Theodorus Beza en de Polygamie
Door de homolobby is in de afgelopen vijftig jaar in Nederland veel ‘bereikt’. Met name het COC en de Gay krant hebben daarbij een grote, betreurenswaardige rol gespeeld. En nog steeds gaat dat lobbyen door. In enkele artikelen willen we aandacht besteden aan de nieuwe strijdpunten van de homolobby.Door een groot aantal politieke partijen (Groen- Links, VVD, PvdA, SP, D66, 50Plus, Partij voor de Dieren en de partij van de heer H. Brinkman) werd op 3 september 2012 samen met het COC het zogenaamde Roze Stembusakkoord 2012 getekend. Een diepdroevig akkoord! Daarin werden deze vijf afspraken gemaakt: dat voorlichting over LHBT’ers op iedere school voor basis- en voorgezet onderwijs verplicht zou worden (ingevoerd per 1 december 2012), dat er een wet zou komen die het mogelijk maakte dat lesbische moeders eenvoudig het juridische ouderschap konden verkrijgen (ingevoerd per 1 april 2014), dat er een Transgenderwet zou komen die zou regelen dat transgenders geen ‘ombouw operaties’ meer behoeven te ondergaan om hun officiële geslachts-regi stratie te laten wijzigen (ingevoerd per 1 juli 2014), dat geen ambtenaar van de burgerlijke stand die weigert homoseksuele paren te trouwen, meer benoemd mag worden (ingevoerd per 1 november 2014) en dat de voor religieuze scholen geldende enkele feitconstructie uit de Algemene wet gelijke behandeling geschrapt zou worden om zo te bereiken dat religieuze scholen geen LHBT-leerlingen en -docenten meer kunnen weigeren (constructie geschrapt in maart 2015).
Al voordat deze laatste afspraak daadwerkelijk doorgevoerd was, heeft het COC een nieuwe wensenlijst op tafel gelegd (november 2014). Het wil opnieuw met het parlement en de regering tot een Roze Akkoord komen met daarin wederom vijf streefdoelen of afspraken, te weten: een verbod op LHBT-discriminatie in de Grondwet, een verbod op transgenderdiscriminatie opnemen in de Algemene wet gelijke behandeling, een hoger wettelijk strafmaximum bij discriminerend geweld vaststellen, een einde maken aan de officiële geslachtsregistratie in onder andere het paspoort en tot slot een goede wettelijke regeling voor het meerouderschap. Het COC wil een wettelijke regeling van het meerouderschap, omdat er inmiddels lesbische paren zijn die samen met een homoseksuele man of een homoseksueel koppel een of meer kinderen willen opvoeden. De Nederlandse wet laat echter voor een kind niet meer dan twee wettelijke ouders toe. Dat wil het COC veranderd hebben.
Uit deze wensen blijkt dat het COC de aandacht wat verlegd heeft van de homoseksuelen naar de transgenders en naar het meerouderschap. Op transseksualiteit hopen we Deo volente later terug te komen. In dit artikel willen we vooral ingaan op de polygamie, dat met een eventuele regeling van het meerouderschap in feite gelegaliseerd zal worden of dit komt heel dichtbij.
Vormen van polygamie
Onder polygamie verstaan we een huwelijk tussen meer dan twee personen. Globaal genomen zijn er twee vormen: polygynie en polyandrie. Bij polygynie is één man met meer vrouwen getrouwd, wat vanouds veelwijverij wordt genoemd. Bij polyandrie is één vrouw met meer mannen getrouwd, wat ook wel bekendstaat als veelmannerij. Deze laatste vorm komt minder vaak voor. Ook de term bigamie valt wel eens. Dat is die vorm van polygamie waarbij een persoon niet met veel, maar met twee andere personen is getrouwd. Daarnaast wordt soms gesproken over polyamorie. Daarmee wordt aangeduid de situa tie dat een persoon tegelijkertijd - op basis van vrijwilligheid en met onderling goedvinden - meer dan één liefdesrelatie heeft, maar zonder dat die relaties beslist via een huwelijk (of een geregistreerd partnerschap) wettelijk vastgelegd zijn.
