‘Voor de Waarheid in het Gericht’
In enkele artikelen 1 heb ik erop willen wijzen dat de rechtsstatelijkheid van een natie alleen dan is gewaarborgd als het recht gefundeerd ligt in de waarheid. 2 Daarbij moet vooropstaan dat niet de mens als ‘bron en centrum van alle waarheid’ kan worden aangemerkt. Ter waarborging van de rechtsstatelijkheid moet het recht vast verankerd liggen in de Heilige Schrift en de ordening Gods zoals die in het geopenbaarde Woord Gods gegeven is. In het hiernavolgende wil ik meer in het algemeen aandacht vragen voor het waarheidsmotief.
Mensen willen zichzelf zijn en zoeken een leefgemeenschap waarin zij zichzelf kunnen zijn en zich geborgen weten. Waar zij verblijven, willen zij zich thuis voelen. En daarvoor is onderlinge herkenning en wederzijdse erkenning nodig. Alleen dan voelen mensen zich thuis en geborgen, als zij zich onderling verenigd weten door een gemeenschappelijke levens- en wereldbeschouwing. De grondslag hiervan is bepalend voor hun identiteit. Waarden en normen, uitgangspunten voor het denken en richtsnoer voor het handelen, liggen hierin vast verankerd en worden van beslissende betekenis geacht voor de ordening en de inrichting van de samenleving. Die grondslag is de waarheid, die zij als het hoogste goed beschouwen en waaraan zij trouw willen blijven.
Gemeenschappelijke grondslag
Het is van het grootste belang dat wij in de pluriformiteit van onze postmoderne samenleving de waarheid centraal blijven stellen, zoals God die in Zijn eeuwig blijvend Woord heeft geopenbaard.
Allereerst ligt daarin besloten dat God naar Zijn eeuwige Raad besloten heeft Zijn volk genadig te zijn, hen uit de macht van satan te redden, hun zonden te vergeven en ze te verlossen uit hun ellendig bestaan in een van Hem afgevallen wereld. Vervolgens moet daarbij vooropstaan dat het eeuwig blijvende Woord Gods in Christus als het Vleesgeworden Woord nader is gekomen. Hij is de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14:6.). Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zone Gods niet heeft, die heeft het leven niet (1 Joh. 5:12). Daar komt nog bij dat Hij niet alleen de enige Weg der behoudenis is, maar ook een volkomen Zaligmaker. Zij, die Hem met een ‘waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben dat tot hun zaligheid van node is (Heidelbergse Catechismus, Zondag 11, vraag en antwoord 30).
Bovendien moet er getuigenis van worden gegeven dat het de Geest Gods is, Die leidt in al de waarheid (Joh. 16:13). In hun verloren bestaan zijn mensen uit de aarde aards. Steeds weer moeten mensen zich daarom geplaatst weten voor de vraag of hun kennis der waarheid een bovennatuurlijke oorsprong heeft, metafysisch van aard is. Zij moeten zich er grondig rekenschap van geven dat zij tot kennis der waarheid zijn gekomen omdat God met hen is begonnen. Al te zeer zijn mensen immers geneigd om dat gelovig aan te nemen, terwijl zij uit zichzelf met God begonnen zijn.
Kort samengevat is hiermee gezegd dat in het Christendom getuigenis is gegeven van de geopenbaarde waarheid die in de Heilige Schrift tot ons komt zoals daarvan in de Christelijke kerk door alle eeuwen belijdenis is gedaan, met name ook in de Drie Formulieren van Enigheid, de gereformeerde belijdenisgeschriften. Als wij spreken over de Christelijke religie herleiden wij die nadrukkelijk tot de gereformeerde grondslag.
Waarheid en eenheid
Gezien vanuit onze postmoderne samenleving is het steeds gebruikelijker geworden om het eenheidsmotief en het waarheidsmotief te ontvlechten. Bekend is de Latijnse spreuk om eenheid in het noodzakelijke voor te staan, bij twijfel vrijheid geoorloofd te achten en in alle dingen elkaar in liefde te blijven vasthouden. Met zo’n relativerende grondhouding kun je samen op weg gaan en iedereen in zijn waarde laten. Binnen de gereformeerde gezindte wordt ook steeds nadrukkelijker beklemtoond dat wij moeten voorbijgaan aan de verschillen die de afschuwelijke verdeeldheid veroorzaken. Veel meer moeten wij de hoofdwaarheden beklemtonen, waarin wij overeenstemmen en ons liefdevol verenigd weten. Het behoeft geen lang betoog dat hier een eenheid wordt voorgestaan ten koste van de waarheid.
