Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een bede om het welzijn van Zion en om herbouw van Jerusalems muren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een bede om het welzijn van Zion en om herbouw van Jerusalems muren

23 minuten leestijd


Het is heden weer een gedenkdag voor de Gemeente des Heeren ; aan den Sisten October is immers de gedachtenisviering van de Kerkhervorming verbonden. Niet omdat de Kerk op den Sisten October van het jaar 1517 als met een tooverslag van alle verkeerdheid was bevrijd en in één oogwenk uit het diensthuis was verlost; ook niet omdat op dien dag voor het eerst het Licht in de duisternis begon te schijnen ; maar omdat er toen iets geschiedde, dat verder reikte dan iemand kon vermoeden. Maarten Luther, Doctor in de heilige Godge-leerdheid en Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Wittenbeig, sloeg aan den avond van dien dag zijn beroemde 95 stellingen tegen den aflaat aan de deur der Sloikapel te Wittenberg aan. Dat was de inzet van een strijd, die met de overwinning van het Licht over de duisternis eindigde, waarin het Protestaniisme is geboren en aanzienlijken wasdom heeft bereikt!

Ook in ons Vaderland is de Kerkhervorming doorgedrongen. Het begin ervan behoeven wij intusschen niet in het buitenland te zoeken. Ook in onze gewesten was de Geest des Heeren werkzaam; reeds lang \ó6. iiv.t optreden vaii Luther had Hij ook hier meer dan één oog geopend voor de waarheid van het Evangelie en de dwaling in leer en leven van de Roomsche kerk. Er was brandstof genoeg, en deze was ook al aan het smeulen. Maar het optreden van Luther zette alles in vollen gloed, terwijl later de invloed van Calvijn zich deed gelden. Kortom, de waarheid werd door allerlei middelen van onder het stof der dwaling tevoorschijn gebracht en het Licht weer op den kandelaar geplaatst. Het Evangelie werd weldra alom gepredikt en oefende zijn gezegende werking uit. Het Woord Gods wies, en eer de Hervormings

Het Woord Gods wies, en eer de Hervormingseeuw ten einde was gespoed, was er in deze landen een Kerk gevestigd, die onder den zegen des Heeren zich gestadig uitbreidde en jarenlang in grooten bloei zich heeft verheugd als een Tempel des Heeren, waarin Hij de heerlijkheid van Zijn genade ten toon spreidde. Wanneer wij nu dit verleden ons voor den geest

Wanneer wij nu dit verleden ons voor den geest roepen, en dan het heden met dat verleden vergelijken, dan maakt zich — terwijl wij de wonderen des Heeren gedenken, en ons verheugen, dat wij nog altijd de vruchten mogen genieten van hetgeen de Heere in oude dagen wrocht — een onuitsprekelijk weedom van ons meester. Want hoezeer verschilt het heden van het ver

Want hoezeer verschilt het heden van het verleden. En dan vindt ons hart lucht in een bede, die wij aan onze Hervormingsoverdenking ten grondslag leggen : Ps. 51 : 20 en 21. Laat ons met toepassing op onszelf overdenken : 1 wat David bekommerde, 11 wat hij in die bekommernis deed, en lil welk verschiet zich daarbij voor hem opende. Alzoo prediken wij u op den Hervormingsavond.

I Wij voelen hel den Psalmist onmiddellijk af, dat zijn ziel in hooge mate bekommerd was. Diepe weemoed klinkt door in die bede : „Doe wél bij Zion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jerusalem op !" Zij is opgeweld uit een verslagen geest, uit een doorwond gemoed.

En wij behoeven niet lang te vragen wat hem toch wel bekommerd heeft. Iemand die bidt, dat de Heere bij Zion wél zal doen, aanschouwt dat Zion in een droeven toestand ; die bidt: „bouw de muren van Jerusalem op", ziet die muren vóór zich als een puinhoop, in elk geval als muren, die op vele plaatsen bres geschoten zijn.

