Jezus en de zondares.*
Text: LUK AS 7 : 40-47: „Doch Jezus antwoordde en zeide tot liem: Simon, Ik tieb u wat te zeggen. En hij zeide: Meester, zeg het. — Een geldschieter had twee schuldenaars: de een was schuldig vijfhonderd penningen en de ander vijftig; maar toen zij niet hadden om te betalen, schonk hij het hun beiden. Zeg dan, wie van hen zal hem het meest liefhebben ? Simon antwoordde en zeide: Ik acht, wien hij het meest geschonken heeft. En Hij zeide tot hem: O ij hebt recht geoordeeld. En Hij keerde Zich tot de vrouw en zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; gij hebt Mij geen water gegeven voor Mijn voeten; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt en ze gedroogd met de haren haars hoof ds. Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze heeft, van dat zij hier binnen gekomen is, niet opgehouden Mijn voeten te kussen. Oij hebt Mijn hoofd niet met olie gezalfd; maar zij heeft Mijn voeten met zalf olie gezalfd Daarom zeg Ik u: Haar zijn vele zonden vergeven, want zij heeft veel liefgehad". {Naar de door Dr Kohlbrugge gebruikte vertaling van Luther).
Is dat ook niet de wil des Vaders ? Staat er niet geschreven : „Hij wierp de zonden van ons allen op Hem" ? En is aangaande Hem niet getuigd: „Voorwaar, Hij droeg onze krankheid en torste onze smarten. Hij is om onze misdaden gewond en om onze zonden geslagen"; en wederom : „Zie het Lam Oods, dat de zonde der wereld draagt!" en : „Hij is de verzoening van onze zonden"? De Parizeer had dus ongelijk ! Zijn wij dan niet 'als de Parizeer, als wij niet alleen de profetische waardigheid des Heeren, maar ook Zijn hogepriesterlijke gerechtigheid en Zijn koninklijke macht zowel voor onszelf als voor anderen, volstrekt niet hoog aanslaan of ze in twijfel trekken ? Deze geschiedenis, die wij overdenken, wordt tot op de huidige dag in ons en in anderen voortgezet. En nu hebben wij ons te beproeven. De Heere is nog hier in Zijn Woord, als het gepredikt, gehoord, gelezen wordt, en in hetgeen er onder de mensen gebeurt. Willen wij het Woord laten gelden, dat ons predikt, dat een zondares den Heere aanraakt en in Hem gelooft, zoals zij is ? willen wij het Woord voor ons zondaren en zondaressen aannemen en geloven, het Woord, dat ons op 't diepst vernedert en ons voorhoudt, dat wij den Heere mogen en moeten aanraken, zoals wij nu eenmaal zijn ?
Ach, welke voorwaarden, welke wetten, welke voorschriften, welke wegen verzint het vlees, alvorens het een zondaar veroorlooft te geloven, en een zondares vergunt den Heere aan te raken ! En wederom, welke voorwaarden meent men eerst fe moeten vervullen, .welke wetten te moeten nakomen, welke wegen te moeten inslaan, voordat men zichzelf veroorlooft, tot den Heere te komen, als men zich werkelijk in zulk een toestand bevindt, dat men vóór God en mensen, of verborgen vóór de mensen, maar openbaar vóór de rechterstoel van zijn eigen geweten, een zondaar, een zondares is, zoals deze zondares het was! Waar is de mens, die, niet omdat hij in zonden
Waar is de mens, die, niet omdat hij in zonden ligt, maar uit een zuiver geweten aan genade vasthoudt en, allen duivelen en tegenpartijders ten spijt, aan de zondaren en aan zichzelf genade voorhoudt, onvoorwaardelijke genade, dit wetend, dat de genade alleen alles doet ? Van en uit zichzelf doet ieder als Simon de Parizeer; hij staat zichzelf in de weg en verhindert ook anderen in te gaan. Dat doet de hoogmoed van hef vlees, dat zegt: „Ik dank U, o God, dat ik niet ben als de zondares" ; of de hoogmoed, dat men het zichzelf niet wil vergeven, als men werkelijk als de zondares is, en daarom ook de vergeving van God niet wil; want men wil het niet weten, wat men is en wat men geworden is. Men heeft nog een heilig deel, dat men wil handhaven. Slechts waar de genade heerschappij voert, zal men zich gedrongen gevoelen om als zondaar aan genade vast te houden, aan zondaren genade en niets dan genade te prediken, zichzelf en anderen armen en eliendigen geloof voor te houden. Waarom ? Juist daarom, omdat men geleerd heeft, dat genade alleen de bron is, waaruit alle Godewelgevallig leven en elke Godewelgevallige beweging zonder onze moeite opwelt, en dat het geloof het vat is, waarmee het alleen geoorloofd is, uit deze bron te putten. Maar de werken, de werken dan ! De liefde moet er toch zijn; men mag toch geen zondaar, geen zondares blijven ! Men mag niet, — men moet niet! Horen wij, wat het Evangelie zegt!
