Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Reformatie in Frankrijk -1-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Reformatie in Frankrijk -1-

21 minuten leestijd

Deze keer willen we met elkaar nagaan hoe de Reformatie in Frankrijk tot stand gekomen is en hoe die zich daar verder ontwikkeld heeft. Wie stond er eigenlijk in dat land in de zestiende eeuw aan de wieg van de Reformatie? Duitsland had zijn Maarten Luther in Wittenberg, Zwitserland zijn Ulrich Zwingli in Zürich, Schotland zijn John Knox in Glasgow en Tsjecho-Slowakije zijn Johannes Hus in Praag. En Frankrijk? Zijn Calvijn in Parijs?

Toen Calvijn in 1509 werd geboren, waren Luther en Zwingli al 25 jaar oud. En bij het verschijnen van de eerste vertaling van het Nieuwe Testament in het Frans was Calvijn nog maar een knaap van 14 jaar oud. De Bijbel in de volkstaal was één van de eerste vruchten van de Hervorming. Dus al ruim voordat Calvijn als hervormer optrad, was het zaad van de Hervorming in Frankrijk ontkiemd. Calvijn heeft wel sterk de groei en voortgang van de Hervorming in Frankrijk bevorderd, maar stond niet aan de wieg daarvan. Hij was - zoals wij dat noemen - van de tweede generatie.

Om nu de geschiedenis van het protestantisme in Frankrijk goed te kunnen begrijpen, is wel enige kennis van de geschiedenis van dat land nodig, zowel ten aanzien van de kerk als van de staat. Daarom willen we ons eerst een weinig daarin verdiepen, om dan vervolgens de geschiedenis van het protestantisme in Frankrijk te behandelen.

Frankrijk in de 14 e en 15 e eeuw

In 1338 brak een oorlog uit tussen Frankrijk en Engeland. De Engelse koning en zijn opvolgers maakten aanspraak op de Franse troon. Zij stuurden daarom een invasieleger, dat gedurende ongeveer een eeuw lang moordend, plunderend en brandstichtend door het land trok met alle gevolgen van dien.

In 1347 brak in Frankrijk de pestziekte uit. Er stierven daaraan een miljoen mensen. Dat was zo ongeveer de helft van de toenmalige Franse bevolking. Wat dat geweest moet zijn, is haast niet in te denken. Het Franse volk heeft toen in zeer ellendige omstandigheden verkeerd. Dagelijks stierven duizenden mensen. De geestelijkheid van de roomse kerk - een andere kerk was er toen nog niet - was niet in staat om al die stervenden in de naam van God vergeving van zonden te schenken. Vergeving kon men verkrijgen via de biecht en het laatste oliesel. Veel stervenden gingen echter zonder die roomse absolutie te hebben verkregen de eeuwigheid in, wat nabestaanden in vertwijfeling deed vragen of hun geliefden daardoor niet de eeuwige pijn waren ingaan. Veel levenden stond bovendien eenzelfde lot te wachten. Er was sprake van een onwetende, bijgelovige, weerloze en vooral doodsbange mensenmassa. Een mensenmassa die overstelpt was door rampspoed.

Pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw leek het ergste voorbij. Er kwam vrede en na 1440 nam de pest af.

De rol van de kerk

Welke rol speelden de kerk en de geestelijkheid eigenlijk in dit alles? Ze schoot tekort, zagen we al, maar wat was er precies aan de hand? De kerk - toen de machtigste instantie in Frankrijk - was zeer in verval geraakt. In de loop der tijden had zij een enorme economische, politieke en bestuurlijke macht opgebouwd. De kerk was eigenaar geworden van veel grond en bezat mede daardoor grote wereldlijke macht. Geestelijken zoals pastoors kregen een stuk land in bruikleen om daarvan te leven. Geestelijke ambten waren daarom zeer begerenswaardig en tot in de hoogste kerkelijke functies werden mensen benoemd die het alleen maar om aards bezit te doen was. Bisschoppen en abten van kloosters waren naast kerkelijke ook wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders. Kerkelijke ambten vormden de toegang tot hoge posities in de wereld.

