Boekbespreking
Gelouterd en geheiligd
Uit het leven van ds. J. Hagestein
ISBN 9789463700061
Hardcover – 96 pagina’s
Uitgeverij Gebr. Koster, 2018
Prijs € 12,50
Ds. J. Hagestein werd op 21 oktober 1948 tot predikant bevestigd en reeds op 31 december 1951 preekte hij afscheid omdat hem emeritaat moest worden verleend.
Jan Hagestein werd op 15 januari 1914 in Schiedam geboren. Het ouderlijk gezin behoorde daar tot de Gereformeerde Kerk. In 1923 sloot men zich aan bij de Christelijke Gereformeerde Kerk in Schiedam en in 1928 ging men met attestatie over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk in Vlaardingen. Over zijn geestelijk leven schreef Hagestein onder meer het volgende. ‘Als kind van vijf-zes jaar waren er indrukken van dood en eeuwigheid in mijn ziel, maar ik dacht in eigengerechtigheid God te kunnen ontmoeten. Dit duurde tot mijn elfde jaar, toen het de Heere behaagde mijn ogen te openen voor de staat mijner ellende.’ Na veel strijd mocht hij zich op zeventienjarige leeftijd het eigendom van Christus weten.
Toen hij nog een schoolkind was, had hij al begeerte om predikant te worden. Toen de onderwijzer aan de kinderen vroeg wat ze later wilden worden, dacht Jan Hagestein: predikant, maar dat zei hij niet. Hij zei: ‘Schilder.’ Op zeventienjarige leeftijd wist hij zich geroepen tot het predikambt met de woorden uit Ezechiël 3 vers 17: ‘Mensenkind, Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.’
Hagestein meldde zich in 1945 bij de kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen voor een attest. Niet zo lang daarvoor had hij zich bij deze gemeente aangesloten. Het attest werd hem verleend en op 13 september 1945 werd hij door het Curatorium toegelaten tot de Theologische School. Op diezelfde dag werd F.J. Dieleman toegelaten en enkele maanden daarvoor was F. Mallan ook toegelaten. Er waren nu tien studenten.
Kort nadat Hagestein student werd, kreeg hij verkering met Helena Hoogerwerf, die ruim acht jaar ouder was dan hij. Op 27 mei 1947 zijn ze getrouwd. Al in december 1946 mocht Hagestein gaan proponeren, een halfjaar eerder dan gebruikelijk was, omdat er zoveel vacante gemeenten waren. Zijn eerste preken hield hij in Rilland-Bath.
Tijdens de lessen van dr. C. Steenblok moesten de studenten veel schrijven. Hagestein kon het soms niet volhouden, dan viel hem de pen uit de hand. Later is wel verondersteld dat het een eerste symptoom was van de kwaal die hem zou treffen.
In 1948 zouden drie studenten beroepbaar verklaard worden, maar met het oog op de grote predikantennood besloot het Curatorium ook de vier derdejaarsstudenten beroepbaar te stellen. Zo waren er zeven kandidaten. Van hen zijn er vier op jonge leeftijd overleden en drie zijn overleden toen ze op een hoge leeftijd gekomen waren.
Kandidaat Hagestein ontving twaalf beroepen. Ver-schillende gemeenten hadden in de achterliggende weken eerst een andere kandidaat beroepen. Met de beroepen had Hagestein het moeilijk. ‘Sommigen wisten van tevoren al waar ze zijn moesten. Mijn man niet’, schreef mevrouw Hagestein later. De weg leidde naar IJsselmonde. Deze gemeente behoorde nog maar kort tot het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Voorheen was het een zelfstandige gemeente, die van 1927 tot 1945 gediend was door ds. B. Toes. Op 21 oktober 1948 werd kandidaat Hagestein door dr. Steenblok in het ambt bevestigd met de woorden van Jesaja 62 vers 6 en 7. Ds. Hagestein deed intrede met een preek over Romeinen 1 vers 16.
Na korte tijd openbaarde zich een ernstige ziekte. Lopen ging steeds moeilijker. Vaak was hij niet in staat ambtelijk werk te verrichten. Hij was consulent van een tweetal gemeenten, maar hij was gedwongen ontheffing van het consulentschap te vragen. Nadat hij diverse artsen had geraadpleegd werd uiteindelijk MS geconstateerd. Een moeilijke weg voor ds. Hagestein. Daarbij kwam dat hij ook te kampen had met verdeeldheid in kerkenraad en gemeente. ‘Omstandigheden tegen vlees en bloed in’, zei mevrouw Hagestein later, en ze schreef: ‘De beste tijden en ogenblikken waren meest voor hem op de kansel, dan liet de Heere Zich vaak niet onbetuigd, en zei hij dikwijls: ‘k Had zó weg gekund.’
De ziekte zette door en op aanraden van de specialist vroeg hij emeritaat. Op 3 december 1951 werd hem dit verleend. Op 31 december 1951 preekte hij afscheid. Jeremia 17 vers 16 was de tekst. ‘Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd.’ Na zijn emeritaat heeft ds. Hagestein nog bijna een jaar gepreekt. Zijn laatste preken hield hij op 25 december 1952 in Oudewater. Hierover schreef zijn vrouw: ‘Zo was het Eerste Kerstdag dat hij ’s morgens bad: Heere, het is misschien niet verantwoord voor mijn lichaam, maar mag ik alstublieft nog éénmaal het Kerstevangelie prediken? Mijn hart brandt van liefde om het te mogen doen.’