Ik zie een onkuise, die in heel de stad als zodani' bekend staaf, wier eer voor God en mensen we;,^ is, aan de voeten van Jezus wenen. Ik vraag: mag ik haar daarom veroordelen, of mag ik van den Heere Jezus denken, dat Hij geen Profeet meer is, omdat Hij dit toelaat ? Ik sla echter verder een blik in de geschiedenis van de Gemeente van Christus en zie daar, dat allen, die schulden hebben en bedroefd van hart zijn, zich tot dezen onzen David in de spelonk Adullam verzamelen, en dat Hij hun Hoofd wordt. Ik vraag: mag ik deze mensen veroordelen, omdat zij zich tot onzen David begeven ; en mag ik soms daarom Zijn eer verkleinen, omdat Hij hun Hoofd wordt ?
— Ik ga op de zaak nog wat dieper in. Ik zie in de tegenwoordige tijd, ik zie heden een onkuise, wier eer voor God en mensen weg is, aan de onzichtbare voeten des Heeren wenen ; ik bemerk, dat zij zich in haar verzinken daaraan vastklemt. Mag ik haar van deze voeten wegstoten en haar toevoegen : Jij onheilige, word eerst heilig ! Mag ik het wagen den Heere te onderrichten, dat zo'n onheilige Zijn heiligheid te na komt ? Ik ga nog een stap verder: Ik vraag mijzelf, ik vraag u : Hebben wij voor het aangezicht van God en Christus en Zijn heilige engelen minder zonden tegen het zevende gebod begaan, dan deze zondares ? En nu, wie zich, hetzij door den duivel, hetzij door schijnvrome mensen, hetzij door zijn eigen Simonsnatuur ervan laat weerhouden, de voeten van Jezus aan te raken, die zij op zijn hoede, wat hij doet. Of wij liggen hier aan Zijn voeten, óf de vlammen der hei grijpen ons. Komen wij daarmee dan Zijn heiligheid te na ? Zullen wij daarom Zijn Woord in twijfel trekken, als was het niet het zuivere, het waarachtig profetische Woord? Laten wij dezen Profeet horen !
Welaan, gij wilt, de werken zullen het éérst tonen, of men het ook wel waardig is, zich aan deze heilige voeten neer te werpen. Gij ziet echter geen werken bij zo iemand, als de zondares is. Nu trekt gij het Woord van genade in twijfel, omdat het van den mens geen werken eist, doch zich genadig bewijst aan hem, die er zich aan overgeeft. Deze Profeet weet wel, wat er in hef hart van de mensen schuilt. Deze Profeet kent den mens tot in het diepst van zijn ziel. Hoor, gij, die nog steeds bezig zijf over werken te peinzen en niet de genade alleen, het geloof alleen, wilt hebben of prediken, — hoor, wat deze Profeet in Zijn liefde tot de mensen en in Zijn lankmoedigheid spreekt en hoe Hij oordeelt.