In Frankrijk had de koning meer invloed in de hoogste kerkelijke kringen dan de paus. Enerzijds omdat ambtenaren, raadslieden, ja, zelfs de adviseurs van de koning uit de geestelijke stand werden gekozen. En anderzijds omdat de koning zich direct bemoeide met de kerkelijke leiding. Hij benoemde zijn familieleden en trouwste dienaren, vrienden en gunstelingen in allerlei hoge kerkelijke functies. Toen de Franse koning in een oorlog met de paus diens legers versloeg, liet hij dat benoemingsrecht zelfs vast leggen in de vredesverklaring. Kortom, in naam was wel de paus het hoofd van de Franse roomse kerk, maar in werkelijkheid was het de koning die er de dienst uitmaakte.

Verstrengeling

Er was dus sprake van een vergaande verstrengeling van kerkelijke en wereldlijke macht en dat was even funest voor het Franse volk als de pestziekte en de overheersing van de Engelsen in de eeuw daarvoor. Kerkelijke gezagsdragers waren geheel bezet met het strijden om de beste betrekkingen en het beheren van hun bezittingen. De pastorale zorg werd van hoofdzaak een bijzaak. Fabelachtige rijkdommen wisten bisschoppen en aartsbisschoppen zich te verwerven.

De machtige, prachtige Franse kathedralen zijn als statussymbolen in die tijd gebouwd.

Veel inkomsten kreeg de kerk uit de verkoop van aflaten. Met de angst van het vagevuur voor ogen gaf men daarvoor graag en veel. In zware tijden zoals die er toen waren, was de aflaat een uitkomst voor de leden van de kerk. Men kon de zaligheid voor zichzelf en de naaste familieleden eenvoudig kopen. Daarvan werd dan ook grif gebruikgemaakt. Dit betekende wel dat de officiële kerkelijke weg waarlangs men volgens rome met God in het reine kon komen, zoals de biecht, in onbruik raakte. Het betekende ook dat de geestelijkheid zijn gezag kwijt raakte. En dat niet alleen daardoor, maar ook door een aanstootgevende levenswijze. De onkuise monnik en de vette paap, de paus die kinderen verwekte en als een veldheer ten oorlog trok om zijn wereldlijke belangen veilig te stellen, verloren al hun respect. Geen wonder dat de Franse koningen en wel met name Frans I (1494- 1547), die vanaf 1515 tot 1547 over Frankrijk regeerde, de macht in de kerk naar zich toetrok.

Drie standen

Men kende in die tijd drie (maatschappelijke) standen. De eerste stand werd gevormd door de prinsen en de prelaten (bij een prelaat moet gedacht worden aan hoge kerkelijke ambten zoals die van de kardinalen, bisschoppen en aartsbisschoppen). Dit was de hoogste bevolkingslaag. De tweede stand werd gevormd door de adel en de derde door het gewone volk. In de stand waarin men geboren werd, bleven de meesten hun gehele leven. Er was feitelijk maar één weg om hogerop te komen en dat was via de geestelijkheid. Langs die weg lagen de wereldlijke posities en de daarbij behorende welvaart binnen handbereik. In de vijftiende eeuw begon dat echter te veranderen, in die zin dat zich een tweede weg aandiende om tot welvaart te komen. Met de opkomst van de steden met hun ambachtelijke bevolking kwam een deel van de derde stand, van het ‘gewone’ volk, tot ontwikkeling. Handel en nijverheid brachten hun welstand en macht.

Zo was globaal de situatie in Frankrijk, voordat de Reformatie daar een aanvang nam.

