Wat Kohlbrugge ons nu nog te zeggen heeft
I
VVan tijd tot tijd is de vraag gesteld of het Oude Testament voor de christelijke kerk nog wel relevant is. Onlangs is door de hoogleraar dogmatiek aan de Humboldt Universiteit van Berlijn, Notger Slenczka, deze vraag negatief beantwoord. Hij stelt: het Oude Testament is een boek van Israël voor Israël, een boek van en voor de Joden, niet voor de wereldkerk. Het geloof van de christen berust op de prediking van het Nieuwe Testament en heeft weinig of niets aan het Oude Testament.
Voor zijn visie beroept hij zich op F.D.E. Schleiermacher (1768 – 1834), die voor het Oude Testament weinig waardering had, maar nog nadrukkelijker op de invloedrijke liberale theoloog Adolf von Harnack (1851 – 1930), die van 1888 tot 1924 aan de universiteit van Berlijn verbonden was.
Deze miste in het Oude Testament het universele van de boodschap van Jezus van Nazareth en daarom stelde hij dat het voor de christelijke kerk geen canonieke waarde heeft.
Kort en duidelijk poneerde hij in zijn studie over Marcion, dat de kerk in de 2 e eeuw het verwerpen van het Oude Testament (zoals Marcion deed) terecht heeft afgewezen, terwijl het een noodlot was dat de Reformatie in de 16 e eeuw aan het Oude Testament vasthield. Dat de kerk het in de 19 e eeuw nog altijd handhaafde als ‘canonieke oorkonde’, zag hij als het gevolg van een religieuze en kerkelijke verlamming. 1
Bij deze visie sluit Slenczka zich helemaal aan.
Is hij soms een antisemiet? Dat ontkent hij. In een pittig interview verklaarde hij dat zijn standpunt niet door antisemitische gevoelens is ingegeven.
Toch bevindt hij zich met zijn stelling dat het Oude Testament voor de christen geen eigenlijke betekenis heeft in een bedenkelijk gezelschap.
In de eerste decennia van de 20 e eeuw waren er in Duitsland veel theologen die minachtend over het Oude Testament spraken en schreven en het wel wilden afschaffen. Naar aanleiding daarvan stelde de theoloog Johannes Schneider (1857 – 1930): “Wie het Oude Testament prijsgeeft, zal ook spoedig het Nieuwe verliezen.”
In de kerken heeft immers altijd een onderstroom bestaan (en die bestaat nog) die, manifest of sluimerend, antisemitische gevoelens koestert. Het is dat nog maar een kleine stap om zich tegen het Oude Testament te keren. Jodenhaat van vroeger verschijnt nu in het gewaad van onredelijke kritiek op de staat Israël.
Het geeft te denken dat de PKN via Kerk in actie moreel en financieel het werk van Sabeel steunt. Deze Palestijnse bevrijdingsorganisatie werd opgericht door de theoloog dr. Naim Ateek 2 . Voor deze Anglicaanse predikant van Palestijnse afkomst, is de God van het Oude Testament een stamgod, de God van het Nieuwe Testament een God van liefde, genade en barmhartigheid. Hij karakteriseert het Oude Testament als ‘kleingeestig, bitter, hard, racistisch, op segregatie gericht, wettisch en kleingeestig, enghartig, xenofobisch, gewelddadig’. Het is nodig de Bijbel, dus ook het Nieuwe Testament, te ‘dezioniseren’, aldus dr. Ateek.
Met de namen Slenczka en Ateek en hun visie op Israël en het Oude Testament, staan wij dus helemaal in de actualiteit. Vandaag willen wij nagaan hoe Dr. H.F. Kohlbrugge dacht over het Oude Testament.
II
Daarvoor is geen uitgebreide zoektocht nodig. Als 25 jarige promovendus aan de Universiteit van Utrecht had hij een oudtestamentisch onderwerp gekozen: de uitleg van Psalm 45.
In het woord vooraf schrijft hij het te betreuren dat zeer velen in de dwaling verkeren “dat onze voortreffelijke Verlosser iets als een nieuwe leer heeft verkondigd, waarbij de leer van het Oude Testament zou zijn afgeschaft.” 3 Dus ook toen gold voor sommigen het Oude Testament als een tweederangs boek. Niet alleen uit zijn dissertatie, ook uit de vele preken die hij in zijn latere leven heeft mogen houden, blijkt zijn hoge waardering van het Oude Testament en zijn liefde daarvoor.
