Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van Boekdrukkunst tot Selfiestick

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van Boekdrukkunst tot Selfiestick

De geschiedenis van de media

30 minuten leestijd

Het allereerste op schrift overgeleverde Nederlandse zinnetje luidde: “Hebban olla uogala nes tas hagunnan hinase hic anda thu.” Hertaald staat hier “Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij.” U zou dit kunnen beschouwen als een Middeleeuws whatsappje. Een verliefde Vlaamse monnik schreef het zinnetje ergens in Engeland op. Het verdrietige van dit zogenaamde whatsappje was dat degene voor wie het bedoeld was, niet kon reageren, omdat zij ver weg woonde en hij niet mocht trouwen. Het zinnetje zullen tegenwoordig maar weinig mensen meer begrijpen, omdat taal, communicatie en media voortdurend veranderen onder allerlei invloeden.

In dit artikel wil ik twee lijnen schetsen. De eerste lijn is de chronologische ontwikkeling van de media: van boekdrukkunst tot selfiestick. Het gaat dan voornamelijk om de uiterlijke verschijningsvormen van media. Achtereenvolgens zal ik de volgende punten behandelen: van geschreven naar gedrukte boeken (1), de communicatie in de 16 e en 17 e eeuw (2), de komst van de kranten (3), het kantelpunt: de radio (4), de televisie (5), het internet (6) en de voortsnellende techniek (7). De tweede lijn schetst bij elk van deze punten hoe mensen uit die tijd op allerlei ontwikkelingen hebben gereageerd en wat ons dat nu nog te zeggen heeft. Dit artikel is overigens een bewerking van een eerder verschenen artikel in de bundel Onderwijs online?, uitgegeven namens het Hoornbeeck College onder redactie van drs. K. van der Laan MEd, drs. S. Nentjes en drs. D. van Meeuwen.

1.1 Van geschreven naar gedrukte boeken

Onze literatuurgeschiedenis begon rond het jaar 1170 na Christus met de verschijning van een boek over het leven van een heilige. Henric van Veldeke (voor 1150-na 1184) uit Limburg was de schrijver ervan. Hij schreef dit in het Middelnederlands of het Diets. In de in ons land bekende dialecten zijn er nog sporen van dit Diets terug te vinden. In Zeeland zegt men bijvoorbeeld: piene (pijn), een woord dat exact zo klonk in het Diets. Juist daarom al zijn dialecten zeer waardevol en hebben ze oudere papieren dan het Algemeen Beschaafd Nederlands.

In de Middeleeuwen waren de roomse kloosters de plaatsen van wetenschap. IJverige monniken schreven Bijbels en Bijbelboeken over in schoonschrift. Het duurde soms dagen om één prachtig versierde letter op papier te krijgen.

Lange tijd waren monniken vrijwel de enigen die konden lezen en schrijven. Boeren konden over het algemeen niet lezen en schrijven. Zelfs adellijke hooggeplaatste figuren waren de schrijfkunst vaak niet of nauwelijks machtig. Karel de Grote (±747-814) bijvoorbeeld kon ternauwernood zijn naam schrijven, terwijl hij het juist was die het kloosteronderwijs een flinke boost heeft gegeven. In toenemende mate ontstond het idee dat het goed zou zijn dat iedereen kon lezen en schrijven. Het brede draagvlak kwam met de opkomst van de burgerij en de steden in de veertiende eeuw. Men was de Latijn prevelende priesters meer dan zat. De kerkelijke heren vond men door de band genomen onverstaanbaar, omkoopbaar, ongenaakbaar en opgeblazen luie buiken. Het boek des Levens, de Bijbel, was alleen beschikbaar in het Latijn en de gewone burger mocht er nog niet eens in lezen ook. Het was streng verboden toegang voor onbevoegden. Om deze redenen raakte het Latijn uit de gratie en de volkstaal in zwang.

Johannes Gutenberg (1397-1468) vond in de late Middeleeuwen de boekdrukkunst uit. Een revolutionaire ontwikkeling die leidde tot een verdere emancipatie van de burgers. Niet langer waren er monniken nodig om geestelijke boeken over te schrijven, maar de burgerij kon zelf boeken drukken en lezen. De bekende Duitse reformator Maarten Luther (1483- 1546) maakte hier goed gebruik van. Hij vertaalde de Bijbel vanuit het Hebreeuws, Aramees en Grieks in het Duits (1522). Eerder hadden we in Nederland al een Bijbel gekregen: de Delftse Bijbel (1477).

Zonder de uitvinding van de boekdrukkunst zou het verspreiden van de Bijbel veel lastiger zijn geweest. Dan had men immers duizenden overschrijvers nodig gehad.

