Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pieter Los Gz. (1815-1888)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pieter Los Gz. (1815-1888)

De datum en de aard van zijn bekering

24 minuten leestijd

Wie zich verdiept in het leven van Pieter Los Gz., boekverkoper, oefenaar, predikant en auteur van een divers en omvangrijk oeuvre, en kennis neemt van de aan hem gewijde biografische artikelen – zie het naschrift – wordt daarin steevast opmerkzaam gemaakt op de wending in zijn leven: zijn bekering van ‘gewoon’ lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk tot een bevindelijk gereformeerd gelovige avant la lettre die besefte ‘den eeuwigen dood waardig’ te zijn en geheel afhankelijk te zijn van Gods vrije genade.

De ommekeer wordt gedateerd op 20 april 1848 en toegeschreven aan de prediking van Karl Friedrich August Gützlaff (1803-1851), een Duitser van geboorte die namens het te Rotterdam gevestigde Nederlandsche Zendelinggenootschap in onder meer China werkzaam was en bekend stond als ‘de apostel der Chinezen’. In dit artikel toon ik aan dat de gebruikelijke datering van Los’ bekering onjuist is. Ook schets ik met bijzondere aandacht voor zijn geschriften zijn ontwikkelingsgang van 1850 tot 1869, het jaar waarin hij het predikantsambt aanvaardde.

De datum van de bekering

De bron van de gangbare datering is Los zelf. In De kruisweg – het ‘Woord vooraf’ is van november 1879 – verhaalt hij, zich verschuilend achter de aanduiding ‘een oude pelgrim’, hoe hij met de intentie ‘om wat vreemds uit verre landen of een schoone welsprekende redevoering te hooren’ op de avond van ‘den twintigsten April van het jaar 1848’ de kerk bezocht, waar ‘een buitengewone prediker zou optreden’. De naam van de spreker die het ‘instrument’ was dat hem tot het inzicht bracht ‘een blinde zondaar’ te zijn geweest (p. 121), noemt hij niet. De naam Gützlaff figureert wel in het relaas dat Los van zijn bekering geeft in het vele jaren eerder gepubliceerde boekje De kraaijende haan. Wend u tot mij en wordt behouden (1861). In de daar gegeven beschrijving ontbreekt evenwel een vermelding van de datum van Gützlaffs optreden. In de in 1997 door De Schatkamer te Geldermalsen opnieuw uitgebrachte versie van het boekje onder de titel De kraaiende haan worden daarentegen zowel de datum van Los’ confrontatie met de zendeling als diens naam genoemd:

En vraagt u nu wat er van die man [Pieter Los] geworden is, voor wie een haan uit China moest overkomen, om wakker gekraaid te worden? Wat er van die man geworden is? Hij is nog in het land der levenden. Op 20 april van het jaar 1848, ’s avonds om zeven uur hoorde hij het hanengekraai, dat hem toeriep: ‘Nieteling! Wendt u tot mij en wordt behouden!’ Toen werd hij in het Paradijs geleid, zag zichzelf, hoe hij dáár recht stond in zijn verbondshoofd, maar ook hoe hij dáár vrij en moedwillig van God was afgevallen ... (p. 10)

De gehele tekst van pagina 10 van de Schatkamereditie heeft geen equivalent in de oorspronkelijke versie van De kraaijende haan. Daar luidt de tekst als volgt:

‘En nu is die man, die gij hier bedoelt, zeker afgescheiden geworden?’ zoo vraagt welligt mijn lezer.

Wel neen zeker niet, hij is lid van de Hervormde kerk en al is die kerk deerlijk in verval en een puinhoop geworden, hij wenscht op die puinhoopen protesten op te zenden, niet tegen personen, maar tegen valse leerstellingen en niet aan de Synode of kerkenraden, maar aan de Koning der koningen ... (p. 14-15)

De Schatkameruitgave bevat geen verantwoording. Afgezien van aanpassing van de taal aan de tegenwoordige spelling bevat zij meer verschillen ten opzichte van de oorspronkelijke uitgave. De tekst is uitvoeriger. Pagina 23 slot tot en met pagina 27 hebben geen equivalent in de oorspronkelijke uitgave. Opvallend is dat een voorbeeld in het origineel over ‘een zekere vrouw’ die aan de drank verslaafd was in De Schatkamereditie getransformeerd is tot ‘een zeker iemand’, een man (p. 16-17). Merkwaardig is bijvoorbeeld ook hoe de term ‘moor’ ter aanduiding van een oefenaar is veranderd in ‘heiden’ (p. 13). De overleveringsgeschiedenis van de publicaties van Los vertoont allerlei leemten. Het is mogelijk dat de Schatkameruitgave berust op een door Los zelf herziene editie ten behoeve van de bij R. Fuik te Leiden in de jaren negentig van de negentiende eeuw uitgebrachte reeks de Gereformeerde Volksbibliotheek. Onwaarschijnlijk is echter dat alle wijzigingen van zijn hand zijn. Hoe het ook zij, te betreuren is dat De kraaiende haan en andere boekjes van Los door De Schatkamer opnieuw zijn gepubliceerd zonder deugdelijke verantwoording.

