Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In het vleesch-gehoorzaam aan den Geest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In het vleesch-gehoorzaam aan den Geest

19 minuten leestijd

Tekst: MATTHEUS 3 : 13—17; 4 : 1-4: Toen kwam Jezus van Galiléa naar den Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: mij is noodig van U gedoopt te worden, en komt O ij tot mij? Maar Jezus antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af. En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en zie, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Oods nederdalen gelijk een duif, en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in denwelken Ik Mijn welbehagen heb. Toen werd Jezus van den Oeest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste. En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen broaden worden. Doch Hij antwoordende, zeide: Daar is geschreven: De mensch zal bij brood alléén niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat.


In Christus Jezus geliefden ! „Het Woord is vieesch geworden, en heeft onder ons gewoond vol van genade en waarheid". Met dat Kerst-evangelie, met die genade en waarheid uit de kribbe konden wij het wagen de jaar-rekening over 1949 met ai zijn zonden af te sluiten. „Uit Zijn volheid ontvangen wij ook genade voor genade". — „Het Woord is vieesch geworden, en heeft onder ons gewoond, vo! van genade en waarheid". Op dat fundament Gods gegrond konden wij het nieuwe jaar 1950 ingaa;, al zou het nog zooveel nood en strijd in zijn schoot bergen.

Htt vleesch-geworden Woord kan en zal er ons doordragen dit heele jaar, en al de jaren tot aan de voleinding der wereld. Want dat Woord spreekt: „de poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen". Ik ben haar Petra, haar onbewegelijke Rotssteen.

Is de vkesch-wording des Woords werkelijk de grond uwer en mijner hope? Misschien denkt ge: „ja, 1950 jaar geleden werd Hij vieesch, maar dat is nu alles voorbij, en nu is de verheerlijkte Heiland mijn hoop en troost". — Dat kan niet, dat mag niet, gemeente De verheerlijkte Heiland kan uw en mijn Petra met zijn, als de vlééschwording des Woords uw hoop en troost niet is. Paulus verklaart nadrukkelijk, in Filipp. 2 : 5—11 : „omdat Gods Zoon Zich zóó diep

2 : 5—11 : „omdat Gods Zoon Zich zóó diep vernederd en zoo volkomen ontledigd heeft, daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en heeft Hem een naam gegeven boven allen naam". Juist die vernederende vlééschwording is de grond van Zijn heerlijkheid en van ons behoud, en ook van onze verheerlijking. Dat komt Gods Woord ons leeren, juist in deze

Dat komt Gods Woord ons leeren, juist in deze eerste weken na Kerstfeest en Jaarwisseling, en inzonderheid in het u voorgelezen Schriftgedeelte uit Mattheus 3 en 4.

1. Gods Zoon, het eeuwige Woord, aanvaardt gehoorzaam aan den Vader het vleesch-zijn. 2. In dat vieesch, wandelt en handelt Hij door den Geest. 3. Zoo verwerft Hij ons de genade des Vaders en de gemeenschap des Geestes.

1. Gods Zoon aanvaardt het vleesch-zijn. Hiermede doelen wij nu niet op de bereidheid des Zoons van eeuwigheid om vieesch te worden en Gods zoen-offer te zijn, gelijk Hij die Zelf uitspreekt in Ps. 40: „Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, o God". Neen, het gaat er nu om, hoe de Zoon, eenmaal „vleesch" geworden zijnde, Zich bereid verklaard en getoond heeft om dezen staat der vernedering ten volle te doorleven, in gehoorzaamheid aan den Vader.

De Vader heeft van de geboorte af aan het Kindeke „vleesch" doen zijn. Het ligt niet met een hemelsche stralenkrans in de kribbe en aan Maria's borst. Het was een menschenkind als wij en moest langzaam groeien en tot bewustheid, ook tot bewustheid van Zijn roeping op aarde, komen. Het was „vleesch". In den vollen, vreeselijken zin des Woords.

