Was Dr Kohlbrugge een mysticus, juist als de meeste mannen van de Nadere Reformatie?,
(Referaat, gehouden op de conferentie van de kring van vrienden van Kohlbrugge op 21 mei 1960)
Wij zijn hier vandaag als „vrienden van Kohlbrugge" bijeen. Wij beogen daarmee niet zo iets als een officiële herdenking. Daar zou een bijzondere reden toe moeten zijn. Heel vaak worden b.v, herdenkingen uitgeschreven om voor personen, die anders in het vergeetboek zouden raken, opnieuw belangstelling te wekken. En zo liggen de dingen vandaag juist niet. De belangstelling voor Kohlbrugge is er en ons bijeen zijn is daar een uiting van. Een jaar of tien geleden schreef Dr H. Berkhof wel, dat na de tweede wereldoorlog de belangstelling voor Kohlbrugge in de Nederlandse Hervormde Kerk zo goed als verdwenen was, dat zijn werken nauwelijks meer gelezen en de tonen van zijn prediking nog maar zwak gehoord werden'), maar dat schijnt over het geheel nogal mee te vallen. Natuurlijk heeft Kohlbrugge aan invloed ingeboet, zoals trouwens zovele theologen uit vroeger eeuw. Wie grijpt er nog naar hun geschriften anders dan met een speciaal doel? ledere tijd stelt zo zijn eigen eisen, zodat ook bijna ieder geestelijk product aan veroudering onderhevig is. Maar Kohlbrugge Wijkt ons nog altijd iets te zeggen te hebben. Nog altijd is er reden om te spreken van „de boodschap van Kohlbrugge nü"'^). Wij willen het weten, dat het vooral mede aan Dr Karl Earth te danken is dat er nog steeds naar deze boodschap geluisterd wordt.
Dit alles echter ter zijde latende, menen wij te mogen vaststellen, dat Kohlbrugge in een bepaald opzicht in onze tijd zelfs nog aan actualiteit gewonnen heeft. Er is in het Nederlandse Calvinisme altijd een onderstroom van mystieke bevindelijkheid geweest. Wij denken hierbij aan de Nadere Reformatie van de 17de en 18de eeuw, welke tenslotte is uitgemond in enkele kerkformaties naast de Nederlandse Hervormde en in grote groepen in deze kerk zelve. Bij herhaling heeft men kunnen lezen, dat Kohlbrugge met die kringen congeniaal zou zijn. Dit moest wel enige verwondering wekken. Wij willen nu trachten een en ander te verklaren. Het is ons daarbij te doen om de vraag, of Kohlbrugge inderdaad een mysticus was, en zo ja, of hij dan een mysticus was in de zin van de Nadere Reformatie.
Mystiek is een term die we wel met de grootste behoedzaamheid dienen te gebruiken. Zo ergens dan lopen we hier gevaar hetzelfde tot elkaar te zeggen zonder hetzelfde te bedoelen. Het is niet zo eenvoudig er een definitie van te geven. Toch mogen wij met Prof. Van der Leeuw spreken van „een zéér belijnd, uiterst scherp gemarkeerd verschijnsel in de geschiedenis der religie"^). Laat ons hier eens bij stilstaan.