Aan de betekenis van het Oude Testament wijdde hij ook een afzonderlijke studie. Hij schreef deze in het toen nog stille Godesberg, waar hij in de zomer van 1845 om gezondheidsredenen met zijn tweede echtgenote en hun 9-jarig dochtertje Anna rust zocht. Het boekje kreeg als titel: “Wozu das Alte Testament.” Enige van zijn vrienden (één van hen was Matthijs Westendorp 4 ) hadden hem namelijk attent gemaakt op de prijsvraag die door Teylers Godgeleerd Genootschap in Haarlem was uitgeschreven. Het ging om een verhandeling over de plaats van het Oude Testament in de Bijbel. Het was Kohlbrugge’s bedoeling niet zijn studie in te sturen, maar blijkbaar intrigeerde de vraagstelling hem wel. Als ondertitel formuleerde hij (vertaald): “Onderricht tot de juiste waardering van de boeken van Mozes en de profeten.” Twee delen waren gepland. Het eerste had als eigen titel: “Het Oude Testament vanuit de geschriften van de Evangelisten en Apostelen bezien in zijn ware betekenis.” Een tweede deel is helaas nooit verschenen.
Het boekje werd in 1846 in Elberfeld uitgegeven en beleefde binnen tien jaar vier drukken. Een Nederlandse vertaling verscheen in 1855. 5
Laten wij het betoog van Kohlbrugge nagaan. In de inleiding vertelt hij dat zijn vader tweemaal tegen hem, als jongen nog, had gezegd: “Wanneer je de vijf boeken van Mozes begrijpt, begrijp je de hele Schrift.” En, vervolgt hij, “alles wat de dierbare man mij zei, maakte op mij een indruk alsof God door hem sprak.”
Zo heeft hij geleerd de Evangelisten en apostelen vanuit de profetische geschriften te verstaan en niet omgekeerd.
Hij is van oordeel dat de boeken van Mozes en de profeten door meerderen, hoewel zij meenden voor rechtzinnig te kunnen doorgaan, op lichtzinnige wijze behandeld zijn.
Toch is het duidelijk dat men óf alle boeken van Mozes en de Profeten aan de kant moet schuiven, óf dat men ze als gezaghebbend moet beschouwen. Het is dus óf óf, en het is duidelijk welk standpunt Kohlbrugge inneemt.
Boven de inleiding heeft hij het woord uit Handelingen 17 geschreven, dat als motto voor heel het boekje geldt: “De Joden in Berea waren edeler dan die te Thessalonika, namen het woord geheel gewillig aan en onderzochten dagelijks in de Schrift of het alzo was.” 6
Opvallend is dat Kohlbrugge steeds schrijft over het “zogenaamde Oude Testament.” Hij zet beide woorden ook altijd tussen aanhalingstekens. Ditzelfde geldt voor het Nieuwe Testament. Ook daarbij: “het zogenaamde Nieuwe Testament” of: Nieuw Testament tussen aanhalingstekens. Hoe kwam hij daartoe? De apostel Paulus geeft duidelijk te verstaan, dat hij de benaming het Oude Testament niet gebruikt voor de boeken van Mozes op zichzelf, maar dat hij ze zo noemt vanwege het gebruik, dat de Joden ervan maakten. Het lag niet aan de boeken, alsof die een oud, dus verouderd, niet meer geldend Testament zouden zijn, maar aan de mensen, want die lazen deze boeken met een bedekking over hun hart; en zó maakten zij die tot een oud Testament. Deze benaming gold bij Paulus “alleen voor de Joodse, hardnekkig ongelovige opvatting van dezelfde boeken, die voor hem Nieuw Testament waren. Hij las ze met een heel ander, of zoals hij zelf zegt, met een gezicht waarvan de bedekking was weggenomen.”
Kohlbrugge wil daarmee aangeven dat het in feite onjuist vindt dat altijd over het Oude en Nieuwe Testament wordt gesproken. De Bijbel zelf geeft daar geen aanleiding toe. Daar lezen we steeds, wanneer het over het Oude Testament gaat: de Schrift, de Schriften, de Heilige Schrift, Mozes en de Profeten, of: God zegt, iemand zegt, de Schrift zegt of de Geest zegt.
Het Oude Testament een “Judenbuch”? Tegen die mening protesteert hij heftig. Ook gaat het niet aan een beperkt of wat uitgebreider aantal teksten uit het Oude Testament, in het bijzonder uit de Psalmen en Jesaja, evangelisch te noemen, terwijl het geheel toch iets “niet-Nieuw Testamentisch” heeft.
De aanduiding ‘Oude Testament’ is dan wel gangbaar geworden, maar voor de eerste christenen bestond er geen andere Bijbel dan wat wij ‘het Oude Testament” noemen. Daarin studeerden de mannen in Berea om na te gaan of de prediking van Paulus en Silas daarmee in overeenstemming was, en Paulus’ hele evangelieboodschap was gebaseerd op Mozes en de profeten.