Ten 8sten dage moet het besneden worden, welke besnijdenis Gods vonnis over het vleesch is. En juist door het ondergaan van dat vonnis over het vleesch is Hij Jezus, Zaligmaker en ontvangt Hij dien Naam bij de besnijdenis. 33 dagen daarna verklaart God opnieuw, dat dit Kind „vleesch" is; want dan moeten moeder en Kind als onreinen voor God in Zijn tempel staan en het reinigingsoffer brengen ; en Jozef en Maria moeten bovendien hun eerstgeborene den Heere voorstellen als een des-doods-schuldige gelijk de eerstgeborenen van Egypte, en Hem lossen. Want met heel Israël is ook Hij vleesch. Daarom moet Hij ook op 12-jarigen leeftijd in Jerusalem met Zijn ouders het Paaschlam slachten en eten, dat sterft, opdat Hij leve.

Want met ons is Hij vleesch geworden. Zoo zet God de Vader Zijn heilig Kind Jezus met ons in de rij van al wat vleesch en zonde is, gedurende heel Zijn kindsheid. Maar zal de Zoon, volwassen geworden, die vernedering ook Zelf aanvaarden, — of zal Hij gekomen tot den leeftijd der ambts-aanvaarding •/eggen tot ons, die vleesch zijn : nu ga Ik apart staan; want Ik ben heiliger dan gij ? Gij zijt zondaren, maar wie overtuigt Mij van zonde? Ais daar Johannes de Dooper tollenaren en zondaren na schuldbelijdenis doopt tot vergeving der zonden, en Jezus daar ook bij staat, nu 30 jaren geworden zijnde, — zal Jezus nu zeggen : „gij moet gedoopt worden, Ik niet; want Ik heb ge^n zonden, die afgewasschen moeten worden, en ge(>n „vleesch", dat sterven moet. Want de Doop beteekent toch de afsterving van den ouden m-^nsch". Zal de Heere Jezus zóó spreken en h"indelen ? Ja, dat zouden wij verwacht hebben.

En Johannes verwachtte dat ook Want toen Jezus tóch toptrad, om gedoopt te worden, net als de anderen, die gedoopt werden, toen wilde, toen du'-fde Johannes niet. „Ik moest veeleer door U gedoopt worden. Want ik ben een zondaar, net als de anderen maar Gij ? Gij gedoopt worden ? — Neen !" Maar de Zoon in het vleesch zette dóór, — noemde het goddelijke „gerechtigheid", dat ook Hij gedoopt werd. Zich liet doopen als een daad van gehoorzaamheid aan den Vader. Ondergaande 18 in de wateren van den Doop aanvaardde Hij het vleesch-zijn, het zonde-gemaakt-zijn, aanvaardde Hij het doodvonnis over den ouden mensch. En zóó groot was de blijdschap in den hemel over deze gehoorzaamheid van den Zoon, dat de hemelen openbraken en niet de engelen nederkwameii als in den Kerstnacht, maa^ de Geest Gods op het vleesch-geworden Woord nederdaalde en op Hem bleef, en des Vaders Woord : „Deze is Mijn geliefde Zoon in welken Ik Mijn welbehagen hela".

Met Goddelijk welgevallen zag de Vader neder op Zijn heilig Kind Jezus, dat het vreeselijke „vleesch-zijn" gewillig aanvaardde. En als het uw en mijn hoogst verlangen is, dat diezelfde Vader ook op ons, zondaren, in genade en gunst nederzief, en verklaart: „gij zijt Mijn lief kind", dan kan dat verlangen alleen dan vervuld worden, als wij dien Zoon als den in het vleesch-gekomene gelooven en aanbidden. Want „hieraan kent gij den Geest Gods: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God.

En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den Antichrist" (1 Joh. 4 : 2 en 3). Ja, dat is „tegen-Christus" zijn. Want Christus Zelf, hoewel Hij het eeuwige Woord, de eeuwige Zoon is, heeft het vleesch-geworden-zijn welbewust aanvaard en gekozen om ons te redden.

Hoe heeft Hij deze roeping vervuld ? Op die vraag geeft Gods Woord, juist in onzen text, een duidelijk antwoord. . II. Vleesch geworden zijnde heeft Hij Zich in ons vleesch nochtans alleen door den Geest, door den Heiligen Geest en dus ook door Gods Woord laten leiden.

Nauwelijks heeft de Zoon in het vleesch den Geest ontvangen, die bij den Doop zichtbaar, als een duive, op Hem neerdaalde, of Hij geeft Zich geheel aan de leiding van dien Geest over. Ons textwoord getuigt het: „Toen werd Jezus door den Geest weggeleid in de woestijn om verzocht te wprden van den duivel".