Mystiek houdt dus verband met religie. Wij plegen onder religie godsdienst te verstaan en denken daarbij dan in de eerste plaats aan onze christelijke godsdienst. Maar het Christendom is slechts ,,een" religie. Ook het Jodendom, de Islam, het Hindoeïsme en noem maar op zijn religies. Het gaat hierbij om het dienen van God, of van een god, of van goden. Daarmee is echter nog niet voldoende aangegeven wat religie in haar algemeenheid is. Religie komt hierop neer, dat wij te maken hebben met nog een andere wereld dan die waarin wij elkaar dagelijks ontmoeten en waarvan wij door middel van onze zintuigen indrukken opdoen. Die andere wereld, of laat ons liever zeggen; die andere werkelijkheid, is er en wij hebben er minstens evenveel rekening mee te houden als met de ons omringende waarneembare wereld of werkelijkheid. Zo gevoelde het reeds de primitieve mens, intuïtief ingesteld als hij was. In de godsdienstwetenschap is men die andere werkelijkheid het „gans andere" of ook wel „heilige" gaan noemen. Zij is in de grond van de zaak onbekend terrein en heeft daarom iets ontzag'wekkends, iets angstaanjagends in zich. De mens stelt er zich dan ook met eerbied en schroom tegenover. Hij geeft daar door bepaalde handelingen en gedragingen blijk van. Dat nu is zijn religie, religie in de oorspronkelijke zin van het woord. Religie behoeft dus nog geen godsgeloof te zijn. Men kan religieus zijn zonder een god te aanbidden. En wat nu is mystiek? Mystiek komt van het Griekse werkwoord müein, dat de ogen of wel de lippen sluiten betekent. De mens sluit zich in zichzelve op. Hij heeft immers met dat geheimzinnige gans andere te maken, waarmee hij niet op de normale wijze in relatie kan treden. Hij mag het niet negeren, want hij weet er zich afhankelijk van; het bepaalt zijn wel en wee. Het is voor hem een zaak van eigenbelang om het nader te leren kennen. Dan weet hij tenminste, welke houding hij er tegenover behoort aan te nemen. Hij zal trachten er in door te dringen, het te doorgronden. Hij richt zich dus van binnenuit op iets dat buiten hem ligt zonder daarbij van zijn zintuigen gebruik te maken. Dat is een zeer inspannende bezigheid en een zaak van sterke concentratie. En omdat hierbij alles op de mens aankomt, is hij subject en het andere object. Hij doet het, het andere laat het zich doen. Wij treffen dit verschijnsel dn iederfe religie aan. Het is door en door menselijk, zoals de religie zelve, en psychologisch te verklaren. Maar het is juist deze algemeenheid, die ons tot
voorzichtigheid maant. Mystiek kan puur heidendom zijn en is het in de meeste gevallen ook. Men pleegt dan ook onderscheid te maken tussen christelijke en niet-christelijke mystiek. Erg meevallen doet dat niet altijd. Men waant zich menigmaal in een grensgebied. Op de vraag nu, of Kohlbrugge een mysticus was, antwoorden wij dan ook, om bij voorbaat alle
antwoorden wij dan ook, om bij voorbaat alle misverstand bij de wortel af te snijden, met be- 112slistheid: ,,Neenr' Maar wij antwoorden ook neen, als ons gevraagd wordt, of zijn prediking wel helemaal vrij was van mystiek.
Het klinkt alles misschien een beetje raadselachtig. Maar het gaat er ons uiteindelijk om Kohlbrugge recht te verstaan. En dan dienen wij er ons in de allereerste plaats voor te wachten Kohlbrugge vanuit de mystiek te beoordelen, Doen wij dat wel, dan krijgen wij van hem een misvormd beeld, zo niet een caricatuur. Dan is het zelfs geen kunst hem mysticisme toe te dichten. En met hem tal van anderen! Maar beluisteren wij in zijn prediking het gezond reformatorische, het echt bijbelse geluid, dan kan het geen kwaad eens na te gaan, of zij daarnevens ook geen mystiek element bevat. En als dat het geval is, dan behoeven wij dat heus niet met spijt te constateren. De waarheid dat de goddeloze in Christus gerechtvaardigd wordt, bant niet alle mystiek uit, In het teken van deze verkondiging kan de mystiek zelfs een waardevol element zijn. Maar wij zijn nog niet aan de eigenlijke vraag toe. Wij willen weten, of Kohlbrugge een mysticus was, juist als de meeste mannen van de Nadere Reformatie.
De Nadere Reformatie! Namen als Teellinck, Voetius, Van Lodenstein, Schortinghuis en nog zovele andere gaan onmiddellijk voor ons leven. Ook vinden wij het nu heel gewoon over mystiek te spreken.
De term „Nadere Reformatie" verklaart zichzelf. Hij geeft eigenlijk aan, dat datgene wat wij onder Reformatie verstaan, een leemte vertoont. Want het ging in die Reformatie te eenzijdig om het dogma, om de juiste exegese van het ,,De rechtvaardige zal uit geloof leven" (Rom, 1 : 17), Om de leer niet alleen tegen Roomse maar ook tegen doperse en humanistische dwalingen veilig te stellen is er zoveel getheologiseerd, ook in Nederland, De Dordtse Synode van 1618—19 redde de- praedestinatie als centraal Calvinistisch dogma en rondde daarmee ten onzent voor enkele eeuwen de leer der kerk af. Echter was er weinig reden tot zelfvoldaanheid.