Terecht werd er onlangs in het RD op gewezen dat de Bijbel het waarheidsmotief en het eenheidsmotief niet tegen elkaar uitspeelt, maar ze verbindt. Kennelijk besefte men niet hoezeer men zelf in de fout ging door te stellen: “Niet minder is het waar dat we tegenwoordig soms wel zeer eenzijdig de nadruk leggen op de waarheid, waardoor er niet eens ruimte is om over eenheid te spreken.” 3
Eenheid in waarheid
Zoals blijkt uit Zijn Hogepriesterlijk gebed wil Christus de eenheid van Zijn Kerk, zoals Hij met Zijn Vader verenigd is (Joh. 17:11, 21), een eenheid ook met de Heilige Geest, Die van de Vader en de Zoon uitgaat. Als het om eenheid gaat, betreft het een eenheid in de waarheid. De eenheid ontstaat door de verbindende kracht van de waarheid. De oorzaak van alle verdeeldheid ligt in het afwijken en afwijzen van de waarheid, in ongehoorzaamheid aan de God der waarheid. De eenheid van de ware Kerk ligt vast in hetgeen de apostel Paulus opmerkt: Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid (2 Kor. 13:8). Tegen al wat van de waarheid afwijkt, tegen alle afwijzing van en verzet tegen de waarheid weet de Kerk zich verenigd in de strijd voor de waarheid van het Christendom op gereformeerde grondslag.
De inzet bij de strijd voor de waarheid
Het was Groen van Prinsterer die uitmuntend onder woorden bracht wat de inzet van die strijd moet zijn:
“De belijdenis waartoe men wordt geroepen, staat telkens met den aard der tijden waarin men leeft, in verband. (…) Het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging bezwaar heeft, waar het belijden met lijden vergezeld is”. 4
Dr. W. Aalders zag in het belijden van Groen van Prinsterer de oorspronkelijke betekenis van het woord ‘protestant’ naar voren komen en merkte daarover op: “Belijden, protesteren, heeft dus een publiekrechtelijke betekenis. Er is daarbij sprake van een moedig, zelfstandig pleiten voor de rechtmatige aanspraken van het geloof in het officiële leven. Men treedt ermee uit de privésfeer in de openbaarheid.” 5 De strijd om handhaving van de waarheid moet gericht zijn op het actief weerstaan van de aanvallen die de vijand tegen de waarheid onderneemt. Een kritische grondhouding is nodig om de ontwikkelingen die zich in een bepaalde periode voordoen, te doorgronden en de strijd voor de waarheid steeds weer van een actuele spits te voorzien. Ongezouten liet Groen van Prinsterer in dit verband weten:
“Zoudt gij de onversaagdheid roemen van den wachter die overal bij de hand is, behalve waar de vijand zich bevindt? Zoudt gij hoogen dunk hebben van de opregtheid en ijver van hen die in elk gevaar der Kerk met de meeste vrijmoedigheid uitkomen voor alle waarheden, met uitzondering der ééne welke bedreigd wordt”. 6
Toen Groen van Prinsterer vervolgens opriep om dit over te brengen op de actualiteit van zijn dagen, noemde hij de veld winnende en overheersende dwaling, waarvan alle dwalingen steun ondervonden, de dwaling dat de Kerk geen overeenstemming in het geloof behoeft. In aansluiting daarop noemde hij de dwaling dat de eenheid van de gemeente berust op “de menigvuldigheid der individuele meningen”. En in de derde plaats noemde hij de dwaling “dat elke meening, ook die de heiligheid der Schrift en het aanzijn van den Christus wegredeneert, in de Christelijke Kerk gelijk regt heeft”. 6 Wie de moeite neemt om hierbij stil te staan, ziet de broederschap van kerkelijke gemeenschap haar weg bewandelen in vrijheid en gelijkheid. Welnu, dat is in de grond der zaak waar het ook heden ten dage om gaat, zowel in kerk, staat en maatschappij.
De actuele spits van de strijd voor de waarheid
Heel summier wil ik in het hiernavolgende de contouren schetsen van de thema’s die in de strijd voor de waarheid als spits moeten worden geactualiseerd, uiteraard niet met de pretentie hierbij naar volledigheid te streven.