1.2 Vermanende verzen

We kennen maar weinig Middeleeuwse schrijvers. Ze schreven vaak anoniem. Het ging immers niet om henzelf, maar om het grote doel. Het was veel meer: Soli Deo Gloria. God moest alleen de eer krijgen. De kathedralen waren er stille getuigen van dat God in de Middeleeuwen groot en zeer verheven was in de beleving van de mens. Bonifatius (672-754) bracht samen met Willibrord (658-739) het Evangelie naar Nederland. Van Bonifatius zijn preken bewaard gebleven. Hij zei onder andere:

De mens die met volle aandacht op het heil van zijn ziel bedacht is, vermijdt zoveel het hem mogelijk is alles waardoor zij schade zou kunnen lijden. Wie namelijk alleen op dit leven gericht is, lijkt op de verstandeloze dieren die niets anders dan eten, drinken en slapen willen. Zo gaat het met de mens die meer op zijn lijf (lichaam) dan op zijn ziel bedacht is, en meer van vreten en zuipen dan van kuisheid en gerechtigheid houdt. U moet weten, zeer geliefde broeders, dat we daarom Christenen geworden zijn, om voortdurend op het toekomstige leven en de eeuwige zaligheid bedacht te zijn en meer het belang van onze ziel dan van ons lichaam te behartigen. Immers, ons lichaam bevindt zich maar enkele jaren op deze wereld, terwijl onze ziel, als wij goed handelen, zonder dat er een eind aan komt, in de hemel heersen zal.1

De gedachte dat de mens nietig was en zich moest richten op het hiernamaals, kwam ook terug bij de bekende Thomas à Kempis (1380-1471), die bij Windesheim te Zwolle leefde. Hij schreef:

“Wees gedurig deze spreuk indachtig: ‘Het oog wordt niet verzadigd met zien, en het oor wordt niet vervuld van horen.’ Zoek daarom uw hart van de liefde der zienlijke dingen af te trekken, en u heen te keren tot de onzienlijke. Want wie hun zinnelijkheid volgen, bevlekken hun geweten, en verliezen de genade van God.” 2

2.1 Communicatie in de 16e en 17e eeuw

De nieuwsvoorziening in de zestiende- en zeventiende eeuw was relatief langzaam. Brieven en mondeling overgebrachte boodschappen waren de belangrijkste vormen van communicatie. Brieven werden vaak met reizigers meegegeven en vanuit de kolonies met schepen die de thuisreis aanvaardden. Zo duurde het zeker zes maanden voordat een bericht uit Batavia de Republiek bereikte. Om officiële berichten en brieven over te brengen naar de plaats van bestemming maakten regenten gewoonlijk gebruik van officieel aangestelde stadsbodes. Soms werden hiervoor ook postduiven ingezet. Bijvoorbeeld vanuit belegerde steden tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De door regenten uitgevaardigde wetten en regels (plakkaten) werden bij het stadhuis en elders in de stad aangeplakt. Maarten Luther maakte gebruik van eenzelfde wijze van communiceren: om bekendheid te geven aan zijn 95 stellingen bevestigde hij die op de deur van de slotkerk in Wittenberg. De elite (regenten en predikanten) had een voor

De elite (regenten en predikanten) had een voorsprong op de gewone man. Veel predikanten kwamen uit deze voorname families. Als zij op de preekstoel waarschuwende woorden lieten horen, accepteerden de regenten dit toen eerder dan nu. Men was immers vaak verwant aan elkaar.

De schriftelijke communicatie die er plaatsvond, was over het algemeen vrij beperkt. Zeker wat de gewone man betrof. Mede omdat velen hun hele leven hun geboortedorp of -stad niet uitkwamen. En het medium krant kende men in het algemeen gesproken nog niet.

Beide eeuwen lieten een bloei van de schilderkunst zien, waardoor we relatief veel weten over bepaalde gewoonten uit die tijd. In sommige schilderijen ‘verstopte’ de schilder de zogenaamde ‘vanitas’, dat zijn vergankelijkheids- of ijdelheidssymbolen. U kunt dan denken aan een schedel (de dood), een kaars die opgebrand is, een bellenblazend jongetje (kortheid van het leven) of een verwelkte bloem. Sommige schilderijen waren daarentegen uitermate mensverheerlijkend. Iets waartegen de predikanten ernstig waarschuwden. Het Memento Mori (gedenk te sterven) nam toen nog een belangrijke plaats in het leven en de prediking in.

