Het Onze Vader
Wat is gebedsonderwijs belangrijk! Allereerst om een échte christen te wórden; maar niet minder als we de Heere kennen en leven uit het geloof in Christus. We groeien er nooit bovenuit en we raken er ook nooit in uitgeleerd. De discipelen van de Heere Jezus stelden Hem éénmaal de vraag: ‘Heere, leer ons bidden’ (Luk. 11:1). Blijkbaar hadden ze óók behoefte aan gebedsonderwijs, al volgden ze Hem al langere tijd. En Jezus gáf het hen in Zijn wonderlijke goedheid en genade, toen Hij hen vervolgens het volmaakte gebed leerde. Het Gebed des Heeren, dat we ook wel kennen als het ‘Onze Vader’. Hebt u ook behoefte aan datzelfde gebedsonderwijs? Lees dan verder en ontdek wat Zijn onderwijs inhoudt.
Johannes Calvijn wil immers in de Catechismus van Genève, ook als hij spreekt over het gebed, niets anders doen dan het onderwijs van Christus doorgeven en uitleggen. Daarbij blijkt deze catechismus niet alleen een door en door reformatorisch geschrift te zijn, maar ook aansluiting te zoeken bij de Vroege Kerk. De catechetische volgorde van geloof, gebod en gebed (die hele oude papieren heeft) vinden we hierin terug. De Geneefse reformator geeft ons in het deel over het gebed een schat aan Bijbels onderwijs mee. Hij is dit deel begonnen met een algemeen gedeelte over het gebed (vraag en antwoord 233-239). Vervolgens is hij afzonderlijk ingegaan op de vraag hóe wij moeten bidden (vraag en antwoord 240-252) én op de vraag wát wij moeten bidden (vraag en antwoord 253-255).
Vanaf vraag en antwoord 256 begint de eigenlijke behandeling van het Gebed des Heeren met het citeren van het complete gebed. In de daaropvolgende vraag en antwoord 257 maakt ook Calvijn de bekende onder verdeling van de zes (ge)beden die daarin voorkomen. De eerste drie hebben (zonder met ons rekening te houden, schrijft Calvijn) betrekking op de heerlijkheid van God. De laatste drie daarentegen hebben juist het oog op ons en ons heil. Deze manier van formuleren roept vervolgens de vraag op of wij dan van God iets moeten bidden waaruit voor ons(zelf) niets goeds voortkomt? Calvijn geeft daar een verassend antwoord (258) op wat tegelijk de gegeven onderverdeling weer nuanceert. Als wij bidden (in de eerste drie beden) om de verheerlijking van God is dat óók heilrijk voor ons! Wanneer Gods Naam geheiligd wordt (de eerste bede), strekt dat ook óns tot heiliging. Wanneer Zijn Koninkrijk komt (de tweede bede), mogen we daar uit genade ‘enigerwijze’ in delen. Ook al worden we in de eerste drie beden geroepen om gericht te zijn op Gods eer met voorbijgaan van ons nut; toch blijkt dat geen tegenstelling te zijn. Gods eer brengt het heil van zondaren juist met zich mee! Wel benadrukt Calvijn in vraag en antwoord 259 nog eens dat het doel van een christen bij het bidden van deze eerste drie beden alléén de verheerlijking van Gods Naam behoort te zijn.
In het hierna volgende gedeelte vinden we geestelijk goud in het onderwijs over de aanspraak van het gebed: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’ Onderwijs wat het waard is om over te mediteren. Onderwijs wat ons (meer) zicht wil geven op wie God in Christus door Zijn Geest in Zijn genade is voor verloren zondaren. Want waarom wordt God in dit gebed met de Naam Vader aangeroepen? ‘Omdat voor de rechte (juiste) manier van bidden allereerst vereist wordt het vaste vertrouwen van het geweten, neemt God Zich deze Naam aan, die niets dan louter lieflijkheid laat horen, om ons zo uit te nodigen Hem vertrouwelijk aan te roepen, met uitdrijven van alle angst uit onze harten.’ En om zondaren aan te sporen en uit te nodigen om vrijmoedig in het gebed tot de Heere te vluchten horen we in het vervolg welke verwachting we mogen hebben van de Heere en Zijn verhoringsgezindheid. Zoals kinderen gewoon zijn om rechtstreeks naar hun ouders te gaan en hen te vragen wat zij nodig hebben, zó (en zelfs met veel groter vertrouwen!) mag een christen rechtstreeks tot de Vader gaan. Het antwoord van Calvijn op vraag 261 herinnert ons daarbij aan Jezus’ bemoedigende woorden uit Matth. 7:11: ‘Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven degenen die ze van Hem bidden.’