In mei 1953 verhuisde het echtpaar Hagestein naar Vlaardingen.
De verlammingsverschijnselen namen zó toe, dat hij op den duur alleen zijn rechterhand kon gebruiken. Met behulp van een letterkaart maakte hij duidelijk wat hij wilde vertellen. Als er bezoek was, wees hij letter voor letter aan: ‘God is goed’.
Op 18 oktober 1957 is ds. Hagestein overleden, 43 jaar oud. De begrafenis werd geleid door ds. H. Rijksen. Op de begraafplaats werd gesproken door ds. A. Verhagen en de christelijke gereformeerde ds. G.W. Alberts (een vriend van ds. Hagestein). Zwager ds. N. de Jong, predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee, sprak een dankwoord.
Met deze uitgave is weer een levensbeschrijving toegevoegd aan de inmiddels lange rij levensbeschrijvingen. De auteur heeft in dit opzicht een belangrijk aandeel geleverd. Het is een goede zaak dat er nu ook een levensbeschrijving van ds. Hagestein is. Er was al eerder over hem gepubliceerd, maar dit boekje vult toch een leemte op. Het leest prettig en geeft een mooi overzicht van het leven van ds. Hagestein. Daarbij is het ook een stichtelijk boek. De illustraties hebben niet altijd een direct verband met het onderwerp, maar dat neemt niet weg dat ze wel mooi zijn.
A. Bel
Laat af, en weet dat Ik God ben
Uit het leven van ds. J. Spaans
G.L. van Roekel-Spaans
ISBN 9789463700115
Hardcover – 314 pagina’s
Uitgeverij Gebr. Koster, 2018
Prijs € 29,90
Dit boek is een vertaling van Be Still and Know That I Am God. The Life of Rev. J. Spaans, dat in 2017 werd uitgegeven. De twee dochters van ds. Spaans stelden aan L. Vogelaar de vraag om een Nederlandse versie gereed te maken. Hij heeft de tekst bewerkt en verder het boek aangevuld met gegevens en foto’s. Een deel van die aanvullingen komt uit de vijfdelige boekenserie over de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten in Noord-Amerika die in de jaren 2012-2017 verschenen is. M.A. de Korte te Barneveld zorgde voor een goede vertaling. Het boek bevat opvallend veel illustraties. Ze geven ook een mooi beeld van het leven van ds. Spaans.
Het boek is geschreven door een dochter van ds. Spaans, Gertrude van Roekel-Spaans. ‘Ik wil hem niet op een voetstuk plaatsen – dat zou hij nooit gewild hebben, omdat hij ook een mens was en vele malen met zijn zondige ‘ik’ te maken had. Maar ik hield van hem, had respect voor hem en voelde een heel sterke band met hem’, zo schreef ze in de inleiding.
John Spaans werd op 8 augustus 1930 op een boerderij in Corsica (South Dakota) geboren. Hij was het vierde kind in een gezin van twaalf zoons en één dochter. Zijn grootouders waren in 1910 vanuit Scheveningen naar Amerika geëmigreerd. Beiden vreesden de Heere, en dat kon ook van de ouders van John Spaans gezegd worden. Vader Spaans heeft de gemeente Corsica 42 jaar in het ambt gediend. Hij hield veel van het vragenboekje van ds. L.G.C. Ledeboer en daarom heeft hij het zorgvuldig in het Engels vertaald. John Spaans groeide op in de jaren dertig, de crisisjaren. Er heerste grote droogte en een verwoestende sprinkhanenplaag veroorzaakte veel schade. Schoenen waren er voor de kinderen Spaans alleen op zondag, doordeweeks droegen ze laarzen.
Toen Spaans ongeveer achttien jaar oud was, vertrok hij naar Grand Rapids. Het beviel hem daar niet. Ze deden daar niet anders dan werken en kerken. Hij zei dit tegen ds. W.C. Lamain, die kort tevoren predikant in Grand Rapids geworden was. ‘Jongen, jongen, jongen’, was het antwoord van ds. Lamain. Eerder had John al gezegd dat als hij eenmaal getrouwd zou zijn, hij nooit meer naar de kerk zou gaan. In de zomer van 1949 was hij weer in South Dakota, maar in de winter die volgde vertrok hij weer naar Grand Rapids, want thuis was er geen werk. Hij was nu ver van zijn ouders vandaan en hij dacht vrij te zijn. Maar dat was niet zo. Kort nadat hij verhuisd was, kon hij niet meer meedoen met het vermaak van de wereld. De prediking van ds. Lamain werd hem tot zegen. Hij wilde nu ook goede boeken gaan lezen. In een boekwinkel liet men hem een boek van R.M. McCheyne zien. Spaans kocht het en de Heere zegende het. Lezen kon hij eigenlijk niet goed. Dat kwam door een beperkte schoolopleiding. Maar het werd een gebedszaak. Hij smeekte de Heere hem te leren hoe hij moest lezen. En de Heere verhoorde het gebed. Soms lag hij tot twee uur ’s nachts te lezen.
De jonge Spaans heeft veel geworsteld met het leerstuk van de uitverkiezing, maar duidelijk kon hij later de plek aanwijzen waar de Heere de vijandschap tegen dit leerstuk wegnam. Hij kreeg te zien dat als er geen uitverkiezing was, niemand zou zalig worden, omdat een totaal verdorven mens nooit naar God zou vragen.
