Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Menigmaal hebben wij u als twee broeders samen gezien’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘Menigmaal hebben wij u als twee broeders samen gezien’

Uit het politieke leven van ds. G.H. Kersten en ds. P. Zandt

25 minuten leestijd

Mr. H.A. Dambrink is iemand geweest die een aantal merkwaardige acties ondernomen heeft richting de SGP. Zo beweerde hij in 1925 dat ds. G.H. Kersten hem de eerste plaats op de kandidatenlijst van de SGP had aangeboden. Ds. Kersten verklaarde: ‘Ik heb mr. Dambrink nog nooit van mijn leven gezien.’ Ds. Kersten werd vervolgens van alle blaam gezuiverd. Maar Dambrink liet later opnieuw van zich horen. Toen was het ds. P. Zandt op wie hij zijn pijlen richtte.

Historische kranten geven heel veel informatie. Maar wat was het vroeger een tijdrovend werk om ze in een archief te raadplegen. En nu? Delpher.nl geeft aan dat er twee miljoen historische kranten beschikbaar zijn. Die zijn eenvoudig te doorzoeken. Om bij het onderwerp van dit artikel te blijven: Kaj van der Horst heeft in 2021 een scriptie geschreven met de titel ‘DE MUUR OM KERSTEN. De reacties in het medialandschap op de komst van de SGP als politieke nieuwkomer, 1918-1930.’ (Premaster Geschiedenis Radboud Universiteit). Hij schrijft: ‘In de digitale krantencollectie van Delpher is er met behulp van de volgende zoektermen gezocht naar krantenartikelen uit het interbellum [1918-1939]: ‘G.H. Kersten, ds. Kersten, dominee Kersten, (de) Staatkundig Gereformeerde Partij, SGP en S.G.P’. Dit resulteerde in 3.960.235 digitaal beschikbare krantenartikelen.’

Ook De Banier is op Delpher te raadplegen. Het blad verscheen in 1921 als maandblad, op klein formaat. Een enkel jaar later kwam het blad twee keer per maand uit, daarna was het een aantal jaren een weekblad en van mei 1929 tot 1941 een dagblad. Er zijn veel dingen die de aandacht boeien, maar ook hier geldt voluit de waarschuwing van de wijze Prediker: ‘Veel lezen is vermoeiing des vleses.’ Bij het woord vermoeiing zegt de Kanttekening: ‘Dat is, het maakt het hoofd en de hersenen moede.’

Naast Delpher.nl is er ook op Digibron een schat aan gegevens te vinden. Dan gaat het vooral om kerkelijke bladen.

Polemiek

Wat is er een felle polemiek gevoerd en wat zijn er veel politieke bijeenkomsten geweest die een zeer rumoerig verloop hadden. Soms moest zelfs de politie te hulp geroepen worden om de orde te herstellen. Ook tussen predikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerken die antirevolutionair gezind waren en met name ds. G.H. Kersten was er soms felle strijd. Daarbij mengden tevens niet-predikanten zich in de strijd. Trouwens, er waren ook Hervormde dominees, behorend tot de Gereformeerde Bond, die niets van de SGP moesten hebben en dat in woord en geschrift voortdurend lieten blijken. Over en weer werden soms krasse uitspraken gedaan. Wat kranten als De Standaard, Antirevolutionair Dagblad voor Nederland en De Rotterdammer er soms uitkraamden ging alle perken te buiten, om van het A.R. Caricaturistisch Weekblad De Houten Pomp maar te zwijgen. In dit blad werd ds. Kersten keer op keer belachelijk gemaakt.

Vele christelijke gereformeerden waren bevreesd dat de SGP stemmen bij hen wilde weghalen ten koste van de Anti Revolutionaire Partij. Die vrees was wel gegrond. In 1918 was de SGP een partij die vooral de mensen aansprak die tot de Gereformeerde Gemeenten behoorden. In 1918 waren er verkiezingen voor de Tweede Kamer en 5.180 mensen hebben toen op de SGP gestemd. Ds. Kersten was geen lijsttrekker, maar dat was hij in 1922 wel. Het aantal stemmen bedroeg toen 26.744, genoeg voor een Kamerzetel. Gezien het aantal stemmen moeten toen al veel mensen op de SGP gestemd hebben die niet tot de Gereformeerde Gemeenten behoorden, want zoveel leden telde dit kerkgenootschap toen nog niet.