De in De kraaiende haan van De Schatkamer genoemde datum stemt overeen met de door Los in De kruisweg genoemde datum. Die wordt door de historische feiten weersproken. Gützlaff vertrok in 1849 vanuit China voor een tournee door Europa met het doel om steun te verkrijgen voor zijn activiteiten. Na Engeland bezocht te hebben, deed hij in 1850 Nederland aan. Van eind maart tot begin juni gaf hij acte de présence in een groot aantal steden waaronder Dordrecht, de woonplaats van Los. Daar sprak hij op 27 april. De Dordrechtsche Courant van 29 april 1850 bericht:

Zaturdag avond is ook Dr. Gützlaff alhier in de Augustijnen Kerk voor eene talrijke schare opgetreden. Hoogstbelangrijk waren zijne mededeelingen omtrent de verspreiding des Christendoms in China, en krachtig was zijne opwekking tot werkzame deelneming in de zaak der Chinesche zending. Zijne toespraak, met lofzang en gebed afgewisseld, bereidde eene feestelijke ure voor het godsdienstig gevoel, en de indruk zijner woorden zal ook alhier blijven voortleven in de stichting van een Hulpzendeling-genootschap, dat zich bepaaldelijk de geestelijke belangen van China als doel van zijne werkzaamheden voorstelt.

Onontkoombaar is de conclusie dat Los’ geheugen hem in De kruisweg in de steek heeft gelaten.

Lidmaat van de Hervormde Kerk

In verscheidene van Los’ geschriften komen passages voor die als zinspelingen op zijn levensloop en bekering beschouwd kunnen worden. Een bijzondere plaats daaronder wordt ingenomen door het uit 1863 daterende Dertig jaren uit het leven van een zondaar dat het in de biografische artikelen over Los getekende beeld van zijn bekering bevestigt: de ommekeer voltrok zich feitelijk in fasen. Dertig jaren dat op bepaalde punten raakvlakken heeft met de autobiografie in De kruisweg, bevat een mix van fictie en nonfictie. Op de vraag ‘Wie nu de hoofdpersoon is?’ antwoordt de schrijver:

Vraag dat niet, mijn lezer! Naam, omstandigheden en uitwendige zaken zijn gewijzigd, om de levenden niet te kwetsen en de dooden te laten rusten. Laat het u genoeg zijn, dat zijne er-varingen, aan ons toevertrouwd, de waarheid behelzen ... (p. 6-7)

De hoofdpersoon was aanvankelijk de mening toegedaan dat een deugdzaam en godsdienstig leven toegang tot de hemel geeft. Tijdens een zakenreis woonde hij een godsdienstige bijeenkomst bij en beluisterde hij een preek over Mattheüs 5:4, ‘Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden’. Hij komt tot geloof en erkent Jezus Christus als zijn Middelaar. Het geeft hem een gelukzalig gevoel. Hij wordt actief in godsdienstige gezelschappen en roept anderen met klem op tot bekering totdat hij beseft dat hij zich feitelijk gedroeg als ‘een rechte Arminiaan, die alle menschen wilde bekeeren, omdat hij geloofde, dat er nog een wil ten goede in den mensch was overgebleven, hoewel hij in zich zelven het bewijs had kunnen vinden van het tegendeel’ (p. 72). Nadien ziet hij in hoe juist de ‘harde en scherpe leer’ van de verkiezing en verwerping is die God predikt als ‘een Souvereine God’ die de mens die nooit naar Hem gevraagd zou hebben, omdat hij dood is in de zonden, opzoekt en levend maakt (p. 75).

De hoofdpersoon van dertig jaren voldoet wat de hoofdzaken betreft aan het beeld van Los zoals dat in zijn publicaties zichtbaar is. Wat erin ontbreekt is de bekentenis in De kraaijende haan dat hij de reformatie van de Hervormde Kerk van binnenuit nastreefde. Onmiskenbaar was dat aanvankelijk zijn doel.