1. Het humane secularisme
Vanuit de Renaissance ontwikkelde zich in relatie tot de Reformatie het Bijbels humanisme. Ter verduidelijking kan hierbij de naam van Erasmus worden genoemd. Hier ligt ook de voedingsbodem van het remonstrantisme. Dit humanisme wist in de loop der tijd een centrale plaats in te nemen in de samenleving, waarbij het Bijbelse motief meer en meer op de achtergrond raakte. Gesterkt door de opkomst van het rationalisme ontwikkelde zich een geestelijk klimaat waarin de ideeën der Verlichting zich steeds nadrukkelijker manifesteerden. Er ontstond een revolutionaire grondhouding die de weg bereidde voor de Franse Revolutie en een fundamentele doorbraak op politiek-staatkundig gebied forceerde. Met de volkssoevereiniteit als leidend beginsel werd de grondslag gelegd voor de komst van een democratisch rechtsbestel waarin ‘de universele rechten van de mens’ centraal staan. Feitelijk was er sprake van een volledige ommekeer in het menselijk denken, of, om het met de woorden van Groen van Prinsterer uit de drukken: “de overmeestering der geesten door de leer van de volstrekte soevereiniteit van de mens, een leer die de mens tot bron en centrum van alle waarheid maakt.” 7 Een nieuw tijdperk diende zich aan waarin het moderne denken en vervolgens ook het individualisme van het postmoderne levensgevoel van beslissende betekenis werden. Het waarheidsbegrip werd van zijn metafysische oorsprong ontdaan en zijn absoluutheid in eeuwigheidslicht ontnomen.
De vrijheidsgedachte en de gelijkheidsidee werden de nieuwe ijkpunten voor het menselijk leven en denken en werden brandpunten van de ideologie van het humane secularisme. Er is slechts vrijheid zo lang de op democratische wijze tot stand gekomen besluitvorming niet voorziet in een regulering die in het kader van de gelijkheidsidee als algemeen geldend moet worden beschouwd. Veelbetekenend is in dit verband de opmerking in een recente publicatie: “Het ideaal van vrede staat sinds mensenheugenis op gespannen voet met dat van vrijheid en gelijkheid. De hiërarchieën en verboden waren altijd dammen tegen het uit de hand lopen van conflicten.” 8 Het is alleszins aannemelijk dat de ideologie van het humane secularisme met zijn kernen van vrijheid en gelijkheid leidt tot een tirannieke overheersing. Het weet de media te bespelen om een samenleving te ordenen ‘etsi Deus non daretur’, alsof God niet bestond. Wellicht is het raadzaam er nog eens het boek ‘1984’ op na te slaan van de Britse schrijver George Orwell. In ieder geval is het noodzakelijk de gang van zaken op dit gebied nauwlettend te volgen, zowel in onze samenleving, als met name ook bij de verdere ontwikkelingen betreffende de Europese Unie.
2. Het Europeanisme
Het seculiere humanisme zoekt ons nationale bestaan aan de Europese Unie op te offeren. Met de Duitse eenwording die na 1989 tot stand is gekomen, wilde Frankrijk alleen akkoord gaan als de Duitsers zouden meegaan met de vorming van een Europese superstaat. Alleen op die manier zou de dreiging van een Duitse grootmacht worden bedwongen. Sindsdien is de as Frankrijk-Duitsland bepalend voor de ontwikkelingen in Europees verband. En via Duitsland is ook ons land onder de vreemde overheersing van Europa terechtgekomen. Anders dan in Engeland houden onze leidslieden zich stekeblind voor de gevaren die ons hier te wachten liggen. Allereerst bewerkstelligde de doorwerking van de revolutiegeest dat in Frankrijk het laïcisme de overhand kreeg. Het bracht niet alleen de scheiding van kerk en staat, maar ook de verbanning van de religie uit het openbare leven. In de tweede plaats ligt er de dreigende toetreding van Turkije, een met Duitsland vergelijkbare grootmacht, waardoor het mohammedanisme een centrale plaats zal krijgen in de Europese Unie. Weliswaar lijkt die ontwikkeling momenteel wat afgewend. Maar wie ziet hoe de beide Duitslanden zijn verenigd, ontkomt er niet aan hier blijvend bezorgd over te zijn. Zeker gezien het mohammedaanse gevaar dat hierbij op de loer ligt.
3. Het mohammedanisme
Het oprukkend mohammedanisme moet ons een grote zorg zijn. In volkomen strijd met de waarheid van het Christendom ondergraven zij de grondslagen van ons volksbestaan met hun religieuze ideologie. De islam is namelijk als religie niet afzonderlijk verkrijgbaar, maar vormt het hart van het mohammedanisme als ideologie, waar zowel de sharia als de jihad integraal deel van uitmaken.