De Bijbel in de grondtaal herontdekt

Beoefenaars van de wetenschap en met name de humanisten trokken zich het lot van het volk aan. Verontrust waren ze door het heersende klimaat van angst en doodsvrees en geërgerd door de onzinnige bedenksels van de theologen in die dagen, die van het geloof een verstandelijk toestemmen maakten, genade zagen als een vervolmaken en de zonde al-leen maar als een gemis. De humanisten van toen waren zeker geen atheïsten, geen godloochenaars zoals die van nu. Zij hielden zich vooral bezig met levensvragen en alledaagse zaken. De oude geschriften van de Grieken waren hun studiebron, maar in het verlengde van hun zoeken in en naar die geschriften kwamen ze ook bij de Bijbel terecht. Zij ontdekten de bron van het Christelijk geloof: de Bijbel in de oorspronkelijke talen, te weten in het Hebreeuws en in het Grieks. Heel belangrijk!

De roomse kerk bediende zich in die dagen - en nu nog - van een Bijbelvertaling in het Latijn, de Vulgaat. Buiten de geestelijkheid was vrijwel niemand in staat die te lezen. Deze vertaling had onbeperkt leergezag. De humanisten ontdekten echter dat het een slechte vertaling was met allerlei onnauwkeurigheden en fouten. Zeer bedenkelijk, want op die vertaling berusten onjuiste leerstellingen zoals bijvoorbeeld op de vertaling van Lukas 1 vers 28. De engel spreekt daar Maria aan en zegt: Wees gegroet, gij begenadigde. Zij was dus een vrouw die genade nodig had (zie ook vers 30). De Vulgaat spreekt daar over Maria, vol van genade. Dat betekent dat zij over zoveel genade beschikte dat zij anderen daarin kon laten delen. Zij kon genade uitdelen. Dit werd een deel van de roomse kerkleer en heeft dus alles te maken met de Mariaverering zoals we die ook nu nog kennen.

Erasmus van Rotterdam, de grote humanist uit de Nederlanden, publiceerde in 1516 het Nieuwe Testament in de Griekse taal, zodat meerderen de Vulgaat nu konden vergelijken met de oorspronkelijke tekst. Hierbij kwam de uitvinding van de boekdrukkunst zeer goed van pas. En in Frankrijk gaf Jacques Lefèvre d’ Etaples, een invloedrijke humanist en professor in de theologie op de Parijse universiteit de Sorbonne, een Franse vertaling van het Nieuwe Testament uit, naast andere reformatorisch getinte werken. God bracht Zijn Woord weer onder de mensen.

Niet zo ver als Luther

Van Lefèvre d’ Etaples kan met recht gezegd worden dat hij wel aan de wieg van het protestantisme in Frankrijk heeft gestaan, maar hij was geen Luther. Luther leerde dat de mens voor zijn rechtvaardiging aangewezen was op Gods genade (sola gratia) en het geloof in Christus (sola fide) en dat de Bijbel de enige bron van dat geloof (sola scriptura) was. Daarmee werd door Luther de gehele roomse geestelijkheid aan de kant gezet, want die had zichzelf een soort middelaarsrol toebedeeld. Tegelijk waren ook goede werken die de zaligheid verdienen, aflaten, relikwieën, angst voor het vagevuur en gunstbewijzen van heiligen van de baan. Zo lag dat bij Luther.

De humanisten daarentegen geloofden nog wel in de verdienstelijkheid van goede werken en in de menselijke vrijheid om mee te werken aan het verkrijgen van genade. Luthers hervorming gingen Erasmus en in mindere mate ook Lefèvre d’ Etaples te ver. Zij wensten geen breuk met de kerk. Openlijke kritiek beperkte zich vaak tot de levenswijze van de geestelijkheid. Wel werden mensen aan het denken gezet. De latere reformator Guillaume Farel was een leerling van Lefèvre d’ Etaples.

Intussen gebeurde er in Frankrijk wel iets merkwaardigs. De roomse kerk in Frankrijk trok zich nooit veel van de paus aan. Toen de paus aandrong op het veroordelen van de geschriften van Luther, moest daarover dan ook eerst eens flink nagedacht worden. En wat zien we dan gebeuren? Dat de geschriften van Lefèvre d’ Etaples, die lang niet zo ver gingen als die van Luther, al snel veroordeeld werden, maar dat over die van Luther maandenlang - wel 18 maanden - vergaderd is, eer het tot een veroordeling kwam. Al die tijd werden de werken van Luther vertaald en ongehinderd in Frankrijk verspreid. En het opvallende bij die veroordeling van Luthers geschriften was ook nog dat Luthers leer wel werd afgewezen, maar dat zijn aanvallen op de pauselijke bevoegdheden daarbij zelfs niet eens genoemd werden.