Hij vraagt verlof om te spreken ; vriendelijk zegt Hij: Simon, Ik heb u wat te zeggen. Nu zult gij deze keer bij Zijn antwoord op de gedachten van uw hart uw oren toch wel niet toestoppen, gij zult toch tenminste nog wel zó beleefd zijn, met Simon Hem te antwoorden : Meester, zeg het! Iemand, die geld op rente leent, — hoort het —, had twee schuldenaars, de een was schuldig vijfhonderd penningen en de ander vijftig. Maar toen zij beiden niet hadden om te betalen, schonk hij het hun beiden. Wie van beiden zal hem het meest liefhebben ? Zeker antwoordt gij met Simon : Ik acht, wien hij het meest geschonken heeft. En gij hebt het antwoord des Heeren : Gij hebt recht geoordeeld. — Waartoe deze gelijkenis? — Qij wilt werken zien, gij vraagt naar werken bij uzelf en bij anderen; gij kunt het noch bij uzelf, noch ook bij anderen begrijpen, dat de genade alleen alles doet, en dat men uit de volheid van deze genade — genade voor genade tot alles ontvangt, als men alleenlijk gelooft? Zo willen wij dan toch eens zien, aan welke kant de waarachtige werken gevonden worden, en dan hef ik met den Heere als banier, waarom- heen alle goede werken zich behoren te bewegen, de liefde op, en verhef met Paulus mijn stem n betuig: indien ik de liefde niet had, zo ware ik niets.
Ik laat hier de volgende waarheden voorafgaan : elk goed werk, voorzover het uit onszelf voortkomt, is zodanig, dat èf God er niets van weet, óf ook wij het terstond laten varen, zodra wij weten, dat wij met God te doen hebben ; want dan dringt het tot ons door, dat het een volkomen overbodig werk is, dat wil zeggen : een werk, dat God niet gelukkig maakt, dat Hem niet verheerlijkt.
Wat de mens als goed werk uit zichzelf doet, doet hij niet voor God, maar voor zichzelf. Hij wil nooit zoals God wil.
Wat God tot Zijn eer wil gedaan hebben, dat brengt Hij bij de Zijnen door de genade van Zijn Heiligen Geest tevoorschijn ; van het hoe, wat en waartoe kan de mens zichzelf niet zo precies rekenschap geven, hij kan ook evenmin waarde aan dit werk toekennen ; want hij doet het, zonder dat hij het zelf weet. Wie altijd slechts onder Wet is, die is een Parizeer,
Wie altijd slechts onder Wet is, die is een Parizeer, die is vol werken, hem kunnen weinig zonden vergeven worden, want hij heeft niet veel zonden ; daarom heeft hij ook weinig liefde, ofschoon hij meent, veel lief te hebben.
Wie daarentegen onder de heerschappij der genade is opgenomen, die heeft veel zonden, zo wordt hem dan ook veel vergeven, daarom heeft hij ook veel lief. Zó staat het met hem voor de menselijke rechterstoel. Voor de rechterstoel van zijn eigen geweten heeft hij daarentegen niets dan zonden, daar is alles zonde, en zo wordt hem ook alles vergeven, en nu heeft hij alleen lief Dien, die hem vergeven heeft, en in deze liefde heeft hij alle goede werken, en hij doet ze, zonder dat hij ervan afweet; God alleen weet ervan af.
Gij vraagt naar de bewijzen ? Zij liggen in de toepassing, die de Heere uit de aangehaalde gelijkenis maakt.
Welaan, het gaat om de werken. Daar hebben wij nu in de eerste plaats iemand, die onder Wet is, een Parizeer. Zijn eerste en voornaamste goed werk is, dat hij een Parizeer is. Hij kan in de Tempel staan en bij zichzelf aldus bidden : Ik dank U, o God, dat ik niet ben, als andere mensen, een rover, onrechtvaardige, tollenaar, of ook als deze zondares. Ik vast tweemaal in de week en geef de tiende van alles, wat ik heb". Hoe veel goede werken op eenmaal! Hij heeft nog méér werken : met zijn verstand overdenkt hij Gods Wet dag en nacht, met zijn hart tracht hij aan deze Wet gelijkvormig te worden. „En nu, Simon, waartoe hebt gij uw lippen ?" —