Tegen Schriftcritici en hun opstelling in zijn tijd neemt Kohlbrugge krachtig stelling. “… als iemand geen Jood en geen Turk wil zijn, maar een christen, dan zal hij, als zijn kritiek onbevangen is en hij zichzelf eerlijk wil beoordelen, tot de volgende conclusie komen, dat zolang hij met zijn wetenschappelijke theologie en hyperkritiek de mindere is van deze mannen van Beréa, en dus het geheel van het zogenaamde ‘Oude Testament’ niet als het woord van Christus kan aanvaarden, hij zijn wetenschap eraan zal moeten geven om niet door de niet-wetenschappelijk gevormde mannen van Beréa beschaamd te worden in het oordeel. Want de christelijke theologen beoefenen hun wetenschap immers niet vanuit de Talmud of de Koran, maar op zijn minst vanuit hun ‘Nieuwe Testament’. Van dit Testament is het boek Handelingen een aanzienlijk deel en in dit boek wordt tot eer van de mannen van Beréa gezegd, dat ze ijverig in het ‘Oude Testament’ gelezen hebben, om bevestigd te worden in de waarheden, die ze van de apostelen gehoord hadden.” Zij gingen immers aan de hand van hun Bijbel, dat wil zeggen: het ‘Oude Testament’, na of de apostelen overeenkomstig de Geest van God spraken.
In een vijftal paragrafen gaat Kohlbrugge na hoe de Messiaanse verwachting door de Schriften was gewekt, hoe het getuigenis van Jezus’ tijdgenoten was, wat Mozes en de profeten voor Jezus betekend hebben toen Hij op aarde was, hoe de evangelisten en de apostelen met de Schriften omgingen.
De conclusie kan geen andere zijn dan dat het Nieuwe Testament vol is van aanhalingen, aankondigingen en profetieën uit het Oude Testament. In Mozes en de profeten wordt de persoon van de Messias en de weg die Hij zou gaan getekend. Jezus’ tijdgenoten kenden de Schriften. Die werden hun op de scholen geleerd en ingeprent. Door Joodse missionarissen en door de Septuaginta reikte de bekendheid met de Schriften over de grenzen van Israël heen.
De conclusie van Kohlbrugge aan het einde van de eerste paragraaf is dat Jezus’ tijdgenoten de boeken van Mozes en de profeten werkelijk kenden, dat zij die voor Gods onbedrieglijk Woord hielden met het oog op hun behoud, terwijl zij alles wat daarmee strijdig was voor godslasterlijk hielden. Wat men het Oude Testament noemt was de Bijbel van die tijd.
Het is boeiend te lezen hoe Kohlbrugge vervolgens aantoont dat het geloof van hen die in Jezus geloofden, was gebouwd op het Oude Testament. Er was bij Zacharias, Elisabeth, Simeon, Anna, Maria, de herders, Johannes, Andreas en zo veel anderen geen nieuw geloof, maar zij zagen de Schriften in Jezus vervuld. En Jezus zelf stond op de bodem van de Schrift. Hij hield haar onvoorwaardelijk voor waar, Hij zag de weg die Hij ging daarin afgebeeld en verliet zich daarop geheel, tot op zijn lijden aan het kruis. Kohlbrugge wijst erop dat de apocriefe Evangeliën nooit weten van “Daar staat geschreven.” In Lukas 24 wordt verteld dat Jezus zijn discipelen onderwijst, zodat zij Mozes, de Profeten en de Schriften, dat is dus wat wij het Oude Testament noemen, gaan verstaan.
Desondanks houdt menige christen deze boeken voor een Jodenboek, of hij kent ze alleen maar geschiedkundige of poëtische waarde toe, en hij vindt daarin niet terug ‘de geest van de grote Meester’ zoals die spreekt uit het zogenaamde Nieuwe Testament. Nu, wie zo denkt moet “de conclusie trekken: dat óf zijn grote leraar Jezus de Schriften van Mozes helemaal niet begrepen heeft en, omdat Hij ze zo uitgelegd heeft dat ze over Hem spreken, zijn discipelen een geheel verkeerde manier om deze Schriften uit te leggen heeft bijgebracht en dus volstrekt niet een grote leraar is geweest, óf dat het hem, de criticus zelf bij al zijn kennis van de hermeneutiek ontbreekt aan begrip van de Schriften zelf, waarover de discipelen, nadat Jezus hun die in hun verband had uitgelegd, zich konden verheugen.”
Men proeft in deze woorden de ironie van Kohlbrugge, wiens boekje uitloopt op een krachtige onderstreping van de onmisbare betekenis van het Oude Testament, dus een pleidooi voor de eenheid van Oud en Nieuw Testament.
Kohlbrugge zag het Oude Testament vol van de komende Christus en hij zou waarschijnlijk van harte hebben ingestemd met de Duitse Oudtestamenticus Hartmut Gese toen deze stelde - dat in de dood en opstanding van Jezus het Oude Testament zijn vervulling vindt - in de erkentenis dat Jezus de Messias is, de sleutel van de Schrift ligt, en - dat de Christologie van alle Oudtestamentische tradities van Gods heilsopenbaring hun eindpunt vinden in Jezus de Christus de Κυριος (Kurios), de Heer. 7
Die instemming zou hij ook gegeven hebben aan de stelling van dr. O. Noordmans: “Wanneer het Oude Testament verdwijnt, verdwijnt ook de Kerk” 8
Na deze beschouwing over de visie van Kohlbrugge op het Oude Testament, een onderwerp dat steeds weer actueel blijkt te zijn, wil ik, maar dan minder uitgebreid, voor nog een drietal aspecten van zijn theologisch denken de aandacht vragen. Beschouw deze als een drieluik: het Woord van zonde en genade, de rechtvaardiging en heiliging van de goddeloze en de rijke inhoud van de Heilige Doop.