Alleen tegenover 99 anderen

Ds. P. Zandt (1880-1961) schreef later over de periode dat ds. Kersten het enige Kamerlid was: ‘Voorwaar, het is geen geringe zaak geweest dat ds. Kersten temidden van spot en hoon, felle vijandschap en tegenstand in de Tweede Kamer alleen drie jaren lang getrouw op zijn post heeft mogen staan. Men moet maar eens een Kamerzitting bijgewoond hebben, waar het enigermate gaat spannen, dan kan men zelfs van de tribune af gemakkelijk waarnemen hoe de onverholen verbetenheid zich tegen een afgevaardigde van de SGP kan keren. En hij stond daar alleen tegenover 99 anderen. En dat in een hem oorspronkelijk geheel vreemde omgeving. Door des Heeren genade mocht ds. Kersten daar echter een getrouw getuige zijn en met beslistheid opkomen voor de aloude Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij mocht kloekmoedig voor de naam en de zaak des Heeren uitkomen.’ (Citaat uit Uiteenzetting van het Beginselprogram der Staatkundig Gereformeerde Partij – deel 1 Historisch overzicht).

In 1925 waren er 62.513 stemmen voor de SGP; de Hervormde dominee P. Zandt deed toen zijn intrede in de Tweede Kamer. En in 1929 won de partij er weer een zetel bij: de christelijke gereformeerde ir. C.N. van Dis werd de derde afgevaardigde. 71.420 mensen hadden op de SGP gestemd.

Over ir. Van Dis (1893-1973) lezen we in De Banier van 28 juni 1929 dat hij in 1925 eens ds. Kersten en ds. Zandt had gehoord tijdens een verkiezingsbijeenkomst. De volgende avond hoorde hij op een bijeenkomst van de ARP ds. J.W. Geels en mr. H.A. Dambrink. Het verschil tussen wat hij toen hoorde en wat hij de avond tevoren had gehoord was zo groot dat hij voluit voor de SGP koos.

In 1929 stond hij als nummer 3 op de lijst. Ds. Kersten schreef over Van Dis: ‘De christelijke gereformeerden kunnen hem in de Kamer krijgen, indien zij allen hun stem geven aan No. 1 van Lijst 4. Slechts enkele duizenden stemmen meer dan in 1925, en ook een christelijke gereformeerde zal in de Kamer komen.’

Vijf dagen later, op 3 juli 1929, is dat ook gebeurd: de SGP kreeg 71.420 stemmen, goed voor drie zetels.

Merkwaardige acties

De al eerder in dit artikel genoemde mr. H.A. Dambrink is iemand geweest die een aantal merkwaardige acties ondernomen heeft richting de SGP.

Hendrik Antonie Dambrink (1881-1940) was van 1918 tot 1940 advocaat en procureur te Utrecht. In 1917 promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit Utrecht in de rechtswetenschappen. Hij behoorde tot de Christelijke Gereformeerde Kerken, maar in 1932 sloot hij zich aan bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Voor de Anti-Revolutionaire Partij had hij in 1923-1924 zitting in de gemeenteraad van Utrecht, en van 1932 tot 1933 was hij lid van de Tweede Kamer. In beide gevallen was hij binnen een jaar alweer vertrokken.

In De Wekker, orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland van 22 februari 1924 staan twee opvallende advertenties: een advertentie van het bestuur van een nieuw opgerichte kiesvereniging en een advertentie van mr. Dambrink.

Bovenin staat dezelfde aanhef: ‘Christ. Geref. In Nederland!’ en ‘Christelijk Gereformeerden in Nederland’. Maar daarmee houden de overeenkomsten ook helemaal op.

In de ene advertentie meldt secretaris J.T. Visser uit Akkerwoude namens het bestuur dat in 1923 in Murmerwoude alle christelijke gereformeerden uit de Anti Revolutionaire Partij zijn getreden en dat zij een afzonderlijke kiesvereniging hebben opgericht: ‘Volgens onze innige overtuiging is dit de enige weg voor ons als christelijke gereformeerden om invloed uit te oefenen op het politieke erf. Wij wekken alle christelijke gereformeerden op ons voorbeeld te volgen, om dan bij komende verkiezingen gezamenlijk zelfstandig op te treden. Dan kan er kracht van ons uitgaan. Daartoe is echter nodig een nationale bond van christelijke gereformeerde kiezers. Waarlijk broeders, in ons isolement ligt onze kracht. Gaarne willen wij in dezen van advies dienen.’ Gevolgd door: ‘Bewijs van instemming of vragen om inlichtingen worden gaarne ingewacht bij de secretaris.’