„En nu, Simon, waartoe hebt gij uw lippen ?" — „Om God te loven, en een drievoudige broederkus
„Om God te loven, en een drievoudige broederkus aan de broeders te geven". — „En waartoe hebt gij daar dat water en die fijne handdoeken ?" — „Om de voeten der heiligen te wassen en af te drogen". — „En waartoe die olie ?" ~ „Om de broeders daarmee te zalven en te
verkwikken". — „O, welk een reeks van goede werken ! En voor wien laat gij de dis aanrichten en ligbanken neerzetten?' — „Ik krijg gasten, onder anderen Jezus van Nazareth". — „Zijt gij zo verdraagzaam ?" — „Jazeker! Hij is immers een leraar van God gekomen, ik ben het geheel met Hem eens". — „Hoe zijt gij zo dicht bij het Koninkrijk der hemelen '"
„Maar hoe, Simon, daar komt Hij in uw huis, en voor het aangezicht van alle gasten beledigt gij Hem, en ontvangt Hem, als was Hij een zondaar uit de heidenen, een ketter! Gij geeft Hem geen kus, geen water voor Zijn voeten, gij zalft Hem niet met olie? En nu komt daar zo onopgemerkt een zondares binnen en doet op zeer verheven wijze datgene, wat gij naar gewoon gebruik gedaan moest hebben. En gij nu. gij gevoelt u bestraft, maar gij schuift de schuld van u af; de rechtvaardige Heiland is naar de gedachten van uw hart een valse profeet, een door God begenadigde vrouw naaruw oordeel een zondares ?" — Mens, zie uw beeld ! voor uzelf doet gij al de werken, die gij doet! En nu neemt ge, om aan uw werk de kroon op te zetten, aan het einde ook Christus in Zijn Woord op ; evenwel, de prediking van Christus, die gij niet verstaat, bevlekt gij met uw gedachten, gij verwerpt haar als die van een valsen profeet, en den waarlijk begenadigde zoudt gij willen uitstoten, als het in uw macht lag. — Weet God nu iets van al zulke goede werken, waardoor men zich zó heilig gemaakt heeft, dat men den heiligen God niet meer kent en Zijn heilig doen als onheilig verdenkt ?
Daar hebben wij aan de andere kant de zondares. Misschien is een van haar bloedverwanten een Parizeer. Zij is door allen veroordeeld. Voor haar is er geen zaligheid. Zij heeft zich dikwijls willen bekeren, zij is echter alleen nog maar dieper gezonken, zij zelf wanhoopt aan alles. Daar hoort zij: Jezus komt in de stad. Hoe klopt haar het hart! „O, als Hij mij ziet, werpt Hij de laatste steen op mij, doorboort mij met Zijn blik, en ik ben voor eeuwig verloren ! Zeg mij, mijn beste buurvrouw, wat predikt deze Jezus?" — „Dit — dat". — „Maar hebt gij ook een woord van Hem gehoord, dat er nog redding mogelijk is voor zo iemand, als ik ben ?" — „O ja, Hij zei o. a. tot de Parizeen : De tollenaars en hoeren kunnen wel eerder in het Koninkrijk der hemelen komen dan gij!" — „Tollenaars en hoeren ? In het Koninkrijk der hemelen.?" — Zij heeft genoeg gehoord, de verlorene, om zich zo bevlekt, als zij is, op haar bevlekte legerstede te werpen. „Tollenaars en hoeren in het Koninkrijk der hemelen ?" Het is teveel voor haar; zij zinkt in de afgrond van haar verlorenheid, zij wordt opgeheven, de hemel staat voor haar open. De Geest werkt liefelijk, terwijl Hij haar met vrede overstroomt en Zich met macht van haar meester maakt: Gij hoer, hoor des Heeren woord, gij hebt genade gevonden bij God, deze Jezus heeft ook u zalig gemaakt van uw zonden.
Wilt gij nu de werken ? Aanschouwt de vlam van een andere liefde, dan van die liefde, die haar ongelukkig maakte.