Geen wonder, dat velen het beeld van Jerusalem en Zion hier voor hun geest zagen oprijzen in den toestand, waarin het verkeerde na het beleg en de verovering door Nebukadnezar, in den vorm der puinhopen, waarop Jeremia zijn klaagliederen zong. Geen wonder, dat met het oog hierop velen de meening hebben verkondigd, dat het opschrift ten onrechte David als dichter van onzen Psalm vermeldt. In Davids dagen was Zion immers in blakenden welstand, en waren Jerusalems muren sterk 1

Met één ding weten zij echter geen weg: hoe n.1. een zanger, die totnogtoe in zijn lied over zijn persoonlijke zonde geklaagd heeft en daarom gebogen lag voor den Troon der genade, plotseling om het herstel van Jerusalems muren en het welzijn van Zion gaat smeeken. Dat komt ervan, wanneer men de opschriften der Psalmen maar aanstonds voor onjuist verklaart, omdat men den samenhang van opschrift en inhoud niet duidelijk kan zien. Dat opschrift geeft ons juist den sleutel in handen om ook dit slot van Davids Psalm te verstaan. Bezien in het licht van den geheelen Psalm is ons textwoord duidelijk en klaar

Psalm 51 is een lied van diepe verootmoediging, van oprechte belijdenis van zonden, van schreeuwen om genade David heeft het gezongen, „toen de Profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan". Dat moeten wij nooit vergeten : dat is de sleutel tot heel dit lied.

D.ïvid beweende zijn zonde, niet maar in schijn, doch met tranen van waarachtig berouw. Zijn ziel was doorwond vanwege zijn ongerechtigheden. Hij spreekt het immers zelf uit, dat de Heere zijn beenderen verbrijzeld heeft. Hij zag zijn zonden in al haar gruwelijkheid. Hij zag ze als schennis van de Allerhoogste Majesteit Gods. Hij zag ze als oorzaken van Gods rechtmatigen toorn. En daar zag hij in den geest dien loom losbreken over zijn ongerechtigheden. Daar zag hij door 's Heeren gerechtigheid vijanden tegen hem losgelaten. Hij zag het zwaard komen, waarvan Nathan gesproken had. En terwijl hij dat zwaard tegen zichzelf en zijn huis zag aanrukken, zag hij ook Zion en Jerusalem bedreigd, ja hij zag Jerusalems muren reeds door den vijand vernield, en Zion door den vijand vertreden, aan allerlei ellende ten prooi; ja hij zag nog verder: als dat zóó voortging, dan was ondergang het einde ! En daar bleef hij niet staan bij het uitwendige Zion, den berg met de gebouwen er op — daar bleef hij niet staan bij de steenen muren van Jerusalem, maar hij zag op degenen, die daarin woonden, op het volk, dat de Heere Zich vergaderd had, dat leefde onder de bedekking van Zijn genade, op de Gemeente van den levenden God. Die zag hij met ondergang bedreigd. — En toen overlegde s David niet, dat het volk des Heeren zelf ook aan | allerlei ongerechtigheid schuldig stond, toen f troostte hij zich niet met de gedachte, dat ook • zij wel op de één of andere wijze 's Heeren toorn verdiend zouden hebben, maar hij hield op eigen ;^ zonden het oog, en zag door die zonden Gods "~ volk met diepe ellende bedreigd, onder hetoor-y deel des Heeren. En het werd hem benauwd omf Zions, om Jerusalems wil.

Wat David daar zag in den géêst en waarover?» Davids ziel bekommerd was, dat is het, wat wijf in onze dagen met onze óógen aanschouwen, en'^ dat groote bekommernis wekt bij allen, die door dew Heere gegrepen zijn. Ook wij zien Zion in ellende, en Jerusalems muren verbroken. De Kerk, door de ontferming des Heeren in deze landen geplant door Zijn Woord en de levende belijdenis der waarheid, verkeert ook hedentendage in een treurigen toestand en is gelijk aan een onbemuurde stad, die voor eiken vijand openligt en door de voeten van tal van vijanden vertreden wordt. De Kerk — wie is er die het niet vveet! — is geworden tot een gebied, waar ieder woning meent te kunnen vinden en rechten meent te kunnen doen gelden, ook al is hij van de belijdenis dier Kerk volstrekt niet gediend. Wel heeft de Heere Zich een overblijfsel behouden, da' Zijn Naam vreest en op Zijn Christus hoopt, — maar hoe is de Christus der Schriften veelvuldig van Zijn glorie beroofd, naar beneden gehaald, en op één lijn gebracht met een sterfelijk mensch ; hoe wordt de waarheid op allerlei wijze verdonkerd en het Woord van onzen God niet als Zijn Woord erkend, maar met de voortbrengselen van den menschelijken geest gelijkgesteld. De geest der dwaling is nog altijd actief. Wolken en dorikerheid hangen nog steeds over de erve onzer Kerk.

