Ds. Wittewrongel Over Het Dansen -4-
In de vorige drie artikelen 1 hebben we gezien dat ds. Petrus Wittewrongel in zijn Christelijke huishouding tegen het vieren van roomse hoogtijdagen (hfdst. 99), tegen kaart- en dobbelspelen (hfdst. 100) en tegen brasserij en dronkenschap (hfdst. 101) gewaarschuwd heeft. Vervolgens heeft hij zich in hoofdstuk 102 gekeerd tegen het lichtzinnige dansen. Daaraan willen we nu aandacht schenken.
“Tot de zondige hoogten van de ijdelheden van deze eeuw, die wij in de huisgezinnen van de gereformeerde Christenen gaarne verbeterd zouden zien, rekenen wij ook de lichtzinnige danspartijen”, zo begint ds. Wittewrongel dit hoofdstuk. Want deze vooral bij maaltijden en bruiloften gehouden danspartijen onteren de Christelijke belijdenis en kunnen daarmee niet samengaan. Ja, alle gereformeerde Christenen zouden van deze “onvruchtbare werken der duisternis” een “afkeer en gruwen” moeten hebben. De praktijk was zo anders. Ds. Wittewrongel moest constateren dat in zijn dagen die “zondige ijdelheden” tegen alle vermaningen en waarschuwingen van Gods dienaren in zeer vermenigvuldigden. Als oorzaak noemt hij het feit dat deze danspartijen “nog dikwijls hun verdediging” vinden. En dat niet alleen onder de kinderen van de wereld - dat dansmeesters bijvoorbeeld hun troetelkind verdedigen, is niet verwonderlijk -, maar ook onder de godsdienst. Sommige roomse en lutherse leraren hebben “deze zondige en oneerbare dartelheden” openlijk of in ieder geval als middelmatig verdedigd. 2 En zelfs ook onder de gereformeerden zijn soms “nog zulke voorstanders gevonden”, onder wie Marnix van Sint-Aldegonde (1540-1598). 3 Ds. Wittewrongel vermoedt dat zij geen mogelijkheid hebben gezien om dit kwaad geheel te weren en het daarom maar enigermate hebben willen toestaan, namelijk door het door goede wetten zo te reguleren dat de met dansen gepaard gaande “dartele, oneerbare en vleselijke bewegingen” binnen de perken blijven. Wittewrongel gaat daar echter niet in mee. Hij stelt: “wat voor maat kan er in ongebonden dartelheid en in die dingen die in overtreding van de maat bestaan, gesteld worden?” Anders gezegd: de onvruchtbare werken der duisternis moeten niet slechts door regels beperkt, maar geheel afgewezen worden.
Na de inleiding zet ds. Wittewrongel in hoofdstuk 102 eerst uiteen welke danspartijen onder de noemer van “onvruchtbare werken der duisternis en zondige ijdelheden” vallen (1) en waarom deze als zodanig te beschouwen zijn (2). En vervolgens tracht hij alle Christelijke vaders en moeders te bewegen om zich voor deze zonde zorgvuldig te wachten, waartoe hij de door voorstanders geuite tegenwerpingen weerlegt (3). De inhoud van dit hoofdstuk vertoont overigens relatief veel overeenkomsten met het hoofdstuk over dansen in het tien jaar eerder door zijn Amsterdamse collega en nadere reformator ds. Petrus Leupenius (1607-1670) uitgegeven werk De Geessel der sonden.