Waar is Hij ? ik wil aan Zijn voeten aanbidden en overvloedig wenen, dat Hij mij zo zalig heeft gemaakt! Wat heb ik in mijn huis, ik arme deerne. Wacht, deze kostbare zalf moet over Hem worden uitgegoten. Waar is Hij ? In het huis van den Parizeer. Ach, daar zal men zo'n Profeet onteren ! Ik moet er heen, Hij moet Zijn eer hebben voor de gehele wereld ! De Parizeen zeggen immers, dat Hij een vraat en wijnzuiper, een vriend van de tollenaars en de hoeren is, hoe kunnen zij goed voor Hem zijn ! Zij gaat nu, — om wat te doen ? Zal het den Heere heerlijker maken, als zij Hem gezalfd en Zijn voeten gewassen heeft ? Hij heeft Zich immers bij een andere gelegenheid geheel uit eigen beweging ongewassen bij een Parizeer aan tafel gelegd I —
Aan haar goed werk heeft.de Heere niets, zij doet iets, wat geheel overbodig is. Maar gij vraagt naar werken, — gij vraagt, waar deze vandaan moeten komen, als men zich alleen aan de genade houdt. Aanschouwt ze dan hier en ziet, hoe zij aanwezig zijn door de werking van den Heiligen Geest! Hier is de liefde werkzaam op volmaakte wijze. Hier is een zondares, die de volmaakte Wet der vrijheid volkomen doorziet, hier is een daderes van het woord: „Gelijk gij uw leden gegeven hebt tot de dienst der onreinheid, en van de ene ongerechtigheid tot de andere, alzo hebt nu ook uw leden gegeven tot de dienst der gerechtigheid, opdat zij geheiligd mogen zijn" (Rom. 6). Waartoe toch gebruikt zij, die zich aan de onkuisheid heeft overgegeven, haar voeten, handen, het haar van haar hoofd, haar lippen, de zalf ? Behoef ik het nog te zeggen ? Is het niet daartoe, om zich van de ene onreinheid tot de andere te spoeden en zichzelf en anderen naar lichaam en ziel te verwoesten ? Ziel echter hier, hoe de leden van deze zondares opeens worden gegeven tot de dienst der gerechtigheid en geheiligd worden door de aanraking des Heeren; hoe zij alle herschapen zijn tot een onvergankelijke liefde, den Heere te eren en Hem voor Zijn veilossing te danken. Heeft de zondares dit uit zichzelf gedaan, of heeft de genade des Heiligen Geestes dit in haar gewrocht, toen deze haar dreef in het huis van den Parizeer? Gij zult tegenwerpen : Zij heeft de liefde gehad, en daarom zijn haar zoveel zonden vergeven. — Eilieve, waar staat dat geschreven ? Heeft de Heere dat getuigd ? Bedoelt ge soms in de woorden : „Vergeven zijn haar de zonden, die vele waren, want zij heeft veel liefgehad" ? — Ja, antwoordt gij, daar staat het juist; deze heeft dus den Heere Jezus veel liefgehad, heeft Hem haar grote liefde bewezen, en daarom zijn haar de vele zonden, die de Parizeer haar in zijn gedachten verweet en die zij ook had gedaan, alle vergeven. Ach, had ik deze liefde, dan wist ik : Dit staat ook voor mij geschreven !
Slechts zoveel zeg ik voor ditmaal, en dat is het doel van deze preek, dat wij de toepassing ervan op onszelf maken. Wie onder Wet is, mist alle goede werken, als de Heere God bij hem in huis komt; ja veeleer, omdat de Heere God geen enkel van zijn werken waardeert, verandert zijn beetje liefde in vreselijke haat. Hij koestert gedachten van moord jegens zijn God en Heiland en sluit de hemel toe voor hen, die begeren in te gaan. Want hij is tezeer vervuld met eigenliefde om te letten op hetgeen er in de harten van de arme zondaren omgegaan is en omgaat. Wie echter door de genade gegrepen wordt, wordt zó gegrepen, dat alle goede werken uit dezelfde genade hem volgen en hem voorgaan; en toch is er bij hem niets dan weemoed daarover, dat hij niet eens instaat is, den Heere de schoenriemen te ontbinden. Gij zondaren en zondaressen, die het Woord van
Gij zondaren en zondaressen, die het Woord van genade gehoord hebt, weet gij niet, hoe gij den Heere voor de gehele wereld kunt eren ? Vraagt noch naar liefde, noch naar andere werken! Doet slechts dit ene, dat gij u niet laat weerhouden, noch door duivelen, noch door een Parizese wereld, om voor deze waarheid op te komen: Ik een zondaar, ik een zondares; maar Hij is mijn Vriend, Hij mijn Gerechtigheid, Hij mijn Heiland. Brengt Hem de zalf. Hij zal u niet beschamen, doch uw zaak V£rdedigen en van u getuigen, dat gij Hem hebt liefgehad.