En dan nu de advertentie van mr. Dambrink:

‘Ondergetekende wekt alle christelijke gereformeerden in Nederland op het voorbeeld der christelijke gereformeerden te Murmerwoude (Fr.) NIET te volgen. Ook moet er nimmer komen een nationale bond van christelijke gereformeerde kiezers. De band die ons, christelijke gereformeerden bindt, is van gans andere aard dan die ener politieke vereniging. De politiek houde men toch angstvallig buiten het heilig erf der Kerk.’

Vervolgens nam mr. Dambrink een bericht over uit De Standaard over kerkelijke moeilijkheden in ’s-Gravenpolder. Dat bericht spreekt over voor- en tegenstanders van ds. G.H. Kersten. Ook mr. Dambrink betoogde dat in ons isolement onze kracht ligt. Hij voegde eraan toe:

‘Want onze kracht is niet van deze wereld. Als Kerk zoeken wij in de politiek geen macht noch kracht. Maar als wij spreken van macht of kracht, dan bedoelen wij de kracht des geloofs. En die kracht is geestelijk… Geen politiek in de Kerk en ook de Kerk niet in de politiek.’

In De Wekker is op 1 mei 1925 opnieuw een advertentie van mr. Dambrink geplaatst, weer over Murmerwoude. (Wie in het jaarboek van de Christelijke Gereformeerde Kerken naar Murmerwoude zoekt, vindt trouwens niets, je moet kijken bij Damwoude. Op 1 januari 1971 zijn Murmerwoude, Akkerwoude en Dantumawoude samengevoegd tot Damwoude.)

De advertentie luidt:

‘Chr. Gereformeerden in Nederland!

Ondergeteekende vestigt er Uwe aandacht op dat Ds. KERSTEN, Ds. BARTH en Ds. ZANDT, van wie alleen Ds. BARTH Christelijk Gereformeerd is, de kerkgebouwen der Chr. Geref. Kerk gebruiken om te spreken contra de Antirevolutionaire Partij en hare leiders, zonder aan andersdenkende en beter ingelichte Chr. Gereformeerden de gelegenheid te geven of te laten de beschuldigingen te wederleggen, daar debat wordt uitgesloten. Aldus is geschied te Murmerwoude in het kerkgebouw der Chr. Geref. Gemeente aldaar op Donderdag 23 April 1925.

Die praktijk geve U stof tot ernstig nadenken. Ds. Kersten sluit in ONZE kerken debat van Chr. Gereformeerden uit.

Politieke en daarna wellicht kerkelijke scheuring worden aldus in onze eigen kerkgebouwen in de hand gewerkt zonder den minsten tegenstand. Een ernstige waarschuwing daartegen meent ondergeteekende zijn Chr. Geref. Broeders en zusters niet te mogen onthouden. Gaarne komt hij tot U, waarheen U hem ook ontbiedt, om U in te lichten over de vraag: “Waarom allen één en Anti-Revolutionair?”

Dr. H.A. Dambrink,

Lid der Chr. Ger. Gemeente in Utrecht.

Utrecht, 29 april 1925

Achter den Dom 8’

In het volgende nummer, 8 mei 1925, nam de redactie van De Wekker afstand van deze advertentie:

‘Aan onze lezers!

De Commissie van Redactie stelt er prijs op te verklaren:

dat de “politieke” advertentie van Mr. H.A. D ambrink buiten haar weten is geplaatst in een deel der oplage van No. 51 van “De Wekker” dat zij de opname van zulk eene advertentie in “De Wekker” ten zeerste afkeurt;

dat maatregelen getroffen worden, waardoor in het vervolg zoo iets niet meer voorkomt; dat stukken naar aanleiding van bedoelde advertentie niet kunnen worden opgenomen.

P.J.M. de Bruin

F. Lengkeek

J.J. van der Schuit

(Het adres van mr. Dambrink was dus Achter den Dom 8. In dat huis woonde lang geleden Anna Maria van Schurman.)

‘Een rasechte revolutionair’

Op 17 juni 1929 sprak ds. Zandt in Breukelen. In De Banier van 19 juni wordt uitgebreid verslag gedaan.

‘Ds. Zandt’s spreekbeurt in Breukelen’, zo luidt de kop van het artikel. En de tekst van de onderkop voorspelt niet veel goeds: ‘Mr. Dambrink ontplooit zich als een rasechte revolutionair.’