Situatie in Nederland
In Nederland is het sluiten van een polygaam huwelijk tot op heden niet toegestaan, maar polygame huwelijken die door buitenlanders in het buitenland rechtsgeldig gesloten zijn, worden in Nederland wel erkend. In 2009 telde Nederland daardoor 1374 polygame huwelijken. Dit polygamieverbod strekt zich in Nederland ook uit tot het zogenaamde geregistreerd partnerschap, maar niet tot het samenlevingscontract. Het is in Nederland dus wel mogelijk om een samenlevingscontract aan te gaan met meer personen tegelijk. 1
Het ligt in de lijn van de verwachting dat vroeg of laat de vrijheid- en gelijkheidsdrijvers deze ongelijkheid zullen aangrijpen om een polygaam huwelijk mogelijk te maken. In 2002 pleitte het toenmalige Groenlinks-Kamerlid F. Halsema daar al voor. 2 Zij toonde zich een principieel voorstander van het legaliseren van polygamie. Niet omdat zij dat zelf zo’n ideale samenlevingsvorm vond, maar omdat mensen volgens haar het recht moeten hebben hun leven in te richten zoals ze dat zelf willen. Dit is typisch het liberale denken. De enige grens die mevrouw Halsema stelde, was dat er binnen een polygaam huwelijk wel sprake moest zijn van gelijkwaardige verhoudingen, waarmee ze kennelijk afstand nam van de mohammedaanse vorm waarbij één man meer vrouwen ‘onder de plak’ houdt.
Oude discussie
“Er is uiteindelijk maar één grond”, zo schreef drs. O.M. van der Tang destijds met betrekking tot de polygamie terecht, “waarop geloofwaardig en consequent oppositie gevoerd kan worden tegen” deze “dwaasheid der moderniteit: het feit dat God in Zijn wijsheid ons heeft geopenbaard hoe we ons leven hebben in te richten. Tot Zijn eer, maar ook tot welzijn van de mens en tot heil van de natie.” 3 Maar… is polygamie eigenlijk wel zo dwaas?, wordt tegengeworpen. Kijk eens in het Oude Testament naar Jakob, Elkana, David, Sálomo enz. Die hadden ook meer vrouwen! Ja, heeft God de polygamie wel afgekeurd?
Feitelijk is dit een oude discussie die ook in de tijd van de Reformatie gespeeld heeft. 4 De lutherse predikant Johannes Lening (1491-1566) verdedigde in 1541 de polygamie in een geschrift dat hij de titel meegaf: Dialogus Neobuli en dat hij uitgaf onder het pseudoniem Huldricus Neobulus. De Italiaan Bernardino Ochino (1487-1564), predikant van de Italiaanse gemeente te Zürich, kwam eveneens met een verhandeling naar buiten waarin hij - naar het model van Lening - de polygamie verdedigde. Zijn geschrift werd door Beza’s tegenstander Sebastian Castellio in het Latijn vertaald (1563). Dit tot groot ongenoegen van Beza, die vervolgens tegen dit geschrift in de pen klom, wat in 1568 resulteerde in zijn Tractatio de polygamia et divortiis (Verhandeling over polygamie en echtscheiding). Deze verhandeling werd reeds in 1595 door ds. Henrico Heiningo 5 , predikant te Tholen, in het Nederlands vertaald en uitgegeven onder de titel: Twee verhandelinghen. D’eerste vande Polygamie ofte houwelick met veel vrouwen. D’andere van ondertrou ende echtscheydinghe. 6
In de eerste 36 pagina’s van dit geschrift bestrijdt Beza de geoorloofdheid van een huwelijk met meer vrouwen. Stuk voor stuk weerlegt hij Ochino’s tegenwerpingen. In grote lijnen willen we Beza’s belangrijkste argumenten die hij in dit geschrift tegen de polygamie aanvoert, de revue laten passeren, opdat we daarmee ons voordeel zouden kunnen doen in de huidige strijd tegen de liberale tijdgeest.
Is vanaf het begin zo niet geweest
In zijn pleidooi voor de polygamie voerde Ochino in de eerste plaats aan dat ook vele heilige vaders uit het Oude Testament meer vrouwen gehad hebben en nochtans van God daarover niet berispt zijn. Althans daarvan leest men in de Bijbel niets.
Beza antwoordt daarop dat het feit dat velen deze zonde bedreven hebben, voor God geen geldige verontschuldiging kan zijn. Ook dat polygamie een lange tijd gewoon is geweest, kan de polygamie niet vrij pleiten. Want vanaf het begin, vanaf dat God het huwelijk ingesteld heeft, is het immers zo geweest dat alleen één man met één vrouw wettelijk zou verkeren. Als polygamie ooit geoorloofd geweest zou zijn, dan moest dat helemaal in het begin van de wereld geweest zijn, omdat toen een broer zijn eigen zuster tot huisvrouw moest nemen, wat immers meer tegen de eerbaarheid strijdt dan het nemen van meer vrouwen. We lezen echter niet in de Schrift dat er vóór Lamech iemand geweest is die meer dan één vrouw gehad heeft (Gen. 4:23). Lamech nam zich twee vrouwen: Ada en Zilla. (Gen. 4:19). Volgens Ochino zou Lamechs dubbelhuwelijk God niet mishaagd hebben, daar Hij Lamech gezegend heeft met zeer vernuftige kinderen, die zeer profijtelijke kunsten beoefenden. Beza antwoordt daarop dat dit bewijs zeer onzinnig is daar God de gaven die Hij aan Lamechs kinderen verleend heeft, naar Zijn goedertierenheid ook aan goddelozen overvloedig meedeelt.