En daar jn de woestijn is Hij bezig met de Schrift, met Gods Woord, met name met het boek Deuteronomium, om daaruit Gods wil en weg te kennen. Aan Gods Geest en aan Gods Woord onderwerpt Hij Zich. Let er op : dat is precies het tegenovergestelde van wat wij, in Adam, gedaan hebhen. Wij hebben de leiding van Gods Woord en Geest verworpen. Christus laat Zich leiden door den Geest. Maar de tegenstelling is nog dieper. Midden in de paradijsweelde van de gemeenschap des Geestes hebben wij dien Geest de gehoorzaamheid opgezegd, en zijn „vleesch" geworden. Maar Christus heeft midden in de woestijn van ons vleesch-zijn, waarin Hij wilde verkeeren, van uit ons vleesch zich gehoorzaam aan de leiding van Gods Woord en Oeest overgegeven, zelfs toen die Ocest Hem de woestijn in stuurde om verzocht te worden door den duivel. PreJes omgekeerd als wij! Hn is dan ook onze Plaatsbekleder, die komt herstellen, wat wij verdorven hebben, die de gelioorzaamheid komt betrachten, die wij geweigerd hebben, en die daarom verzocht is als wij. O, denkt daar toch niet te gemakkelijk van. Als Jezus daar in de woestijn aan de verzoeking door Satan wordt blootgesteld, denkt dan toch niet: nu ja, Hij kon toch niet zondigen, omdat Hij immers Oods Zoon was.

Ja, Hij is GoQS Zoon! Maar het Woord is „vleesch" geworden in ons vleesch. Hij is verzocht als wij, zoodat Hij nu uit bange ervaring medelijden kan hebben met ons, die verzocht worden (Hebr. 2). In vleesche verkeerende is Hij wezenlijk verzocht. En wel allereerst met een heel gewone menschelijke vleeschelijke verzoeking over het brood, waatmee een mensch zijn honger moet stillen, waarvan een mensch leven moet. „Bróód-noodig" noemen wij iets, waarvan wij meenen, dat het onmogelijk gemist kan worden. Om de broodvraag is de heele wereld voortdurend in rep en roer. Daar grijpt Satan den Heere Jezus aan. 40 dagen

had Jezus immers reeds gevast en gebeden en Gods Woord, met name Deuteronomium, gelezen, en om gehoorzaamheid aan Woord en Geest gesmeekt. Tenslotte herneemt het vleesch zijn rechten. Hem hongerde ten laatste. En dat in een woestijn, waar heinde en ver geen spijze te vinden was.

Op dat moment heeft de duivel gewacht. Want hij weet goed, waar en wanneer hij bij „vleesch" als wij zijn de beste kans heeft. Daar staat hij als vrome zorgzame raadgever. „Ge hebt al veel te lang gevast. Dat houdt uw lichaam niet langer uit. Nu moet er direct raad geschaft. Gij zijt immers Gods Zoon. God Zelf heeft het u verzekerd bij dien Doop : Deze is Mijn geliefde Zoon. Welnu, als gij dan Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen (die hier liggen) brooden worden".

Wij zouden zoo zeggen : is dat nu duivelsche verzoeking ? — daar is geen onvertogen woord bij. Wat steekt daar nu voor zondige verzoeking in ? Waarom zou de Heere Christus, die dan toch werkelijk Gods Zoon is, en later heele scharen wonderlijk spijzigen zou, niet van Zijn goddelijke macht gebruik maken in dezen nood ? Waarom ?

Omdat het Woord „vleesch" werd, om in ons vleesch in geloof te leven, d. w. z. in allen nood op God te wachten en te betrouwen. Wat moeien wij doen in duren tijd en hongersnood ? Wat moesten wij doen in den oorlog ? En vooral: wat moesten de menschen doen in de grooje steden, die louter honger-woestijnen waren geworden ? Kunnen wij, menschen, dan soms van steenen brooden maken ? Neen, dan is onze roeping, tot God te schreien, op Hem te hopen, op Hem te wachten, op Hem te vertrouwen. En doen wij dat dan ook werkelijk ? Neen, dat doen wij niet. Wij willen niet in geloove leven, en hopen op Zijn Woord, en wachten op Gods tijd. Wij staan veeleer tegen God op ! Maar Gocjls Zoon is gekomen in het vleesch, om in onze plaats Gode de eer te geven, en op Hem en Zijn Woord te wachten.