Echter was er weinig reden tot zelfvoldaanheid. Want wel de leer maar niet fiet leven was hervormd, terwijl toch de oudste synodale acta reeds melding maakten van zedelijk verval'). De orthodoxie bleek nog geen vat te hebben op het leven en gold dus als dood. Dus was er een nadere reformatie nodig en daaraan zou nu gewerkt worden. Prof, v. Genderen zegt hieromtrent: ,,Onder de Nadere Reformatie verstaan wij een beweging in de zeventiende eeuw, die reageerde tegen de dode orthodoxie en de verwereldlijking van het christendom in de kerk der Reformatie en aandrong op persoonlijke beleving van het geloof""). Deze reactie wilde het gehele leven omvatten, niet alleen in de kerk maar ook in staat en maatschappij. En waar er hier nu gesproken wordt over „persoonlijke beleving van het geloof", zijn wij reeds op het terrein van de mystiek, mystiek in de zin van heilsbeleving, bevinding; een praktijk der godzaligheid, niet bedoeld als een ethische aanvulling der orthodoxie, maar veeleer als een levensvol, bewust persoonlijk christendom van een individueel karakter").
Deze mystiek is gereformeerd. Er zou inderdaad aan het Calvinisme niet maar iets, doch veel ontbreken, als van haar niet te reppen viel. Prof. Aalders noemt haar ,,een actualisatie van het Gereformeerde type van godsdienst met zijn beginsel van de volstrekte souvereiniteit van God" ') en waardeert haar dus positief. Hij concludeert vanuit het gereformeerde bewustzijn tot de mystiek. Dat neemt veel wantrouwen tegen haar bij ons weg.
Het valt niet moeilijk te constateren, dat de Nadere Reformatie een allesbehalve doodgelopen beweging is geweest. Zij werkt door tot in onze tijd. Zij is trouwens ononderbroken noodzakelijk om het leven aan de leer te doen beantwoorden. Men kan het ook aldus formuleren: het moet te zien zijn dat de rechtvaardiging van de heiliging vergezeld gaat. Wij beseffen echter dat wij hier aan een uiterst teer punt raken. Over de rechtvaardiging heerst er in onze orthodoxe kringen een verblijdende, vrij algemene eenstemmigheid, terwijl ten aanzien van de heiliging de meningen nogal uiteen kunnen lopen.
De Nadere Reformatie is heden ten dage beslist actueel. Prof. Van Ruler spreekt het als zijn vaste overtuiging uit, „dat wij niet meer achter haar terug kunnen""). Hij ziet haar betekenis vooral in haar nadruk leggen op de bevindelijkheid en schrijft dan: ,,Wij kunnen ons dan aansluiten bij de beste schrijvers uit deze stroming van geestelijk en kerkelijk leven en theologisch denken, vanaf Willem Teelinck. Wat deze mannen van de Nadere Reformatie, in zeer veel schakeringen, voor de geest heeft gestaan, is nog steeds hèt grote interesse van de bevindelijke kringen in onze kerk. ... De Vrijer heeft er terecht op ge- Vk'ezen, dat in de oude schrijvers — evenals in de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften — een gemeenschappelijke grondslag is gegeven voor een gesprek, dat naar beide zijden genezend kan werken" ").
Bij dat genezend werken naar beide zijden hebben wij te letten op de ,,objectieve geloofszake-lijkheid" ener- en de ,,subjectieve bevindelijkheid" anderzijds"). Bij de eerste gaat het om datgene wat geloofd moet worden: de verlossing in Christus Jezus. De Schrift leert ons als objectieve waarheid, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. In Hem wordt de goddeloze gerechtvaardigd. Geloof dit evangelie en leef in vrede! — Bij de subjectieve bevindelijkheid valt echter de nadruk op de hoorder zelf, op wie het Woord heeft ingewerkt, zodat hij van zielservaringen weet te spreken en dus zeggen kan, dat hij een bevindelijke kennis van de dingen Gods heeft.