Oordelen wij toch nooit een mens, voordat wij naar de oorzaak vragen, waarom hij zó handelt, als hij handelt. Hoeveel billijker zou de Parizeer gedacht hebben, als hij uit datgene, wat hij zag, de volgende slotsom had getrokken : Deze Jezus moet aan de zondares iets gegeven hebben, wat mijn begrippen, kennis en ervaring te boven gaat, en deze zondares moet iets van Jezus ontvangen hebben, wat haar er toe gebracht heeft, hier in het huis te komen en datgene te doen, wat zij doet. Zij is een zondares, zij heeft voorzeker vergeving van haar zonden gevonden, en nu is zij zo dankbaar. Zijn wij echter als de Parizeer, dan denken wij niet aan vergeving van zonden ; wij hebben teveel werken en te weinig zonden, waarvoor wij de vergeving behoeven, en dan doen wij zoals de broeders van David met David deden, toen hij het met Goliath wilde wagen. Zijn wij de zondares, dan zullen wij ons leven lang van niets anders weten dan van vergeving van zonden. Zijn dat zware, grote zonden, welnu, des te meer wil de genade zich bij ons verheerlijken, en zo zal juist dit, dat ons de zonden vergeven zijn, in ons een vuur van liefde ontstoken hebben, dat ons aan de voeten des Heeren brengt om Hem voor de gehele wereld te eren en Hem te zalven. Dan gaat het vanzelf, want dan is de Geest in de raderen. AMEN. zijn, maar niet ieder van ons wil zó zondig zijn als deze zondares, en niet ieder van ons doet, wat de zondares doet. Zolang wij intussen onder de Wet zijn, zijn wij als de Parizeer Simon, of wij willen of niet. Gave God, dat wij allen, zoals wij hier zijn, van de Wet af en met den anderen Man, Christus, getrouwd waren, bij Wien wij alleen vrucht des levens hebben !
De Parizeer Simon vond het ontzettend, dat een zo heilig man, als de Heere, Zich door zó'n vrouw, als deze was, liet aanraken. Zij maakte immers de voeten des Heeren nat, droogde, kuste en zalfde ze ! Hij vond het zó ontzettend, zó weinig in overeenstemming met de heiligheid des Heeren, dat hij Diens gehele profetische waardigheid begon te verdenken. De Parizeer zou deze vrouw met de voeten van zich weggestoten en uit het huis geworpen hebben. Hij zou vervolgens tegenover al zijn gasten in grote verlegenheid zijn geraakt en zich duizendmaal verontschuldigd hebben, dat hij deze vrouw niet kende en volstrekt geen gemeenschap met haar had. Hij zou voor zichzelf gebeden hebben om reiniging van zulke verontreiniging. Zou hij geen gelijk gehad hebben ? Neen, antwoordt gij. Ik geef u echter het volgende in overweging: Volgens de Wet kwam immers de gehele onrein
Volgens de Wet kwam immers de gehele onreinheid van deze vrouw op hem, dien zij aanraakte. Voor de Wet zag het er van dit ogenblik af aan
met den Heere uit, alsof Hij Zelf met de gehele onkuisheid van deze vrouw aan Zijn heilig lichaam bevlekt was. Dat is waar, antwoordt gij, maar dat is het, wat Hij juist gezocht heeft! Hij heeft immers gewild, Hij wil immers, dat wij Hem aanraken, opdat al onze zonden, hoe gruwelijk, hoe afschuwelijk ze ook mogen zijn, op Hem komen. Zo heeft Hij ze alle in Zijn lichaam aan het hout des kruises willen dragen. Hoe zullen wij van de ongerechtigheid afkomen, als wij Hem tiiet aanraken ? hoe ertoe komen, dat wij der gerechtigheid leven, als wij in Hem niet geloven, als wij niet op Hem zien, zoals de door de slangen gebeten Israëlieten op de koperen slang ? 137
Het gaat om de toepassing op onszelf, mijn geliefden, als wij het Evangelie horen of lezen. De menselijke geest is steeds 'bezig, zich te plaatsen aan de kant van hen, die in het Evangelie worden beschreven als goed en den Heere aangenaam. Niemand van ons wil de Parizeer Simon zijn, ofschoon hij het dagelijks zó maakt, als de Parizeer Simon, leder van ons wil wel de zondares
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 september 1951
Kerkblaadje | 8 Pagina's