Er brak een tijd aan die hij nooit zou vergeten. ‘Een tijd dat hij niet meer zalig kon worden, maar waar de Heere een weg opende en tot hem sprak met de woorden van Psalm 89: “Ik heb hulp besteld bij een Held, Die machtig is te verlossen”. De Heere toonde hem de Zoon van God Zelf, Die de prijs heeft betaald voor de grootste zondaar. De Heere gaf hem geloof, zodat hij mocht geloven dat Hij de prijs voor hem betaald had.’ Naar de kerk gaan werd nu zijn lust en zijn leven, ’s zondags drie keer en ook doordeweeks. Zelfs de Nederlandse diensten van ds. Lamain bezocht hij, al verstond hij er niets van. Door het horen van deze preken leerde hij uiteindelijk de Nederlandse taal. Maar hij kon toen niet denken dat hij ooit zelf in die taal zou preken. Hij sprak trouwens de taal zoals ds. Lamain dat deed: Hollands-Zeeuws.
In Grand Rapids ontmoette hij zijn toekomstige vrouw, Joanne Alberdena Vissia. Toen hij de eerste keer zijn opwachting maakte bij de familie was hij behoorlijk zenuwachtig. Hij had zich wel netjes aangekleed: ‘een wit overhemd, rode stropdas en een gestreepte overall met een voorschoot. In latere jaren veranderde zijn outfit in een zwart pak, wit overhemd, zwarte stropdas en zwarte hoed!’ zo lezen we op bladzijde 37.
Joanne sprak Nederlands en ze probeerde John wat meer kennis van de Nederlandse taal bij te brengen. Ze leerde hem de Bijbel in het Nederlands te lezen, te beginnen met Psalm 1.
Het huwelijk werd op 28 november 1951 door ds. W.C. Lamain bevestigd. Het echtpaar ging wonen op een boerderij bij Byron Center (Michigan). Naast het boerenwerk werkte hij ook als vrachtwagenchauffeur voor een fabriek.
Het echtpaar Spaans heeft vijf kinderen gekregen, drie dochters en twee zoons. Aangrijpend was toen op 4 juli 1972 dochter Joanie om het leven kwam als gevolg van een auto-ongeluk. Ook haar oom Herman Spaans en diens dochter Janice kwamen om. De auto waarin zij zaten was geraakt door een kleine vrachtauto en in brand gevlogen. ‘Waarom?’ Dat was een klemmende vraag. ‘Waarom niet de hele boerderij in plaats van onze lieve dochter? Onze lieve dochter die zo graag zendingsverpleegster wilde worden?’ De tekst: ‘Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed.
Ik ben het; vreest niet’ werd voor vader Spaans tot troost in de diepe weg. ‘Toen kon hij niet anders dan Gods weg billijken. Maar er zou altijd een lege plek blijven in ons gezin.’
Op een dag in 1955 werd Spaans bepaald bij de woorden van Genesis 31 vers 3, waarin het gaat over Jakob, die moest terugkeren naar het huis van zijn vader. Spaans voelde dat ook hij moest terugkeren naar het huis van zijn vader. Dat viel niet mee. Hij was zeer gehecht aan ds. Lamain. Zijn vrouw had hij er ook niet in mee. Maar later zag ze in dat het Gods weg was dat ze zouden verhuizen. In 1956 is het gezin Spaans verhuisd naar South Dakota. In Corsica was sinds 1954 ds. A. Vergunst predikant geworden. Spaans voelde zich zeer aan hem verbonden.
In 1965 werd Spaans tot ouderling gekozen. Zijn vader diende ook in dat ambt. Bijna zeven jaar hebben ze samen mogen dienen. Bijzondere aandacht had Spaans voor het zendingswerk. Uitgebreid wordt verteld over het werk dat hij in dit opzicht heeft mogen verrichten. In 1975 bezocht hij de zendingsdag van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Hij bracht de groeten over van het Amerikaanse deputaatschap voor de Zending. In het Engels hield hij een toespraak. Ds. Vergunst vertaalde wat hij sprak. Spaans beëindigde zijn toespraak met een paar woorden in het Nederlands te zeggen: ‘Ik ken niet veel Nederlands, maar dit kan ik zeggen: God is goed voor slechte mensen’. Deze woorden maakten diepe indruk.
Lange tijd heeft Spaans geworsteld met de roeping tot het predikambt, wel 29 jaar. Hij had er wel werkzaamheden mee en af en toe kreeg hij een bemoediging, maar hij durfde er niet met anderen over te spreken. Als het echt van de Heere was, zou Hij het wel aan Zijn volk bekendmaken. Een predikant hoorde Spaans eens enkele dingen vertellen en vroeg aan de consulent om eens een gesprek met Spaans te hebben. De consulent nam het echter niet over en de kerkenraad gaf geen attest.
In 1980, Spaans was toen bijna vijftig jaar, werd de weg toch geopend. Vier mannen hadden zich aangemeld bij het Curatorium om gehoord te worden. Spaans werd als derde gehoord. De twee mannen voor hem waren niet toegelaten. Toen Spaans binnenkwam, zei ds. Lamain: ‘Jongen, welkom in de strijd.’ Van een verder onderzoek lezen we niet.