U denkt wellicht: maar hoe is het mogelijk, dat de heilige God als genadige Vader wordt aangeroepen door onheilige zondaren? Dat kan toch niet zómaar? Dat kan inderdaad niet zómaar. Calvijn weet er ook van dat God buiten de Heere Jezus Christus een eeuwige Gloed is, bij Wie geen zondaar wonen kan. Wie kan bestaan voor Zijn gezicht in Zijn gericht? Buiten Jezus’ offer om blijft God onze Rechter. Alleen in en door Jezus Christus is Hij een genadige Vader. Vanwege Zijn volbrachte heilswerk in Zijn vernedering en verhoging. In het bijzonder: vanwege Zijn altijd doorgaande voorbede, op grond van Zijn offer, aan de rechterhand van de Vader. Maar Calvijn hoort dat alles doorklinken in de aanspraak van God die de Heere Jezus Zijn discipelen leert: ‘Onze Vader’. Daarin klinkt een gelovig pleidooi op de voorspraak van Christus, waarop alle gebeden van een christen gegrond zijn. Immers: ‘God houdt ons niet voor kinderen, tenzij voor zover wij leden van Christus zijn’ (antwoord 262). Alléén in de geloofsgemeenschap met Christus ontmoeten wij de Hoorder van het gebed als genadige Vader. Gods Geest wil zondaren zó leren bidden; maar wil het ook Gods kinderen steeds weer opníeuw leren.
Heel leerzaam is ook wat Calvijn vervolgens in vraag en antwoord 263 opmerkt over het woordje ‘onze’ in de aanspraak van het Gebed des Heeren. Zeker, elke ware christen kan en mag de Heere heel persoonlijk aanspreken als ‘míjn Vader’.
Maar omdat God door middel van het gebed de Zijnen ook wil oefenen in de gemeenschap der heiligen leert Christus hen te bidden met het woordje ‘onze’. Zodat alle gelovigen zich als het ware verenigen in hun gebeden wanneer ze déze Vader aanroepen. Zo wordt tegelijkertijd de broederlijke liefde beoefend en bidden we tegelijkertijd voor allen die de verschijning van de Heere Jezus hebben liefgekregen. Een christen staat immers nooit op zichzelf maar maakt deel uit van het éne wereldwijde lichaam van Christus (de Kerk); dat vele leden heeft.
Zo wordt God in de aanspraak van het Gebed des Heeren als Vader aangeroepen. Maar tegelijkertijd is deze Vader óók de God die ‘in de hemelen’ woont. Die belangrijke toevoeging legt alle nadruk op Zijn Goddelijke heerlijkheid. Hij is (antwoord 264) de Verhevene, de Machtige en de Onomvatbare! Dat besef kleurt het gelovig gebed van een christen evenzeer. Hoewel God Zijn kinderen oproept en uitnodigt om Hem als Vader aan te roepen, blijft Hij tegelijkertijd de heilige God Die in de hemel is. Zo worden we onderwezen om in het gebed onze harten omhoog te heffen naar de hemel, en niet aards of vleselijk van Hem te denken. Maar vol eerbied, en in onderwerping aan Zijn heilige wil, ons gelovig toe te vertrouwen aan deze almachtige God. In verwondering over Zijn heerlijke majesteit! ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’ Roepen wij Hem, door Zijn genade, zó ook (voortdurend) aan?
De Behandelde Vragen En Antwoorden 256 T/M 265
Het Onze Vader
Vraag 256: Zeg die eens op. Matth. 6 : 9; Luc. 11 : 2.
Antwoord: Gevraagd door de discipelen op welke wijze men bidden moest, heeft onze Heere Christus geantwoord: Als gij wilt bidden, spreekt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw Naam; moge Uw Rijk komen; Uw wil geschiede, op de aarde gelijk in de hemel; geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk wij ook onze schuldenaren vergeven; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want van U is het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid. Amen.
Vraag 257: Laten wij het in hoofdstukken verdelen, om beter te begrijpen wat het bevat.