1. Om welke danspartijen gaat het?
In de Heilige Schrift wordt over danspartijen gesproken die niet alleen geoorloofd, maar zelfs te prijzen zijn geweest, aldus Wittewrongel. Als voorbeeld noemt hij de geestelijke dans van Mirjam, die een trommel in haar hand genomen had en daarin nagevolgd werd door andere vrouwen. Met trommels en met reien brachten zij hun innige vreugde tot uitdrukking over de door de HEERE gewrochte grote en wonderlijke verlossing uit Egypte. En David had met alle macht gehuppeld voor het aangezicht des HEEREN (2 Sam. 6:14) bij het opvoeren van de ark des HEEREN naar de stad Davids. Dat was geen ijdel huppelen of dansen geweest, maar een geheiligd werk. Zulk een heilig dansen is vanzelf niet ongeoorloofd, zo laat Wittewrongel weten. 4
Maar wel worden in de Schrift de afgodische danspartijen van het vleselijke Israël veroordeeld. Bijvoorbeeld het dansen rond het gouden kalf (Ex. 32:18-19) en het dansen van de Baälspriesters (1 Kon. 18:26). En verder de vleselijke danspartijen “die de kinderen der wereld ter gelegenheid van uitwendige vreugde in veel dartelheid met elkaar” hielden. Als voorbeeld noemt ds. Wittewrongel onder andere het dansen van de Amalekieten, toen zij Ziklag geplunderd hadden (in 1 Samuël 30 vers 16 is vermeld dat zij waren etende en drinkende en dansende), de dans van de trippelende dochteren Sions (Jes. 3:16) en de dans van de ijdele en lichtzinnige dochter van Heródias op de dag van Herodes’ geboorte (Matth. 14:6; Mark. 6:22). 5 Bij die afgodische en vleselijke danspartijen waren volgens Wittewrongel “de wellustige, dartele en oneerbare danspartijen” van zijn tijd te vergelijken, die toen tijdens maaltijden en bruiloften zo algemeen waren geworden. “Daar dansen en springen mannen en vrouwen, jongemannen en jongedochters samen of ieder op zichzelf voor de ogen van al de aanwezige gasten. En dat in alle oneerbare dartelheid en ontuchtigheden op het geluid van de muziekinstrumenten of het gezang van lichtzinnige liederen op de maat en naar de kunst”. 6
Behalve Bijbelse voorbeelden voerde Wittewrongel tegen het ijdel en oneerbaar dansen ook een reeks teksten uit het Oude en Nieuwe Testament aan waarin zondige ijdelheden en begeerlijkheden ernstig bestraft worden en een eerbare, reine en heilige wandel versierd met schaamte en matigheid, geprezen. Zoals in Exodus 32:6, Job 21:11-12, Prediker 7:4, Jesaja 3:16- 17 en 5:11-12, Ezechiël 25:6, Hosea 9:1, Romeinen 13:13, Efeze 5:4-11, Galaten 5:24, Kolossenzen 3:5, Filippenzen 4:8, 1 Timotheüs 2:9, 1 Petrus 2:11 en 4:3, en tot slot in 1 Johannes 2:15-16.
2. Waarom deze ijdel, oneerbaar en zondig zijn
Om alle Christelijke vaders en moeders ervan te overtuigen dat de hedendaagse danspartijen “als zondige ijdelheden en onvruchtbare werken der duisternis” gekwalificeerd moeten worden, schenkt Wittewrongel achtereenvolgens aandacht aan de oorsprong van het dansen (a), aan het dansen op zichzelf (b), aan de schadelijke vruchten van het dansen (c) en aan de krachtige veroordeling van het dansen door vele kerkvaders, concilies, gereformeerde kerken enz. (d).
a. De oorsprong van het dansen
Wat de oorsprong betreft, “wij vinden nergens dat zij door God ingesteld zijn”, zo schrijft Wittewrongel. Wel is bekend dat de blinde en afgodische heidenen, die wandelden in allerlei vleselijke begeerlijkheden, een bijzonder vermaak hebben gehad in het dansen. Niet alleen in hun gewone bijeenkomsten, maar vaak ook bij het beoefenen van hun afgodendienst. Door middel van de dans meenden zij op een vermakelijke en aantrekkelijke wijze eer te bewijzen aan hun afgod(en), wat volgens Wittewrongel “buiten alle twijfel” de duivel zelf hun heeft ingegeven. Daarin stemde Wittewrongel geheel overeen met de kerkvaders die de danspartijen veelal “vermakelijkheden van de duivel” genoemd hebben.