III
Kohlbrugge was geen systematicus. Maar hij had wel vaste lijnen die welsprekend in zijn werk naar voren komen. Zijn werk – dat zijn vooral zijn preken. Want zonder kansel kon hij niet leven. Waarom niet? Omdat hij een man van het Woord was. Hij wist dat het zijn roeping van Gods wege was om dat Woord door te geven, in woord en geschrift. Adolph Zahn zei van hem dat hij niet over een tekst preekte, maar de tekst preekte. 9 En hij deed dat met een bijzondere kracht, trouw aan zijn opdracht en als een pastor die weet wat in de mens is.
Hij was in zijn prediking en geschriften steeds weer gericht op de leer van de verlossing, de soteriologie. Dat was voor hem de kern van de boodschap die hij moest overbrengen. Daarbij is sprake van een zekere eentonigheid. De harp die hij bespeelde, had eigenlijk maar één snaar. Maar de muziek die hij ten gehore wist te brengen, is onvergetelijk en indrukwekkend. Zo was hij een man van het Woord. Dat Woord bevat de onlosmakelijke twee-eenheid van Wet en Evangelie.
I. da Costa en anderen hebben hem ervan beschuldigd antinomiaan te zijn. Dat heeft hem zeer gegriefd. Die beschuldiging klinkt tegenwoordig nog wel. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij soms ook tot uitspraken kwam die in hun eenzijdigheid wel verzet en misverstanden moesten oproepen. Hij kwam daartoe omdat hij in zijn preken het onzegbaar grote heil van God zo heel dicht bij de mensen wilde brengen.
Er is juist alle reden hem te zien als de theoloog (en als christen), die nauwelijks als een ander ernst maakte met Gods heilige wet. Men kan zeggen, dat de wet voor hem het centrale thema was.” 10 Juist daarom kon hij de overstelpende rijkdom van het Evangelie van Gods genade prediken. Zijn verhandeling over Romeinen 7 is eigenlijk niet anders dan een lofzang op de heerlijkheid van Gods wet. Laten wij naar een van zijn preken over zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus luisteren. Er is iets veranderd. Driehonderd jaar geleden had men “nog weet van de wet, en dit is nu bijna uit alle harten verdwenen. Nu is over jong en oud, pausgezinden en evangelischen 11 , een geest vaardig geworden, waardoor zij niet meer vragen naar de wet Gods. Zij rekenen alleen met hun eigen wil en deze zetten zij door. Geduld oefenen, afwachten en hopen kunnen zij niet meer.” Toen waren er mensen die konden getuigen van Gods genadige erbarming, “mensen die wisten: “Dit is goud en dat is valse munt. Van waar? Waren zij niet geboren in de afgrond der verlorenheid, toen zij wegzonken voor Gods Wet?” Dat is de fout van deze tijd. Er is nu geen eerbied meer voor Gods wet.” Wat is uw enige troost in leven en in sterven? “Hier wordt u een volle korf met levensbrood en levenswijn geboden. Zij wordt echter alleen aangereikt aan hem die uit de Wet zijn zonde leerde kennen, zijn zonde belijdt en betreurt, niet als zonde op zichzelf, maar als een vergrijp tegen de allerhoogste Majesteit. … Tegenwoordig grijpt men met zijn goddeloze, onreine handen in de korf der genade, zonder te belijden: “Ik heb gezondigd”, zonder dat men in het hart het wachtwoord heeft: “Neen, neen, Gods wet moet blijven staan.” 12
Kohlbrugge stelt niet wet en genade tegenover elkaar. Dat is een misverstand. Gods genade is juist dat Hij op grond van het voldoen aan de wet door de Heere Christus, Diens wetsvervulling toerekent aan zondaren en goddelozen die weten en belijden dat zij dit zijn. Dat is Gods wonderbare genade. Zo wordt de wet tot belofte, niet meer: u moet, maar u zult.
Wet en genade komen wel tegenover elkaar te staan wanneer de mens met de wet in zijn hand God denkt tevreden te stellen met wat goede daden, terwijl de mens vleselijk is, in de greep van de Boze, verkocht onder de zonde.
Daarom kan de wet door Paulus ‘de wet der zonde’ genoemd worden. 13
Op zich is de wet goed. Zij is van de hemel af gegeven. Hemel en aarde zullen vergaan, maar geen tittel of jota van de wet zal vergaan, want zij is uit het hart van de levende God. Wie haar niet in hoge ere houdt en eerbiedig respecteert, zal het Koninkrijk Gods niet kunnen zien. Gods Wet, samengevat in de Tien Geboden, geeft uitdrukking aan Gods eeuwige, volkomen en onveranderlijke wil. Door haar laat Gods ons weten wat Hij van ons wil, hoe wij God boven alles zullen liefhebben en onze naaste als onszelf. 14 Gods Wet bedoelt niet anders dan onze zaligheid, maar doordat de wet wordt misbruikt of veracht, keert zij zich tegen ons. En omdat wij uit het beeld van God zijn gevallen, kunnen en willen wij Gods wet niet meer volbrengen. Zo stelt zij onze opstand tegen God in het licht, onze verdorvenheid en verlorenheid. De grootste zonde is wanneer wij niet willen erkennen en belijden dat wij zondaren zijn en blijven. 15 Maar God wil dat Zijn Wet vervuld wordt, al komt de onderste steen boven.