En de vijanden der waarheid rusten zich allerwege opnieuw toe tot den strijd. Waar zij maar kunnen, doen zij hun geweld gevoelen, om zoo mogelijk de dwaling tot zegepraal te brengen en de waarheid onder den voet te krijgen, al wordt ook de leuze van verdraagzaamheid luidkeels aangeheven. „Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon, opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de doch- ters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde" — maar keer daarmee in tot uzelf, o Gemeente des Heeren, die naar Zijn Naam is genoemd ! Want de Heere heeft ons daarmee iets te zeggen. Dat alles gaat niet buiten den raad des Heeren om. Neen, naar Zijn bestel is dit alles over ons gekome;;, en wordt het ondanks den doorbraak van de Synodale Organisatie van 1816 nog bestendigd, opdat wij weten, dat de Heere nog steeds een twist heeft met Zijn wijngaard, opdat wij de ellende van onze Kerk leeren kennen als een oordeel des Heeren, opdat deze ellende steeds meer als een oordeel gevoeld worde, en zóó dringe tot waarachtige bekeering !

Waaraan is dit oordeel te wijten ? O, ongetwijfeld is het gekomen om de zonden onzer vaderen, die, in een geestelijken doodsslaap verzonken, allerlei dwaalleer hebben laten binnensluipen, waardoor het van kwaad tot erger ging. De wachters op Zions muren hebben niet gewaakt —• en de vijand is binnengerukt en oefent zijn geweld uit!

Wie echter uitsluitend bij de zonden der vaderen blijft staan, die dwaalt zeer. Is het oordeel in hun dagen gekomen, waarom is het dan in ónzen tijd niét opgeheven ? Omdat ook het tegenwoordig geslacht dit oordeel verdient door zijn vreeselijke afwijking van Gods waarheid ! En wederom : wie hier alleen denkt aan de zonden van anderen, die dwaalt zeer. Het is wel gemakkelijk, de schuld Ie werpen op Modernen, Evangelischen, schijnorthodoxen en half-orthodoxen — die zullen voor zichzelf rekenschap geven aan Dengene, Die gereed staat om te oordeeien de levenden en de dooden — maar gij, o mensch! o Gemeente 1 waar blijft gij ? Het oordeel begint van het Huis Gods. Daarom hebben juist zij, die tot dat Huis

Gods. Daarom hebben juist zij, die tot dat Huis Gods meenen te behooren, alle reden om hun hart te stellen op hun eigen wegen ; en die in waarheid huisgenoten Gods zijn, die zullen ook zichzelf onderzoeken. Zoolang wij zelf niet zijn, M die wij moeten zijn, zoolang bij onszelf niet hart * en wandel volkomen overeenstemmen met Gods heilige Wet, en wij dus daders zijn van het Woord, dat wij belijden, zoolang hebben wij niet op anderen te zien en op anderen de schuld te werpen -— maar die bij onszelf te zoeken. Indien wij niet volkomen Gode leven, zijn wij mede oorzaak van het oordeel, dat hangt over de Kerk, waartoe wij behooren ! — En wie is er, die hier kan zeggen : ik ben rein ? Zijn niet onze zonden meer dan de haren op ons hoofd ? Wordt I et bij ons niet " menigmaal openbaar, dat wij ons tevreden stellen met de belijdenis, met het uitspreken der waarheid, zonder dat wij daar in heel ons leven in al zijn vertakkingen waarachtigen ernst mee maken ?

En is dat niet een smaadheid, Gods waarheid aangedaan, die God naar Zijn onkreukbaar recht móet bezoeken ? •— Wie oprecht is voor God, die zal voorzeker weenen in ware bekommernis over den droeven staat der Kerk — en wel, evenals David, bij de gedachte aan eigen zonde. II Wat heeft nu David in die bekommernis gedaan ? Hij is niet bij de pakken gaan neerzitten. Zooals hij niet op zijn zonden bleef staren, maar den Heere smeekte om verlossing van bloedschulden, zoo heeft hij ook met den nood der Gemeente zich gewend tot den Troon der genade in een ootmoedig gebed : „Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jerusalem op". „Doe wél bij Zion'', d. w. z.: „Hef haar uit haar ellende op, verlos haar van den vloek, gebied over haar Uw zegen, o Heere, en maak dat het haar wél gaat!"