Als het protestantisme de godsdienst van het Boek genoemd mag worden, dan gold dat wel in het bijzonder voor Frankrijk, zoveel protestantse lectuur als daar werd verspreid. De geestelijkheid nam er kennis van, maar ook de adel. Tot in de hoogste kringen waren personen te vinden die daarin vonden wat ze zo node misten in de roomse kerk. Het zaad van het Evangelie werd door die geschriften gestrooid in Frankrijks roomse duisternis.

Koning Frans I

Maar hoe reageerde de koning op dit alles? Koning Frans I - die feitelijk het hoofd van de kerk in Frankrijk was, zoals we al gezien hebben - stond aanvankelijk niet afwijzend tegenover de ontwikkelingen die gaande waren. Hij keurde het bijvoorbeeld goed dat zijn zuster Margaretha van Valois sympathiseerde met de hervormden. Het was vooral aan haar te danken dat Luthers werken in het Frans werden vertaald. De Parijse universiteit, een rooms bolwerk, veroordeelde daarentegen in 1520 de leer van Luther en drong er bij de koning op aan om maatregelen te treffen tegen die nieuwe leer en zijn aanhangers. De koning was echter niet van zin om tot vervolging over te gaan. Dat zal mede te danken zijn geweest aan zijn zuster. Toen die echter huwde met Hendrik, de koning van Navarra, en zij haar man volgde naar zijn koninkrijk in het zuiden van Frankrijk, was haar directe invloed weg. Toch bleef de koning de ontwikkelingen op weg naar de Hervorming welgezind. Daar was overigens ook een politieke reden toe. Tussen hem en Karel V - die koning was van Spanje, keizer van Duitsland en Oostenrijk en heer der Nederlanden - was een voortdurende strijd gaande. Frans I had daarbij de steun nodig van de Duitse vorsten die voor een belangrijk deel luthers waren. Frans I besefte heel goed dat hij niet op hun steun kon rekenen als hij in zijn eigen land de protestanten zou vervolgen.

Eerste vervolgingen

Het tij keerde echter voor de protestanten toen Frans I de oorlog met Karel V verloor (1525) en als een gevangene naar Madrid werd gevoerd. De Parijse universiteit en de Curia Regis (een rechtscollege dat als voorloper van het huidige parlement gezien kan worden) zagen toen hun kans schoon om maatregelen te nemen tegen de aanhangers van de nieuwe leer. Het kwam tot vervolgingen, veroordelingen en executies van de protestanten. Velen werden verbrand. Het Franse volk gaf in het algemeen genomen steun aan die vervolgingen, omdat men in de waan verkeerde dat al die nieuwlichterij wel eens de oorzaak kon zijn van alle tegenspoed die Frankrijk ondervond, zoals het verliezen van de oorlog. Verscheidene hervormingsgezinden vluchtten toen naar Navarra, waar ze door koningin Margaretha warm werden ontvangen. Ook Lefèvre d’ Etaples en Clément Marot (1496-1544) weken naar Navarra uit (Marot is degene die later voor Calvijn de Psalmen gedicht heeft in het Frans), terwijl Guillaume Farel (1489-1565) naar Zwitserland vluchtte.