Daarom beveelt Hij die steenen niet, brooden te worden, al houdt de Satan Hem voor, dat „er geen dag en geen uur meer gewacht kan worden ; en dat Hij daarom maar van Zijn goddelijkheid moet gebruik maken. Dat is toch geen zonde !" Maar Jezus antwoordt hem : „Jawel satan, dat is wel zonde".

Want Ik moet mensch zijn, en, in dien staat Gode de eer gegeven, God God laten zijn, wachtende op Zijn Woord, en hopende op Zijn hulp. Daarom, o Satan, gij zegt tot Mij: indien Oij Oods Zoon zijt, zeg dat deze steenen brooden worden", — maar „er staat geschreven". God zegt dus : „de mensch zal bij brood alleen niet lever, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat". Als mensch is het Mijn taak van Godswege niet te leven bij brood alleen, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat". Dat zullen wij pas recht kunnen verstaan, als wij goed letten op het Schriftwoord, waarop onze Heere Zich beroept.

Het is al van groote beteekenis, dat Jezus Zich op de Schrift beroept Hij wederstaat den duivel niet met een eigen woord; Hij /egt niet: ,lk ben het Woord Zelf, God Zelf; en daarom zeg Ik tot u". Neen, het Woord is „vleesch" >,seworden, en moet het nu Zelf met het geschreven Woord doen, pet als gij en ik. Daarom wederstaat de Heere den duivel meteen: „daar is geschreven: de mensch zal bij brood alleen net le,vei!,maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat".

Dat woord staat geschreven in Deuteronomium 8 : 1—4. Ach, hadden wij maar net als Jezus aandachtiger Deut 8 gelezen, dan zouden wij dit antwoord van den Heere Jezus niet zoo verkeerd verstaan hebben. Wij maken er altoos van : „de mensch heeft aan het aardsche brood niet genoeg, hij moet ook geestelijke, hem^lsche spijs hebben". Dat zegt de Heere Jezus hier echter volstrekt niet (al is het op zichzelf een waarheid, verg. Joh. 6 : 27). En Mozes bedoelt en zegt ook heel wat anders, als wij maar goed lezen wat hij zegt. Mozes spreekt tot het volk Israël: „God voerde u door de woestijn en liet u hongeren en voedde u al die jaren met manna, dat gij noch uw vaderen ooit gekend hadt, om u te ieeren, dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar van alles wat uit des Heeren mond uitgaat".

Brood, dat naar ons oordeel zoo broodnoodig is, was er nu eenmaal nooit en nergens in de woestijn. Toen ging er een woord uit Oods mond: gij zult van manna leven. En zij leefden ervan, 40 jaren lang. Welnu, zoo wil God ons allen leeren, te leven van wat Ood zegt, te wachten op Gods tijd en bevel. Ach, wij brengen er niets van terecht. Wij durven het op Gods Woord en belofte niet wagen. Komt er niet gauw genoeg brood, dan gaan wij met geweld het probeeren te veroveren. En wij vloeken God, als het niet lukt.

Maar de Heere Jezus heeft, als de mensch in onze plaats, gewacht op hét woord, dat de Vader spreken zou in den honger. En Hij is niet bedrogen uitgekomen. Want toen de duivel op de vlucht ging, kwamen op Oods bevel de engelen neder en dienden Hem met spijze en drank, gelijk ook Elia eenmaal in de woestijn door een engel Gods was gespijsd en gelaafd (1 Kon. 19 : 5—8|.

En zoo heeft Gods Zoon in het vleesch gedurende al de dagen Zijns vleesches, gehoorzamend aan de leiding van Geest en Woord, de verzoeking van Satan wederstaan. Met bidden en vasten, met sterke roeping en tranen Zich vastklampend aan het geschreven Woord, aan de beloften des Vaders, heeft Hij gewacht tot God spreken zou : nu zij er brood. Maar ook gewacht, totdat Ood spreken zou: nu is de tijd der verheerlijking gekomen. Hij heeft het geen roof geacht, het niet als een roof willen grijpen : Gode even gelijk te zijn, en de voorzegde Messiasheerlijkheid te bezitten (Filipp. 2 : 6—8).