Ook uit het feit op zich dat we niet lezen dat de heilige vaders om het trouwen van vele vrouwen berispt zijn geweest, kan volgens Beza niet geconcludeerd worden dat ze daarin goed gehandeld hebben, want wij lezen ook niet dat Jakobs bloedschande vanwege het trouwen van twee zusters berispt is geweest, noch ook het schandelijk bijslapen van Lot bij zijn beide dochters, noch het onrechtvaardig oordeel dat David tot profijt van Ziba tegen Mefiboseth uitgesproken heeft en andere dingen meer. “De vaders hebben Gods Woord gehad”, zegt Beza. Met andere woorden: daaruit konden zij weten dat ze verkeerd bezig waren. Ook hebben zij de wet der natuur gehad. “Hoewel hun natuur zeer verdorven was, behoorde hun consciëntie door die wet beschuldigd te worden.”
Geen hoereerders en overspelers
Beza wilde aan Ochino wel toegeven dat er “vele dingen zijn die de misdaad van de vaderen” inzake de polygamie “verlichten, opdat niemand zou menen dat” Beza “hen tot de onreine hoereerders of overspelers begeerde te rekenen.”
In de eerste plaats voert Beza daartoe aan dat het genoegzaam bekend is dat velen van hen niet om hun schandelijke lusten bot te vieren vele vrouwen genomen hebben, maar om veel kinderen te gewinnen.
Als tweede dat hoewel de polygame voorbeelden van de heilige vaderen er niet voor zorgen dat zonden geen zonden zijn, zo is nochtans de schuld van hen die heilige en eerlijke lieden navolgen wel minder groot dan die twijfelachtige lieden navolgen. Want die heilige lieden navolgen, doen het vaak meer door een misverstand dan door openbare boosheid of opzet. Dit geldt nog temeer volgens Beza als een zonde de gedaante heeft gekregen van een middelmatige zaak, doordat vele heiligen die bedreven hebben, zoals hier het geval is.
En ten derde wijst Beza erop dat God het trouwen van meer vrouwen in het begin bij zijn volk Israël door de vingers gezien heeft, evenals dit het geval was met het geven van een scheidbrief. Maar Hij heeft deze zonde niet goedgekeurd, gelijk Hij ook het geven van een scheidbrief nooit (helemaal) goedgekeurd heeft.
En al is het wel zo dat God het trouwen van meer vrouwen heeft willen gebruiken om Zijn volk tot een groot volk te maken, daaruit volgt nochtans niet, aldus Beza, dat in het trouwen van meer vrouwen geen zonden geweest zou zijn, daar de vaders daarmee hoe dan ook van Gods Woord zijn afgeweken. Zo ook heeft de Heere Sálomo wel uitverkoren, maar daarmee geenszins het huwelijk van David met zijn moeder goedgekeurd, daar Hij dat in het openbaar gestraft heeft.
Zijn mishagen door straffen getoond
Maar de vaders mogen dan om het trouwen van meer vrouwen door God niet met uitdrukkelijke woorden gestraft zijn, wel heeft Hij met verscheidene en bittere straffen duidelijk genoeg getoond hoe zeer dat die zonde Hem mishaagd heeft. Zo is de twist tussen Sara en Hagar, waarop niet alleen de verstoting van Hagar, maar ook de onterving van Ismaël gevolgd is, volgens Beza als een straf van God daarop te zien. Ook de twisten tussen Lea en Rachel en tussen Hanna en Peninna ziet hij in dat licht. En niet minder de “vele bloedige boze daden” die in het huisgezin van David hebben plaatsgevonden, en de “zeer droevige voorbeelden van vele koningen in Juda”.
Ochino zag dat toch anders. Hij bracht hiertegen in dat er ook een twist geweest is tussen Jakob en Ezau en dat er in een monogaam huwelijk dikwijls ook twisten gerezen zijn tussen schoonmoeder en schoondochter. Maar Beza wijst hem er dan op dat die twisten enkel uit de boosheid van de mensen, maar niet uit de zaak zelf voortgekomen zijn, zoals dat wel het geval is in een huwelijk met meer vrouwen. Kaïn heeft Abel en Ezau heeft Jakob om geen andere oorzaak gehaat dan omdat ze zelf verkeerd en goddeloos waren. Maar de afgunst of jaloezie onder de vrouwen in polygame huwelijken is juist daaruit voortgesproten dat de een het niet kon verdragen dat de ander ook een vrouw van haar man was.
Geen uitdrukkelijke wet?
Als bewijsreden dat polygamie geoorloofd zou zijn, voerde Ochino in de tweede plaats aan dat de Schrift geen uitdrukkelijke wet bevat die een huwelijk met meer vrouwen verbiedt.