Na Gützlaff beluisterd te hebben, voelde Los zich klaarblijkelijk aangetrokken tot het Réveil, dat orthodoxie paarde aan bewogenheid om maatschappelijke misstanden. Als uitgever bracht hij verscheidene boeken op de markt van de hand van ‘Johannes’, pseudoniem van zijn echtgenote Ida Bonten (1812-1869) – soms ten onrechte ‘Bonte’ genoemd –, die de geest van het Réveil ademen: Arm en rijk (1851), De tweede bede (1851) – beide besproken in Oude Paden van december 2016 – Blikken in de hut van oom Tom (1853), Een bezoek in de inrigting voor doofstommen, te Rotterdam (1854).

Blikken in de hut van oom Tom roert het vraagstuk van de slavernij aan. Los noemt het boek expliciet in een brief van 28 februari 1854 aan mr. H.J. Koenen (1809-1874), een prominent vertegenwoordiger van het Réveil, sympathisant van evangelisatie en zending en een geestverwant van Isaäc da Costa (1798-1860). Los, aan wie, zo deelt hij mee, de ‘afschaffing der slavernij’ zeer ter harte ging, nodigde Koenen uit om te Dordrecht een lezing te houden over de slavernij. Hij merkt op dat de belangstelling voor het onderwerp in zijn woonplaats niet al te groot is en hoopt dat daar verandering in zal komen door de voordracht van Koenen. De kerkelijke situatie ter plaatse kenschetst hij als volgt:

het liberalismus maakt hier in het weleer zoo gunstig bekende Dordrecht groote vorderingen, van zuivere Evangelieverkondiging zijn wij geheel verstoken en hoogst zelden wordt alhier iets positiefs gehoord, of het moest zijn: de Bidstond voor Israel, welke nu aanstaande Dinsdag zal plaats hebben voor de tweede maal en tot welken oprigting ik ook een der geringe werktuigen mogt zijn.

Voor zover valt na te gaan, heeft Koenen de invitatie niet aangenomen. De Dordrechtsche Courant van 1854 bevat geen bericht over een door Koenen gehouden lezing. Wel maakt de krant in de jaren 1854-1856 regelmatig melding van bidstonden voor Israël in het lokaal van J.D. van Peeren in de Wijnstraat. Daar traden verscheidene hervormde predikanten op, op 7 maart 1854 bijvoorbeeld de Leidse Waalse predikant D. Chantepie de la Saussaye (1818-1874), maar ook vooraanstaande jodenchristenen, dr. A. Capadose op 14 december 1854 en 27 november 1855 en mr. I. da Costa op 15 mei 1856, behoorden tot de sprekers.

De aandacht voor Israël is ook een thema in een van de twee studies die Los in 1855 onder het pseudoniem ‘Joël’, ‘wiens God de Heere is’, publiceerde bij zijn Dordtse collega-boekverkoper J. P. Revers.

In Alzoo voer Elias met een onweder ten hemel. Nagalmen bij den treffenden dood van den trouwen wachter op Sions muur A. van Herwaarden te Opheusden, geschreven naar aanleiding van de dood van dominee Van Herwaar-den die op 29 juli 1855 tijdens de kerkdienst het leven verloor ten gevolge van een blikseminslag in de kerk, wijdt Los een hoofdstuk aan ‘De bidstond voor Israël’ (p. 20-31). Kort voor zijn overlijden was Van Herwaarden voorgegaan in de bidstond voor Israël te Dordrecht. Onder meer had hij stilgestaan bij Israëls verwerping als verzoening en bij de terugkeer van Israël naar het beloofde land, voorafgaande aan de wederkomst van Christus. Los spreekt de bede uit dat ‘vele leeraars in de Nederlandsche Hervormde Kerk’ naar het voorbeeld van Van Herwaarden ‘de belangen van het volk der belofte gemeenschappelijk voor den genadetroon’ zullen brengen (p. 30).