In de praktijk komt men er licht toe hier een tegenstelling te forceren. Stelt de objectieve geloofszakelijkheid zich tevreden met het onfeilbare Woord Gods, zoals het daar ligt, de subjectieve bevindelijkheid verlangt meer, eigenlijk iets anders: het innerlijke licht naast de Woordopenbaring, waardoor het geloven wordt tot een zien. Wij zouden hier geen bezwaar tegen maken, wanneer het een zien was naar de formulering van Prof. Korff: ,,Het geloof is datgene in den mensch, waardoor hij van zichzelf afziet; het 6cstaat in het afzien van zichzelf om enkel te zien naar het object" "), waarbij dan als object geldt: Jezus Christus, Zijn persoon. Zijn geschiedenis. Zijn werk. Zo beschouwd mag de mens gerust als subject optreden. Anders wordt het echter, wanneer het een zien wordt buiten de openbaring der Heilige Schrift om. Dan krijgt Brunner gelijk, wanneer hij schrijft, dat de mystiek en het Woord elkaar uitsluiten, omdat de eerste ons in een halfduister brengt, terwijl het laatste een licht is, klaar als de dag. God sprak: Er zij licht! Het Woord, dat in den beginne was, was het licht der mensen ") .Volgens Brunner is christelijke mystiek een vermenging van Christendom en heidendom. Willen wij Brunner hier niet in volgen, maar blijven spreken van christelijke mystiek, dan is het zaak er bij voortduring op bedacht te zijn, dat wij met onze mystiek blijven binnen de lichtkring van het Woord Gods. Prof. De Vrijer beveelt een synthese tussen objectieve geloofszakelijkheid en subjectieve bevindelijkheid aan "). Dat komt dan neer op een synthese tussen Kohlbrugg'e en de Nadere Reformatie. Het komt ons voor, dat die synthese zich reeds uit hun beider geschriften aandient. Men blijkt er alleen in brede kringen van de kerk nog geen begrip voor te kunnen opbrengen. Prof. Van der Linde schrijft in een bepaald verband: ,,In het algemeen staan de „vrienden van Kohlbrugge" op niet al te goede voet met de Nadere Reformatie. Die twee hebben elkaar erg moeilijk begrepen...." en stelt de rhetorische vraag: ,,Is hier toch geen affiniteit?"").
Het zij verre van ons hier affiniteit te ontkennen. Wij stellen voorop, dat Kohlbrugge's prediking vóór alles de objectieve geloofszakelijkheid tot haar recht laat komen. Zij is „voorwerpelijk", uitgesproken christocentrisch. Alle nadruk valt op Christus en Zijn werk. Maar juist dit nadruk leggen brengt Kohlbrugge er toe het werk van de Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat, zo duidelijk mogelijk in het licht te stellen. Immers doet alleen de Heilige Geest ons werkelijk Christus kennen. Kohlbrugge's prediking is minstens even pneumatologisch als christocentrisch afgestemd. Zij is voorwerpelijk en „onderwerpelijk" beide. Bevindelijke kennis is niet zo maar een toegift, maar maakt het geloof tot wat het behoort te zijn: een afzien van zichzelf om alleen maar te zien op Jezus Christus, Er valt op dit punt voor ons veel te leren uit
Er valt op dit punt voor ons veel te leren uit Kohlbrugge's „Leerrede over het Artikel ,,Ik geloof in den Heiligen Geest"." '") Hier volgen enige aanhalingen.
„Alles wat de Vader in de nooit begonnen eeuwigheid heeft verordineerd en wat de Zoon Gods op zich genomen en volbracht heeft, dat komt alleen dengenen ten goede, op welke de Heilige Geest nederdaalt."
„Des Heeren volk weet het op grond van des Heeren Woord en van eigene bevinding, dat de Heilige Geest tot hen spreekt; dat dit spreken een werkelijk, persoonlijk, goddelijk, almachtig, onwederstaanbaar, over alles heen helpend, hartomzettend, zoet en vertroostend spreken is, terwijl de Geest de woorden Gods en Christi spreekt."