Daar vrijwel alle heidense volken hun danspartijen gehad hebben, is het voor Wittewrongel duidelijk dat het dansen een heidense en uiteindelijk een duivelse oorsprong heeft. Christus is in de wereld gekomen om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3:8). Zullen wij dan bij de Christelijke Doop de duivel afzweren en toch nog zoveel ophebben met die eigen werken van de duivel? “Dat mag zo niet geschieden!”, zo vermaant Wittewrongel. 7
b. Het dansen op zichzelf
“Als wij de hedendaagse danspartijen op zichzelf bezien, wat is hierin anders te zien dan een oneerbare ijdelheid en lichtzinnige dartelheid”? “Niemand danst als hij nuchter is”, heeft eens een heiden gezegd. “Als wij de gangen van die dansers en danseressen in aanmerking nemen, de omdraaiingen, de capriolen en de bokken- en geitensprongen die zij maken, de onzedelijke bewegingen, het lichtzinnige gelaat, dan zullen zij absoluut meer” lijken “op een gek en onzinnig mens dan op iemand die wijs en bij zijn verstand is”, aldus Wittewrongel. Tijdens het dansen vertoont men gewoonlijk hoerachtige gebaren, kussingen en omhelzingen. “Wat zijn dit anders dan schijntekenen van een onkuis, dartel en ongebonden gemoed, terwijl men zich juist ook van allen schijn des kwaads zorgvuldig heeft te onthouden (1 Thess. 5:22)?” Bij dansen openbaart men dus in de uitwendige leden waar het hart vol van is, namelijk van vleselijke begeerten. Ook kunnen de gedachten bij het dansen niet anders dan ijdele gedachten zijn en de woorden smakeloos, omdat men met ijdelheden bezig is. En zou “iemand die met een dergelijke oefening bezig is, de dood en het laatste oordeel wel tegemoet durven zien? In het minst niet!”, zo antwoordde Wittewrongel.
Bovendien betaamt het “een Christen niet de grenzen van alle zedigheid en gematigde stemmigheid zover te overschrijden”. Hij dient geen gemeenschap te hebben met deze onvruchtbare werken der duisternis (Ef. 5:11). Als men vermaak schept “in zulke lichtzinnige danspartijen”, dan is dat “een zeer duidelijk bewijs dat er weinig Godsvreze” in het hart woont, aldus Wittewrongel. 8
c. De schadelijke vruchten
Het dansen vond vaak tijdens of direct na de maaltijd plaats als het lichaam met spijs en drank was overladen. Het was bekend dat zulke hevige bewegingen zo kort na de maaltijd de gezondheid konden schaden. Maar veel meer en veel ernstiger dan een eventuele schade voor het lichaam, was en is de schade aan de ziel die altijd uit het dansen voortvloeit, aldus Wittewrongel. Dat zou eenieder van het dansen moeten afschrikken, alsook het feit dat Gods oordelen en plagen zo nu en dan op danspartijen gevolgd zijn. Op beide aspecten gaat Wittewrongel uitvoerig in en hij zegt daarover behartigenswaardige dingen.
Schadelijk voor de ziel
Vele vrome en godzalige personen ergeren zich aan de lichtzinnige danspartijen, in het bijzonder als zij zien dat voorname mannen en vrouwen en zelfs lidmaten van de gemeente zich “tot zulke zondige ijdelheden laten wegslepen”. Wittewrongel vermaant de bedrijvers en aanschouwers van de dans om toch daaraan niet voorbij te gaan, want de Zaligmaker heeft gezegd: wee hem door welken de ergernissen komen. Het zou hem nutter zijn dat een molensteen om zijn hals gedaan ware en hij in de zee geworpen, dan dat hij een van deze kleinen zou ergeren (Luk. 17:1b-2). Deze woorden van de Zaligmaker behoorden hen af te schrikken van het dansen.
De danspartijen zijn ook ware strikken voor de zielen van hen die eraan deelnemen en die ze aanschouwen. Door hun verleidingen ontsteken zij het hart tot wellust en oneerbaarheid. Het is een feit dat ons verdorven hart maar al te zeer als vanzelf tot vleselijke lusten getrokken wordt. Daardoor komt het ook dat dansers en die het dansen met vermaak aanschouwen “zo gemakkelijk tot onkuise gedachten, ja, zelfs tot hoererij en overspel geprikkeld en aangestoken worden”, aldus Wittewrongel. Wittewrongel ziet die vleselijke danspartijen daarom als “zwavelstokken” (lucifers) die het vuur van de vleselijke wellusten in ons ontsteken en als “blaasbalgen” die dat vuur in ons verder aanwakkeren. En ons hart als “buskruit” dat gemakkelijk in vleselijke wellusten ontbrandt. In het bijzonder de ware gelovigen weten volgens Wittewrongel wel “hoe schadelijk alle verleidingen en de minste aanleiding tot onkuisheid zijn. (…) Zulke gevaren voor de ziel moeten door ons vermeden en niet gezocht worden. Wie het gevaar liefheeft, zal erin vergaan. Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?” (Spr. 6:27-28).