Het gezin Spaans verhuisde nu naar Grand Rapids. In september 1980 begon de studie. De 76-jarige ds. Lamain gaf hem les. Dat waren vooral praktische lessen. In 1981 werd ds. A. Vergunst, die een beroep naar Kalamazoo had aangenomen, docent. In datzelfde jaar werd J. den Hoed de medestudent van Spaans. Op 21 november 1981 overleed ds. Vergunst en ds. Lamain werd weer docent. Aan het eind van het studiejaar bleek dat de kennis van de studenten tekortschoot, en toen werd ds. A.M. den Boer de nieuwe docent en ds. Lamain werd hulpdocent. Overigens verklaarden Spaans en Den Hoed dat ze later meer gebruik hebben gemaakt van het praktisch onderwijs van ds. Lamain dan van hetgeen ze uit de boeken geleerd hebben.
Ds. Den Boer was predikant in Sioux Center (Iowa) en de studenten werd gevraagd daarheen te verhuizen. Regelmatig reisden ze naar Grand Rapids voor de lessen van ds. Lamain.
Spaans heeft tweeënhalf jaar geproponeerd en in 1984 werd hij beroepbaar gesteld. Hij ontving veel beroepen. Ook in Norwich, Canada, werd kandidaat Spaans beroepen. Over dit beroep lezen we het volgende in het Woord vooraf van ouderling W.H. Pas. ‘Wij herinneren ons nog de avond toen er een beroep werd uitgebracht op kandidaat Spaans om over te komen en ons te helpen. In de consistoriekamer knielden de kerkenraadsleden neer en de voorzitter, ouderling J.A. Bijl, smeekte de Heere om de kandidaat te zenden. Het was zo indrukwekkend dat we op datzelfde ogenblik voelden dat de Heere ons gebed verhoorde. Kandidaat Spaans moest het beroep aannemen.’
Op 7 november 1984 werd kandidaat Spaans tot predikant bevestigd door ds. Lamain. Een dag later deed ds. Spaans intrede. Enkele weken daarna, op 30 november, is ds. Lamain overleden. Dat was een groot verlies.
Intussen is de recensie al veel langer dan de beschikbare ruimte toelaat. En we zijn nog niet op de helft van het boek! Laten we daarom volstaan met te zeggen dat ook over zijn ambtsbediening in Norwich, de bezoeken aan Nederland en aan het zendingsveld veel opmerkelijke en ook ontroerend dingen worden weergegeven.
Ds. Spaans is op dankdag 12 oktober 2009 overleden. Zijn dochter schreef: ‘De Heere haalde hem thuis, in de eeuwige heerlijkheid, terwijl wij allemaal om zijn bed stonden. Voor hem betekende het vreugde, maar voor ons rouw. Twintig jaar geleden had pa in een dankdagpreek gesproken over zijn verlangen om naar huis te gaan, naar zijn God, en op deze dankdag verkreeg hij zijn wens.’ Ten slotte: het lezen van dit boek is een groot genoegen, nergens staat er een mens in het middelpunt. Gods genade, verheerlijkt in het leven van een arme zondaar, staat centraal.
A. Bel
Hij moet wassen
Dagboek
Ds. F. Mallan
ISBN 978-90-79879-20-5
Gebonden
Uitgeverij Sola Gratia – Alblasserdam
Prijs € 24,95
Enkele jaren geleden heeft collega-redactielid J. Mastenbroek de levensbeschrijving van ds. F. Mallan opgetekend. Daarom zou het op zijn weg gelegen hebben om het dagboek van deze predikant dat in dit najaar verschenen is te recenseren. Maar hoewel er verbetering in de gezondheidstoestand te zien is, is hervatting van de werkzaamheden nog niet aan de orde.
Ds. O.M. van der Tang schreef in zijn voorwoord over het dagboek van Philpot. Het gebeurde wel dat wat de moeder van ds. Van der Tang in het dagboek van Philpot las zó aansloot bij voorgaande geestelijke gesprekken, dat ze zei: ‘Het is weer alsof Philpot erbij geweest is.’ Philpot – dat was ook het eerste waaraan ik dacht nadat ik het dagboek van ds. Mallan had doorgebladerd. Niets ten nadele van Door Baca’s vallei, maar het andere dagboek van Philpot, Korenaren uit de volle oogst, heeft toch wel bij velen een extra plaatsje. En dat dit dagboek zo geliefd is, zou weleens kunnen komen omdat het door de dochters van Philpot is samengesteld. Daarom dacht ik dus aan Philpot toen ik zag dat in de samenstelling van het dagboek van ds. Mallan dochter Maaike Mallan een groot aandeel gehad heeft.
De verwachtingen werden in dit opzicht niet beschaamd. Met grote betrokkenheid en nauwkeurigheid is dit dagboek samengesteld. Daarbij heeft ze ook hulp van anderen gehad. De teksten zijn geselecteerd en samengevoegd uit preken en artikelen, waaronder de bekende rubriek ‘Antwoord per brief’ uit De Wachter Sions. Deze rubriek werd vaak als éérste gelezen. Ik spreek uit eigen ervaring.
Veel zou over dit dagboek geschreven kunnen worden. Maar laten we volstaan met weer te geven wat we lezen in het dagboekstukje voor 23 mei over de tekst 1 Korinthe 13: 8a: ‘De liefde vergaat nimmermeer.’ Ds. Mallan schrijft dan: ‘God had de mens goed geschapen. Hij is enkel liefde en Hij schiep de mens met enkel liefde in het hart. Hoe verschrikkelijk is de val van de mens geweest, waardoor hij de liefde is kwijtgeraakt! En waardoor hij een hater van God en van zijn naaste is geworden! En daarom nu juist het eeuwig wonder, dat God Zijn liefde aan zo’n liefdeloos mens gaat openbaren. Dat Hij die liefde in het hart uit gaat storten; hen opzoekt in Zijn liefde. Want het grootste wonder wordt toch: de opzoekende liefde Gods bij aanvang, maar bij de voortgang ook.