„Zoo was het en is het de Heilige Geest, die het zielsoog opent en verlicht met de kennis van Christus; die het verstand bestraalt met de vredescheppende ontdekking van het heilgeheim van Gods raad ter onzer zaligheid en ons de gangen Gods in het Heiligdom leert. Zoo wij Christus door het geloof ingeplant zijn, gelijk de ranken in den wijnstok, zoo wij zijns en aller zijner weldaden deelachtig geworden zijn, zoo weten wij, .... dat het de Heilige Geest is, die dit alles in allen persoonlijk werkt met het Woord." „Hij is het, door welken de Vader trekt door het Evangelie, dat een verlegen zondaar, dood- en doemschuldig, komt met zijne zonde, schuld en straf tot den Zoon."
Zo kunnen wij dan bij Dr Locher de stelling aantreffen: ,,Terecht is door Kohlbrugge de nadruk gelegd op de noodzakelijkheid van de bevinding, van de verlichting en leiding des Geestes""), Wij vinden bij hem ook de volgende aanhaling uit een preek van Kohlbrugge: „Blijft bij de Waarheid, die ik u heb medegedeeld.... Ik sterf daarop en herroep van al hetgeen ik geschreven heb en gij in de handen hebt, geen tittel en geen jota. Ik weet, dat het Gods Woord is in zuiver goud en zilver, want ik heb het niet uit den mouw geschud, maar van uit het diepste lijden heb ik het u medegedeeld" "). Wij maken geen bezwaar hier van mystiek,
Wij maken geen bezwaar hier van mystiek, piëtistische mystiek, te spreken, echter met dien verstande, dat wij er ons voor wachten in Kohlbrugge nu ook een mysticus te gaan zien. Dan zouden wij allen, die door bevinding Christus hebben leren kennen, mystici zijn, de een in meerdere,. de ander in mindere mate, al naar de Geest in ons werkt. Het lijkt me trouwens helemaal niet juist in ons spraakgebruik mystiek en bevinding te vereenzelvigen. Daarvoor is het begrip mystiek te ruim en het begrip bevinding te begrensd, In de weg der bevinding leert men Christus kennen, doordat de Heilige Geest ons de Schrift, die van Christus getuigt, doet verstaan. Maar de mystiek, ook in het algemeen de piëtistische mystiek, reikt verder. Van harte stemmen wij in met Van Lodensteins „'t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet! 't Ware leven, lieven, loven is maar, waar men Jezus ziet" en zijn ,,Zalig, zalig, niets te wezen in ons eigen oog voor God", maar het kost ons moeite alleen maar bevinding te zien in zijn dichterlijke ontboezeming over een beleving van de Unio Mystica, ,,toen de zielverrukkende gemeenschap met den Here bij het Sacrament des Avondmaals ten einde was en de vensteren (zijner) zintuigen gesloten waren"'"). Zo lezen wij: ,,Hier zal geen leed of gebrek meer voorkomen. Alzo waren wij van alle kwaad bevrijd. Wat gebeurde er in die binnenkameren, in die eenzaamheid bij die bescherming al voorts? Daar zagen wij wat. Daar hoorden wij wat. De Koning deed ons daar Zijn schone en kostelijke heerlijkheid zien. Waren het schone tapijten, meubelen en sieraden? O neen! Al die dingen zijn in 's Konings binnenkameren niet te vinden. Hetgeen Hij ons deed zien, was de Koning zelve. Want alles wat daar is, is niet anders dan de Koning, en daar blinkt het alles van Zijne Godheid, Dit gezicht was zo heerlijk, dat wij in de binnenkameren niets anders konden zien, want die God, dien wij zagen, had alles in Zich begrepen, en wij zagen Hem zo duidelijk en zo van nabij, immers wij waren bij Hem in de binnenkameren. Hetgeen wij van de Godheid zagen, was niet anders dan dat Hij zich aldaar aan ons in Zijne deugden en eigenschappen vertoonde. Wij zagen daar de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Wij begonnen de heerlijkheid van dezen Koning te aanschouwen en toen werd Hij ons als een zon, die, zodra zij opgaat, de maan en de sterren uit het gezicht doet • verdwijnen. Evenzo weken alle aardse bevalligheden uit onze ogen, zodat wij niets zagen dan den Koning alleen. Wij zouden daar aan de tafel ook wel engelen gezien hebben, doch, zodra wij den Koning zagen, verdween ook al dat heerlijke uit onze ogen. Wij zagen in die binnenkameren zelfs onszelf niet meer. Wij zonken weg in ons grondeloos niet. Wij versmolten en vergingen in onszelven" "),
Het kost ons volstrekt geen moeite deze woorden ernstig te nemen, maar wij zijn van mening', dat hier van meer dan bevinding sprake is. Hier bezingt de ziel van een dichter de vreugde van een mystiek schouwen. De vensters zijner zintuigen waren gesloten, hijzelf zonk weg in een grondeloos niet. Wat hij te ervaren kreeg, wordt niet zo maar ieders deel en behoeft het ook niet. Het is meer weggelegd voor de mystiek-begaafden, die er in een bijzondere psychische toestand voor moeten verkeren. Men behoeft er ook niet, zoals Van Lodenstein, gereformeerd mysticus voor te zijn.