In donkere toonaarden klinkt door alle preken van Kohlbrugge heen de diepte van de verlorenheid van alle mensenkinderen. Hier tegenover staat in schril contrast de wondere genade van God, de Vader die de oorzaak en bron van onze redding is. Het is volkomen onjuist Hem als de Oudtestamentische God vol ongenade en toorn te beschouwen. Door de Zoon heeft Hij voor de gelovigen “leven tegen de dood bereid, verlossing uit de macht van de satan, licht tegenover alle duisternis, vergeving van alle zonden, uitdelging van alle schuld, uitwissen van alle straf, volledige rechtvaardiging van al datgene waarvan men bij de wet niet gerechtvaardigd kon worden.” 16 Zo is in Christus Jezus, de ene mens die de wet ten volle gehouden heeft, de ene mens die werkelijk geloofd heeft, zich door alle vernedering, angst, pijn, vervloeking en verlatenheid heen geloofd heeft, de raad van Gods vrede én Gods recht vervuld, Zijn barmhartigheid gebleken en eeuwig behoud voor verloren Adamskinderen teweeggebracht. 17 Het is de Heilige Geest die dit indraagt in ons leven, ons op de knieën werpt en omkeert naar God, die wij eerst ontliepen. Hij leert dit aan ons, niet verstandelijk maar existentieel. Hij schept het geloof opdat wij uit de volheid van Christus alles nemen. “Zo werkt God krachtig in de zijnen, opdat zij geloven. Hij neemt deze kracht uit de opstanding van Jezus Christus uit de doden.” 18 Uit Kohlbrugge’s preken blijkt steeds weer hoe hij met grote kracht zich verzet tegen de gedachte dat Gods genade vanzelfsprekend zou zijn. Zonder besef van schuld kan niemand de genade van God ontvangen. Zo zou Dietrich Bonhoeffer een eeuw later beklemtonen, dat Gods genade niet ‘billig’, goedkoop is, maar “teure Gnade’, kostbare genade. Zij is er voor totaal verloren en goddeloze mensen, die God niets anders hebben aan te bieden dan hun schuld en verdorvenheid. In Zijn groot erbarmen is God in deze gevallen wereld bezig om mensen in hun diepste wezen aan te grijpen en tot Zijn kinderen te maken.
IV
Vervolgens bezien wij het tweede paneel van het drieluik. Hoe spreekt Kohlbrugge over het handelen van God tot rechtvaardiging en heiliging van de zondige mens, de goddeloze? Zijn visie op de rechtvaardiging achtten zijn tijdgenoten in overeenstemming met wat de grote Hervormers hadden geleerd, in afwijking van het roomse dogma en de roomse vroomheid. Maar veel bezwaren ontmoette hij inzake zijn verstaan van de heiligmaking.
Calvijn toch zag de heiliging (of heiligmaking) van de christen als een proces, een opdracht, die met vallen en opstaan moet worden vervuld. Hoewel Kohlbrugge zich een gereformeerd predikant beschouwde, de gemeente die hij diende een gereformeerde gemeente heette, haar belijdenisgeschriften niet ontleend waren aan de Lutherse maar aan de gereformeerde traditie, week hij op dit punt nadrukkelijk van Calvijn en de gereformeerde leer af. Hij las trouwens ook Luther liever en meer dan Calvijn. 19 Hij zag de heiliging niet als een opdracht, maar als een geschenk van God. Niet als een proces van de mens, maar als een daad van God, die rechtvaardigt èn heiligt.
Wie gelooft wordt niet stap voor stap heiliger, maar is heilig. Wie in Christus is, is in Christus en komt niet langzamerhand in Hem.
Bekend is Kohlbrugge’s oproep de heiligingskrukken weg te werpen, omdat wij daarmee nooit de berg Gods op komen.