Opwekkingsprediker en voorvechter van kerkherstel

In Elias geeft Los ook ruim baan aan zijn verontrusting over het geestelijk verval in de kerk. De situatie te Dordrecht, waarvan hij in de brief aan Koenen een impressie geeft, acht hij representatief voor het kerkelijk leven in heel het land. In de inleiding tot de tweede jaargang (1859) van het door hem uitgegeven tijdschrift De lusthof Sions met de programmatische ondertitel Tot vertroosting, verkwikking en opwekking van al des Heeren arm en ellendig volk. Tot ontdekking en bekeering van hen, die den breeden weg bewandelen; en tot eer en verheerlijking van den nooit volprezen, Eeuwigen, Eenigen en Drieënigen Verbonds-God rept hij van ‘de dreigende wolken aan den kerkhemel’ en van ‘de onweders’ die ‘de muren van het gebouw van 1618 en 1619 bedreigen’. Hij ziet geen verbetering:

De leer van vrije genade vindt hoe langs zoo meer tegenstand [...].De zon der geregtigheid is verduisterd geworden en donker en donkerder wordt de lucht van den rooks des afgronds [Openbaring 9], van de God onteerende gruwelen en lasteringen, die schaamteloos van rondsomme gehoord worden.

In het tweede boek uit 1855, Klanken uit het verledene en teekenen des Allerhoogsten, Eerste stuk, een reeks portretten van bijbelse personen die nog spreken, nadat zij gestorven zijn (Hebreeën 11:4), onder wie Paulus, Petrus en Johannes, zet Los zijn program uiteen en manifesteert hij zich als de prediker van de bekering, een ‘ambt’ dat hij zijn leven lang zal vervullen. Hij benadrukt dat er ‘maar één Middelaar Gods en der menschen [is], de mensch Jezus Christus’ en vraagt zijn lezers wat ‘verkieslijker [is], eeuwig wel of eeuwig wee?’ (p. 7). Wie gelooft dat hij om ‘eeuwig zalig’ te leven ermee kan volstaan Jezus ‘het voorbeeld bij uitnemendheid’ na te volgen, is een misleid mens (p. 60), wiens deel niet de hemel zal zijn, maar ‘de buitenste duisternis’ (p. 82), zo stelt hij.

Los roept op de Bijbel, ‘het woord van den levenden God’, tot ‘gids’ te kiezen (p.84) en zich niet ‘door allerlei wind van leering’ (p. 7), zoals de opvatting dat het Oude Testament overbodig is en ‘het Nieuwe Testament genoegzaam’ (p. 81), op een dwaalspoor te laten brengen. Hij siddert ‘bij de gedachte hem broeder te noemen, die Gods eeuwig, onfeilbaar woord verdraait en verminkt naar zijn eigen bekrompen verstand’ (p. 50).

De bekeerde mens, voor wie Jezus ‘de borg’ van zijn ziel is en het ‘hoogste goed’ (p. 17), tekent hij als ‘de vermoeide pelgrim naar het hemelsche Kanaän’, die ‘staande’ blijft dankzij zijn ‘geloof in den Onveranderlijken’ (p. 70), in weerwil van de verachting en de spot waarmee hij bejegend wordt. Die bevestigen wat de Bijbel leert, dat ‘kinderen Gods gehaat, kinderen des toorns geliefd [zijn] bij de wereld’ (p. 40).

Los signaleert dat het verval van de kerk niet alleen in de leer, maar ook in het leven aan het licht treedt, onder meer in de verwaarlozing van de zondagsheiliging. Een van de meest in het oog springende maatschappelijke kwalen, het vloeken, hekelt hij als ‘Joël’ in 1856 met het boekje De nationale vloek, dat in 1933 (?) opnieuw werd uitgebracht door K. Heerschap te Ouddorp. Als een oudtestamentisch profeet zegt hij de vloekers het oordeel aan.

De in Klanken uit het verledene aange-roerde onderwerpen keren terug in de geschriften uit latere tijd, sommige in krassere bewoordingen. Verhalenderwijs illustreert hij dat alleen ‘Jezus Christus en Dien gekruist den eenigen weg ter behoudenis is’ door te schetsen hoe een vrouw die ‘zoo veel goeds aan de armen’ deed, ‘getrouw ter kerk en ten Avondmaal’ ging, ‘milde giften aan Bijbel- en Zendelinggenootschap’ gaf, daar niets aan had ‘toen de ijzere hand des doods haar aangreep’ (Lorren en beenen, 16). Aan het slot van de vijfde en laatste jaargang van De lusthof Sions (1862) dat in de eerste jaargangen (1858 en 1859) de bekende H.F. Kohlbrügge (1803-1875) als medewerker had, blikt Los terug en stelt hij vast hoe in het tijdschrift steeds ‘de zondaar in zijn naaktheid’ voorgesteld is en gewezen is ‘op dat eenige bedeksel’ dat ‘voor onze naaktheid bestaan kan’ en hoe ‘de Almagtige’ is voorgehouden als ‘een verteerend vuur voor den goddelooze en voor iedere ziel, die zonder Borg in de wereld leeft of de eeuwigheid intreedt’. Aan het slot van de derde jaargang (1860) illustreert hij door middel van een fictieve droom met als hoofdpersoon ‘de engel van den laatsten klokslag’, van wie onbekend is hoe en wanneer hij komt, hoe noodzakelijk het is nu op de reis naar de eeuwigheid de juiste keuze te maken. ‘Dat het op die schrikkelijke ontzagchelijke eeuwigheid aangaat’ houdt hij in de tweede jaargang (1859) van het door hem uitgegeven tijdschrift De schoolvriend ook jonge mensen voor die liever verhalen over ‘leeuwenjagt’ lezen (p. 428).

