is hier tijdens de watersnood verdronken....

Op een goeie dag zocht ik weer eens naar ander werk. Ik kwam in kontakt met een man die dorsmachines verkocht en zijn zoon handelde in landbouwwerktuigen. Daar ben ik gaan werken. Vooral door de opkomst van de automobiel in die dagen, werd het van lieverlede meer een autohandel met garage. Aldoende werd ik eerste monteur. Toen ik daarmee begon, wist ik er nog helemaal niets van. Het was een kwestie van je ogen en je gezonde verstand gebruiken. Je keek en je probeerde en je dacht na en alles wat je ontdekte, moest je onthouden. Zo leerde je het vak. Ambachtscholen en dergelijke waren er voor ons nog niet. Nou ja, dat werk heb ik maar liefst 41 jaar gedaan."

„Vissen.... ja, 'k heb ook nog voor m'n plezier gevist. Alles.... met het kruisnet, met de poer en met de hengel. Visjes vangen om te bakken bij de boterham. Kijk, nu heb je geld om dat te kopen, maar toen moest je ze nog zelf vangen.

Poeren deed ik in de haven en bij de brug hier ging ik 's zaterdagsmiddags op spierinkjes vissen. Later zijn die spierinkjes naar buiten gegaan omdat het Haringvliet toen werd afgesloten. Wij hadden toen nog een bootje hier in de haven en daarmee gingen we verderop vissen. Dat was allemaal voor 't plezier natuurlijk. Ach, de vangst werd dankbaar genuttigd en een enkele keer was er eens een zootje om te verkopen, maar 't meeste was toch voor mezelf. Ik herinner me dat nog goed, want ik heb nog steeds een sterk geheugen. Nog wel. Het blijft allemaal nog een beetje bij malkander, net als bij een computer. Ja, haha, maar bij mij hoef je niet op een knopje te drukken!"

Met dank aan: VVV-Overflakkee Gemeente-archief Middelharnis

Dit artikel werd u aangeboden door: Eilanden-Nieuws

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 december 1993

Eilanden-Nieuws | 44 Pagina's

De Kofjekoker

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 december 1993

Eilanden-Nieuws | 44 Pagina's