Daarbij heeft David voorzeker allereerst hierop het oog gehad, dat de Heere aan Zion haar zonden zou vergeven. Want de vergeving der zonden is de grootste weidaad, de bron van alle andere weldaden. Waar de zonden vergeven zijn, daar is immers gemeenschap met God, daar ziet de Heere Zijn volk met vriendelijke oogen aan, daar stelt Hij de schatkamers van Zijn genade voor de Zijnen open, zoodat hun weldaad op weldaad toevloeit. Heeft de Heere aan Zion haar zonden vergeven, dan zal zij groeien en bloeien, dan zal zij vreugde en vrede hebben in den God haars heils. Dat alles begeert David dan ook voor haar, wanneer hij bidt: „Doe wél bij Zion". Waarop steunt de Psalmist nu bij deze zijn bede ?

Waarop steunt de Psalmist nu bij deze zijn bede ? „Naar Uw welbehagen !" Zoo hooren wij David smeeken. Hij grijpt dus de ontfermingen van den vrijmachtigen God aan. Hij ziet op het eeuwig voornemen der genade in Christus Jezus, om zondaren te versieren met heil, orn Zich een Gemeente te vergaderen, die Zijn lof vertelt. Dat welbehagen had de Heere geopenbaard en bewezen, door Zion te verkiezen tot Zijn woning en Jerusalem te maken tot Zijn heilige stad, zooals geschreven staat in den 132sten psalm : „De Heere heeft. Zion verkoren, Hij heef! het begeerd tot

Zijn woonplaats, zeggende : Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want ik heb haar begeerd" (vs. 13 en 14), zooals wij ook lezen bij den Profeet Zacharia : „De Heere schelde u, gij satan, ja de Heere schelde u. Die Jerusalem verkiest". Op dat welbehagen des Heeren alleen steunt David. Hij beroept zich niet op vorige gerechtigheden, op vroegeren ijver in 's Heeren dienst — ach, dat alles was door zijn zonden teniet gedaan ! Maar dat welbehagen des Heeren is een eeuwig welbehagen, gegrond in ongehouden liefde. Daar klemt de Psalmist zich aan vast in de bede : „Doe wél bij Zion naar Uw welbehagen", d. i. „laat Uw welbehagen toch gelukkiglijk voortgaan tot herstel van Zion !" Op dat welbehagen des Heeren rust ook de

Op dat welbehagen des Heeren rust ook de tweede bede, in ons textwoord vervat: „bouw de muren van Jerusalem op". D. w. z.: „herstel Gij de muren van Jerusalem en maak Gij die weer sterk, zoodat Jerusalem een welbeschermde en welbevestigde stad is, waarin geen vijand toegang vindt, die niet voor eenigen vijand behoeft te bukken, en waarin ongestoord genoten wordt wat Oij aan Uw volk te genieten geeft". Ook tot zulk een bede geeft alleen hef welbehagen des Heeren de vrijmoedigheid, en die vrijmoedigheid werpt David niet weg. Hij wendt zich tot den Troon der genade om het welzijn van 's Heeren volk, zoowel naar buiten als naar binnen.

Hiermee is ook ons de weg gewezen, dien wij hebben te bewandelen in onze bekommernis over den droeven toestand der Kerk, welke door God Zelf éénmaal in deze landen gesticht is. Wij behoeven niet bij de pakken neer te zitten, maar mogen, evenals David, ons tot den Heere wenden, daarbij steunend op Zijn genadig welbehagen. Il dat welbehagen des Heeren is de Kerk gegrond, door dat welbehagen des Heeren wordt zij gebouwd en tegen eiken vijand beveiligd. Bij den Heere alleen is het herstel der Kerk Ie vinden.

Neen, menschen vermogen dat niet. Menschen zijn alleen in staat te bederven, maar kunnen geen herstel bewerken. Wie het van menschen verwacht, komt vast en zeker bedrogen uit. Wij hebben er niet de macht toe, zelfs niet het rechte verstand, zoodat hetgeen met de beste bedoelingen ondernomen is, geen verbetering brengt, maar in menig opzicht den toestand verergert.