Fel haalt Los in de brochure De zegen der moderne leer en de vruchten die zij afwerpt (1866) uit naar de moderne theologie. Een kerk zonder belijdenis typeert hij als ‘een moordenaarskuil, waar de leiders uit moesten worden [...] weggegeeseld’. Een van die leiders voor wie niet God, maar de menselijke rede het primaat heeft, die met name genoemd wordt, is de Groninger hoogleraar W. Muurling (1805-1882). Aan ‘verregaande heiligschennis’ maakte hij zich schuldig met de bewering dat ‘Jezus naar Zijn wezen slechts een gewoon mensch is’ (p. 12-13). Los acht de moderne theologie ook verantwoordelijk voor de geest van de revolutie die door de maatschappij waart. Hij bespeurt hem onder meer in het pleidooi voor de afschaffing van de doodstraf en in het verlies van standsbesef, waarmee ‘Gods ordonnantie’ met voeten wordt getreden (p. 14).

De geest van de revolutie ontwaart Los ook in de politiek.

In de brochure Liberalen, radicalen, antirevolutionairen en Oranje boven (1868) geeft hij een negatief beeld van de maatschappelijke toestand: ‘Het wettige gezag wordt vertrapt, de ouderdom niet geëerd [...]. Als God niet opstaat is Nederland verloren!’ (p. 6-7). Hij kritiseert liberalen en radicalen (Giuseppe Garibaldi [1807-1882] en zijn ‘Roodhemden’) omdat zij het hoogste gezag niet aan Gods wet toekennen. Hoewel de anti-revolutionairen ‘de Allerhoogste als de opperste magt en hoogste wetgever’ erkennen (p. 9), distantieert hij zich niettemin ook van hen. Van politieke partijen wil hij niet weten. Hij stelt vast dat vanwege het censuskiesrecht ‘het volk’ geen stem heeft. Als een orangist pur sang en als een advocaat van het theocratisch koningschap vindt hij dat niet bezwaarlijk. Integendeel, wie de geschiedenis van Nederland kent, kiest voor een Oranjevorst ‘als een getrouw huisvader’:

En zoo is ’t goed ook, het volk moet wachten en de koning moet regeeren. Een getrouw volk gehoorzaamt aan de wetten, verlangt in alle stilheid en nederigheid te laten regeeren en niet zelf de handen te slaan aan dingen, waarvan het geen verstand heeft. (p. 11)

Geliefd bij Los is de typering van de vrome gelovige als een ‘pelgrim’. In zijn reeds genoemde droom over de ‘engel van den laatsten klokslag’ gebruikt hij haar voor het kleine aantal ‘die op reis waren naar Vaders woning’, kenbaar aan ‘den zwaren last, die ze op hunnen rug droegen, aan den staf in den hand en aan de groote perkamenten rol, die ze bij zich hadden’ (p. 185). Het beeld van de pelgrim is ongetwijfeld te danken aan de bestudering van John Bunyans (1628-1688) Christenreis en Christinne reis. In 1866 publiceerde Los De pelgrim naar Jeruzalem, door Johannes Bunjan, een ten onrechte aan Bun yan toegeschreven boek, dat in 1925 opnieuw met de toelichting van Los werd uitgegeven door K. Heerschap te Ouddorp. Zelf beschouwde Los zich ook als een ‘pelgrim’. In het ‘Woord vooraf’ van De kruisweg noemt hij ‘Caleb’ (= ‘hond’ [nietswaardig wezen]), de naam van de man die met Jozua (‘Jezus’) het beloofde land [de hemel] mocht binnengaan (Numeri 14:24), een hem passende benaming.