Kohlbrugge blijft binnen de grenzen der bevinding. Hij ervaart niet meer dan het Evangelie hem te ervaren geeft: de troost der schuldvergeving. Daardoor blijft hij zo bijbels reëel. Wat hij te zeggen heeft, geldt voor iedereen, of men dichter is of niet, of men mystiek is aangelegd of niet. Het maakt ook geen verschil, of men bekommerd of begenadigd of geoefend is. Hier volgt enig commentaar bij de Heidelbergse Catechismus. „Vraag. Is het noodzakelijk, dat men bij het genot van brood en wijn bijzondere gewaarwordingen hebbe?
Antwoord. Het gezonde geloof houdt zich aan het Woord, de werking openbaart zich daarna — in tijd van nood."
„Vraag. Waaraan kan ik weten, of ik uitverkoren ben?
Antwoord. De tollenaar stond van verre" '"]. Een Avondmaalspreek besluit Kohlbrugge met de woorden; ,,Wij verkondigen hier den dood van Christus.... Ja, ook voor mijn zonden zijt Gij gestorven, ja ook voor mij hebt Gij alles volbracht! Wat vraag ik naar hemel en aarde, ik weet, dat ik U ontvangen, U omvat heb. Door Uw dood is volkomen betaling geschied, ook voor mijn zonden. Uw dood is de dood van mijn dood. Help mij door alles heen en haal mij af; ik heb lust om bij U in te wonen. Ja, kom Heere Jezus! Amen'").
En wat verder nog te zeggen in verband met Kohlbrugge's preek over Romeinen 7 : 14? Neen, men zoekt er tegenwoordig in het algemeen geen antinomianisme achter. Maar waarom is men Kohlbrugge er indertijd toch zo hard over gevallen? Capadose, die de preken van Costerus zo gaarne las, sprak van een ,,los, onheilig of ten minste slordig pad". Een lidmaat der Gereformeerde Gemeente, B. A. Berends, schreef in een brochure, dat Kohlbrugge er op uit was ,,vele zielen aan zijn wangevoelen vast te hechten en te verstrikken"^"). Hij meent zijn gevoelen te kunnen staven met uitspraken van mannen als Van Lodenstein, Comrie en Voetius. En Kohlbrugge zelf? In de bewuste preek waar
En Kohlbrugge zelf? In de bewuste preek waarschuwt hij tegen de heiligingskrukken, waarmee men de berg Zion toch niet op kan komen, en tegen „mystieke" heiligheid. Men mag zich immers in Christus heilig weten, ook wanneer men niets dan onreinheid in zichzelve ziet. Moeilijk is dat, naar de mens gesproken terecht bovenmenselijk! Maar niet onmogelijk, althans bijbels niet onmogelijk. Kohlbrugge wil hier ruimte gelaten zien voor het ,,Zalig zijn, die niet gezien hebben, en nochtans geloofd hebben". Maar wat wensen de mystici? In de grond van
Maar wat wensen de mystici? In de grond van de zaak méér dan het geloof om er hun heilszekerheid op te bouwen. Menig pastor weet uit ervaring, dat juist vaak de bij uitstek bevindelijke vromen weten te gewagen van een ,,teken" of van ,,tekenen". Zij kunnen voor zichzelf niet volstaan met het ,,Christus voor ons", maar maken tegenwerpingen als ,,ik mag het mij zo maar niet toeeigenen" of „ik heb geen handen om het aan te nemen". Dus zoeken zij naar een teken, en wel een teken in zichzelf. Zij richten zich daarbij naar de syllogismus mysticus uit Dordtse Leerregel I, 12. Daar staat duidelijk te lezen: ,,bij verscheidene trappen en met ongelijke mate". Daar gaat het kennelijk om ,,de onfeilbare vruchten der Verkiezing, als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz," Een belangrijk verschil wordt hierbij echter over het hoofd gezien. 2 Corinthc 13 :5, waarnaar genoemde regel verwijst, doelt niet op de vruchten der „verkiezing", maar op het zichzelf rekenschap geven van zijn ,,geloof". En geloven blijft tenslotte zien op Christus als de vaste rots van ons behoud, en daarmee afzien van zichzelf. Bevinding mag slechts dienen om nog méér op Christus te zien, maar nimmer als een grond voor onze heilszekerheid.