‘Aanvankelijk had de vergadering het gewone verloop. Er werd met grote aandacht geluisterd door de geheel bezette zaal. Hier en daar zat een Antirevolutionair, vooral als het om principiële punten als zondagsontheiliging gold, te grijnslachen. Hoe afkeuringswaardig ook, dit gebeurt meer en zou voor ons geen aanleiding geweest zijn om van deze spreekbeurt een apart verslag te maken. Aanleiding daartoe is het schandaal dat Antirevolutionairen onder leiding van de heer mr. Dambrink op het eind der vergadering verwekten.’ Ds. Zandt had nog maar nauwelijks met dankgebed geëindigd, of er stond iemand op met de vraag of hij de spreker enkele vragen mocht stellen. De man was halverwege de rede van ds. Zandt binnengekomen. Het was een oude bekende: mr. Dambrink! Ds. Zandt antwoordde dat genoegzaam bekend was dat ds. Kersten en hij geen gelegenheid gaven tot debat of het stellen van vragen. Ook nu zou er geen sprake van zijn om vragen te stellen.

Geen debat, geen vragen stellen, voor het besluit om daar geen gelegenheid voor te geven was er alle reden. Ds. Zandt schreef later over de spreekbeurten die ds. Kersten en hij in 1925 vervulden: ‘Bijna geen enkele vergadering had een ordelijk en rustig verloop. Het gebeurde meer dan eens dat een groep jongelui expresselijk in de vergadering was samengebracht, welke door met de voeten te schuifelen en te trappen en door het plaatsen van allerlei interrupties ds. Kersten en ds. Zandt het spreken onmogelijk trachten te maken. Men kan zich moeilijk voorstellen welk een rumoer zulk een groep wist te verwekken. Dit was niet alleen hinderlijk voor de sprekers en voor de geregelde gang van zaken in de vergadering, het was bovenal schandalig. Te meer als men bedenkt dat het telkens weer Antirevolutionairen, en dit niet alleen onbezonnen knapen, maar ook volwassenen waren die zich aan de ordeverstoring schuldig maakten. Hun optreden was werkelijk beneden alle kritiek. Het spotte met alle begrippen van publiek fatsoen. Het was een aanfluiting voor het waarachtige Christendom. Zelfs de socialisten en communisten spraken er schande van.’

Terug naar de vergadering in Breukelen. Mr. Dambrink kreeg dus geen gelegenheid om vragen te stellen. Dat werd hem door ds. Zandt duidelijk verteld. Maar wat gebeurde er? ‘In weerwil van dat antwoord hernam Mr. Dambrink nochtans het woord. Hij zeide dat de Antirevolutionairen de zaal gehuurd hadden direct na het Amen door Ds. Zandt uitgesproken.’ Ds. Zandt ging daar tegenin. De SGP had de zaal gehuurd en zolang zij zich in de zaal bevonden had niemand zonder hun toestemming recht van spreken. Het stond de Antirevolutionairen vrij op een andere avond de zaal te huren, maar nu hadden ze te zwijgen. Maar Dambrink nam opnieuw het woord. ‘Hij begon te getuigen dat hij genade van God ontvangen had.’ Nee, dat vond geen bijval: ‘Toen er uit de zaal tekenen van twijfel omtrent mr. Dambrinks verklaring oprezen, zei mr. Dambrink ten tweeden male dat hij genade van God ontvangen had, en ook dat de Zondagsheiliging hem dierbaar was en dat hij geen Neo-Calvinist was.’ Toen gebeurde er iets dat de aanwezige SGP’ers zeer verbaasd zal hebben. ‘Daarna maakte hij zich op om het podium te beklimmen. Hierop nam Ds. Zandt het woord en sprak: “Vergadering, hier hebt gij weder een sprekend bewijs hoe revolutionair Antirevolutionairen optreden. Dit revolutionaire optreden gaat al het andere te boven wat wij tot dusverre van de AR beleefd hebben.”

‘Op het podium gekomen, had mr. Dambrink de vergaande brutaliteit om te beweren dat ds. Zandt leugens had gesproken en dat hij die wilde weerleggen. Ds. Zandt vroeg: Welke? Zeg ze eens, toon de vergadering die leugens maar eens aan. Ik ben benieuwd ze te horen.’