Bij de aanvang is dat wel het grootste wonder dat God de mens van dood levend maakt. En dat Hij omziet naar een mens die uit en van zichzelf naar Hem nooit omgezien zou hebben. Als God tegen zo’n mens gaat zeggen: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’ Onbegrijpelijk! Als die liefde wordt gesmaakt, dan moet je het geloven. Dan deelt u in de zaligheid. Dat is het leven voor de ziel.’
Opvallend is dat in dit dagboek de dagboekstukjes ook betrekking hebben op de Bijbeltekst die erboven staat. Dat is in andere dagboeken weleens anders. Soms denk je: er is eerst een stukje opgezocht en vervolgens is er ook nog een Bijbeltekst bij gezocht Maar nee, dat is hier niet zo. Met het kerkelijk jaar is rekening gehouden.
Dan nog iets over het omslag. De aquarel is van dochter Maaike Mallan. Als uitgever heb ik het voorheen meermalen meegemaakt dat er een omslagillustratie van een familielid of een goede vriend of vriendin werd aangereikt. Meer dan eens is het gebeurd dat dan de schrik om m’n hart sloeg. En dan was de vraag: kan dit erop? Of ook wel: dit moet erop. Het viel dan niet altijd mee om te moeten zeggen dat het écht niet kon. Maar hier is het anders, heel anders. Een heel mooi omslagontwerp. Als u het boek koopt – ik hoop dat u dit doet – leg het boek dan niet neer, maar zet het ergens rechtop, dan kunt u er niet alleen een heel jaar in lezen, maar dan kunt u er ook een heel jaar naar kijken.
A. Bel
Onder de vijgenboom
Facetten uit het leven van ds. G. Schipaanboord
J.J. Schipaanboord
ISBN 978 94 6370 018 4
Gebonden, 167 blz.
Uitgeverij Gebr. Koster
Prijs € 14,90
De titel is ontleend aan de tweede van zes preken, die achter deze levensschets ‘Door lijden geheiligd’ zijn opgenomen: Het onderhoud tussen Jezus en Nathánaël. Het is niet de bedoeling om in ons blad op uitvoerige wijze predicaties te gaan bespreken. Ik kan er dit van zeggen dat, als je deze preken leest, het is alsof je ds. Schipaanboord hóórt. Ik heb het voorrecht gehad om regelmatig onder zijn gehoor te zitten. Schriftuurlijk-bevindelijk verklaarde hij de waarheid die naar de Godzaligheid is. Daarvan gewaagt ook dit zestal. Temeer een reden om dit boek aan te schaffen. De eerste preek is een Paaspreek, de derde gaat over Petrus en Cornelius, de vierde over de dood van Jakobus, de broeder van Johannes, de vijfde over een heilige belofte voor Gods kinderen op aarde en de laatste heeft als onderwerp de bekering ten leven van heidenen. In de tweede preek trof ons zijn waarschuwing aan catechisanten: ‘Luister eens: Als je straks belijdenis des geloofs hebt afgelegd, werp dan het kostelijke vragenboekje van Hellenbroek niet weg. Maar lees en herlees het! Wees er zuinig op. De tijd is niet ver dat dergelijke lectuur niet meer gedrukt mag worden.’ En op dezelfde bladzijde: ‘Een godsdienstig mens maakt wat een drukte met muziek en allerlei versieringen. Maar voor die oprechte Nathánaëls staat er: De lofzang is in stilheid tot U, o God, in Sion.’ En, om niet meer te noemen (u leest het zélf als u het boek straks gaat aanschaffen!), in de vijfde preek staat: ‘De Russische astronauten hebben gespot toen ze uit de ruimte terugkwamen en onder grote hilariteit op het congres zeiden: “Wij hebben God niet kunnen vinden.” Wat een voorrecht. Want dan was het eeuwig kwijt als zij Hem hadden gevonden. Want God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. Zo heeft Christus, die lieve Koning, tegenover de Samaritaanse vrouw gesproken. O, gemeente, wat een eeuwig wonder.’ En waar het in diezelfde preek ook gaat over Johannes op Patmos, die het nieuwe Jeruzalem ziet, lezen we: ‘O, volk van God, wat een toekomst. Een blij vooruitzicht dat ons streelt, dan zullen wij, ontwaakt, Zijn lof ontvouwen en Hem in gerechtigheid aanschouwen; om verzadigd te worden met dat Goddelijke beeld.’