De mate waarin mohammedanen als vreedzaam dan wel als gewelddadig kunnen worden beschouwd, is sterk afhankelijk van de brandhaard van het samenlevingsverband waarin zij zich opgenomen weten.
Hoe dan ook, het valt niet te ontkennen dat de minaretten van hun moskeeën opgerichte tekenen zijn van potentiële brandhaarden die bedreigend zijn voor onze nationale samenleving. En ze moeten ons, iedere keer als ze op onze weg komen, tot een aanklacht zijn hoezeer ons land en volk van het Woord der waarheid zijn afgeweken.
4. Het rooms-katholicisme
Gezien de ontwikkelingen die zich in onze samenleving voordoen, kan men waardering hebben voor het feit dat in de conservatieve gelederen van de kerk van rome wordt vastgehouden aan bepaalde Christelijke waarden en normen, met name waar het op ethisch gebied de uitzonderlijke waarde van het menselijk leven betreft. In de evangelisch-gereformeerde richting van de ChristenUnie levert dat zelfs zoveel herkenning op dat men bereid is zich hiervoor open te stellen door zich van hun ‘reformatorische grondslag’ te ontdoen. Ook het Reformatorisch Dagblad kan er niet genoeg van krijgen om te beklemtonen dat rome vanuit een meer Bijbelse geest is gaan spreken. Het is goed om ook die ontwikkeling te volgen, waarbij onweerlegbaar is dat bij alle veranderingen die zich ook daar voordoen, rome zich qua presentatie kan, maar naar essentie nooit en te nimmer zal veranderen.
Bovendien is het de vraag of het semipelagianisme als het hart van romes theologie al minder reden geeft voor afwijzing naar de mate waarin het remonstrantisme in het reformatorische leven en denken centraal staat.
5. Het reformatorisch-katholicisme
Binnen de gereformeerde gezindte is de roep om eenheid steeds luider gaan klinken. Waar mogelijk moest het streven gericht zijn om eenheid tot stand te brengen, zo nodig ook door het met de waarheid wat minder nauw te nemen. “We schrijven thetisch en niet antithetisch.” aldus prof. dr. W. Verboom: “We zoeken naar wat verbindt en niet naar wat scheidt.” 9 Kennelijk was hij vergeten hoe hij prof. Houtepen van repliek diende toen deze de abrahamitische oecumene voorstond en de God van Abraham, Izaäk en Jakob gelijk stelde, let wel, aan “de God van Jezus en Mohammed, dus ook gelijk aan Allah.” 10
Wat die verbinding betreft, het remonstrantisme voorziet de reformatorische oecumene van een vast fundament, waarop ‘gelovigen’ hun verantwoordelijkheid nemen om in alle vrijheid het gebouw van het reformatorisch-katholicisme op te trekken. Met voorbijgaan van hetgeen ons scheidt, zoeken we naar wat verbindt. Veelbetekenend is in dit verband de constatering van dr. C.A. van der Sluijs: “Het remonstrantisme verslaat niet alleen in de evangelische beweging, maar evenzeer in de gereformeerde gezindte, tot in haar rechterflank, zijn duizenden”. “De remonstranten”, aldus dr. Van der Sluijs, “proberen een wettige plaats in te ruimen voor de menselijke verantwoordelijkheid.” Mensen zijn erop uit om iets te zijn of te worden, zo legde hij uit. “Lijdelijkheid en activisme ontkennen beide de rechtvaardiging van de goddeloze; door zich geschikt te willen maken voor het heil van God. Dat is rooms, remonstrants.”
Niet minder bedenkelijk is het voorts als in goede ernst wordt geprobeerd om ds. G.H. Kersten en ds. R. Kok zo op één lijn te plaatsen alsof zij het eens waren in de zaak die, als zodanig dan onnodig, in 1950 tot de schorsing van ds. Kok leidde. 11 Hier wordt een eenheid gezocht boven de geloofsverdeeldheid.
Evenzeer is dat het geval wanneer, volstrekt ten onrechte, wordt beweerd dat ds. G.H. Kersten een brede scholenbond voor ogen stond. 12 Bij alle samenwerking die ds. Kersten ook op onderwijsgebied voorstond, stelde hij de gereformeerde grondslag en de klassiek-gereformeerde identiteit centraal zoals daarvan in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland confessioneel en kerkelijk rekenschap is gegeven. 13 En dat verschilt wezenlijk van de inzet van de heer P.W. Moens, de huidige voorzitter van het college van bestuur van de VGS, om zowel het Christelijk als het reformatorisch onderwijs van dienst te zijn met als uitgangspunt: “Zoeken naar wat bindt, is vruchtbaarder dan zoeken naar wat scheidt.”