Van sympathisant van de ‘fijnen’ tot ‘dweper’

Steeds sterker voelde Los zich aangetrokken tot de afgescheidenen, de vromen die door de buitenwacht als ‘fijnen’ of ‘dwepers’ werden aangeduid, de mensen die bij ‘de wereld’ niet geacht zijn en ‘bij den duivel in een kwaad blaadje staan’, maar als ‘uitverkorenen Gods’ door de engelen als hun ‘livreiknechten’ worden bijgestaan (De kruisweg, 3). Bijzondere sympathie voelde hij voor dominee L.G.C. Ledeboer (1808-1863), die weigerde om in ruil voor de erkenning door de overheid de pretentie de vaderlandse kerk, de Gereformeerde Kerk van Dordt 1618-1619, te vertegenwoordigen of op te geven. In de inleiding tot diens door hem in 1863 postuum uitgegeven Een brief over de regtvaardigmaking des zondaars voor God, typeert hij de ‘getrouwe knecht des Heeren’ als ‘een helder schijnend licht, hoog op den kandelaar’ van wie zelfs nietgeestverwanten erkenden dat het ‘het licht des Heiligen Geestes’ was (p. 3).

Los trad op als uitgever van onder de Afgescheidenen geliefde ‘ego documenten’. In 1859 publiceerde hij Gods vrije genade verheerlijkt in Maartje Meyburg (...), een achttiende-eeuws bekeringsverhaal, dat in 1932 opnieuw is uitgegeven door J.P. van den Tol te Nieuw-Beijerland. Omstreeks 1880 schreef hij het ‘Woord vooraf’ bij een ongedateerd en zonder plaats van uitgave verschenen anonieme ‘biografie’, Eene dochter Abraham’s gezocht en gezaligd. Door haar zelve beschreven op de reize naar het land der ruste, dat Los’ schrijftrant verraadt, en in 1998 door De Schatkamer te Rumpt opnieuw is uitgebracht.

Met brochures vormde hij de opinie van de aanhangers van de ‘Gereformeerde waarheid’. In 1867 waarschuwde hij hen voor H.J. Budding (1810-1870) in Dominé Budding, een baak in zee. Een woord aan het volk. De predikant wiens verkondiging aanvankelijk was ‘als hemelsch banket’ had zijn ware gezicht laten zien door zijn bewering dat de leer van de Drie-eenheid niet schriftuurlijk was en daarmee blijk gegeven van zijn ‘walg aan het brood dat uit den hemel daalt, noemende dat beschimmeld brood’ (p. 4).

Als uitgever bracht Los het lezerspubliek in aanraking met het werk van buitenlandse bevindelijke auteurs. In 1859 publiceerde hij de door hemzelf uit het Duits vertaalde Verbondsliederen en dankpsalmen van Joachim Neander (1650-1680). Diens leven typeerde hij als een ‘omwandeling door de woestijn naar Kanaän’ (p. vii). In De lusthof Sions introduceerde hij Engelse geestverwanten, de calvinistische prediker van de uitverkiezing en de vrije genade George Whitefield (1714-1770) en de dissenter Josef Charles Philpot (1802-1869)die in 1835 de Anglicaanse Kerk vanwege het geestelijke verval had verlaten. In 1865 presenteerde Los Licht en donker, uit Philpot’s Gospel Standard (Evangele [sic?] Standaard). Een ruime plaats daarin heeft ‘De ondervinding van wijlen Henry Fowler [1779-1838], Evangelie leeraar’, een lekenprediker die uiteindelijk predikant werd van een ‘vrije’ gemeente. Los die zelf, na jarenlang als leek gepreekt te hebben, in 1869 zonder academische opleiding vanwege zijn bijzondere gaven predikant werd, zal in hem een soort alter ego herkend hebben. Hard is Los’ oordeel over het gros van de predikanten van de Hervormde Kerk. Zij laten mensen zonder geloofskennis als lidmaat toe – een weerkerend voorbeeld (bijv. De kruisweg, 115) – en spiegelen hen voor dat deugdzaamheid toegang geeft tot de hemel. In zijn verhalen rekent hij af met de ‘blinde leidsmannen van de blinden’ en beschrijft hij hoe satan ook in de kerken ‘op den troon’ zit. Een predikant bij het sterfbed van een vrouw, wier zonden haar niet benauwen en die slechts hoopt op de barmhartigheid Gods, wordt door een aanwezige dame als volgt gekapitteld:

Dominé! maakt ze [de stervende vrouw] met haren verdoemelijken staat bekend, ontbloot ze tot aan de fondamenten toe, maar pleister ze niet toe met looze kalk!

