De Betekenis En Bediening Van De Doop (2)
Voordat Hij ten hemel voer, heeft de Heere Jezus Christus Zijn kerk het bevel gegeven: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb’ (Matth. 28:19). Deze woorden staan bekend als het zendingsbevel of het doopbevel.
In het eerste artikel noemde ik een aantal aspecten van de betekenis van de doop zoals het Nieuwe Testament die laat zien, waarbij ik ook iets gezegd heb over de kerkgeschiedenis. De kerkgeschiedenis is niet de uiteindelijke gids. Dat neemt niet weg dat wij uit de kerkgeschiedenis onder andere kunnen afleiden hoe de Bijbel werd gelezen en begrepen. Origenes (±185-253/254) was breed bereisd en wist dus hoe het er in meerdere streken en landen onder christenen toeging. Hij heeft gesteld dat het dopen van kinderen een praktijk was die terugging tot de apostelen. Kennelijk was hij op zijn reizen van deze praktijk getuige. Dan zijn we aan het begin van de derde eeuw.
In het aan Hippolytus van Rome (±170-±235) toegeschreven werk Apostolische Traditie wordt beschreven hoe eerst de kinderen worden gedoopt, onder wie ook de kinderen die nog niet kunnen spreken en daarom zelf de doopvragen niet kunnen beantwoorden, daarna de mannen en ten slotte de vrouwen. Bekend is dat Tertullianus (±155-220) bezwaren had tegen het dopen van kinderen. Dan is het wel goed te weten waar zijn bezwaar lag. Hij vreesde dat de gedoopte kinderen bij het opgroeien niet overeenkomstig hun doop zouden leven. Daarom wilde Tertullianus ook ongetrouwden alleen dopen als hij er zeker van was dat zij celibatair zouden leven.
Wilde men trouwen dan vond hij het verstandiger met de doop te wachten totdat men was getrouwd. Omdat de doop ook het teken en zegel is van afwassing van zonde, kwam al vroeg in de kerkgeschiedenis de gedachte op dat die afwassing door de doop zelf werd bewerkt en betrekking had op de zonden voorafgaande aan de doop bedreven. Daarom leek het van wijsheid te getuigen de doop niet te vroeg te bedienen. Keizer Constantijn de Grote liet zich dan ook pas op zijn sterfbed dopen.
In de vierde eeuw na Christus was het heel gebruikelijk dat christenouders hun kinderen ongedoopt lieten tenzij voor hun leven werd gevreesd. Dat laatste had te maken met de zienswijze dat het ontvangen van de doop noodzakelijk was voor de zaligheid. Daarom heeft Monica haar zoon Augustinus niet laten dopen. Toen hij eens ernstig ziek was, heeft zij het wel overwogen. Omdat Augustinus weer opknapte, werd er toch van afgezien. Augustinus maakte mee dat het dopen van kinderen steeds minder werd nagelaten. Hij heeft daar zelf ook uitdrukkelijk voor geijverd.
Ook de kinderen van christenouders behoren Christus en Zijn gemeente toe. Kinderen hebben niet minder dan volwassenen de vergeving van zonden nodig. Zij zijn niet onschuldig al hebben zij nog geen concrete zonden gedaan. Zij hebben namelijk een zondige aard (erfzonde). De Reformatie volgt hierin Augustinus. Zij gaat niet mee met de gedachte dat de doop onmisbaar is tot zaligheid en ongedoopte kinderen daarom buiten Gods Koninkrijk blijven. Heel ontroerend heeft Jacobus Revius, een van de revisoren van de Statenvertaling, gedicht over de zaligheid van jonggestorven kinderen van christenouders. Ik wijs er nog op dat Revius uitgaat van de praktijk van zijn dagen dat een rond de geboorte overleden kind geen naam kreeg. Mijn naam en vraag mij niet. Ontijdelijk geboren, Eer ik het leven kend’ had ik het al verloren. Het zegel des verbonds onwetend ik gemis, Dies mij ook gene naam alhier gegeven is.
God, die van eeuwigheid tot een veel beter leven Mij in des levens boek had nameloos geschreven, Heeft mij om Christus’ naam ten hemel ingeleid, Waarin alleen bestaat des mensen zaligheid.
Een misverstand is dat de doop alleen om geloof vraagt als deze op volwassen leeftijd aan ons is bediend. Ook als wij reeds als kind de doop ontvingen, vraagt de doop om geloof. Een klein kind in de wieg kunnen we niet verwijten dat hij of zij de doop nog niet verstaat. Dat ligt anders als kinderen opgroeien. De doop als teken en zegel van de vergeving van zonden en vernieuwing door Gods Geest getuigt tegen ons als wij niet als een arm zondaar op Christus leunen en uit Hem en voor Hem leven.
Zoals wij het avondmaal verontreinigen als wij toetreden zonder dat er sprake is van een levend geloof en waarachtig berouw, geldt niet minder voor de doop dat wij die verontreinigen als wij ons niet met Christus hebben laten bekleden. Mensen kunnen het feit dat zij niet deelnemen aan het avondmaal rechtvaardigen door zich erop te beroepen dat men geen levend geloof heeft en zonden aan de hand houdt die niet te verenigen zijn met het delen in Gods genade. Dan is de vluchtweg die men kiest, heel betreurenswaardig en verdrietig.
Als het gaat om de doop kunnen we deze vluchtweg niet inslaan. Wij kunnen namelijk onze doop niet ongedaan maken. De negentiende-eeuwse Schotse theoloog John Duncan (1796-1870) heeft zeer terecht opgemerkt: ‘Het water van de doop kan nooit van het voorhoofd worden afgewist en als het gevolgd wordt door de weigering van de Goddelijke genade moet het de meest ontzettende zaak voor de onboetvaardige zijn om te sterven met de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes op het voorhoofd.’
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 2025
Zicht op de kerk | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 2025
Zicht op de kerk | 32 Pagina's