Hij vindt hierin steun in de catechismus van Heidelberg. Deze brengt immers het derde en laatste deel niet onder het hoofd ‘heiligmaking’, maar spreekt van ‘dankbaarheid’. Laten wij opnieuw naar hem luisteren:
“Het woord ‘dankbaarheid’ is juist zó gekozen voor het derde deel van de Catechismus dat men de schade niet genoeg betreuren kan die voor Gods kerk ontstaan is door het verdringen van het woord ‘dankbaarheid’ door het woord ‘heiligmaking.’ Zó heeft men de grondslag van alle waarachtige heiligmaking in vergetelheid gebracht.” En: “Niet dat de leer van de dankbaarheid de leer van de heiligmaking uitsluit, de leer van de heiligmaking des Geestes sluit juist die van de dankbaarheid in. De leer van de dankbaarheid toont aan hoe de heiligmaking zich naar buiten openbaart en hoe de vrucht daarvan tot ons terugkeert tot lof en eer van God. Wie het ‘hoe’ der verlossing niet kent, zal zich op vleselijke heiligmaking toeleggen om zichzelf in zichzelf staande te houden. Dàn vergeten wij de dankbaarheid, vooral het ‘hoe’ der dankbaarheid, omdat wij de hoe-groot-heid van onze zonden en ellenden nooit gekend hebben en omdat wij dan de verlossing hebben aangenomen als middel om van de pijn van de zonde van de zonde vrij te blijven en om de straf te ontgaan. En waar het zó gezien wordt lost alles zich gemakkelijk op in een zogenaamde zedelijke verbetering.” 20 Het is: “Eerst heilig zijn en dan heilig handelen en wandelen. Gij maakt uzelf niet heilig door handel en wandel; God heiligt u door verkiezing in Christus. Hij spreekt u heilig en rein door Zijn Woord. Gelóóf dat gij heilig zijt en gij zult heilig wandelen.” 21
Eens gaf hij de pastorale raad aan iemand die hem een vraag gesteld had: “Begin maar eens waarachtig met Gods Wet te doen, en gij zult eindigen met gelooven.” 22
Het is opmerkelijk dat J.H. Gunning jr. in de loop der jaren, zij het in een andere context en met een andere toespitsing, tot een ongeveer gelijke overtuiging kwam. Hij sprak in 1892 bij de opening van zijn colleges ethiek over de vraag Wordt volmaaktheid trapsgewijze bereikt? Als samenvatting formuleerde hij als antwoord: “De volmaaktheid, ons aller doel, wordt niet trapsgewijs, allengs, bereikt, maar met de vergeving der zonden in Christus door de Heilige Geest gegeven, wordt zij dadelijk geheel en volkomen ons deel. En dit werkt niet een ophouden om naar ontvouwing van die volmaaktheid te streven, maar is enig en alleen de grond waarop men inderdaad daarnaar streven kan.” 23
Zo zag Kohlbrugge de gelovige zondaar: in Christus een schuldige recht-vaardige, een heilige onheilige. 24 Zo is de paradox van het Evangelie.
V
Vanuit Kohlbrugge’s visie op de verhouding rechtvaardiging en heiliging, is het maar een kleine stap om het derde paneel van het drieluik te bezien: zijn leer aangaande de Heilige Doop. De rechte bediening van de sacramenten en het verstaan daarvan ging Kohlbrugge zeer ter harte. In zijn De leer des Heils 25 zijn bijna 40 van de 415 vragen aan de sacramenten gewijd. In dit catechetisch leerboekje toont Kohlbrugge zich een groot pleitbezorger voor de kinderdoop. De tegenstanders daarvan vergelijkt hij met de Farizeeën die zich bij Christus’ intocht in Jeruzalem ergerden aan zijn blijde begroeting door kinderen. In een preek over Colossenzen 2: 10 tot 12 26 brengt hij op krachtige wijze de grote en troostrijke betekenis van de Doop naar voren. Het standpunt van Baptisten en Wederdopers wijst hij volstrekt af. Dat zijn dwaalleraars. Evenals de jongetjes in het oude Israël op bevel van God besneden moesten worden, zo geldt de Doop voor de kinderen van de gemeente. Evenmin als de jongetjes in Israël, die op de achtste dag besneden moesten worden, te jong voor dit teken van het verbond waren, zijn de jonge kinderen nú daarvoor te jong. De Doop is oneindig veel meer dan een formele of symbolische handeling. Er gebeurt dan iets. “Toen wij gedoopt zijn, heeft het bloed van Christus ons besprengd en gereinigd van onze zonden; wij zijn toen door Zijn Geest herschapen van kinderen des toorns tot kinderen Gods, en sedert staan wij niet meer op onze naam, maar op den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.” 27 En hij spreekt de gemeente toe, niet met schone wensen, maar heel direct, heel concreet: “Toen gij gedoopt zijt, hebt gij de belofte ontvangen, dat gij door Christus’ bloed en Geest gewassen zijt van de onreinheid uwer zielen, dat is van al uw zonden gewassen zijt, even zeker als gij uiterlijk met het water van de Doop besprengd zijt geworden. Toen gij gedoopt zijt hebt gij de belofte ontvangen dat gij herschapen zijt in Christus, wedergeboren tot een levende hoop. Toen zijt gij met Christus in Zijn dood en graf ingegaan en met Hem opgewekt, ‘een nieuwe mens’ om voor Hem te leven en Hem te dienen in ware gerechtigheid en heiligheid, en dat een eeuwig leven lang. Toen hebben wij het getuigenis bekomen dat God in eeuwigheid onze God en genadige Vader zijn zal.” 28
Zo was de prediker van Elberfeld een machtig getuige van Gods genade, die al maar opriep tot geloof. Laat niet de zonde koning over u zijn, maar laat de genade, laat Christus uw koning blijven. In Christus rekent God u voor de zonde dood te zijn. Stelt u nu met heel uw leven als een dienaar van God en Christus. Wanneer u Hem toebehoort doordat de Heilige Geest u heeft vernieuwd, kán het niet zijn dat u geen kwaad en zonde in u zelf ontdekt. “Maar als men de macht der zonde in zijne leden gevoelt, om dan te zeggen en daar bij te blijven: ik ben voor God levende, ziet, dat is geloof, dat niet ziet, niet ervaart, en tóch gelooft, op grond van Gods Woord en Doop.” 29
VI
Deze lezing is niet aangekondigd als een vraag. Als de vraag namelijk of Kohlbrugge ons nu nog iets te zeggen heeft, maar positief wat hij ons nu nog te zeggen heeft.