6. Het reformatorisch opportunisme
Voor het reformatorisch opportunisme kan ik verwijzen naar hetgeen ik eerder opmerkte over het ‘opportunistisch realisme’. Het is de grondhouding om, waar nodig, de praktische realiteit te laten heersen over principiële uitgangspunten. 14 Ten koste van alles moet worden voorkomen dat men zich om principiële redenen buiten de seculiere orde plaatst. Zoals in de vorige eeuw de EO meende, zo is men nu binnen de Reformatorische gemeenschap van mening dat men ‘een Woord voor de wereld’ heeft. Men vindt het nodig om ‘open vensters naar de wereld’ te hebben. En men denkt zo stevig in de schoenen te staan dat ‘infiltratie van de wereld’ binnen de perken blijft. Maar de praktijk is gans anders. Kenmerkend is de dubbelhartigheid waarmee het reformatorisch opportunisme tussen principiële uitgangspunten en praktische realiteit laveert. Vanwege de toegemeten ruimte kan ik hier slechts een enkel voorbeeld geven van het reformatorisch moeras waarin wij terechtkomen. Zonder politieke noodzaak maakte ook de PvdA deel uit van het in Hardinxveld-Giessendam gevormde College van B en W, uit waardering voor de goede samenwerking. Er vond een uitwisseling van onderwerpen plaats. “De SGP en de CU gingen akkoord met de opening van het zwembad op zondag, de PvdA met de handhaving van het ambtsgebed.” 15
Na dit reformatorisch opportunisme op politiek gebied nog een voorbeeld op ethisch-opvoedkundig terrein: het kijken naar speelfilms. Vanouds was het binnen de rechterflank van de gereformeerde gezindte regel om dit categorisch af te wijzen, aldus de hoofdredacteur van het RD. Valide argumenten, zo laat hij weten, zijn daarvoor op toegankelijke wijze aangevoerd door ds. C.J. Meeuse, predikant van de Gereformeerde Gemeenten, in zijn boekje Schijn bedriegt. En vervolgens merkte hij op: “Wie die lijn volgt, zit aan de veilige kant”. Anderzijds wil de heer W.B. Kranendonk niet voorbijgaan aan het grensoverschrijdend gedrag dat hij hier waarneemt: “Jongeren, zeker ook in reformatorische kring, die via internet vrij toegang hebben tot onder andere allerlei films, vinden dat de categorische afwijzing van de film achterhaald is.” 16 En het heeft er veel van weg dat dit gegeven bepalend is voor de verdere gang van zaken. In ieder geval vervolgt de hoofdredacteur zijn artikel met een bespreking van de film ‘Noah’, om deze op inhoudelijke gronden af te wijzen. Vindt hij het kijken naar speelfilms acceptabel als zij inhoudelijk een positieve beoordeling krijgen? Het lijkt er sterk op. Uiteraard is dan te voorzien dat ons over niet al te lange tijd een serieus voorstel bereikt om tot de oprichting van een reformatorische filmkeuring over te gaan.
Een strijdende Kerk?