Die ure der verheerlijking heeft het vleeschgeworden Woord geen ogenblik pogen te verhaasten, of in goddelijke macht nabij dwingen. Noch door af te springen van de tinne des tempels en zoo succes te forceeren ; — noch door een knieval voor den overste dezer wereld om bij diens gratie den troon der wereld te bestijgen ; — heeft Hij gepoogd Gods beloften tot vervulling te brengen (Matth. 4 : 5 vv).

Gods Zoon in het vleesch heeft geloofd, wat God had beloofd en heeft gewacht op het woord, dat op Gods ure zou uitgaan uit Zijn mond : „Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik al uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten". Zoo heeft dan de Zoon in de dagen Zijns vleesches gesproken en gehandeld in gehoorzaamheid aan Gods Woord en Geest en is zoo de Overgte Leidsman en Voleinder des geloofs geworden. Want Hij, Hij alleen heeft het geloof begonnen, voortgezet en voleindigd, totdat Hij roepen kon : „Het is volbracht".

111. Ja, Hij heeft het volbracht, voleindigd. En daarmede heeft Hij een volkomen gerechtigheid teweeggebracht,'in dadelijke en in lijdende gehoorzaamheid aan den Vader, in geloof. En daarom kon de Vader ook eenmaal en ander- .maal hoorbaar vanden hemel spreken: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in welken Ik Mijn welbehagen heb". Maar weet het wel: Hij heeft het in het vleesch volbracht voor ons". Dat is het 3e punt onzer overweging. 20 Door de aanvaarding van het in-vleesche-zijn heeft Christus het welbehagen des Vaders en den Heiligen Qeest niet slechts voor Zichzelf verworven, maar ook voor ons!

Voor ons, die het niet volbracht hebben, die niet gehoorzaam geweest zijn, die op God en Zijn Woord niet hebben gewacht en vertrouwd, die ook 1950 niet durven leven van alle woord, dat door den mond Oods uitgaat.

Voor zulke ongeloovige en ongehoorzame menschen als Adam was, als de Israëlieten in de woestijn waren, als gij en ik zijn, voor zulken heeft de Heere Jezus het volbracht in ons vleesch, als onze Plaatsbekleeder. Calvijn drukte dat plaatsbekleedende aldus uit: „Christus heeft geleden en gestreden in den persoon des zondaars."

Dat beteekent : als daar Christus aan het kruis hangt, dan ben ik het eigenlijk, die daar gevonnisd word. En als Christus daar in de woestijn verzocht wordt van den duivel, dat ben ik het die verzocht word. Maar ook, als Christus daar in geloof met het geschreven Woord den duivel wederstaal, dan ben ik het, die den duivel wedersta en overwin. „Als Eén voor allen gestorven is, dan zijn, in dien Eéne, allen gestorven" (2 Kor. 5). En dus ook : „als Eén voor allen in geloove den duivel heeft overwonnen, dan hebben allen, die in Hem gelooven, in dien Eene den booze overmocht.

Zijn lijden en sterven is ons lijden en sterven. Zijn strijd en overwinning is onze strijd en overwinning. Zijne gerechtigheid is onze gerechtigheid. Hij is de ,Jehovah onze gerechtigheid!" En — o ondoorgrondelijke Goddelijke heilsraad — o aanbiddelijke Goddelijke heilsweg! — om zoo heerlijken Naam te dragen voor Zijn Kerk en in het midden Zijner Gemeente, moest Gods Zoon, het eeuwige Woord, „vleesch" worden. Want niet in Goddelijke macht en kracht, maar in de armoede en zwakheid des vleesches heeft Hij het alles volbracht, het geloof en de gehoorzaamheid voleind, die Hij ons schenkt en toerekent, Zijt gij tevreden met dit plaatsbekleedende geloofswerk van den Zoon in uw vleesch.

Of wilt gij het liever (met Zijn hulp natuurlijk, want wij zijn o zulke vrome, ootmoedige lieden) nog eens probeeren zelf, door geloovig blijven bij Oods Woord, en wachten op Gods beloften, de goedkeuring Gods over uw leven te verwerven zoodat Ood ten slotte, misschien op het eind van 1950, ook van u zegt: gij zijt Mijn lief kind. Ik heb welbehagen in u ? Ga het dan nog maar eens probeeren.