Beza wijst er dan eerst op dat niet tegen alle zonden een aparte wet geschreven is. Als reeds door middel van goede besluitredenen of gevolgtrekkingen gemakkelijk kan geoordeeld worden of een zaak geoorloofd is of niet, laten wetgevers een regeling bij wet vaak achterwege.
Beza laat dan vervolgens zien hoe polygamie reeds door gevolgtrekkingen te veroordelen is. Behalve dat God “allerlei ongeregeld bijslapen verbiedt”, moet er nog een bijzondere reden zijn, zo redeneert hij, waarom een gehuwde man die overspel pleegt met een ongehuwde vrouw of prostituee, zwaarder zondigt dan wanneer een ongehuwde man met een ongehuwde vrouw of prostituee hoereert. Die reden is dat een gehuwde man niet alleen tegen zichzelf, maar ook tegen zijn vrouw zondigt als hij zijn lichaam - dat hij aan zijn vrouw gegeven en toegeëigend heeft - aan een hoer geeft. Daaruit maakt Beza dan deze gevolgtrekking: indien een gehuwde man zondigt die kort - zonder hoop of wil van een langdurige gemeenschap - met een ongehuwde vrouw of prostituee hoereert, hoeveel temeer zondigt dan hij die de aan zijn vrouw beloofde trouw schendt, door zich behalve aan zijn eigen vrouw ook langdurig aan een of meer andere vrouwen over te geven, gelijk in een huwelijk met meer vrouwen geschiedt. Omdat de wet der natuur overspel en het zichzelf wegstelen verbiedt, verbiedt deze wet dus ook het huwelijk met meer vrouwen.
Verder stelt Beza ook op grond van het door God ingestelde en voorgeschreven huwelijk bij gevolgtrekking vast dat polygamie te veroordelen is. Hij wijst er namelijk op dat zij die met z’n tweeën één vlees zijn, dat niet volledig blijven als een van hen zich met een derde verenigt. Zo wordt een tweede vrouw wel (deels) één vlees met de man, maar niet met zijn eerste vrouw, en geen van die beide vrouwen hebben de man geheel, maar ieder slechts voor een deel.
Overigens is het waarschijnlijk de vertaler, ds. Henrico Heiningo, die bij de genoemde bewering van Ochino dat de Schrift geen uitdrukkelijke wet tegen de polygamie bevat, nog deze aantekening of noot gemaakt heeft dat Immanuel Tremellius (1510-1580) en Franciscus Junius sr. (1545-1602) Leviticus 18 vers 18 op goede gronden zo uitleggen: Gij zult niet nemen de ene vrouw bij de andere, haar kwellende. Ook de ‘nieuwe Geneefse overzetting’ van de Bijbel hield dit voor goed. Zo bezien houdt dit verbod wel degelijk een duidelijke veroordeling van de polygamie in.
In uw schoot gegeven
Vervolgens kwam Ochino met een ogenschijnlijk sterk argument naar voren. Ter verdediging van de polygamie beriep hij zich namelijk op 2 Samuël 12 vers 8, waar we lezen dat de Heere door de mond van de profeet Nathan - vanwege het overspel met Bathseba - tot David zegt: En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen. Met uws heren vrouwen worden hier bedoeld de vrouwen van koning Saul. “Zo schijnt het dan dat David door Gods goedkeuring en bevel vele huisvrouwen gehad heeft”, aldus Ochino. Beza brengt daartegen in dat men nergens leest dat David enige huisvrouwen genomen heeft van degenen die tevoren van Saul geweest zijn. Bovendien was het David niet geoorloofd die tot vrouwen te nemen, want dat zou bloedschande zijn, daar hij dan met de (stief)moeder van zijn huisvrouw Michal, Sauls dochter, getrouwd zou zijn. Om beide redenen kan het niet anders dan dat de woorden in uw schoot hier niet duiden op een huwelijksgemeenschap, maar hier de betekenis hebben van ‘Ik heb ze in uw hand en macht gegeven’, zo concludeert Beza.
Wettige kinderen geen vrijbrief
Ochino beriep zich in de vierde plaats op Deuteronomium 21 vers 15-16, waar we lezen: Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde en een gehate, en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn, zo zal het geschieden ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is. Uit deze woorden trekt Ochino de conclusie dat de kinderen geboren uit het eerste huwelijk even wettig waren als die geboren uit het tweede huwelijk en dat dus ook het tweede huwelijk wettig was evenals het eerste. Maar Beza antwoordt daarop dat God een huwelijk met meer vrouwen onder Zijn volk, zoals gezegd, wel gedoogd heeft en dat daarom de kinderen uit die huwelijken geboren in het erfrecht terecht voor wettige kinderen zijn gehouden. Maar dit neemt niet weg dat Hij aan die huwelijken nooit zulk een behagen gehad heeft alsof die aan Zijn wet gelijkvormig waren. Het wettig zijn van de kinderen uit die huwelijken vormt dan ook geen vrijbrief voor het geweten in deze zaak.