Toen de koning terugkeerde uit zijn gevangenschap (1527) liet hij weliswaar onmiddellijk de executies stopzetten, maar hij had door zijn nederlaag zoveel macht en aanzien verloren dat hij de hervormingsgezinden geen volkomen vrijheid kon schenken. Overigens is het zeer de vraag of hij dat toen nog wel wilde. In zijn strijd tegen Karel V had hij nu de steun van de paus nodig en de steun van zijn volk, dat voor het overgrote deel de kerk nog trouw gebleven was en dat ook van hem verwachtte. Daar kwam bij dat zijn levenswijze en die van zijn hof zo haaks stonden op wat de protestanten voorstonden, dat dezen zich genoodzaakt zagen hem daarover te vermanen. Er was werkelijk sprake van schaamteloos gepleegde ondeugden. Die terechtwijzingen zetten bij de koning kwaad bloed. Een en ander had tot gevolg dat de koning meer en meer aan het drijven van de Parijse universiteit en de Curia Regis tot vervolgingen gehoor gaf en steeds minder de veiligheid van de protestanten bleef waarborgen.

Meedogenloos optreden

Nu komt Calvijn in beeld. Calvijn is zeer waarschijnlijk de medeopsteller geweest van een rede die in 1533 door de rector van de Parijse universiteit, Nicolas Cop, bij de opening van het academisch jaar werd uitgesproken. In die rede werden de denkbeelden van de hervormers verdedigd. Dat gebeurde dus in het hol van de leeuw. Calvijn werd verdacht en moest vluchten voor zijn leven. Hij waagde het niet in Frankrijk te blijven en verdween over de grens.

Wekte deze rede al de nodige opschudding, veel meer nog deden dat de posters of plakkaten die in de nacht van 17 op 18 oktober 1534 op verscheidene plaatsen op deuren van kerken en openbare gebouwen werden opgehangen. De tekst van die plakkaten, opgesteld door een leerling van Farel, vormde een heftige aanval op de roomse kerkleer en in het bijzonder op de mis (die voor vrome roomsen tot het heiligste van hun godsdienst behoorde). Ook werden de priesters erin afgeschilderd als wolven die zich voeden met het vlees van de schapen. Zelfs stond in dit stuk een oproep tot een beeldenstorm. Door hofbeambten werd aan de deur van de kamer van de koning ook zo’n plakkaat bevestigd. Hevig verontwaardigd was deze en hij besloot de hoon die hem en het heilig sacrament waren aangedaan, bloedig te wreken. Hij reageerde werkelijk meedogenloos. Na huiszoekingen, arrestaties en processen kwamen de executies. Leraren, drukkers, boekhandelaren, ambachtslieden en ambtenaren bestegen de brandstapels. Het waren vooral mensen uit de nieuwe burgerlijke stand die op de brandstapel terechtkwamen. In een uiterste poging om de Hervorming tot staan te brengen, vaardigde de koning in januari 1535 zelfs een totaalverbod op het drukken van geschriften uit. Na een tijdje werd dit afgezwakt tot een regeling dat de te drukken werken voortaan ter goedkeuring voorgelegd moesten worden aan een commissie van magistraten uit het parlement.

Een grote processie ter verzoening

De koning deed nog meer. Tot afwending van Gods toorn, die door de genoemde plakkaten opgewekt zou zijn, beval de koning dat op 21 januari 1535 een enorme roomse boetprocessie gehouden zou worden door de met tapijten behangen straten van Parijs. Alle relikwieën die de roomse wereld op kon brengen, werden daarbij ingezet en meegevoerd, zoals de doornenkroon, de lanspiek die Christus’ zijde zou hebben doorboord, een druppel van Zijn bloed, een stukje van Zijn kleed, een melkdruppel van de maagd Maria en splinters van het kruis. Ook overblijfselen van Parijse heiligen werden tevoorschijn gehaald en plechtig rond gedragen. Vanuit alle kerken begonnen de optochten. Die verzamelden zich bij het Louvre, het paleis waar de koninklijke familie stond te wachten en waarvandaan die ook meeliepen. De koning in het zwart fluweel gekleed en blootsvoets. Voorts liepen alle kardinalen, bisschoppen en kloosterlingen van Parijs mee. De aartsbisschop droeg het heilig sacrament onder een baldakijn, die gedragen werd door vier prinsen van koninklijke bloede. De processie ging langs de zes grote pleinen van de stad en op elk van die pleinen brandde een brandstapel waarop een ketter verkoolde. Ten slotte werd in de Notre-Dame, de hoofdkerk van de stad, een plechtige mis opgedragen. Na afloop dineerde de koning met de stedelijke en kerkelijke autoriteiten in het bisschoppelijk paleis en liet daarbij weten dat hij alle ketterse dwalingen uitgebannen wilde zien. Ja, hij sprak: ‘Was één van mijn beide armen geïnfecteerd met dit bederf, ik zou hem afsnijden; zou een van mijn kinderen erdoor worden verleid, ik zou hem zelf doden.’ Dat stond de kerkelijke leiders, de kardinalen en bisschoppen, wel aan en zij lieten dan ook niet na om deze woorden op grote schaal te verbreiden.