Fel kritiseert de dame het verdoezelen van de waarheid:

Ja, het is hard en scherp, wanneer de volle raad Gods verkondigd wordt. Hard en scherp, wanneer de zondaar naakt wordt uitgekleed [...], wanneer de zon-daar als niets en Christus als alles wordt voorgesteld. Daar zinkt de mensch, daar rijst vrije genade ... (Ziek- of sterfbed, 29-30)

Ook ‘gewone’ hervormde kerkleden worden niet gespaard. In het boekje De overjas dat vóór 1880 geschreven moet zijn, worden de voorstanders van de inwendige zending te kijk gezet als farizeeërs. Een deftige overjas doet verslag van wat hij meemaakt als kledingstuk van een heer van stand. Die pretendeert ‘voor vele zielen het middel tot bekeering’ te zijn geweest en doet zich voor als een vroom man die ‘nogal wat over heeft voor Bijbel-, Zendings- en Tractaatgenootschap, voor Uiten Inwendige Zending’ (p. 8-9). Hij behoort tot de initiatiefnemers van de oprichting van een filantropische vereniging om wat terug te doen voor het vele dat Jezus voor hen gedaan heeft. Hoog geven hij en zijn medestanders op van hun zondagsschoolwerk dat resulteerde in de vorming van vele kinderen tot ‘brave Hendriken en brave Maria’s’ (p. 15). De overjas ziet evenwel ook de andere zijde van de man. Vloekend scheldt hij zijn dienstbode uit. In zaken neemt hij het niet zo nauw. Hij maakt zich aan achterklap schuldig en vergeet op reis bij de maaltijd te bidden en te danken, zonder overigens zijn identiteit als christen te verloochenen. Hij deelt traktaatjes uit, wat leidt tot een gesprek met een medereiziger. Die oordeelde dat daar slechts een halve waarheid in verkondigd werd, want dat de mensch niet werd bekend gemaakt met zijn gansch verloren toestand en er zonder dat geen plaats was voor een volkomen Zaligmaker. (p. 11)

Bits repliceert de drager van de overjas ‘dat hij niet van dat naargeestige Christendom hield, dat maar altijd over ellende sprak en dat niets goed keurde, dat niet met dat ouderwetsche sop was overgoten’ (p. 11-12). Los eindigt met een strafrede:

Zendelinggenootschappen, Bijbelverspreiding, Jongelingsvereenigingen [...]. ’t is een lange koralen ketting, die gij langs bidt, terwijl het niet anders is dan een ijdel geroep, dat wegsterft in het luchtruim. Gij wilt alle menschen bekeeren en zijt zelf onbekeerd; alle menschen in den hemel hebben en gij weet niets af van den hemel en vergeet dat God een Souverein God is ... (p. 22-23)

In De overjas schaart Los zich voor honderd procent aan de zijde van de bevindelijk gereformeerden die, zo stelt hij het voor, door de schijnvromen ten onrechte als ‘zwartgallige menschen’ worden beschouwd vanwege hun leer van verkiezing en verwerping en hun overtuiging dat Christus’ bloed niet voor alle mensen is gestort.

De zwartkijkers zijn echter de ware vromen, de pelgrims op weg naar de eeuwigheid. Zij zijn niet tegen (inwendige) zending, mits ‘de oude waarheid’ maar wordt verkondigd en het kerstfeest op de zondagsschool niet gevierd wordt als een sinterklaasfeest (Eene heerlijke vrucht, p. 14-15, 26, 33).

Tot besluit

Blijkens de brief aan Koenen en de ‘sprekerslijst’ van de bidstonden voor Israël onderhield Los aanvankelijk contact met rechtzinnige hervormden, predikanten en ‘gewone’ leden. Met hen zette hij zich in voor de reformatie van de Hervormde Kerk en voor de herkerstening van de maatschappij. Hij stond sympathiek tegenover het Réveil en mocht zich verheugen in de vriendschap van dominee A.P.A. du Cloux (1808-1890), een voorvechter van de gereformeerde leer en van kerkherstel. In het ‘Woord vooraf’ van Los’ De leer der algemeene verzoening, voorgesteld als God onteerend (...) uit 1857 noemt Du Cloux zich tegenover Los ‘uwen u liefhebbenden vriend en broeder in den Heere’. Blijkens de publicaties uit de jaren vijftig en zestig voelde Los zich een geroepene, een profeet. Als een nieuwe Mozes riep hij op het goede te verkiezen boven het kwade (Deuteronomium 30:15-20), de smalle boven de brede weg. Als een nieuwe Luther keerde hij zich tegen de moderne theologie:

Hier sta ik, God helpe mij, ik kan niet anders en zoo lang er adem in de keel is [...] hope ik [...] te getuigen dat er op grond van Gods Woord, geen raad en geene hulp voor eenig mensch is bij den God der modernen; hun God is dood, de onze leeft, dat is Jezus Christus [...]. In Hem alleen is redding voor tijd en eeuwigheid ... (Moderne leer, 24).