Alleen de ongehuwde broer
Als vijfde bewijsreden voor de polygamie voerde Ochino aan dat een man onder het Oude Verbond voor zijn broer die zonder erfgenaam gestorven was, zaad moest verwekken (Deut. 25:5) en dat daarbij niet als voorwaarde werd gesteld dat die man ongehuwd moest zijn. Dus was een polygaam huwelijk geoorloofd.
Beza gaat in deze redenering niet mee. Hij stelt dat die voorwaarde feitelijk vanzelfsprekend is. Want het is niet aannemelijk dat de Heere gewild heeft dat iemand zijn eigen zaad, ja, zijn eigen huisvrouw moest verachten om voor een ander zaad te verwekken. De Heere heeft alleen de ongehuwde broer in de plaats van de verstorvene willen stellen. Dat geven de woorden van die wet, te vinden in Deuterono-mium 25 vers 5, ook genoegzaam te kennen: Wanneer broeders tezamen wonen, en één van hen sterft en geen zoon heeft, zo zal de vrouw des verstorvenen aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haars mans broeder zal tot haar ingaan en nemen haar zich ter vrouw, en doen haar den plicht van eens mans broeder. Uit de voorwaarde: Wanneer broers tezamen wonen, is af te leiden dat het hier om een ongehuwde broer gaat, want twee gehuwde broers zullen niet tezamen wonen, maar met hun huisgezinnen gescheiden van elkaar wonen. Tevens moet hierbij bedacht worden dat dit een bijzondere of extraordinaire wet geweest is, daar in een normale situatie een huwelijk van een man met zijns broeders vrouw niet alleen verboden was, maar ook als bloedschande gestraft werd. Bovendien moeten we in ogenschouw nemen dat als het genoemde argument van Ochino steekhoudend zou zijn met betrekking tot de polygamie, dit dan tegelijk een vrijbrief voor bloedschande zou zijn.
Slechts gedoogd bij overgang uit het heidendom
Ook in de woorden: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, éner vrouwe man (1 Tim. 3:2a), las Ochino een vrijbrief voor de polygamie. Zijn redenering was: als specifiek gezegd wordt dat een opziener niet meer dan één vrouw mag trouwen, geeft dit impliciet aan dat de gewone gemeenteleden dit wel mogen. Beza wil niet ontkennen dat er in de eerste tijd in de Christelijke gemeenten misschien wel vele mannen geweest zijn die met meer vrouwen getrouwd waren. Maar waarschijnlijk waren die mannen dat al voordat ze Christenen werden en heeft men hen vervolgens niet zover willen dwingen dat ze die vrouwen die ze na hun eerste vrouw getrouwd hadden, tegen wil en dank moesten verlaten. Omdat het huwelijk met meer vrouwen voor eenieder oneerbaar is en opzieners wel in het bijzonder onberispelijk behoren te zijn, heeft de apostel echter niet willen toestaan dat zulke mannen opzieners zouden worden. De werkelijkheid is dus heel anders dan Ochino ons wil doen geloven. Zijn ongelijk blijkt ook uit het feit dat in de vroegchristelijke kerk de klerken, dat zijn allen die de kerk dienden, geen bruiloften van polygame huwelijken mochten bijwonen.
Geen kwaad doen om het goede te bereiken
Naast bewijzen die hij meende te kunnen vinden in Gods Woord, voerde Ochino ook als argument aan dat door het toestaan van polygame huwelijken veel echtscheidingen voorkomen kunnen worden. Beza was het met deze stelling in het geheel niet eens, want een huwelijk met meer vrouwen vermindert immers veeleer de onderlinge liefde tussen de echtgenoten, terwijl een monogaam huwelijk die voedt.
Ook zei Ochino dat het menselijk geslacht door polygame huwelijken nog sneller zou vermenigvuldigen. Kennelijk had hij hiermee het oog op Gods opdracht aan de mensheid: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde (Gen. 1:28m). Beza antwoordt daarop dat kinderen op een wettige, geoorloofde wijze behoren gewonnen te worden en dat men geen kwaad mag doen, opdat het goede eruit voortkome (Rom. 3:8). En al is het dat de Christelijke kerk enige tijd de eerder gesloten polygame huwelijken van hen die naar het Christendom overgingen, verdragen heeft, omdat die niet gebeterd konden worden, tenzij beide partijen erin bewilligden (1 Kor. 7:4), dan nog is daaruit niet te bewijzen dat polygame huwelijken geoorloofd zijn of zijn geweest. Wij moeten bij Gods Woord blijven dat ons beveelt dat een man maar één huisvrouw zal verzamelen.