De ogen van de mensen zijn de vensters waardoor de vleselijke begeerten in de ziel worden geprikkeld. David bad daarom tot de HEERE zijn God: Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien (Ps. 119:37). En Job had om die reden een verbond met zijn ogen gemaakt dat hij geen acht zou geven op een maagd (Job 31:1). Wittewrongel haalt in dit verband tevens met instemming de vermaning van Jezus Sirach aan om de ogen af te wenden van “de schone vrouw”, van de “vreemde schoonheid. Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden”. “Hoeveel groter moet dan dit gevaar zijn”, zo constateert hij, “wanneer de jongelingen en jongedochters op de meest lichtzinnige manier opgetooid ten dans komen!” Zij komen daar immers “om te zien en om gezien te worden”, zoals een heidense dichter terecht zei. De duivel “vangt ze daar in zijn strikken. Daaruit ontstaat het dat zovelen in hun eer zijn gekwetst en wel tot hoererij en overspel verleid zijn.”
Door die danspartijen, die zulke schadelijke lokazen tot de zonde zijn, wordt de beoefening van de ware Godzaligheid en de ware Godsvrucht dikwijls verhinderd. Waar deze ijdelheden zo geliefkoosd worden, wordt de vreze Gods hoe langer hoe meer uit de harten en huizen van de mensen gebannen. Zij die zich met deze lichtzinnigheid vermaken, worden ongevoelig voor hun eigen zonden en voor de bedroefde toestand van Gods kerk, ja, zij krijgen een walging van “alle Godzaligheid, vroomheid en Godsvrucht”.
Wittewrongel: “Zullen wij deze ijdelheden” dan “nog goed willen praten en verdedigen?” 9
Gods oordelen en plagen tot afschrik
Toen “het vleselijke Israël rondom het gegoten kalf een feest gemaakt had” en zij na het eten en drinken opgestaan waren om te spelen en te dansen, “vielen er van het volk door het zwaard van de Levieten op dien dag omtrent drieduizend man (Ex. 32:28).” En nadat de dochters van Silo waren “uitgegaan om met reien te dansen, gebeurde het dat zij door de kinderen van Benjamin geroofd, geschaakt en weggevoerd werden (Richt. 21:21).” Hoe ellendig is het ook “afgelopen met de vleselijke en weelderige dochteren Sions, die met hun uitgestrekte hals en lonkende ogen, al gaande en trippelende daarheen traden (Jes. 3:15- 16 enz.)!” En is bovendien het hoofd van Johannes de Doper niet het loon geweest dat “de ijdele en lichtzinnige dochter van de bloedschandige Heródias” kreeg voor haar lichtzinnig dansen (Matth. 14:6-8)? “Als God de Heere met zo’n wrede en schandelijke moord die danspartij heeft willen brandmerken, zou ons dit dan niet”, zo houdt Wittewrongel ons voor, “met reden moeten bewegen om daartegen ook een schrik en afkeer op te vatten?”
Niet alle dansers worden in dit leven al gestraft, maar “het ergste van alles is dat zij”, zo waarschuwt Wittewrongel, “uiteindelijk hun ellendige ziel zullen verliezen. En wat ons van alle andere werken des vleses te kennen wordt gegeven: dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven (Gal. 5:19- 21; Openb. 21:8), mag ook wel op onze hedendaagse danspartijen toegepast worden, in zoverre de mensen zich van deze zondige ijdelheden niet bekeren.” 10
d. Het oordeel van de kerk der eeuwen
Door de kerkvaders is er veel en krachtig tegen het dansen geschreven. “Zij hebben” volgens Wittewrongel “deze danspartijen enkel als lokazen van de zonde, werken des vleses, dwaze ijdelheden en zotternijen beschouwd.” Zij hebben zich niet ontzien om met ronde woorden te zeggen dat danspartijen de werkterreinen van de duivel zijn. Vele leraren hebben daarom als uit één mond deze danspartijen als “evenzovele werken der duisternis en dartele oneerbaarheid, de Christenen onbetamelijk, veroordeeld”. Dit “eenparig getuigenis” van zovele “voortreffelijke mannen Gods zou door ons niet licht geacht mogen worden”, zo stelt Wittewrongel.