Zoon J.J. Schipaanboord, de samensteller van dit boek en ouderling in de Gereformeerde Gemeente te Rhenen, neemt de lezer als het ware aan de hand mee langs het leven van zijn vader. Vanaf zijn geboorte op 1 maart 1916 tot zijn zeer plotselinge sterven op 9 november 1973. Zijn ouders behoorden tot de Gereformeerde Kerk. Maar toen de bevindelijke waarheid steeds minder werd gehoord, kon zijn moeder, in wie genade verheerlijkt was, daar niet langer kerken. Ze was met bid- en dankdagen dan ook in de Gereformeerde Gemeente te vinden. Na zijn vooropleiding vond Gerrit een werkkring bij een groothandel. Bijzonder was dat hij toen al van zijn salaris steeds wat opzij legde om de Bijbelverklaring van Matthew Henry te kunnen kopen – niet beseffend dat hij later geroepen zou worden om zelf het Evangelie van vrije genade uit te dragen. Bij dezelfde werkgever, de firma Houthoff in Leiden, ontmoette hij zijn aanstaande vrouw, Johanna Cornelia Sollie. Haar vader was diaken en later ouderling bij de Gereformeerde Gemeente te Leiden. Zij was beslist niet geneigd over te gaan naar de Gereformeerde Kerk, Gerrit maakte de stap naar een ander kerkverband dus wel. Zo kwam hij in de kerk aan de Nieuwe Rijn in zijn geboortestad terecht. Daar werd hij aan zichzelf ontdekt door de werking van Gods Geest. Van een bekeerd ‘verbondskind’ werd hij onbekeerd en stond hij in eigen waarneming overal buiten. Hij zocht het gezelschapsleven op en kwam bij de ouders van de predikanten A. en E.F. Vergunst terecht. Vader Hendrik Vergunst was een Godvrezend man, die met blijdschap aanhoorde wat er met de jonge Schipaanboord was gebeurd. Hij maakte goede opgang in de gemeente waaraan hij zich hartelijk verbonden wist. In 1945 werd hij diaken, twee jaar later werd hij tot ouderling bevestigd. Er lag nog een ander ambt voor hem klaar … en daartoe werd zijn begeerte gewekt. Niet uit hem vandaan, het was een Godswerk.
Hij voelde de roeping, maar heeft er nog elf jaar over moeten doen alvorens hij vrijmoedigheid kreeg zich aan te melden bij de Theologische School aan de Boezemsingel in Rotterdam. Hij ging voor een attest naar de kerkenraad. Eerst moest hij bekering, roeping en zending verklaren voor de kerkenraad. Het attest werd hem verleend. Enkele ouderlingen zeiden: “Eindelijk!” toen zij hem de weg hadden horen verklaren. Schipaanboord werd aangenomen en mocht de lessen volgen. Zijn vrouw hoorde van haar predikant, ds. C. Molenaar, dat zij predikantsvrouw moest worden. Huilend reageerde zij: “Ik kan geen predikantsvrouw zijn!” Ze is het ook niet geworden; de Heere nam haar weg voordat haar man predikant werd. Een ernstige ziekte was de oorzaak van haar sterven, op 20 april 1960. Ze bereikte de leeftijd van 44 jaar. Haar man had een stille hoop voor haar, maar sprak daar niet over. Hij had ook een hoop voor hun zoontje Bernhard, een van de zeven kinderen uit dit huwelijk, dat maar twee dagen geleefd heeft.
Het rondgaan in de gemeenten trok een wissel op het gezinsleven; de predikant beschikte niet over een rijbewijs. Dat betekende dat alle plaatsen met het openbaar vervoer moesten worden bereikt. Er werd geen keuze aan de proponent gelaten; de rector van de school stelde de zondagse preekbeurten vast. Zelfs tijdens de laatste levensweken van zijn vrouw werd Schipaanboord nog naar verafgelegen plaatsen gestuurd, en dat terwijl er rond Leiden nogal wat vacante gemeenten waren … Na het overlijden van mevrouw Schipaanboord werd het gezin bijna anderhalf jaar van zaterdagmiddag tot maandagmiddag alleen gelaten. De oudste dochter (19 jaar) zegde haar werkkring op en nam met veel liefde de zorg op zich voor haar vier broers en zusje.
Hoe goed dit ook mocht gaan – een vrouw en moeder werd gemist. Ds. Schipaanboord vond in Maria Cornelia Kersbergen zijn tweede echtgenote. Zij had de eerste vrouw tijdens haar laatste weken van haar ziekte mede verzorgd en was een goede kennis. Ds. H. van Gilst leidde de kerkelijke huwelijksbevestiging, opmerkelijk genoeg met precies dezelfde tekst als waarmee het eerste huwelijk was bevestigd (Hebr. 13:5b), zonder dat de bevestiger dat wist. Kort voor zijn huwelijk was ds. Schipaanboord in Apeldoorn tot predikant bevestigd. Zijn derde spreekbeurt als proponent was in die gemeente. Toen kreeg hij te geloven dat daar zijn plaats zou zijn.
Er werden uit het tweede huwelijk nog een zoon en dochter geboren. Dochter Marianne was lichamelijk gehandicapt. Dat stond de geestelijke band tussen vader en dochter niet in de weg.
Na zeven jaar Apeldoorn leidde de weg naar Rotterdam-Zuid. Bijna vijf jaren was hij aan deze grote gemeente verbonden. De kerkenraad moest deze energieke predikant menigmaal afremmen; geen taak te zwaar en geen opdracht te moeilijk. Hij had in de Maasstad een goede tijd. Toch kampte hij de laatste tijd van zijn leven met vermoeidheid. Zo ook toen hij op 9 november 1973 een weekdienst in ’s-Gravenzande zou vervullen. Zijn laatste preek besloot hij opmerkelijk genoeg met de woorden: ‘Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk’. Deze woorden gingen nog geen uur later in vervulling, toen hij naar zijn auto liep, die bij het Centraal Station in Rotterdam geparkeerd stond. Daar zakte hij in elkaar en blies de laatste adem uit. Op Dankdag 14 november werd in een afgeladen kerkgebouw de rouwsamenkomst gehouden, waarin zijn oud-stadsgenoot ds. A. Vergunst voorging. Achtereenvolgens spraken de ouderlingen M.P. van As uit Apeldoorn en A. van Bochove van zijn Rotterdamse gemeente. De begrafenis vond in Lisse plaats; daar werd het woord gevoerd door ds. K. de Gier, waarna de auteur van deze levensschets namens de familie woorden van dank sprak.