Dat er genoeg punten van aanraking zijn tussen de Nadere Reformatie en Kohlbrugge, zal niemand willen tegenspreken. Dat er ook bij beiden sprake is van objectieve geloofszakelijkheid en subjectieve bevindelijkheid evenmin. Maar op grond van wat wij meenden omtrent beiden naar voren te hebben moeten brengen moet het ons toch van het hart, dat wij wel kunnen instemmen met een uitspraak als: „De „Kohlbruggianen" hebben veelal een grote beduchtheid voor „mystiek" ", maar niet met een opmerking als: „Toch eigenlijk wel vreemd, want hun meester was stellig een mysticus, juist als de meeste mannen van de Nadere Reformatie" ^"j. Dat die beduchtheid er is, spreken wij niet tegen.
Dat die beduchtheid er is, spreken wij niet tegen. Wij achten haar trouwens verklaarbaar. Niet omdat wij als „Kohlbruggianen" de meester, die allesbehalve een mysticus was, wensen te volgen, maar omdat voor ons gevoel het begrip mystiek, zoals het zich in bevindelijke kringen aandient, aan een zekere vaagheid lijdt. Het subjectieve, dat de mystiek in zulk een sterke mate kenmerkt, laat zich nu eenmaal niet zo gemakkelijk aan banden leggen, met als gevolg dat de mysticus zich tenslotte toch van de geloofszakelijkheid distantieert. Daarmee willen wij nog niet beweren, dat hij nu ook die geloofszakelijkheid ontkent, echter wel dat hij haar een functieverlies doet ondergaan, welke voor het geloofsleven slechts schadelijk is te achten. Dit brengt er ons toe tegenover de mystiek enige afstand te bewaren. Wij staan niet onbevangen tegenover haar. De Heilige Geest, die tot de volle waarheid leidt, houde ons op de weg der heiliging, door Paulus aangegeven: „Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij" (Galaten 2 : 20).
^) H. Berkhof, Crisis der Micidenorthodoine, Nijkerk z.j. 2, blz. 22.
') Wg kunnen nog steeds verwijzen naar J. H. Grolle, De boodschap van Kohlbrugge nü, Wageningen 1946.
3) G. van der Leeuw, MystieU, Baam 1924, blz. 3.
*) Wilhelm Goeters, Die Vorber&itung des Pietismus in der Beformierten Kirche der Niederlande bis zur Labadistischen Krisis 1670, Leipzig 1911, S. 4. 5) J. van Genderen, Herman WitsitiSj 's-Gravenhage
5) J. van Genderen, Herman WitsitiSj 's-Gravenhage 1953, blz. 220.
") Goeters, a.a.0., S. 119.
') W. J. Aalders, Mystiek. Haar vormen, wezen, waarde, Groningen — Den Haag 1928, blz. 269. Zie ook Van Genderen, t.a.p., blz. 224.
') Kerk en Theologie, I, 2, blz. 75 (A. A. van Ruler, De bevinding. Proeve van een theologische benadering).
') Kerk en Theologie, V, 3, blz. 131 (A. A. van Ruler, Licht- en schaduwzijden in de bevitideïijkheid). Er wordt verwezen naar M. J. A. de Vrqer, Schortinghuis en zyn analogieën, Amsterdam 1942, blz. 3.