Dambrink toonde echter niets aan, maar hij ging een citaat van Voetius voorlezen. Zolang hij aan het lezen was zweeg ds. Zandt, maar op een gegeven moment zei hij: ‘Wat u nu zegt hebt u zelf toegevoegd, dat is in heel Voetius niet te lezen. Mr. Dambrink zweeg hierop en ds. Zandt merkte vervolgens op dat de AR-spreker geheel in gebreke was om ook maar één leugen aan te tonen. Het citaat van Voetius dat zostraks voorgelezen was, sloeg als een tang op een varken. Het had letterlijk niets met mijn rede uitstaande.’

‘In de veronderstelling dat het revolutionaire kabaal hiermede ten einde zou zijn, maakte ds. Zandt aanstalten de vergadering te verlaten. Van het podium afgekomen, maakten de aanwezige Antirevolutionairen nog al groter kabaal. Zij klapten in de handen dat het een aard had en hun hoongelach daverde door de zaal, en er werd uit hun midden geroepen: “Je kunt de vragen niet beantwoorden, daarom ga je weg.” Eensklaps keerde ds. Zandt zich om en betrad opnieuw het podium en zei dat zijn lichaamskrachten in verband met de vele spreekbeurten niet toelieten het elke avond te doen, maar dat hij deze avond bij uitzondering niet alleen vragen, maar ook debat zou toestaan.’ Dambrink haalde een vel papier tevoorschijn en stak van wal. ‘Als de SGP aan het bewind zou zijn, hoe zouden ze zich dan tegenover de roomsen gedragen? En treinen en trams kunnen op zondag toch niet stilgelegd worden? Enzovoort.

Ds. Zandt ging op deze vragen in en wees op datgene wat God in Zijn Woord van ons vraagt.’

Hoe is het geëindigd? ‘Na dit antwoord vroeg niemand der talrijke aanwezige Antirevolutionairen ds. Zandt iets meer. Geen hunner had zelfs iets op of aan te merken. Ook hun woordvoerder mr. Dambrink was alle lust tot verder debat en tot het stellen van meerdere vragen geheel vergaan.

Bij het verlaten der zaal drukten onderscheidene personen ds. Zandt warm de hand en zeiden hem dank voor zijne rede, zijn beantwoording der vragen en zijn debat. Het hoongelach der Antirevolutionairen was al lang verstomd. Mr. Dambrink en de zijnen waren stom geworden als de visschen.’

Tot zover het relaas van de verslaggever. Maar de redactie voegde er nog iets aan toe: ‘Doortrapt brutaal moet men toch zijn als men zo durft op te treden als mr. Dambrink met het oog op hetgeen gebeurde in 1925. We vragen nog steeds: Hoe staat het met de ereraad welke door de Utrechtse AR-kiesvereniging werd gevraagd, maar die nooit meer van zich deed horen?

Wat gebeurde er in 1925?

We hebben gezien dat mr. Dambrink in De Wekker door middel van advertenties van zich had laten horen. De laatste zin van een advertentie luidde: ‘Gaarne komt hij tot U, waarheen U hem ook ontbiedt, om U in te lichten over de vraag: “Waarom allen één en Anti-Revolutionair?”’ Die zin zullen Antirevolutionairen in Den Haag in hun oren geknoopt hebben.

Op woensdag 24 juni 1925 had ds. G.H. Kersten in Den Haag gesproken, en dat was aanleiding geweest voor een ‘speciaal daartoe gevormd comité’ om een avond te beleggen ‘ter voorlichting van de christelijke gereformeerde kiezers’. Op 1 juli zouden de Tweede Kamerverkiezingen gehouden worden, dus er was voor de Antirevolutionairen haast bij, vandaar dat de bijeenkomst gehouden werd op donderdag 25 juni. De Standaard deed verslag van de bijeenkomst.

Sprekers waren mr. Dambrink en ds. J.W. Geels.

Dambrink onthulde dat hij door ds. Kersten gevraagd was voor de eerste plaats op de kandidatenlijst van de SGP. ‘Spr. acht het te laag te veronderstellen dat hij om een Kamerzetel zijn politieke overtuiging zou verkopen. Meer wilde Spr. van dit gedoe van laag allooi niet zeggen. In een rustig, bovenal waardig betoog zette Spr. uiteen hoe het optreden van ds. Kersten negatief is en wekte hij alle christelijke gereformeerden op om als één man op de AR-partij te stemmen. (Daverend applaus).’

Daarna sprak de christelijke gereformeerde ds. J.W. Geels. ‘Hij wekte ernstig op de tekenen der tijden te onderkennen en hij wees erop hoe elk Christen krachtens beginsel en historie Antirevolutionair is. (…) Spr. besloot met een: Stemt Colijn! (Krachtig applaus).’