Bij het lezen en recenseren van deze uitgave gaan de gedachten terug naar de jaren 1969-1973. We zien hem in gedachten weer staan op de kansel aan het Mijnsherenplein. Markant in zijn hele doen en laten. Bepaalde uitspraken komen ons weer voor de geest. Zoals tijdens de preek over de melaatse man, die van vier gedragen werd. Hij gaf de dragers namen: geloof, hoop en liefde. Om het viertal vol te krijgen, noemde hij de laatste zelfverloochening. Hij was rechttoe rechtaan, durfde de dingen bij de naam te noemen. In een preek over de tien melaatsen, van wie er maar één terugkeerde, stelde hij de gedurfde vraag: “En waar zijn de negen? Die zitten in het Feijenoordstadion!” Gedurfd, omdat er toch nog wel wat kerkjeugd bij doordeweekse wedstrijden in ‘de kuip’ te vinden was of van vrienden over de voetbal hoorde. Op een boeiende wijze kon hij de Schrift verklaren, waarbij de bevinding en het waarschuwende element niet achterbleven. Het ‘amen’ klonk altijd te vroeg. Hij preekte, zoals het ook hoort, tot de hele gemeente. Dat nam niet weg dat hij vaak onderbrak met: ‘volk van God’ en hij voor ’s Heeren volk een afzonderlijk woord had. Hij preekte eens over de belegerde muren van Jericho. Je zág het volk om de muren lopen, hij schilderde het uit. Toen hij tot het instorten was gekomen, zei hij: “Nu, de muren zijn gevallen, dus kunnen we nu de tussenzang wel zingen!”
Ds. Schipaanboord preekte eens in IJsselmonde. Toen we na de werkdag naar huis reden, stond rond zes uur zijn auto al voor de kerkdeur, terwijl hij achter het stuur zijn boterhammen at en de preekschets nakeek. Wellicht was hij van een langdurige vergadering teruggekomen en zag hij er niet meer doorheen om naar zijn woning in Berkel en Rodenrijs te gaan. Wie dit boek aanschaft, leest over de bekering van een randkerkelijke makelaar, over een aanstaand bruidspaar van wie de man zulke lange haren had dat hij vroeg: “Wie is de bruid?” en andere gebeurtenissen. Maar ook méér dan deze zaken: het gaat ook over een rijke Christus voor een arm zondaar, Die zich op grond van recht en gerechtigheid, naar Zijn eeuwig welbehagen, heeft weggeschonken aan dominee Gerrit Schipaanboord.
J. Mastenbroek
De hemelvorser
Gerhard Fockens (1810-1870)
Dr. M.J. van Lieburg
ISBN 978-90-5345-550-0
Gebonden, 608 blz.
Uitgeverij Matrijs
Prijs € 29,95
Over de briljante, maar op een gegeven moment krankzinnig geworden student Gerhard Fockens (1810-1870), schreef Mart van Lieburg een biografie van meer dan 600 pagina’s. Gerhard Fockens is de zoon van ds. Lucas Fockens, die wel de vader van het Friese Réveil genoemd werd. Vader Fockens, een diep bevindelijk en orthodox predikant, was inmiddels verbonden aan Sneek toen Gerhard Regnier in 1810 geboren werd. Hij is het negende kind van Lukas en Anna Fockens. Bekend van hen zijn de oudere zussen van Gerhard, Titia en Henriëtte, over wie dr. G.A. Wumkes geschreven heeft in zijn boek over het Friese Réveil.
Vader Lucas Fockens had zijn kinderen volgens Gerhard ‘van de jeugd af aan de vreze Gods als het beginsel van alle wijsheid zoeken in te planten’. Daarbij drong hij aan op kennis van de oude talen, in het bijzonder het Hebreeuws en Grieks, om vooral ook de Heilige Schriften te bestuderen. Iets, wat Gerhard regelmatig in de brieven, maar ook op het sterfbed van zijn vader te lezen of horen kreeg. Twee broers van Gerhard werden predikant: Bert en Herman. Maar in meer of mindere mate waren zij de Groninger richting toegedaan en volgden zij niet de orthodox-gereformeerde lijn – Lucas voelde zich volgens Van Lieburg sterk verwant aan de Nadere Reformatie – en volgde zo het spoor van vader.