En doe het met ernst. Want God heeft recht op niets minder dan op uw volkomen geloof en uw volkomen gehoorzaamheid. Met half geloof en halve gehoorzaamheid is Hij niet tevreden. Ook bij den Heere Jezus was Hij niet tevreden, dan met algeheele gehoorzaamheid aan Woord en Geest. En Hij, Jezus, als de mensch in onze plaats, heeft, in ons vleesch, Gode die gehoorzaamheid volbracht. Wilt gij Hem dat na-doen ? Straks gaat de noodiging weder uit, om plaats te nemen aan den Disch des Heeren en de teekenen van Zijn gunst te ontvangen.

Acht gij uzelf misschien nu nog onwaardig voor die zegelen van Gods liefde. Wilt gij eerst nog eens probeeren Zelf aan Gods Woord en Geest gehoorzaam te worden, gelijk de Heere Jezus gehoorzaam was.

Wilt gij Hem dat na-doen en zoo het welbehagen Gods tot u trekken ? door uw geloof ? Of zijt gij tevreden met Christus'volbracht werk? Toen Dr Kohlbrugge eens in bange aanvechting verkeerde vanwege eigen ongeestelijkheid en ongehoorzaamheid, kwam uit de Schrift van Godswege deze vraag tot hem : Zijt gij tevreden met Mijn Lam ? Ik ben er tevreden mee. Zijt gij óók tevreden met Mijn Lam ? En hij antwoordde midden uit zijn nood : Ja Heere, als Gij dan tevreden zijt met het Lam, dan is het ook voor mij genoeg". Toen brak de vrede door als een rivier. En sinds dien predikte hij met macht den Jehovah onze gerechtigheid.

Wees ook gij, die bij uzelf geen gerechtigheid vindt, tevreden met dat Lam, dat in ons vleesch aan Woord en Geest gehoorzaam was en bleef. Dan ziet God ook op u in welgevallen neer. Want „dit is het werk Gods, het werk dat God van u vraagt, dat gij gelooft in Jezus" (Joh. 6).

Dan geschiedt er een groot wonder. Niet alleen, dat ook gij vrede vindt. Maar dit wonder, dat gij, als een rank in den Wijnstok Christus ingeplant, nu ook als een rank van den Wijnstok vruchten gaat dragen, die God behagen, vruchten des Geestes. Wonderbaar! Zoolang wij er nog op uit zijn door eigen geloof en eigen gehoorzaamheid, in navolging van Jezus, Gods welgevallen te winnen, komt er nfets van terecht.

Maar nu wij dan tevreden zijn met de gerechtigheid en het bloed van Gods Lam, nu gaan wij — tot onze eigen verbazing! — we durven het ternauwernood gelooven dat het waar is! — we zien er zelf zoo weinig van — en toch is hei er, God ziet het wel! — nu gaan wij Gode welgevallige vrucht dragen. Wat voor vrucht? Wel: deze vrucht r het blijven bij en in Gods Woord, de vrucht van geloof en lijdzaamheid, van het wachten op Gods tijd, van het wederstaan van den Booze en van al zijn verzoekingen.

Hij gebiedt het immers de Zijnen : „wederstaal den Booze en hij zal van u vlieden". Maar Hij laat het niet aan ons over, om nu dat gebod te vervullen. Neen, Hij is verzocht als wij, opdat „Hij in hetgeen Hij verzocht zijnde geleden heeft, ons, die verzocht worden, zou kunnen te hulp komen" (Hebr. 2). Ja Hij kan het, en Hij wil het en Hij zal het. „Hij kan en wil en zal in nood, Zelfs bij het naderen van den dood, Volkomen uitkomst geven".

Ook in 1950. AMEN.

Gelezen: Art. des geloofs, Deut. 8: 1—6, Matth.4: 1—11. Gezongen : Ps. 96 :1 ; Gebed des Heeren : 1 —5 ; Ps. 97 : 7; Avondz. : 5°; te zingen: Gez. 54 : 5 (O. B.), 160 : 3 (N. B).

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 februari 1950

Kerkblaadje | 8 Pagina's

In het vleesch-gehoorzaam aan den Geest

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 februari 1950

Kerkblaadje | 8 Pagina's