Mr. Dambrink had beweerd dat ds. G.H. Kersten hem de eerste plaats op de kandidatenlijst van de SGP had aangeboden. Maar ds. Kersten wist van niets, zo verklaarde hij. Hij had zelfs Dambrink nog nooit van zijn leven gezien. Inmiddels was wat Dambrink over dat aanbod gezegd had wel rond gaan zingen. Ds. Kersten legde zich vanzelfsprekend niet neer bij deze verkeerde voorstelling van zaken. Dambrink was lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Utrecht. Predikant van deze gemeente was ds. G. Wisse, de latere professor. Er is toen een bespreking geweest met ds. Kersten, ds. Wisse en Dambrink. Het resultaat was dat er een verklaring werd ondertekend die was opgesteld door ds. Wisse. Deze verklaring hield in dat er sprake was geweest van een ‘noodlottige vergissing’ en dat ds. Kersten geen enkele blaam trof.

Inmiddels had Dambrink naar voren gebracht dat die eerste plaats hem was aangeboden door de heer H.C. Baauw, voorzitter van de kiesvereniging van de SGP in Utrecht. Baauw (1882-1953) zou enkele jaren later de schoonvader van de latere ds. L. Rijksen worden. Baauw had wel eens met Dambrink gesproken, dat was in 1923 geweest. Hij had toen gezegd dat het goed zou zijn als ds. Kersten een jurist naast zich zou hebben. Maar een plaats op de kandidatenlijst, nog wel de eerste plaats? Nee, daar was niet over gesproken. Dit muisje kreeg een lange staart. Het heeft de pennen langdurig in beweging gehouden. Een voorbeeld: op 26 augustus 1926 nam De Banier een ingezonden brief van de heer Baauw op. Hierin gaat het weer over onterechte beschuldigingen van mr. Dambrink. Baauw schreef dat Dambrink een aantal zaken ontkende, maar toen Baauw een getuige, C.N. van Dis, wilde roepen, hij zijn excuses aanbood. Uiteindelijk zou er een ereraad gevormd worden, die een onderzoek zou instellen. Ds. Kersten wilde weten waar dat onderzoek zich op richtte. Geen antwoord van de AR. Inmiddels was het 1927 geworden. Nog eens gevraagd naar die ereraad, en toen kwam er een verzoek om het uit te stellen tot na verkiezingen (1929).

In 1930 was er nog een vinnige discussie tussen de christelijke gereformeerde professor J.J. van der Schuit en ds. Kersten. Maar uiteindelijk is de zaak doodgebloed, zonder opgelost te zijn. Het vertrek van mr. Dambrink uit de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1932 zal daarbij wel een rol gespeeld hebben.

In liefelijke plaatsen gevallen

De laatste levensjaren zijn voor ds. Kersten niet gemakkelijk geweest. Het besluit om hem niet meer toe te laten tot de Tweede Kamer was voor hem ingrijpend. Toch mocht hij zeggen: ‘De Heere heeft genadiglijk de hinder daarvan weggenomen. Voor eigen eer behoeven wij ons niet al te zeer in de bres te stellen.’ Tijdens een Kamerzitting in de tweede helft van de jaren dertig van de vorige eeuw had hij een eerste waarschuwing gekregen dat de vlam zou gaan doven. In 1943 kreeg hij trombose in een van de hartslagaderen. Hij heeft toen geruime tijd in levensgevaar verkeerd. Na aanvankelijk herstel volgde een tweede aanval. Daarna nam zijn gezondheid sterk af. Steeds minder was hij in staat ambtelijke werkzaamheden te verrichten. In 1947 werd ook het catechiseren hem te zwaar. De laatste les beëindigde hij met een ernstig en hartelijk vermaan om als jongeren vóór alles het Koninkrijk Gods te zoeken en met een aangrijpend gebed.

Vlak voor zijn sterven kwam ds. F.J. Dieleman uit Borssele op bezoek in Waarde, waar ds. Kersten verbleef op zijn boerderij. Deze jonge predikant kreeg de boodschap mee: ‘Zeg aan al het volk dat zij moed houden, hoor. We komen er een keer uit.’ In de nacht die voorafging aan de nieuwe dag van maandag 6 september 1948 werd ds. Kersten bijzonder vertroost door het woord uit Psalm 16: ‘De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.’