Gerhard ging op zevenjarige leeftijd naar de Latijnse school te Sneek, waar hij al vroeg een uitblinker bleek: reeds op dertienjarige leeftijd meldde Fockens zich in Utrecht aan als student theologie aan de Utrechtse Universiteit. Koning Willem I schonk de jonge, veelbelovende student zelfs een toelage van 150 gulden. Gerhard wierp zich op de het studie, maar maakte ook deel uit van collectief van Friese studenten en een groep Sneker studenten. De aanvankelijk begonnen studie theologie werd echter ingeruild voor de studie in de letteren en de sterrenkunde. Op dit vlak behaalde hij bij prijsvragen maar liefst vier gouden medailles: in Leiden (1830, 1834 en 1837) en Utrecht (1831). Gerhard verkreeg een baan als docent bij het Utrechts gymnasium, maar brak dat plotseling af. Hij trad nog op bij de festiviteiten van het eeuwfeest van 1836 en schreef zich opnieuw in 1837 in als student geneeskunde, waarna hij flink op weg was naar promotie. Met maar liefst zestien studiejaren moet hij wel een record gevestigd hebben als Utrechts eeuwige student. Tegelijk heeft het studieverloop iets tragisch, het werd abrupt afgebroken door ‘een krankheid in zijn hoofd’ en hij kwam uiteindelijk terecht in een krankzinnigengesticht. De meeste voldoening moet Gerhard gehad hebben aan zijn baan als observator bij de sterrenwacht, waar hij uren naar de sterrenhemel tuurde, maar ook niet de erkenning kreeg waar hij zo sterk naar verlangde.
Bijzonder interessant is het zesde hoofdstuk van ‘De hemelvorser’, waar de kerkelijke wereld van Sneek geschilderd wordt. Ds. Lucas Fockens verzette zich openlijk tegen de moderne leer van zijn collega’s.
Het kwam hem op een berisping te staan. Hij moest na een klacht van een liberaal gezinde diaken op zondag 2 juli 1820 een strafpreek aanhoren. Dit was voor hem een vernedering. In dit zesde hoofdstuk is ook te lezen over broer Herman, de geleerde exegeet uit de Groninger school en broer Bert, de plattelandsdominee van liberale signatuur. Hoe anders was Gerhard: als lidmaat van de Hervormde Gemeente te Utrecht voelde hij zich aangetrokken tot de leer en de persoon van Hermann Friedrich Kohlbrugge. In het crisisjaar van Gerhard – bij hem waren de eerste symptomen van een verstoorde psyche waar te nemen – vond zijn bekering plaats. Daarover schreef hij een uitvoerige brief aan zijn vader. Ds. Fockens antwoordde: “Lieve Gerhard! De hemel zal er eeuwig van weergalmen, indien gij hier een arm zondaar wordt en blijft tot uwen dood toe en eens (dat zij eerst na eenen langen goeden strijd in zeer hoogen ouderdom!) aan Satan, wereld en arglistig hart als overwinnaar, ja meer dan overwinnaar ontsnappen moogt door hem, Die (mag ik het niet zeggen?) u heeft liefgehad met eene eeuwige liefde en u getrokken met goedertierenheid. Dat was, onlangs een nacht der nachten! Wat zeg ik? Een dag van het hoogste belang voor u en allen die u liefhebben en kennen zullen. Uwe stem klonk door ons huis. Zij weergalme den ganschen hemel door! “Wij hebben een nieuwen broeder op aarde gevonden!” Juichen ook alzoo de morgensterren van u? Ja dat doen zij en dat zullen zij doen, indien gij verwaardigd zijt en zult worden om den drieënigen God op het hoogste te verheerlijken en u zelve op het diepst te vernederen.” Drie dagen voor Pinksteren 1834 kwam Gerhard in een geloofscrisis terecht. Hij ging naar zijn pastor H.F. Kohlbrugge, die hem wees op zijn eigengerechtigheid, maar troostte Gerhard ook op zijn geheel eigen wijze. Op donderdag 27 juni 1839 verhuisde Gerhard Fockens naar het Utrechtse krankzinnigengesticht, het begin van een lang behandelingstraject. Voor vader Fockens was 1835 het omslagpunt. Hij gaf bij de ondercuratele telling van zijn zoon aan dat hij een van de grootste wis- en sterrenkundige zou geworden zijn, als hij niet in april 1835 door een schok in zijn verstand belemmerd geworden was. Na Utrecht volgde behandeling in Zutphen en een zusterlijke mantelzorg in Sneek en daarna in de pastorie van Jutrijp. Zijn laatste jaren verbleef Gerhard Fockens in Ermelo, waar hij liefdevol verzorgd werd in het Huis van Barmhartigheid van de predikant ds. H.W. Witteveen, die een zendelingsgemeente gesticht had. Daar stierf Gerhard op dinsdag 22 februari 1870. de begrafenis vond ook plaats te Ermelo. Zijn grafsteen bevat de woorden: ‘Rustplaats van Gerhard Regnier Fockens. Observator aan de sterrewacht te Utrecht. De dood is verslonden tot overwinning.’
‘De hemelvorser’ is een zeer interessant wetenschappelijk werk, Van Lieburg heeft na zeer veel speurwerk een fraaie weergave gegeven van het gezinsleven van de familie Fockens, maar ook van de wetenschappelijke wereld rond de hoofdpersoon, alsmede van het kerkelijk leven van die dagen in Sneek, Utrecht en Ermelo. Juist door gebruik te maken van de vele brieven die vader en zoon Fockens aan elkaar schreven, kijken we hen in het hart.
Prof. dr. M.J. van Lieburg heeft ‘De hemelvorser’ opgedragen aan de nagedachtenis van ds. A. Vergunst die hem in onvergetelijke gesprekken deelgenoot maakte van zijn bewondering voor de sterrenhemel als Gods ‘uitspansel’.
J.P. Neven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2019
Oude Paden | 64 Pagina's