In dat woord ‘nog’ ligt het tijdverschil tussen hem en ons, meer dan anderhalve eeuw. De wereld ziet er nu totaal anders uit dan in zijn tijd en wij leven in een heel ander geestelijk klimaat. Heeft Kohlbrugge dan nog wel een boodschap voor ons?
Hij klaagde er zelf al over dat men in zijn tijd geen begrip meer had van Gods wet. Dat begrip is in de christelijke gemeente (daarbij denk ik in de eerste plaats, maar niet uitsluitend aan de gemeenten in de PKN) nu nog minder dan toen. Wij kunnen daaraan toevoegen: geen begrip voor wat heilig is, voor wat zonde is, voor wat schuld, voor wat vergeving, wat rechtvaardiging, wat heiligmaking is. Daarom zijn landingsplaatsen voor het Evangelie schaars geworden, en daardoor dreigt én de prediking én het karakter van de christelijke gemeente sterk te veranderen, voor zover dat al niet gebeurd is. Hoe kan, hoe moet het goddelijk Evangelie vandaag de dag gepredikt worden, wanneer het besef van de kern waar het om gaat bijna of geheel verdwenen is?
Toch kunnen de christenen en de kerkelijke gemeenschappen slechts tot hun schade aan de prediking, de boodschap van Kohlbrugge nú voorbijgaan. Ook als wij Kohlbrugge niet blindelings volgen, kunnen wij veel van hem leren en de Heere God voor zijn erfenis dankbaar zijn. Verreweg de meesten van zijn tijdgenoten zijn vergeten, voor Kohlbrugge geldt dit bepaald niet. En daarom leren wij vandaag van hem:
Het Oude Testament is onmisbaar voor de kerk. Het is vol van de komende Christus en onlosmakelijk één met het Nieuwe Testament. Wij onthouden dat het hier eigenlijk gaat over het ‘zogenaamde’ Oude en Nieuwe Testament, want het is één boek, het éne Woord dat God tot de wereld richt en waarvan Jezus, de Christus, die werd beloofd en is gekomen (en zal wederkomen) het levende middelpunt is. Het is niet Gods bedoeling dat de christelijke gemeente een soort gezelligheidsclub is, waarvan de leuke sfeer bepalend is en waarvan de leden tot allerlei activiteiten worden opgeroepen, alsof daarin het christelijk leven zou gelegen zijn. Zij is de gemeente van God, de gemeente tot welke Hij komt met Zijn heilig Woord en de heilige sacramenten, de gemeente van zondaren met wie Christus, zoals J. Koopmans karakteriseerde, wil samenwonen Ik vrees dat in veel gemeenten voortdurend gammele krukken van menselijke makelij worden uitgedeeld en aangeprezen om daarmee de berg van God te beklimmen.
Met andere woorden, dat zij wordt voortgedreven door menselijke meningen, wetten en wetjes, terwijl de hoogheid van Gods wet en daardoor het onbegrijpelijk heerlijke en verrassende van Zijn genade niet of nauwelijks meer aan de orde komen.
Oppervlakkigheid en gemakzucht heersen wijd en zijd. Daardoor dreigt het gevaar dat ook in de christelijke gemeente schuldbesef en verbrokenheid van hart onbekend raken en het kerkelijk klimaat beheerst wordt door goedkope genade, want zonder een diep besef van schuld voor God en mensen. In het rechtse deel van de ‘gereformeerde gezindte’ is de betekenis van de Heilige Doop die aan de kinderen wordt bediend veelal volkomen uitgehold. Het is een handeling zonder wezenlijke inhoud. Geen gebeuren van Godswege, maar een ritueel dat er nu eenmaal bij hoort.