Antwoord: Het heeft zes delen, waarvan de eerste drie, zonder met ons rekening te houden, op de heerlijkheid van God betrekking hebben, als hun eigenlijke doel; de andere hebben het oog op ons, en ons heil.
Vraag 258: Moeten wij dan iets van God bidden, waaruit voor ons niets goeds voortkomt?
Antwoord: Hij zelf heeft wel, naar Zijn oneindige goedheid, alles zó samengesteld, dat er niets op Zijn verheerlijking uitloopt, dat niet ook voor ons heilrijk is. Derhalve bewerkt Hij, dat wanneer Zijn Naam geheiligd wordt, het voor ons ook tot heiliging strekt; Zijn koninkrijk komt niet, zonder dat wij er enigerwijze deelgenoten van zijn. Maar bij het bidden om al deze dingen, is het gepast het oog te richten op Zijn verheerlijking, met voorbijgaan van ons nut.
Vraag 259: Dus, volgens deze leer zijn deze drie beden weliswaar met ons nut verbonden, maar ze moeten niet tot een ander doel strekken, dan dat Gods Naam verheerlijkt wordt.
Antwoord: Zo is het, en evenzo moet ook bij de andere drie deze eer van God ons ter harte gaan, hoezeer ze ook eigenlijk bestemd zijn om die dingen te vragen, die in ons belang en tot ons heil zijn.
Vraag 260: Laten wij nu overgaan tot de uitlegging der woorden, en om te beginnen, waarom wordt de naam Vader hier liever dan enige andere aan God toegekend?
Antwoord: Omdat voor de rechte manier van bidden allereerst vereist wordt het vaste vertrouwen van het geweten, neemt God Zich deze Naam aan, die niets dan louter lieflijkheid laat horen, om ons zo uit te nodigen Hem vertrouwelijk aan te roepen, met uitdrijven van alle angst uit onze harten.
Vraag 261: Zullen wij het dus wagen zonder zwarigheid rechtstreeks tot God te gaan, gelijk kinderen gewoon zijn naar de ouders te gaan?
Antwoord: Zeker. Ja zelfs met veel groter vertrouwen dat wij krijgen, wat wij vragen. Want, gelijk de Meester ons opwekt, als wij, hoewel wij slecht zijn, toch onze kinderen geen goede dingen kunnen weigeren, en het ook niet uithouden ze ledig weg te zenden, en ze geen vergif toereiken voor brood, hoeveel te meer weldadigheid is er van de hemelse Vader te verwachten, die niet alleen ten hoogste goed is, maar ook de goedheid zelf? Matth. 7:11.
Vraag 262: Is het ook niet geoorloofd uit deze Naam een argument te ontlenen, waardoor hetgeen in het begin gezegd is, namelijk dat alle gebeden gegrond zijn op de voorspraak van Christus, bewezen wordt?
Antwoord: En wel een zeer sterk argument. Want God houdt ons niet voor kinderen, tenzij voor zover wij leden van Christus zijn. Joh. 15:7; Rom. 8:15.
Vraag 263: Waarom noemt ge Hem liever gemeenschappelijk onze Vader, dan de uwe in het bijzonder?
Antwoord: Weliswaar kan iedere gelovige Hem de Zijne noemen; maar de Heere heeft daarom de gemeenschappelijke aanduiding gebruikt, om ons in de gebeden aan de liefde te gewennen, opdat niet met verwaarlozing van de anderen, ieder alleen maar voor zichzelf zorgt.
Vraag 264: Wat wil dat zeggen wat erbij staat, dat God in de hemelen is?
Antwoord: Dat is zoveel alsof ik Hem de Verhevene, de Machtige, de Onomvatbare zou noemen.
Vraag 265: Waartoe is dat, en om welke reden?
Antwoord: Wel, op deze wijze worden wij onderwezen, wanneer wij Hem aanroepen, de harten omhoog te heffen, om van Hem niets vleselijks of aards te denken, en Hem niet te meten met het maatje van onze bevatting, niet door van Hem te gering te denken, Hem willen brengen tot gehoorzaamheid aan onze wil, maar veeleer met vrees en eerbied Zijn heerlijke Majesteit leren te bewonderen. Dit heeft ook de kracht, om ons vertrouwen in Hem op te wekken en te versterken, daar Hij Heere en Meester van de hemel wordt genoemd, Die door Zijn wil alles regeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 2023
Zicht op de kerk | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 2023
Zicht op de kerk | 32 Pagina's