Ook gehele concilies, waar menigmaal een groot aantal voorname bisschoppen bij elkaar zijn geweest, hebben deze danspartijen eenparig veroordeeld. De Nederlandse, Franse, Poolse en andere gereformeer-de kerken na de Reformatie alsook de oude Waldenzen hebben dit op hun synodes eveneens gedaan. Verder zijn tal van koningen, vorsten en prinsen vijand geweest van het dansen. En hoewel veel roomse leraren het dansen verdedigd hebben, zijn er ook in het pausdom nog wel te vinden die het dansen veroordeeld hebben. “Zij hebben met het oordeel van de oudvaders kunnen instemmen die zeiden dat de dans een cirkel was waarvan het middelpunt de duivel was.” Zelfs onder de besten van de heidenen zijn er geweest die het dansen verfoeid hebben. “Zullen de heidenen” dan, zo beëindigt Wittewrongel deze paragraaf, “de gereformeerde Christenen beschamen en in de dag van het grote gericht nog moeten overtuigen?” 11
3. Weerlegging van de tegenwerpingen
Alles wat hij tot nu toe naar voren had gebracht, “zou” volgens Wittewrongel al “volstrekt voldoende moeten zijn om alle Christelijke huisvaders en huismoeders te bewegen om een dergelijke schadelijke en dodelijke wortel - die zo veel bittere gal en alsem voortbrengt, omdat er zovele zonden en gruwelen mee opgroeien - uit hun huizen weg te doen en meteen uit te roeien!” Hij moest echter eer het tegendeel constateren. Goede vermaningen werden maar al te vaak bespot en uitgelachen. En men meende “dat men niet vrolijk is geweest, als er niet gedanst” is. Diverse personen waren zelfs zo onbeschaamd dat zij openlijk voor het dansen durfden pleiten. De volgende schijnargumenten voerden zij daarbij wel aan:
Dansen komt ook in de Heilige Schrift voor
Behalve de hierboven al genoemde voorbeelden van personen uit de Heilige Schrift die gehuppeld of gedanst hebben (onder anderen Mirjam en David), voerde men ook aan Prediker 3 vers 4b, waar we lezen: Er is een tijd om te kermen en een tijd om op te springen (of om te huppelen). Wittewrongel wijst er echter nogmaals op dat het huppelen of dansen in de Schrift een geheel ander dansen is geweest dan het ijdel en oneerbaar dansen in zijn en onze dagen. Het was óf een heilig en geestelijk dansen, voortkomend uit een geestelijke blijdschap, óf het waren burgerlijke tekenen van vreugde, bijvoorbeeld als het volk een overwinning had behaald. Dit burgerlijke dansen geschiedde bovendien niet gemengd (vrouwen en mannen dansten niet met elkaar) en het werd ook niet op dansscholen geleerd. Verder voerde Wittewrongel aan dat we in de Schrift nooit lezen dat de heiligen ter gelegenheid van hun maaltijden of bruiloften gedanst hebben. En daar waar in de Schrift van dansen gesproken wordt, daar heeft de Heilige Geest beslist niet de bedoeling gehad om het dansen aan te prijzen of enigszins goed te keuren. “Mensen die om hun vuiligheden en zondige ijdelheden te verdedigen, de Heilige Schrift zo schandelijk misbruiken, moeten zich dan ook schamen”, zo concludeert Wittewrongel.
Dansen is op zichzelf niet verkeerd
“Anderen zeggen dat het dansen op zichzelf niet verkeerd is” en pleiten er daarom voor om alleen bepaalde misbruiken weg te nemen en niet het dansen zelf. Maar Wittewrongel voert daartegen aan dat, hoewel de dansbewegingen op zichzelf als beweging middelmatig zijn - evenals bijvoorbeeld lopen en springen -, er toch zoveel ijdelheid met het dansen gepaard gaat dat het dansen daarmee alle middelmatigheid verloren heeft. “Men kan deze oefeningen niet doen tot eer van God, in het geloof en zonder ergernis.” En daar de dansoefeningen absoluut niet noodzakelijk zijn en ook geen nut hebben, terwijl ze voor dansers en voor de aanschouwers wel “ten hoogste schadelijk” zijn, spreekt het voor zich “dat wij zulke oefeningen moeten nalaten en vermijden”, aldus Wittewrongel.