‘Dat is kort voor het ogenblik van zijn plotselinge dood. Wanneer de dag aanbreekt in het dorpje aan de Schelde, is ds. Kersten heengegaan in de rust die overblijft voor het volk van God’, zo schreef ds. M. Golverdingen in zijn boek Ds. G.H. Kersten. Facetten van zijn leven en werk. 6 september 1948, op die dag werd prinses Juliana tot Koningin der Nederlanden gekroond. Toen heeft Gerrit Hendrik Kersten reeds de onverwelkelijke kroon der eeuwige heerlijkheid ontvangen. Deze treffende woorden citeert ds. Golverdingen uit De Kleine Gids, de voorloper van de GezinsGids.

Door Gods nederbuigende goedheid

De begrafenis van ds. Kersten vond plaats op 9 september te Rotterdam. Stil en aandachtig luisterden de aanwezigen naar hetgeen de diverse predikanten en ouderlingen spraken. Het verslag vermeldt: ‘Wanneer echter de grijze gestalte van ds P. Zandt op de kansel verschijnt, is de stilte opmerkelijk! Wie wéét het niet dat daar de boezemvriend van ds. Kersten gereed is enkele woorden aan zijn hem dierbare nagedachtenis te wijden? Ds. Zandt is dan ook zichtbaar ontroerd en heeft moeite zijn smartelijke gevoelens niet al te zeer hun loop te laten nemen.’

Hij sprak: ‘Daar is een ogenblik in het leven van een mens, waarin het spreken hem uiterst moeilijk valt. In dat ogenblik bevind ik mij thans. Weemoed en droefheid vervullen mijn hart. Een hooggeschatte vriend, waarmede ik tal van jaren in de beste harmonie heb mogen omgaan, is mij thans door de dood ontvallen. Ik gevoel daarvan diep en smartelijk het gemis. Wonderlijk zijn wij tezamen gekomen. Wij hebben elkaar niet gezocht, noch ds. Kersten mij, noch ik ds. Kersten. De blanke, vrije, soevereine genade Gods heeft ons tezamen gebracht. Dat is door geen mens geschied. Daarom wens ik ook, als ik aan deze plaats een woord spreek, niet ds. Kersten, noch mijzelf te eren en te verheerlijken, maar Hem, Die ons tezamen bracht.’

Ds. Zandt wees er vervolgens op dat ‘door een vorige spreker’ de gaven en talenten, ‘welke de Heere ds. Kersten geschonken had’, herdacht waren. Hij zei daarna: ‘Zij zijn door hem vele en grote genoemd. En dit terecht. Daarom is het verlies, dat de SGP en mij trof, dan ook zo groot. Het daardoor ontstane gemis is eveneens groot. Ik gevoel dit thans. Echter geloof ik, dat het gemis straks nog groter zal worden, want ds. Kersten heeft op tal van plaatsen een vooraanstaande plaats ingenomen, waarop hij gemist zal worden en ook moeilijk te vervangen zal zijn. Wat mijzelf betreft, ik heb bij dag en bij nacht jaren achter elkaar in grote vriendschap en volkomen harmonie met hem mogen samen werken. Nooit is er in al die jaren tussen ons enig wezenlijk, principieel geschil gerezen. Dat is wat groots en wonderlijks, dewijl de mens toch van nature een rechte doornenheg is en hoogmoed hem in het bloed zit. Dit was dan ook niet door ons of van onzentwege. De Heere had ons samengebonden door Zijn waarheid. Dat is het geweest, dat ons samenbond en samenhield. Daardoor is een langdurige vriendschap en gebroederlijk optrekken ontstaan.’

Ds. Zandt, de predikant en het Kamerlid, benadrukte: ‘Voor die waarheid heeft ds. Kersten zich op allerlei terrein begeven. Vaak meer dan zijn lichamelijke krachten hem toelieten. Daarvoor heeft hij op staatkundig terrein met mij vele jaren samengewerkt. Ik kan naar volle waarheid zeggen, niet alleen bij dag, maar ook menigwerf bij nacht. Daarvoor, voor zijn beginsel, de zaak der Hervorming, heeft hij alle krachten, die hem van God gegeven waren, bij voortduring ingespannen; zo zelfs, dat hij zich geen rust of vakantie gunde.’