Oproerlingen?

Sinds die tijd woedden de vervolgingen niet alleen in Parijs, maar in het gehele land. Deze gingen in hevigheid door tot aan het begin van de zomer van 1535. Het was duidelijk dat de koning zijn keus gemaakt had. Frankrijk was en zou rooms blijven. In het buitenland en met name in Duitsland praatte de koning zijn handelwijze goed door te vertellen dat zij die veroordeeld en verbrand werden, voornamelijk wederdopers waren. Oproerlingen, anarchisten die geen gezag boven zich duldden en die tot schrik van velen sinds enige tijd het bewind in de stad Münster hadden overgenomen om daar een ‘nieuw Jeruzalem’ op te zetten onder leiding van met name de bekende Jan van Leiden. De Duitse vorsten geloofden het verhaal van de koning, maar Calvijn wist beter. Hij heeft die valse voorstelling van zaken weerlegd en een waardig antwoord op de koninklijke laster gegeven in een brief die in 1536 afgedrukt werd voorin de eerste uitgave van zijn Institutie. In die brief bood hij dat boek aan de koning aan. Overigens kunnen we er gevoeglijk van uitgaan dat de koning het boek nooit gelezen heeft. Daar was hij te lichtzinnig voor.

In de jaren 1536 tot 1538 was de koning weer in een oorlog met Karel V verwikkeld. Zijn protestantse bondgenoten in Duitsland en Zwitserland had hij toen maar al te zeer nodig. Vervolgingen van de protestanten in zijn eigen land kwamen hem daarom in die jaren niet goed van pas. Maar in 1539 begonnen de vervolgingen weer. Onderdanen werden verplicht om van de nieuwe leer verdachte personen aan te geven. Met name in het zuiden van het land werden ware drijfjachten georganiseerd. Daar draaide de moordmachine op volle toeren. Slachtoffers daarvan waren vooral ook de waldenzen.

De waldenzen

De waldenzen waren niet, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, van oorsprong de Reformatie toegedaan. De waldenzen stamden af van de volgelingen van Pierre Valdès, een rijke koopman uit Lyon, die rond 1170 zijn leven radicaal wijzigde. In gewetensnood over zijn vermogen en in het besef dat een kameel gemakkelijker door het oog van een naald gaat dan dat een rijke het Koninkrijk Gods beërft, deelde hij zijn rijkdommen uit aan de armen en wijdde hij de rest van zijn leven aan de verkondiging van het Evangelie. Zijn discipelen gingen ook in armoede leven en het Evangelie verkondigen voor allen die maar wilden luisteren. Andere namen voor de waldenzen zijn: de armen van Lyon of de armen van Christus.

Hun leven vanuit het armoede-ideaal stond lijnrecht tegenover dat van de kerkelijke ambtsdragers, die alleen aan zelfverrijking dachten en aan aards genot. In hun prediking ging het vooral om de terugkeer naar een sober, heilig leven. De roomse geestelijkheid voelde zich aangesproken en liet het er niet bij zitten. De roomse kerk ging de waldenzen beschuldigen van ketterij en sektarisme. Hun opvattingen waren echter niet ernstig afwijkend van de roomse kerkleer. Van de heiligenverering, het vagevuur en de aflaat moesten ze weliswaar niets hebben, maar zij leerden wel de vrije wil des mensen, hechtten waarde aan de goede werken in de zin van verdiensten, in het bijzonder aan het geven van aalmoezen, hadden ook zeven sacramenten en kenden evenals rome de eucharistie en de transsubstantiatie (brood en wijn worden werkelijk Christus’ vlees en bloed).