Dat heeft ook de geschiedenis van 1834 en 1886 wel bewezen. Afscheiding noch Doleantie heeft heil gebracht. Niet alleen dat de Landskerk er door verscheurd is, dat broeders van broeders vervreemd zijn en de erve der vaderen prijs gegeven is aan hen, die de belijdenis niet liefhebben, maar die bewegingen hebben, vooral ook in haar samensmelting in 1892, haar vrienden niet gegeven, wat zij beloofden. Allerlei verschillen worden daar openbaar — denk maar aan de oneenigheid fusschen de z.g.n. synodalen en bezwaarden — ja zelfs daar is de belijdenis der vaderen niet ongeschonden gebleven ; in Art. 36 van de N. G. B. is op een Synode van Gescheiden Gereformeerde Kerken, in 1905 te Utrecht gehouden, de zinsnede geschrapt, die van de Overheid de uitroeiïng van ketterij en valschen godsdienst verlangt — gelukkig niet zonder protest ter Synode zelf en van buiten.

Door afscheiding wordt Zion niet hersteld, en worden Jerusalems muren geenszins gebouwd. Ook van nieuwe reglementen is geen heil te verwachten. Daarmee wordt zelfs de verwarring nog vergroot. Men kan nu eenmaal niet alles reglementeeren. En wat niet in één of ander reglement is opgenomen, blijft altijd buiten bereik. Wat helpen bovendien ook de beste reglementen, als niet de harten zich buigen voor God en Zijn Woord !

Zal dan wellicht de reorganisatie, die thans tot stand gekomen is, de z.g.n. doorbraak van de Synodale Organisatie van 1816 de gewenschte verbetering brengen, zooals velen in onze dagen hopen ? Zal de Kerk door verandering der Bestuursinrichting weer op de been worden geholpen ? Zal de Kerk weer bloeien, nu de vaste Besturen weer vervangen worden door de breede Vergaderingen, zooals de Dordfsche Kerkorde die wil ? Voorzeker is verandering der Bestuursinrichting in bovenbedoelden zin gewenscht, als zijnde in overeenstemming met de lijnen, door Gods Woord getrokken, en daardoor voor den bloei der Kerk geen onverschillige zaak. Om die reden wenschen wij een doorbraak van de Synodale Organisatie van 1816, maar wij voegen er onmiddellijk dit aan toe : wie het van zulk een verandering verwacht als van een alle kwalen genezend medicijn, die dwaalt zeer. Daarvan levert de geschiedenis der Kerk ons het bewijs : de dwaling is im'mers begonnen in een tijd, dat de leiding der Kerk in handen was van die breede Vergaderingen. Ook de beste Kerkinrichting baat niet, zoo niet de harten recht zijn voor God. En de harten recht te maken, dat vermag God alleen!

Er blijft ons niets anders over dan den Heere te smeeken, dat Hij Zich erbarme over de Kerk, door Hem Zelf in deze landen in het leven geroepen. Het welzijn van Zion ligt alleen in de hand van onzen God. Hij alleen is in staat de muren van Jerusalem te bouwen, door kennis der waarheid te schenken door den Heiligen Geest, zóó dat die waarheid ook leeft in de harten. Voor zulk een bede hebben wij geen anderen grond dan het welbehagen des Heeren. Want wij moeten het voor Zijn heilig aangezicht wel belijden, dat wij alles verbeurd hebben ; dat, zoo de Heere met ons naar recht wilde handelen, ons niets overbleef dan verderf en ondergang. Dat welbehagen des Heeren mogen wij aangrijpen.

Dat welbehagen des Heeren mogen wij aangrijpen. Want de Heere betoont dat welbehagen aan ons ook nu nog daarin, dat Hij — hoe diep de Kerk ook gezonken moge zijn — haar nog niet heeft verlaten. Hij laat ook nu nog het Woord der waarheid daarin prediken, ja laat het ook nu nog van meerdere kanseis hooren dan in jaren geschied is. Het behaagt Hem ook nu nog, door die prediking zalig te maken die haar gelooven. Wie dan waarachtig bekommerd is over het heil der Kerk, gedachtig aan eigen afdwaling en zonden — die wende zich, evenals David, tot den Troon der genade met de ootmoedige bede : „Doe wél bij Zion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jerusalem op".