Uiteraard moeten voorgaande thema’s nader uitgewerkt en ook aangevuld met andere aandachtsgebieden, veel breder aan de orde komen. Maar het bovenstaande is gezegd om er geen misverstand over te laten bestaan dat de groepering die vanouds wordt gerekend tot de rechterflank van de gereformeerde gezindte, overweldigd wordt door een opbloeiende reformatorische gemeenschap en weldra de verdwijning nabij zal zijn. Na de neocalvinistische richting wordt ook de klassiek-gereformeerde groepering door remonstrantisme uitgehold. Een reformatorisch-evangelische beweging, gevoed door een eigentijds puritanisme waarvan het remonstrantisme, het arminianisme, de voedingsbodem vormt, wint steeds meer veld. In leven en denken blijkt het moderne individualisme alom ingang te hebben gevonden. Niet de waarheid van Gods Woord, maar het autonome denken en het gevoel van welbevinden zijn van beslissende betekenis. Wie toch meent van dit alles principieel afstand te moeten nemen, krijgt te horen dat het goud de eeuwen door steeds weer moet worden omgevormd naar de pasmunt van de tijd. En wie zich vervolgens hierdoor niet uit het veld laat slaan, maar bereid is de strijd aan te gaan om de klassiek-gereformeerde identiteit in leer en leven staande te houden, wordt gerekend tot de categorie mensen die zich kenmerkt door ‘hete hoofden en koude harten’. Hun ijver, zo weet men fijntjes te verkondigen, is die van Jehu. Ongetwijfeld weet men zich daarvan ook steeds rekenschap te geven. Maar hoe bedenkelijk die Jehu’s ijver ook is, hoe verwer - pelijk ook, erger nog is het wanneer én hoofden én harten noch warm noch koud zijn, maar lauw. En dat is typerend voor de stand van zaken die zich binnen de rechterflank van de gereformeerde gezindte voordoet. De strijd tegen het postmoderne levensgevoel wordt uit de weg gegaan. Tegen de dwalingen die zich alom binnen de gereformeerde gezindte voordoen op theologisch en ethisch gebied, wordt niet opgetreden. De dubbelhartigheid die zich op principieel gebied voordoet, laat men gelaten over zich heengaan. ‘Laat ons met rust en wij zullen u met rust laten’, is het adagium. Waar kerkelijke eenheid te hoog gegrepen is, wordt een vreedzame co-existentie nagestreefd, waarin men irenisch met elkaar omgaat en elkaar respectvol een genoeglijke rust gunt. Geen pennenstrijd meer, noch in het RD noch in kerkbladen, want dat sticht niet. Zien de dienaren des Woords niet al te weinig dat het de hoogste tijd is om op de bazuin te blazen? Of laten zij het na omdat zij de strijd schuwen? En beproeft de geesten of zij uit God zijn (1 Joh. 4:1), is toch ons aller roeping! Voor onze voorgangers geldt het Schriftwoord: Predik het Woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer (2 Tim. 4:2). Niet in de eerste plaats heeft dat ook betrekking op de vorm, op de materiële uitwerking. Voor alles gaat het hier om de inhoud en de geestelijke inzet van de strijd.
Noten:
1) Zie: In het spoor, julinummer 2013, 37e jrg., nr. 3, p. 164- 168 en decembernummer 2013, 37 e jrg, nr. 5, p. 256-264
2) De titel is terug te vinden in Jes. 59:4m.
3) Zie: ‘Commentaar: Zoeken naar kerkelijke samenwerking niet beperken tot Hervormingsdag’, in: RD, 31 oktober 2014
4) G. Groen van Prinsterer, Het Nederlandsche Zendelinggenootschap, ’s-Gravenhage 1848, p. 139-140 (hierna: Zendelinggenootschap)
5) W. Aalders, Theologie of Ideologie, Den Haag 1977, p. 22
6) Zendelinggenootschap, p. 140
7) G. Groen van Prinsterer, De Anti-Revolutionaire en Confessionele Partij in de Nederlands Hervormde Kerk, Goes 1954, p. 69
8) H. Achterhuis en N. Koning, De Kunst van het Vreedzaam Vechten, Rotterdam 2014, p. 22
9) Zie: ‘Stop met zinloze pennenstrijd op opiniepagina’, in: RD, 31 mei 2011
10) Zie: ‘Koran noch islamtraditie steunt sharia’, in: RD, 12 november 2002
11) Zie: ‘Ds. Golverdingen: Tussen ds. Kersten en ds. Kok in de kern geen verschil’, in: RD, 5 maart 2014
12) H. de Vries, ‘De blik naar buiten, interview met de heer P.W. Moens’, in: Terdege, 32 e jrg. nr. 3, 5 november 2014, p. 40-43
13) H.J. van Berkum, ‘Kerkelijk confessioneel of kerkelijke pluriformiteit’, in: Naar den eis zijns weg. Jubileumuitgave 1980-2005 van het Ds. G.H. Kerstencentrum, 2005, p. 37-51
14) H.J. van Berkum, ‘De zuurdesem van het eurogeloof’, in: In het spoor, meinummer 2014, 38 jrg.,nr. 2, p. 77.
15) Zie: ‘Zoeken naar de dialoog; rechtsom of linksom’, in: RD, 1 november 2014
16) W.B. Kranendonk, ‘Noah is Noach niet’, in: RD, 18 oktober 2014
Fotoverantwoording:
a) Door Ybbs48 (Eigen werk) [CC-BY-SA-3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], via Wikimedia Commons
b) Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUnie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2014
In het spoor | 76 Pagina's