Nadat het Concilie van Lateranen van 1215 de waldenzen als een ketterse sekte had veroordeeld, werden zij hevig vervolgd. Om het gevaar te ontvluchten, zwermden de waldenzen alle kanten uit en vestigden zich door heel Europa. Maar de grootste groep vond een toevluchtsoord in de Alpen in het grensgebied tussen Frankrijk en Italië. Daar hadden ze een betrekkelijk rustig bestaan. Daar kwamen ze na verloop van tijd ook in contact met de leer van de Reformatie. Die namen zij over en gingen zich toen kerkelijk organiseren. Farel was aanwezig op hun eerste synode. Welnu, tegen hen werd in 1545 door koning Frans I een strafexpeditie gehouden. Hun gebied dat uit 11 dorpen bestond, werd uitgemoord, platgebrand en leeg geroofd. Een deel van hen was echter al verder de bergen ingevlucht, voordat de soldaten arriveerden. Maar ook daar werd op hen gejaagd. Naar schatting vonden zo’n 2700 mensen de dood en werden 600 mannen tot de galeien veroordeeld. Er is onder hen beestachtig huisgehouden. Alleen het uiteindelijke doel van de expeditie: het geheel uitroeien van de waldenzen, mislukte. In de bergen waren toch nog velen aan het geweld ontkomen, zo bleek later.

Calvinistisch

Aanvankelijk was de Hervorming in Frankrijk luthers van karakter. Luthers geschriften waren het die als voedingsbodem dienden. Later kreeg echter de leer van Calvijn de overhand. Verscheidene ‘tweede oorzaken’ daarvoor zijn gezocht en ook gevonden. Zo zou de Fransman Calvijn veel beter passen bij de volksaard van de Fransen, beter dan de Duitser Luther.

Hij sprak hun taal en schreef ook in hun taal. Heel duidelijk is wel dat Calvijn zeer betrokken was op de actuele gang van zaken in Frankrijk. Hij kende de hoofdpersonen, gaf gevraagd en ongevraagd adviezen aan zijn geloofsgenoten. Talrijk zijn de brieven die hij aan hen schreef. Raad gaf hij in de dingen die de leer en de organisatie van de kerk betroffen. Eén reden die genoemd wordt waarom het Franse protestantisme calvinistisch is geworden, trekt mij in het bijzonder aan, namelijk deze: in de bange tijden van de 16e eeuw was Calvijns leer van de predestinatie bij uitstek geschikt om de Franse gereformeerden, die dagelijks leden onder het vuur van oorlogsgeweld en vervolging, te bemoedigen en te troosten en hen te helpen de zwaarste beproevingen te doorstaan.

Calvijns geschriften werden vanuit Zwitserland Frankrijk binnen gesmokkeld. Hij leidde ook de predikanten op, die na hun opleiding in Genève aan het werk togen. Zij brachten het Woord in geheime samenkomsten, vaak met gevaar voor hun leven. Zodoende oefende Calvijn een grote invloed uit in Frankrijk. Dit blijkt ook uit het feit dat het ontwerp van de Gallische Geloofsbelijdenis die door de eerste synode van de hugenoten werd aanvaard (die in 1559 in Parijs in het geheim bijeenkwam), opgesteld was door Calvijn.

Toen Calvijn in 1564 stierf, waren er in Frankrijk mede door zijn noeste arbeid onder des Heeren zegen ongeveer 2150 protestantse gemeenten. En dat ondanks alle tegenstand. Ja, ook hier mocht door de krachtige werking des Geestes het bloed der martelaren het zaad der Kerk zijn.

(wordt Deo volente vervolgd)

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 2014

In het spoor | 56 Pagina's

De Reformatie in Frankrijk -1-

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 2014

In het spoor | 56 Pagina's