' 111 Wat David deed in zijn bekommernis, n.1. afzien van alle eigen kracht en werk, en de zaak geheel in 's Heeren hand stellen, dat was welgedaan. De weg, door hem bewandeld in de bede: „Doe wél bij Zion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jerusalem op !" is een veilige weg. Op dien weg opende zich voor Davids oog een heerlijk verschiet: „Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gansch verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar". De Heilige Geest, Die David die bede in het hart en op de lippen gelegd heeft, opende voor David tegelijkertijd een heerlijk verschiet. David zag, hoe het er uit zou zien, wanneer de Heere bij Zion wél gedaan zou hebben en Jerusalems muren zou hebben gebouwd.

Hij zag daar Zion en Jerusalem aan den Heere offers der gerechtigheid brengen, d. w. z. offers, die met de Wet overeenstemmen niet alleen naar de letter, maar ook naar den geest; — offers die naar 's Heeren wil, Hem welbehagelijk zijn, omdat zij gebracht werden met een gebroken en verslagen gemoed, dat alleen aan de genade des

Heeren in Zijn Gezalfde vasthoudt. — Hij zag daar brandoffers brengen, en offers, die gansch verteerd worden — niet als doode werken, gebracht om zich door eigen verdiensten leven en heil te verwerven, maar in de rechte gezindheid geofferd, zóó dat de zondaar geheel voor God wegzinkt, geheel zooals hij is zich aan de genade overgeeft en alles verwacht van den almachtigen Ontfermer. — Hij zag daar varren brengen op 's Heeren altaar, tot eer van den Naam des Heeren, om daarmee te betuigen, dat de Heere de eenige Helper is, terwijl men graag alles overgeeft voor de eer van 's Heeren Naam. En hij zag nog meer: hij zag, dat de Heere daar

En hij zag nog meer: hij zag, dat de Heere daar lust aan heeft, dat Hij daar met welgevallen op neder ziet, dat Hij Zich verheugt over het volk, dat deze dingen doet.

Hij zag dus m.a. w. de Gemeente des Heeren ijverig in 's Heeren dienst, haar God aanhangend met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde. Hij zag die Gemeente als een voorwerp van 's Heeren vreugde, als een volk dat Hem weiaangenaam is, bestraald door Zijn gunstrijk aangezicht.

Hij zag die Gemeente dus als een werkstuk van 's Heeren almachtige genade naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Hij zag in den geest de verhooring van zijn gebed, en daar smeekte hij des te vuriger in de bekommernis van zijn ziel : „Doe wél bij Zion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jerusalem op !"

Gemeente ! Eenzelfde heerlijk verschiet opent zich ook voor onzen blik, wanneer wij in ware bekommernis der ziel vanwege den nood der Kerk tot den Heere alleen de toevlucht nemen, en geen vleeschelijken steun zoeken.

De hand des Heeren vermag alles. De Heere is het immers. Die hemel en aarde geschapen heeft, Die alle dingen onderhoudt en regeert. Als Hij de hand aan den ploeg slaat, dan gaat het goed. Zijn werken zijn heerlijk. Zijn genade keert alles om ; zij maakt een woestijn tot een vruchtbaar veld Als de Heere werkt, wie zal dan keeren ? Als Hij werkt met Zijn Woord en Zijn Geest, dan verandert alles, dan krijgt alles een heel ander aanzien.

Dat heeft de Heere bewezen in de Kerkhervorming in de 16de eeuw. Waar tevoren niets was dan doode vormendienst en afgoderij, waar van Zijn kennis niets te bespeuren was, waar het verderf hoe langer hoe erger werd, — daar is door de werking van Zijn Geest en Woord een totale ommekeer gekomen : daar zag men weldra menschen, die bogen voor Zijn Woord, die nedcrknielden voor Zijn Christus, die alleen hoopten op Zijn genade, die een leven leidden naar Zijn gebod, die met hart en mond Hem groot maakten en in den wandel Hem verheerlijkten, ja die met blijdschap de rooving hunner goederen aanzagen, en ook hun leven niet dierbaar achtten, maar het graag prijsgaven, ais zij maar niet gescheiden werden van hun God en Heiland. Dat heeft de hand des Heeren gewrocht. Die wél deed bij Zion naar Zijn welbehagen, Die de muren van Jerusalem bouwde, zoodat het bloed der martelaren het zaad der Kerk werd !