Ochino bracht hier nog tegen in dat het niet vreemd is als een hoofd vele leden heeft, maar wel als een lid vele hoofden heeft. Daarom behoort weliswaar een vrouw niet met meer mannen getrouwd te zijn, maar een man die met meer vrouwen trouwt, is niet te misprijzen. Beza wijst er echter op dat een natuurlijke gestalte of samenstelling van een lichaam zo is zoals God het verordineerd en geschapen heeft. Daarom strijdt het evenzeer tegen de natuur dat een lichaam twee neuzen heeft, als dat een neus tot twee hoofden behoort. God heeft aan elk hoofd één neus gegeven. Zo is het ook ten aanzien van het huwelijk.
Negatieve gevolgen
In de praktijk leidt het trouwen met meer vrouwen er volgens Beza toe dat zaken als “onderlinge hulp en gemeenschap des levens” vaak verzuimd worden en dat door het vele getwist en gekijf uit afgunst er bijna geen vriendelijkheid en gerustheid meer in het huwelijk gevonden wordt. Van Mohammed vertelt men zelfs, aldus Beza, dat hij uit haat tegen zijn huisvrouw het trouwen met meer vrouwen ingesteld heeft.
En daarnaast heeft het trouwen met meer vrouwen ook tot gevolg dat mannen die anders kuis en ingetogen zijn, tot onmatige lusten verwekt worden, “evenals overmaat van spijs, gulzigen, en overmaat van drank, dronkaards maakt.” Bij velen - niet bij allen - is het huwen met meer vrouwen niets anders dan een “dekmantel” voor het botvieren van hun ongebonden lusten. Dat dit in strijd is met de eerbaarheid, erkennen zelfs mensen die alleen het licht van de natuur hebben.
Het eigendomsrecht heeft God
Volgens Ochino zou een man bij het huwelijk met zijn eerste vrouw met haar kunnen afspreken dat hij met haar instemming nog een andere vrouw daarbij zal mogen nemen, evenals Sara haar dienstmaagd Hagar aan Abraham gegeven heeft en Lea en Rachel hun dienstmaagden aan Jakob gegeven hebben. Beza voert daartegen aan dat de eigenlijke natuur van het huwelijk inhoudt dat het een “verbond van een ongedeelde gemeenschap des levens” is en dat wederzijds de een zich aan de ander geheel overgeeft. Wordt echter onderling afgesproken wat Ochino voorstelt, dan is dat volgens Beza ten diepste geen huwelijk meer, noch worden die twee geheel tot één vlees als voor een derde plaats wordt gelaten. Bovendien mag iemand wel zijn eigen recht verminderen, maar niet dat van een ander. Daarvan is hier sprake, want de huwelijksband komt niet alleen tot stand door de bewilliging van de echtgenoten, maar veel meer door de autoriteit Gods, Die die beiden tezamen voegt. Gods recht in die samenvoeging, in die huwelijksband, kan door hen niet verminderd worden, ook al gaan zij als echtgenoten anders over elkaar denken, daar Christus heeft gezegd: hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet (Matth. 19:6b). En verder bezit in het huwelijk de een het lichaam van de ander op een dusdanige wijze dat men zijn lichaam wel mag gebruiken, maar het niet naar zijn eigen goeddunken aan een ander kan overgeven, daar het eigendomsrecht van zijn lichaam bij God ligt en Hij (in het huwelijk) grenzen aan het gebruik van het lichaam gesteld heeft (zevende gebod). Dit betekent ook dat de daad van Sara, Lea en Rachel niet zonder zondeschuld is geweest en daarom door ons niet behoort nagevolgd te worden.
In strijd met de instelling van het huwelijk
Het huwelijk is een instelling uit het Paradijs. Beza wijst erop dat de Heere daar één vrouw met één man samengevoegd heeft en dat Adam terstond zei: Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees (Gen. 2:23a). En vervolgens lezen we in vers 24: Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw (niet zijn vrouwen!) aankleven, en zij (niet velen!) zullen tot één vlees zijn. Deze woorden laten dus een huwelijk met meer vrouwen niet toe. Ochino probeerde echter dit bewijs tegen de polygamie te ontkrachten door op te merken dat het wel waar is dat God één man met één vrouw verenigd heeft, maar dat een bijzonder werk Gods als deze eerste huwelijkssluiting ons niet verbindt, tenzij er Zijn uitgedrukt bevel bijgevoegd is.
Deze uitvlucht wordt door Beza weerlegd door er in de eerste plaats op te wijzen dat in de woorden: en zal zijn vrouw aankleven feitelijk een bevel van God ligt en dat de inhoud van de daaropvolgende woorden: en zij zullen tot één vlees zijn, als een zegen van God is te zien, die echter alleen betrekking heeft op twee personen.