Naar het toeschijnt, heeft teleurstelling over het geringe effect van zijn prediking Los gaandeweg ertoe gebracht de Hervormde Kerk de rug toe te keren. Nadien schroomde hij niet ook de orthodoxe vertegenwoordigers binnen haar muren die de reformatie van de kerk nastreefden, zoals hij dat eerder zelf ook deed, de wacht aan te zeggen.

Naschrift en verantwoording

De berichten uit de Dordrechtsche Courant en enkele andere gegevens heb ik te danken aan drs. P.F. Dillingh te Dordrecht. De van Los aangehaalde geschriften publiceerde hij in zijn hoedanigheid van auteur en uitgever onder eigen naam, tenzij anders aangeduid. Voor de onjuiste datering van Los’ bekering zie men: J. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, I, Haarlem 1984, 184-185 (datering in 1849); J.M. Vermeulen, in: Predikanten en oefenaars (...), III, Houten 1996, 128-133; H. Florijn, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, V, Kampentantisme, V, Kampen 2001, 352; dezelfde, ‘Ds. Pieter Los’, Oude Paden, maart 2009, 3-10. Voor Gützlaffs tournee door Nederland zie A. Goslinga, Dr Karl Gützlaff en het Nederlandsche protestantisme in het midden der vorige eeuw, ’s-Gravenhage 1941. De brief aan H.J. Koenen bevindt zich in de Bijzonder Collecties van de UvA, Reveil Archief, verzameling Koenen (RA A V 547). In de Bijzondere Collecties van de UB-Utrecht bevinden zich twee brieven van Los aan H.F. Kohlbrugge (port. 17).Voor De kruisweg is gebruik gemaakt van de volgende kruisweg. Ervaringen en editie: De kruisweg. Ervaringen en meditatiën op de reize naar Immanuëls land (...), Leiden: J.J. Groen & Zoon, 1910, in 1997 opnieuw uitgebracht door Smeijers, Rijssen; voor Dertig jaren uit het leven van een zondaar van de door R. Fuik (een diaken van Los’ gemeente), Nieuwe Rijn 87, Leiden, in 1882 uitgebrachte versie; voor Lorren en beenen van de door W. den Engelsman, Paterson, N.J., 1870, verzorgde uitgave; voor De overjas van de door Romijn en Van der Hoff, Gorinchem 1938, gepubliceerde uitgave; Bij een ziek- of sterfbed is ontleend aan: Ontmoetingen op huisbezoek (...), J.P. v.d. Tol, Nieuw-Beijerland 1935. Eene heerlijke vrucht van eene zondagschool is een uitgave van Fuik (ca. 1885). In Klanken uit het verledene wordt een ‘tweede stuk’ over ‘beroemde mannen van latere eeuwen’ (p. vi) aangekondigd. Waarschijnlijk kan Het vaste fondament Gods staat. Ervaringen uit het leven van beroemde mannen (1884), een uitgave van R. Fuik met als auteur De redactie van ‘De Vriend van Oud en Jong’ – sinds de oprichting van het tijdschrift De Vriend van Oud en Jong in 1880 verschool Los zich achter deze aanduiding –, als het tweede deel geïdentificeerd worden. Het handelt over ‘de groote wolke der getuigen’, de ‘eerbiedwaardige gestalten’ die ‘door het geloof de overwinning hebben behaald, en nu, met de palmtak der overwinning in de hand het Lam volgen, waar het ook henen gaat’ (p. 3); afgezien van Nicolaas Schotsman en ‘Vader Brakel’ worden met name Engelse vromen voor het voetlicht gebracht. De lusthof Sions is behalve de naam van een tijdschrift ook de titel van een bundel ‘leerredenen en meditatiën’ (‘Woord vooraf’ gedateerd 5 oktober 1877), in 1980 opnieuw uitgebracht door P. Stuut, Rijssen. Voor een overzicht en een analyse van de vele door Los geschreven verhalen en beschouwingen zie C. Houtman, ‘Boekverkoper en gedreven schrijver. P. Los Gz. (1815-1888)’, De Boekenwereld.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2017

Oude Paden | 64 Pagina's

Pieter Los Gz. (1815-1888)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2017

Oude Paden | 64 Pagina's