En die hand des Heeren is niet verkort. Zij is nog uitgestrekt, tot schrik van Zijn vijanden, ten zegen van allen, die het op Hem hebben gewenteld. Als de Heere in ons midden werkt en in onze Vaderlandsche Kerk de macht van Zijn genade openbaart, dan zal voorzeker ook bij ons alles veranderen. Als Hij arbeiders uitstoot in Zijn oogsf, dan zal Zijn Woord weer klinken van de kansels. Als Hij met Zijn Geest in de harten werkt, dan zal dat Woord ook ontvangen worden met zachtmoedigheid, en zeer zeker zijn werking doen.

Zijn Woord zal immers doen wat Hem behaagt, het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Hij het zendt. Dan zullen wij in waarheid met een gebroken geest en met verbrijzelde beenderen tot Hem naderen, op Zijn ontferming alleen bouwen, en van niets anders weten dan van Jezus Christus en Dien gekruisigd. — Dan zullen wij, om met onzen Catechismus te spreken, ons ook Hem opofferen tot een levende offerande der dankbaarheid. Dan zal bij ons hart en wandel gericht zijn naar Gods gebod, alzoo dat wij liever van alle schepselen afzien en die laten varen dan dat wij in het allerminste tegen Zijn heiligen wil doen. —

Dan zullen wij den Naam des Heeren alleen grootmaken, en gaarne Zijn smaadheid dragen, omdat wij geen anderen troost in leven en in sterven kennen dan het eigendom te zijn van Jezus Christus, en in Hem gemeenschap te hebben met den Vader. — Dan zullen wij niet heen en weer gedreven worden door allerlei wind van leer, maar bij de goede belijdenis volharden en strijden voor het geloof, dat eenmaal den heiligen is overgeleverd.— Dan zullen wij levende lidmaten van Jezus Christus

Dan zullen wij levende lidmaten van Jezus Christus zijn. En — kan het anders? — dan zal de Kerk wey bloeien als een hof des Heeren, dan zal zij daar weer staan als een Tempel Gods, als een getuige van de macht van Zijn genade, als een pilaar en vastigheid der waarheid, tot lof van 's Heeren Naam ! — Dan zal de Heere Zich wederom verlustigen in het werk Zijner handen en dat zal ons opnieuw den rijksten zegen brengen, want de blijdschap des Heeren is onze sterkte ! Aangezien ons dan zulk een heerlijk verschiet is ge

Aangezien ons dan zulk een heerlijk verschiet is geopend, laat ons den weg bewandelen, door 's Heeren Woord ons gewezen, oak door hetgeen wij heden uit den mond van David hebben gehoord. Hier zie een iegelijk niet op hetgeen des anderen is, maar op zichzelf. Laat ons onze eigen zonde en schuld voor God belijden, en Hem om Zijn ontferming aanroepen, steunend op het Lam, Dat Hij ons geschonken heeft, Zijn lieven Zoon Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor onze zielen. Wie voor zichzelf geen behoud vindt dan alleen in de genade des Heeren, die kan ook voor de Keik geen heil verwachten dan alleen van d[ezeifde genade. Laat ons dan ook het lot der Kerk in Zijn genadige handen bevelen. Laat ons belijden, dat wij aan de Kerk geen behoud toebrengen, dat wij veeleer door onze zonden haar heil verstoren. Laat ons pleiten op 's Heeren erbarming met de ootmoedige bede : „Doe wél bij Zion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jerusalem op."

De Heere Zelf legge door Zijn Heiligen Geest deze bede in ons hart en op onze lippen, opdat er voor Zijn troon een algemeene stem worde gehoord. En Hij verhoorc genadiglijk deze bede, en ontferme Zich over ons, naar den rijkdom van

Zijn barmhartigheid, tot eer van Zijn Naam. Hij zette en houde ons op den eenigeii grond, die niet wankelt noch wijkt. Hij leere ons bij aanvang en voortgang de goede belijdenis — Hij leere ons die als een levende belijdenis — de belijdenis van Petrus: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods," de belijdenis, waarvan onze Heiland Zelf heeft gesproken: „op deze petra zal Ik Mijn Gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haarniet overweldigen". Amen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1946

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Een bede om het welzijn van Zion en om herbouw van Jerusalems muren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1946

Kerkblaadje | 8 Pagina's