Het was ds. Kersten meer dan eens op tegenstand komen te staan, aldus ds. Zandt: ‘Ik wil allerminst oude wonden openrijten. Maar het moet mij bij deze gelegenheid toch van het hart, dat ds. Kersten ook in rijke mate ondervonden heeft dat ondank ‘s werelds loon is. En dit niet alleen van vreemden, maar ook van anderen, ook uit eigen kring. Telkens als men hem ontmoette, sprak hij daar bijna over en men kon merken, dat dit hem bitter en smartelijk viel. Ik wil daarover echter thans geen woord meer zeggen. Veeleer wens ik met ootmoedige dank aan de Heere te gedenken, wat hij door Diens nederbuigende goedheid voor ons Vaderland en volk en voor de SGP in het bijzonder, heeft mogen zijn. Hoe dikwerf heeft hij in ‘s lands hoge vergaderzaal ons volk tot bekering en tot het verlaten van de paden der zonde aangemaand! En daarom, wetende geheel in de geest van ds. Kersten te handelen, ga ik in dit gedeelte van mijn toespraak besluiten met: Land, land, land, hoort des Heeren Woord.’ Ds. Zandt beëindigde zijn toespraak met de woorden: ‘Ik word er aan herinnerd dat de tijd dringend noopt om te gaan eindigen. Daarom moge ik met een kort woord aan de familie eindigen. Geachte familie, ik versta het, dat uw hart thans met grote droefheid vervuld is. Bedenk echter, zoals ds. Fraanje terecht heeft gezegd, dat u niet behoeft te treuren als degenen, die geen hope hebben. Uw man, vader, grootvader en broeder is thans alle strijd te boven. Hij zou, hoe zeer hij ook met sterke banden der liefde aan u verbonden was, niet terug willen keren. Hij is toch ingegaan in de eeuwige vreugde Zijns Heeren en draagt de kroon der rechtvaardigheid.

De Heere zegene u en behoede u. De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede.’


Twee broeders

Op 15 september 1950 herdacht ds. Zandt zijn 25-jarig Kamerlidmaatschap. Vele sprekers hebben toen het woord gevoerd.

Ds. J.W. Kersten sprak ds. Zandt toe namens de familie Kersten: ‘Het is mij een groot voorrecht, ds. en mevrouw Zandt, om op dit ogenblik en van deze plaats uit naam van de familie van uw onvergetelijke vriend en strijdmakker het woord tot u te mogen richten. Ds. Zandt, u gedenkt hoe u 25 jaren gestreden hebt voor de beginselen van Gods Woord, zo deze vastgelegd en verankerd liggen in het program der SGP, en gestreden hebt tegen de machten van ongeloof, bijgeloof en revolutie. Deze strijd is een onderdeel geweest van de eeuwenoude strijd. Daar kondt ge op rekenen, die was te verwachten. Ja, het is een onderdeel van de strijd tussen het Vrouwenzaad en het slangenzaad. Maar er is ook nog een andere strijd, een strijd die veel zwaarder is geweest. Deze was onder de aanvoering van de nazaten van Sanballat de Horoniet, Tobia de Ammoniet en Gesem de Arabier. Dat zijn vijanden in eigen huis, die het verbond Gods in de mond nemen en die in felle vijandschap losbranden als de waarheid van Gods Woord overeenkomstig de aloude belijdenis naar voren wordt gebracht. Die strijd was daarom zo veel te zwaarder. Maar ik meen dat ge in die 25 jaren strijd wel ervaren zult hebben die waarheid uit Gods Woord: “Zonder Mij kunt gij niets doen.” En: “Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.” Daar hebt ge de twee uitersten.

Weemoed vervult wel ons hart, ds. Zandt, wanneer wij denken aan uw vriend, die er niet meer is. Menigmaal hebben wij u als twee broeders samen gezien. Uw vriend is weggenomen; hij heeft het loon van een getrouwe dienstknecht reeds ontvangen. Gij zijt overgebleven; maar niet alleen: getuige deze dag! En het is ook uw ervaring wel eens geweest dat de vriendschap van enkele vrienden de haat van duizenden vijanden te boven gaat…’

Vervolgens overhandigde ds. Kersten namens de familie een geschenk, een vulpen en een vulpotlood, allebei met een gouden dop.

Het raakte ds. Zandt: ‘Onder de diepe indruk van dit geschenk vermocht ds. Zandt slechts met een paar hartelijke woorden ds. Kersten en diens familie daarvoor te danken, zeggende dat hij dit geschenk van de familie van zijn onvergetelijke vriend ds. Kersten in het bijzonder waardeerde.’

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2023

Oude Paden | 64 Pagina's

‘Menigmaal hebben wij u als twee broeders samen gezien’

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2023

Oude Paden | 64 Pagina's