'") Termen, door Prof. De Vrijer reeds gebruikt op blz. 2 van zijn Schortinghuis.
"^1) F. W. A. Korff, Christologie. De leer van het karnen Gods, I, Nijkerk 1940, blz. 54.
1-) Emil Brunner, Die Mystiek und das Wort, Tubingen 1928^ S. 5.
1") Prof. Van Ruler merkt hierbij op: ,,Dat kan nog klinken, alsof het hier ging om een uitwendige vereniging van overigens heterogene bestanddelen" (Kerk en Theologie, V, 3, blz. 133 n. 3).
Waar het over zaken als deze gaat, zou de kerk met een ,,uitwendige" vereniging weinig gebaat zijn. Een „innerlijke tegenstrijdigheid" zou er slechts te meer door geaccentueerd worden. Voor het op gang komen van een gesprek lijkt het me daarom juister te pleiten voor een synthese tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie dan voor een synthese tussen objectieve geloofszakelijkheid en subjectieve bevindelijkheid. Wij hebben hier immers te maken met twee begrippen, die maar niet zo naast elkaar te stellen z|jn. Objectieve
geloofszakelökheid is iets, waaraan uiteraard niet te tomen valt, terwijl de bevindelijkheid, zal zij gezond heten, zich te allen tijde naar haar te richten zal hebben, zoals Prof. De Vrijer trouwens in zijn boek steeds laat uitkomen.
") Theologia Reformata, I, 3, blz. 93 (S. van der Linde, Kohlbrugge en zijn vrienden, gezien in de spiegel van Jean Louis Bernhardi).
»=) Tweede druk. Geen uitgever en jaartal vermeld.
^°) J. C. S. Locher, Toelichting en Verweer, Amsterdam 1908, blz. 146.
") TM,.p., blz. 150.
") Aangehaald brj D. A. Vorster, Protestantse Nederlandse Mystiek, Amsterdam 1948, blz. 130.
") Vorster, t.a.p., blz. 131 vlg.; aangehaald uit Van Lodenstein, GeestéUjke Opwekker, blz. 269 e.v.
'") H. F. Kohlbrugge, Vragen en antwoorden tot op- ^•eldering en bevestiging van den Heidelbergschen Catechismtis, Amsterdam 1930', blz. 146, 147.
=^1) Het Heilig Avondmaal van onzen Heere Jesus Christ-us. Twee preeken gehouden in de jaren 1850 en 1871 te Wuppertal-Elberfeld, Amsterdam 1937, blz. 14.
=2) Eenvoudige aanmerkingen over eene in het Nederduitsch uitgegevene Leerrede, getiteld: EXlende en verlossing, enz. van Herman Friedrich Kohlbrugge, Amsterdam 1834, blz. 7.
23) Kerk en Theologie, Vn, 3, blz. 198 (Prof. Dr. S. van der Linde in een boekbespreking). Prof. Dr. Th. L. Haitjema oordeelt allesbehalve mild
Prof. Dr. Th. L. Haitjema oordeelt allesbehalve mild over de mystiek der Nadere Reformatie: ,,Evenwel, ik weet, dat het gevaarlijk is om al te lang de loftrompet te steken op de praktijk der godzaligheid in de Nadere Reformatie en de geestelijk-bevindelijke „Waarheid in het binnenste" bij de conventikel-vromen der 18e eeuw. Deze medaille heeft ook een keerzijde. En dat is die, waar het vrome vlees zijn triomfen gaat vieren. Ik denk aan de ongezonde blootlegging van de gestalten en ongestalten van het geestelqk leven. Aan dat wroeten en graven van de mens in de diepten van zijn zieleleven, om maar kenmerken te vinden van de hartveranderende, wederbarende werking des H. Geestes. In plaats van zich onvoorwaardelijk over te geven aan de heilsbeloften van het onbedrieglgk Woord van God" (Prediking des Woords en Bevinding, Wageningen 1950, blz. 22).
Hier is de tegenstelling, waarmee wij thans worstelen, al heel scherp geaccentueerd. Het behoeft verder geen betoog, dat het dan alleen zinvol is van de „mysticus" Kohlbrugge te spreken, wanneer men het aan beide zijden hierover eens is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 juli 1960
Kerkblaadje | 16 Pagina's