Dat we inderdaad in deze eerste, door God uitgevoerde huwelijkssluiting van één man met één vrouw, in de persoon van Adam en Eva, een door God ingestelde regel ter navolging hebben te zien, toont Beza vervolgens onweerlegbaar aan door zich te beroepen op drie uitleggers van de Goddelijke wil in dezen, namelijk op de profeet Maleáchi, op Christus en op Paulus.
De profeet Maleáchi heeft tegen de mannen die veel vrouwen bij zich hadden doen wonen, aangevoerd: Heeft Hij niet maar één gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had? En waarom maar dien enen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd (Mal. 2:15).
En Christus heeft geantwoord op de vraag of het geoorloofd was zijn vrouw te verlaten om allerlei oorzaak: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij hen gemaakt heeft man en vrouw? En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn? Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet (Matth. 19:4-6). God heeft dus één man en één vrouw gemaakt en niet één man en veel vrouwen! En dié twee heeft Hij samengevoegd. Hiernaar wijst Christus de Joden terug als naar een vaste, onveranderbare regel voor het huwelijk.
Ook Paulus wijst onmiskenbaar naar deze voor alle tijden geldende instelling Gods terug als hij uitdrukkelijk schrijft dat om der hoererijen wil een iegelijk man zijn eigen vrouw zal hebben, en niet vele vrouwen, en een iegelijke vrouw haar eigen man zal hebben (1 Kor. 7:2). Met name met het woord eigen wordt hier het hebben van veel mannen of vrouwen zo duidelijk verboden dat naar mijn oordeel, zegt Beza, niemand die niet ten enenmale weerspannig en onbeschaafd hardnekkig is, het huwelijk met meer vrouwen kan voorstaan.
In zeker opzicht nog erger dan overspel
In de woorden en zijn vrouw aankleven is volgens Beza “een bijzondere samenvoeging besloten” die “veel vaster is dan enige bloedband of een gewone vriendschap”, namelijk een samenvoeging die zulk een kracht heeft dat de een zich geheel aan de ander overgeeft. Maar dit zou, zoals gezegd, niet kunnen geschieden, indien de man meer dan één huisvrouw aankleeft. Want daar twee huisvrouwen zijn, daar kan elk van hen het lichaam van de man niet ten volle bezitten, maar slechts ten dele. Ochino beweerde echter dat een man die met twee of meer vrouwen gehuwd was, toch één vlees met zijn vrouwen kon zijn, want als een gehuwde man overspel bedrijft met een hoer, dan wordt hij ook één vlees met die hoer. Ongetwijfeld zal Ochino daarbij gedacht hebben aan Paulus’ woorden: Of weet gij niet dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees wezen (1 Kor. 6:16).
Beza keert deze argumentatie juist om. Beza ontkent niet dat een man die overspel bedrijft, één lichaam met de hoer wordt, maar dit heeft wel tot gevolg, en dat verzwijgt Ochino, dat die man dan niet meer één vlees met zijn huisvrouw is. Niemand kan immers én één vlees met zijn huisvrouw én tevens één vlees met een hoer zijn. Het een sluit het ander uit. Dat is precies ook de reden waarom echtscheiding na overspel toegelaten wordt: de eenheid is verbroken.
Hieruit trekt Beza vervolgens de conclusie dat als een man vanwege overspel niet meer één vlees met zijn huisvrouw is, dit ten aanzien van zijn huisvrouw nog veel meer geldt als een man meer vrouwen gaat huwen. Immers, bij overspel is er geen sprake van een verbond om met elkaar te leven, bij polygamie wel! In dit opzicht strijdt dus feitelijk het huwen van twee of meer vrouwen meer en langduriger tegen de ongedeelde huwelijkse staat dan alleen de daad van overspel. Polygamie is eigenlijk een gedurig overspel!
Ten besluite
Het heldere en van goede argumenten voorziene betoog van Beza laat er geen misverstand over bestaan: een huwelijk van een man met twee of meer vrouwen of van twee mannen met twee vrouwen of welke andere vorm van polygamie of polyamorie dan ook, is op grond van de Schrift niet te verdedigen, maar moet als zondig worden afgewezen.
De polygame huwelijken van sommige Bijbelheiligen in het Oude Testament zijn door God wel gedoogd, maar nooit goedgekeurd en zijn derhalve geen voorbeelden ter navolging. Uit de aangehaalde woorden van Christus (Matth. 19:4-6) blijkt onmiskenbaar dat juist het eerste huwelijk tussen één man en één vrouw van den beginne door God ter navolging ingesteld en bevolen is. Het eventueel schrappen van het polygamieverbod uit de Nederlandse wetgeving zou dan ook strijdig zijn met wat de Bijbel ons leert inzake het huwelijk.
Niet het schrappen van dit verbod, maar het uitbreiden van dit verbod tot samenlevingscontracten en het geheel afschaffen van die contracten is de weg die de overheid zou moeten inslaan.