Het ‘gij zijt’ uit de dooppreek van Kohlbrugge is er onbekend en vervangen door de wens dat nog eens werkelijkheid mag worden wat in de Doop is afgebeeld. Uit vrees voor remonstrantisme moet de oproep tot geloven het afleggen tegen het gevoelen dat men moet ‘afwachten’. Mede hierdoor wordt een soms levenslange heilsonzekerheid krachtig bevorderd. Met een variant op het bekende woord van J.A. Wormser sluit ik af: “Leer de gemeente, leer volwassenen en kinderen de Doop verstaan en waarderen, en beide zijn gered.” 30
Dit artikel is een verkorting en bewerking van de lezing die op de jaarlijkse conferentie van 13 juni 2015 in Vianen werd gehouden. Bij de geringe wijzigingen en aanvullingen is het karakter van het gesproken woord bewaard. LJG
Noten 1 Adolf von Harnack, Marcion - das Evangelium vom fremden Gott, 2e Aufl. Leipzig 1924, S. 217 2 Naim Ateek, Roep om verzoening - Een Palestijnse christen over vrede en recht, Zoetermeer 2012. Zie ook Ds. Kees Kant, Van Eisenach naar Betlehem - Deutsche Christen en Palestijnse christenen over Joden en Israël, Vledderveen 2015. 3 Van de dissertatie van H.F. Kohlbrugge is in 1995 bij uitgeverij De Banier te Utrecht een tweetalige (Latijn met Nederlandse vertaling door C. van Ginkel) verschenen. De aanhaling is uit het woord vooraf, blz. vi. 4 J.K. Vlasblom, Kohlbrugge en Westendorp – Een levenslange vriendschap, Zoetermeer 2005, deel I, blz. 36 5 De noodzakelijke beteekenis van het Oude Testament voor ons Christenen gehandhaafd met de Schriften der Evangelisten en Apostelen. Naar den 4e Hoogd. druk. Utrecht, Melder 1855. 6 Handelingen 17 : 11 7 Hartmut Gese, Der Messias. In: Zur biblischen Theologie – Alttestamentliche Vorträge, Tübingen 1989, S. 128 - 151 Th.C. Vriezen opende zijn bekende Hoofdlijnen der Theologie van het Oude Testament met de zin: “Het Christendom staat, historisch en geestelijk, op de schouders van het Jodendom.” Kohlbrugge zou daarbij waarschijnlijk wel opmerken dat het beter is te spreken van: op de schouders van het ‘zogenaamde Oude Testament’ dan op ‘de schouders van het Jodendom.’ 8 Dr. O. Noordmans, Het Oude Testament en de Kerk, in: Zoeklichten, Amsterdam 1949, blz. 107. Hier moet ook genoemd worden het boekje van A.A. van Ruler over de onmisbare betekenis van het Oude Testament voor de Kerk, Die christliche Kirche und das Alte Testament, München 1955. 9 Aangehaald uit Kerkblaadje , jg. 50 ( 1959) blz. 27. Art. van S. Gerssen De prediking van Kohlbrugge – Hij leidt Zijn heiligen wonderbaar. 10 Zie hiervoor bijv. Walter Kreck, Die Lehre von der Heiligung bei H.F. Kohlbrugge, München 1936. 11 Met ‘evangelischen’ zijn bedoeld: de protestanten, zowel die van Lutherse als gereformeerde belijdenis. 12 De eenvoudige Heidelberger – de catechismuspreeken die nog aanwezig zijn, [uitgegeven door P.A. van Stempvoort en B. van Ginkel], Nijkerk z.j. [ 1941], blz. 15v 13 Das siebte Kapitel des Römerbriefes – In ausfürlicher Umschreibung. Ik gebruikte de uitgave door A. de Quervain, Neukirchen Kreis Moers 1960. S.99 en passim 14 Th. Stiasny, Die Theologie Kohlbrügges, Düsseldorf 1935, S. 16 15 Idem S. 28 16 Idem S. 44 17 Idem S. 43f. 18 De eenvoudige Heidelberger, blz. 107 19 S. Gerssen, De prediking van Kohlbrugge, Kerkblaadje jg. 50 (1959). blz. 27 20 De eenvoudige Heidelberger, blz. 106 21 Idem, blz. 107 22 Opleiding tot recht verstand der Schrift, 2e druk, Amsterdam 1893, blz. 16. 23 Zie hiervoor de vier artikelen die dr. B.J. Spruyt in Ecclesia jg. 104 (2013) schreef onder de titel: H.F. Kohlbrugge en J.H. Gunning jr. over réveil en heiliging. 24 Naar de titel van het boekje dat ds. W.A. Hoek in 1964 uitgaf. 25 De leer des Heils, Amsterdam 1938. Het werd in 1903 postuum, voor het eerst uitgegeven. 26 Deze preek werd gehouden 5 augustus 1849. Zij is opgenomen in Vijf en twintig leerredenen, Amsterdam 1935, blz. 587 – 601. 27 Idem blz. 593 28 Idem, verkort weergegeven. De cursiveringen in dit citaat zijn van mijn hand (LJG). 29 G. Oorthuys, Kruispunten op den weg der kerk, Wageningen z.j. [1935], blz. 225. 30 J.A. Wormser (1807 – 1862) schreef een boek over de kinderdoop (1853), dat als motto had: Leer de natie haar doop verstaan en waarderen en Kerk en Staat zijn gered.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 juli 2015
Ecclesia | 16 Pagina's