Door dansen worden de kinderen gemanierd en beleefd
Danspartijen zouden een nuttig middel zijn om de kinderen ingetogenheid van zeden aan te leren en daadwerkelijk beleefd te maken. Maar zou iemand “wel zo dwaas zijn”, zo merkt Wittewrongel op, “dat hij de uitwendige beleefdheid en gemanierdheid van het lichaam met schade voor zijn ziel zou willen kopen? Er zijn wel andere middelen om zijn kinderen in alle goede zeden en manieren op te voeden.” Bovendien wordt volgens Wittewrongel op die dans scholen aan onze kinderen “niets anders dat ijdelheid en lichtzinnigheid” geleerd. En zeden die niet “bij ingetogen jongelingen en jongedochters passen.”
Het zijn slechts uitwendige tekenen van vreugde
Voorstanders van de dans voeren verder aan “dat de danspartijen slechts uitwendige tekenen van vreugde zijn en dat zo’n vrolijkheid niet op een maaltijd en bruiloft uitgesloten mag worden.” Maar Wittewrongel stelt daartegenover dat wij ons behoren te verblijden in den Heere (Filipp. 4:4). En dat onze blijdschap altijd “bezadigd” moet zijn en de vreugdetekenen “niet onzedelijk”. Bovendien kan hetgeen “de grote Naam van onze God zo duidelijk onteert, de ziel kwetst en zoveel ergernis en aanstoot geeft, (…) een vroom gemoed geen ware vreugde schenken.”
Door dansen toe te laten voorkomt men erger
Als men de gelegenheden om te dansen wegneemt, dan zullen andere onzedelijkheden tot grotere schade toenemen zoals dronkenschap, zot geklap, ontuchtige samensprekingen enz. Wittewrongel ging in deze redenering niet mee. Hij reageerde hierop als volgt: “Maar kan men de kostelijke tijd niet beter benutten?
Waartoe is de gereformeerde Christenheid vervallen? Moeten wij nu de ene zonde met de andere goed maken en kwaad doen opdat er iets goeds uit voortkomt? Alles wat op zichzelf verkeerd en zondig is, moet niet met de vreugde van een Christen vermengd worden. Onze maaltijden en bruiloften behoren Christelijke samenkomsten en geen Bacchusfeesten van enkel weelde en dartelheid te zijn. Kunnen wij een bepaalde zonde niet ontgaan” of anders “tot een erger kwaad vervallen? Wee ons dat wij zo verdorven zijn!”
Iedereen doet het, waarom wij dan niet?
“Velen proberen zich ook met het voorbeeld van anderen te verontschuldigen. Het dansen is “nu zo algemeen”, zeggen zij, dat men iemand die hieraan niet mee wil doen, als een lastpost beschouwt en uitlacht. Voor Wittewrongel was ook dit geen steekhoudend argument. Hij antwoordde dat de Wet van God ons leert de menigte in boze zaken niet te volgen (Ex. 23:2). “Het is”, zo schrijft hij verder, “een zeer slechte uitvlucht om te willen zondigen op het voorbeeld van anderen. De gewoonte mag ons niet tot een wet zijn. (…) Hoe algemener de zonde is, hoe hatelijker ze is in de ogen van God en des te schadelijker voor degenen die daarin leven. Er is niets wat meer de wraak van God over een volk haalt dan dat de zonde zo algemeen is geworden. (…) Wij moeten in het midden van een krom en verdraaid geslacht (…) als lichten schijnen (Filipp. 2:15).” 12
Ten slotte
Wittewrongel constateert ten slotte dat het moeilijk is om mensen “van het kwade en datgene waar het verdorven vlees toe geneigd is, af te trekken”. Niettemin wil hij dat we het er niet bij laten zitten. “Iedereen moet in zijn eigen gezin beginnen”, zo vermaant hij. We citeren hem nog eenmaal tot slot:
“Hoe zullen wij het verantwoorden, als wij deze onvruchtbare werken der duisternis nog als een beminde zonde zouden willen liefkozen en in onze kinderen door de vingers zouden willen zien? (…) Zo lief als wij de eer van God hebben, de stichting van de kerk en het behoud van onze zielen, zo moeten wij ook van deze danspartijen een afkeer en gruwel hebben. (…) Het betaamt ook alle Christelijke huisvaders en huismoeders, wie zij ook zijn, dit in hun eigen gezinnen te verbeteren en hun kinderen zodanig in toom te houden dat zij zich in hun huizen en tijdens maaltijden en bruiloften niet met deze ‘onvruchtbare werken der duisternis’ inlaten (Ef. 5:11). Gelukkig zullen onze gezinnen zijn en gezegend onze huisgenoten en kinderen, als wij ook hierin ons ‘onbesmet bewaren van de wereld’ (Jak. 1:27).” 13
Noten:
1) Zie: In het spoor, decembernummer 2016, p. 332-335, februarinummer 2017, p. 14-19 en meinummer 2017, p. 105-108
2) Zie: P. Wittewrongel, Oeconomia Christiana of Christelijke huishouding, dl. 5, Wijk en Aalburg 2016, p. 422- 423 (hierna: Wittewrongel)
3) Wittewrongel, p. 423
4) Wittewrongel, p. 420-421
5) Wittewrongel, p. 421-422
6) Wittewrongel, p. 422
7) Wittewrongel, p. 425-426
8) Wittewrongel, p. 426-429
9) Wittewrongel, p. 430-434
10) Wittewrongel, p. 434-436
11) Wittewrongel, p. 436-439
12) Wittewrongel, p. 441-444
13) Wittewrongel, p. 444-446
Dans en velerlei wellusten gaan onvermijdelijk samen op
Hoewel Marnix van Sint-Aldegonde ook (veel) minder afwijzende geluiden heeft laten horen en op dit punt heen en weer geslingerd is geworden, wijst hij in zijn verhandeling ‘De opvoeding van de jeugd’ het dansen wel geheel van de hand. Daarin schrijft hij: “Het dansen is onlosmakelijk verbonden met nachtelijke braspartijen en oorden van verleiding. En is, zoals Cicero zegt, de onvermijdelijke metgezel van velerlei wellusten; maar het is ook de oorzaak van veel kwaad en biedt ge legenheid tot allerlei wangedrag. Het is alleen maar een kwestie van tijd en niets anders dat het nog verschilt van geestverblinding en razernij, zoals Alphonso, de wijze koning van Aragon, eens gezegd heeft. Daarom vind ik dat onze jonge mannen dat geheel en al moeten vermijden.”
-Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, De opvoeding van de jeugd, Kampen 1992, p. 60 (herspeld)
Scherp veroordeeld
“De eerste Kerk heeft zeer tegen het dansen geijverd. Het Concilie van Laodicea en andere kerkbesluiten hebben het gedurig verworpen. Augustinus, Chrysostomus en andere vrome kerkleraars hebben zeer scherp ertegen geschreven. Het is ook tevergeefs daartegen in te brengen dat die alleen de heidense, afgodische dansen hebben afgekeurd, want de meeste bestraffingen van hen zijn gericht tegen de algemene bruiloftsdansen, in de vierde eeuw, toen de afgodendienst reeds afgeschaft was. In de eerste tijden, toen er nog meerder reinheid van de kerk gevonden werd, waren zulke bestraffingen niet nodig.”
-Prof. F.A. Lampe, in: J. d’Outrein, Heidelbergschen Catechismus, Amsterdam z.j., p. 662 (herspeld)-
Absoluut verboden!
Ds. P. Zandt: “Het doet mij leed dat ons van de minister geen wetsontwerp geboden is, waarbij de openbare dancings absoluut verboden zouden zijn geworden. Ik meen dat een zodanig dansverbod eis is van waarlijk Christelijke politiek. De minister merkt op: het kan nog komen. Nu, mocht het komen, dan zou het mij zeer verblijden.”
-Ds. P. Zandt, in: Handelingen Tweede Kamer, 1929-1930, 15 november 1929, p. 461 (herspeld)-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 2017
In het spoor | 60 Pagina's