Opdat er eer in onzen lande woon’,
En zich aldaar op ’t luisterrijkst vertoon’
(Ps. 85:3 ber.).
Noot:
1) Zie meer hierover in: D. van Haperen, Het polygamieverbod in Nederland. Een onderzoek naar het al dan niet toestaan van polygamie in de Nederlandse samenleving, Tilburg 2011, te raadplegen via: http://arno.uvt.nl/show. cgi?fid=116014
2) P. van Olst, ‘Tegenpolen in het parlement. Halsema (GroenLinks) en Van der Staaij (SGP) over oude en nieuwe politiek’, in: RD, 25 mei 2002
3) O.M. van der Tang, ‘Polygamie’, in: RD, 11 oktober 2002 4) R. Giselbrecht, ‘Beza over polygamie’, in: W. Balke e.a., Théodore de Bèze. Zijn leven, zijn werk, z.p., 2012, p. 223- 225. Volgens Giselbrecht heeft Beza zijn oorspronkelijke mening over de polygamie in 1571 en 1573 herzien.
5) Ook Henricus Heiningius genoemd. Het Repertorium van Nederlandse hervormde predikanten tot 1816 (dl. 1, Dordrecht 1996, p. 91) vermeldt van hem: Heiningius; Henricus | geb. (verm. Palts); pred. Brussel (Brabant) 1583, verdreven maart 1585; pred. Serooskerke (Walcheren) 1586, Tholen febr. 1587, Middelburg 8 juni 1597, overl. 12 nov. 1612.
6) Theodori Bezae Vezelij, Twee verhandelinghen. D’ eerste, van de Polygamie ofte houwelick met veel vrouwen…, 1595, p. 1-36 (citaten hieruit zijn herspeld of zelfs hertaald weergegeven)
Fotoverantwoording:
a) By Harold Pereira (Wikiportret) [CC BY 3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by/3.0) via Wikimedia Commons
b) Depositphotos
c) Depositphotos
De oorsprong van de polygamie
“En Lamech nam zich twee vrouwen (Gen. 4:19a). Calvijn: “Hier vinden we de vermelding van de oorsprong van de polygamie onder een verkeerd en ontaard volk en van de eerste invoerder daarvan: een woest mens, ontbloot van alle menselijkheid. Of hij door onmatige ijver om zijn huisgezin te vermeerderen, gelijk trotse en eerzuchtige mensen, dan of hij door zinnelijke lust werd aangezet, doet er weinig toe, omdat hij in elk geval de heilige wet van het huwelijk heeft geschonden, die door God was geopenbaard. God had bepaald dat twee tot één vlees zouden zijn en dit is de altoosdurende orde van de natuur. Lamech schond uit lage minachting van God de rechten van de natuur. De Heere wilde dus dat het bederf van het wettige huwelijk uit Kaïns huis zou voortkomen en met Lamech zou beginnen, opdat de voorstanders van de veelwijverij zich over hun voorbeeld zouden schamen.”
-J. Calvijn, Verklaring van de Bijbel, Genesis, dl. 1, Kampen 1988, p. 150-151 (herspeld)-
Polygamie is onmiskenbaar een onwettig huwelijk
Heeft Hij niet maar één gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had? (Mal. 2:15a). Ds. J. Costerus: “God heeft de man maar één vrouw toegebracht, en die twee en niet drie of meer moesten tot één vlees zijn (Matth. 19:5). Die eerste inzetting van God is een eeuwig gebod en wet dat het huwelijk onafscheidelijk is tussen twee. Want daar twee één vlees zijn, daar kan zulks niet geschieden tussen meer vrouwen. En het lichaam dat de vrouw toekomt, mag aan een ander niet gegeven worden. De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw (1 Kor. 7:4). En waar om der vrouwe wil vader en moeder moeten verlaten worden, daar kunnen die om geen andere vrouwen verlaten worden. Omdat dan uit het doen Gods en de eerste instelling van het huwelijk onbetwistbaar blijkt dat daar geen wettig huwelijk is dan waar twee tot één vlees zijn, zo blijkt daaruit dat niet alleen overspel, hoererij en alle onnatuurlijke of ongeregelde verenigingen daartegen strijden, maar ook bijzonder alle veelheid van vrouwen, die immers aanloopt tegen de wet door de eerste schepping in de natuur ingesteld en die daarom niet anders dan God kon mishagen. Waarom God niet alleen aan Israëls koningen deze wet heeft voorgeschreven: Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke (Deut. 17:17a), maar ook aan eenieder van de Joden dit wel scherp heeft verboden: Gij zult ook geen vrouw tot haar zuster nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte nevens haar in haar leven te ontdekken (Lev. 18:18).”
-Ds. Joh. Costerus, De propheet Maleachi…, Delft 1721, p. 364 (herspeld)-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2015
In het spoor | 60 Pagina's