2.2 Waarschuwende woorden

In de zestiende- en zeventiende eeuw zijn er heel wat predikanten geweest die niet alleen via de kansel en in het pastoraat, maar ook door het schrijven van een of meer boeken de Bijbelse boodschap trachtten te verspreiden. Zo ook de predikant Michael Spranger (1626-1673) uit Gameren. Anoniem gaf hij De Geblanckette Izebel (1654) uit, waarin hij waarschuwde voor de ijdelheid dat vrouwen door make-up of door het verven van hun haar de aandacht op zichzelf wilden vestigen en tevens hun Schepper wilden verbeteren en trotseren. Hij schreef onder andere:

Gij dames en grote en kleine juffrouwen die uzelf door deze zonde laat verrukken [namelijk het opmaken; HT], toont mij in de Bijbel een voorbeeld van een Godzalige vrouw die op zulke verfoeilijke wegen vervoerd is geweest; of een opdracht uit Gods Woord om dat te doen of een toelating om dat zonder zonde te mogen doen?” 3

En over het verven van het haar:

Uw Heere zegt: Gij kunt niet een haar wit of zwart maken. En wilt u sterker zijn om de stem van uw Heere te overwinnen? Het is een stout bestaan en een [Gods] heiligheid schendende verachting dat u uw haren alzo besmet en onteert.” 4

Duidelijk is dat ds. Spranger waarschuwde voor alles dat naar wereldse gezindheid neigde. Jacobus Borstius (1612-1680) schreef in zijn De verborgenheid der Godzaligheid:

“O broeders, de tijd hier is zo kort en de gedaante van deze wereld is slechts een gedaante van eer en al de hoogheid van de wereld is niet meer dan een figuur. Bent u daarmee vergenoegd? Oordeel dan zelf of u niet een dubbele zot bent, dat u de figuur voor het wezen en de afbeelding en de tekening in plaats van het ware goed u in de handen laat stoppen. Wat is de lof van mensen? Zij hangt aan de glibberige tong, die zo gemakkelijk als de wind heen en weer draait. Bent u niet kinds en bot dat u zich door de satan met een appel en een peer en met een heilige laat paaien en dat u zo vecht om een poppetje en een geschilderd mannetje van eer en gunst der mensen?” 5

De nadruk lag op piëtas (vroomheid) en puritas (zuiverheid). Men behoorde wars te zijn van alles wat maar een zweem van mensverheerlijking had. Dr. Jacques Abbadie (1654-1727), een bekende hugenoot en apologeet, waarschuwde in zijn boek L’Art de se connaitre soi-meme (De kunst van zichzelf te kennen) tegen de trots, waaronder hij ijdelheid, arrogantie en ambitie verstond. Zaken die tegenwoordig een belangrijke plaats innemen in het leven van veel mensen!

3.1 De komst van de kranten

Eind zeventiende eeuw verdrong het Cogito ergo sum (ik denk, dus ik ben) van René Descartes (1596- 1650) het Soli Deo Gloria (God alleen de eer). Het ik dat de moeder van alle afgoden is, verdrong Hem. De Verlichtingsgeest drong de menselijke hersenen binnen. Daardoor kreeg de hogere burgerij behoefte aan nieuws en onderwijs. Om hierin tegemoet te komen richtte Justus van Effen (1684-1735) in 1731 het weekblad Hollandsche Spectator op. De naam was afgeleid van ‘waarnemen’ of ‘zien en noteren’ wat er om hen heen gebeurde. Hij schreef aanschouwelijke en moraliserende schetsen in het Nederlands over de meest uiteenlopende onderwerpen van het Hollandse leven van zijn tijd. De hogere burgerij kreeg haar eerste krant, alhoewel deze slechts vier jaar bestond. In de daarop volgende eeuwen werd de krant steeds meer gemeengoed. Eind negentiende eeuw las bijna iedereen wel een

Eind negentiende eeuw las bijna iedereen wel een krant. Een krant van eigen signatuur. Als men een volgeling was van dr. A. Kuyper (1837-1920), de bedenker van het neocalvinisme, dan las men De Standaard, die gelieerd was aan de ARP. Was men een volgeling van mr. A.F. de Savornin Lohman (1837-1924), dan greep men naar De Nederlander, die gelieerd was aan de CHU. En was men een volgeling van ds. G.H. Kersten (1882-1948), dan las men (vanaf 1921 althans) De Banier, die gelieerd was aan de SGP.

De communisten hadden ook een eigen blad. Eerst heette het De Tribune (tot 1937), vervolgens Het Volksdagblad (tot 1940) en ten slotte De Waarheid, maar er was geen enkele krant waar zoveel leugens in stonden. Of wat dacht u van de krant die begin jaren dertig van de twintigste eeuw ontstond: Volk en Vaderland. Dit was het weekblad van de NSB. De opstellers bedoelden eigenlijk Volk en Verradersland.

Zo had iedere groep en partij haar eigen krant en haar eigen organisaties. Dit fenomeen noemen we verzuiling.

3.2 Spraakmakende teksten en sprekers

Wat Justus van Effen schreef, had weinig wezenlijke inhoud. Titels als De burgervryagie van Kobus en Agnietje en Thysbuurs Os lieten weinig aan de fantasie gelegen liggen.

Kuyper maakte het de mensen moeilijker. Hij schreef onder andere over de Gemene Gratie (algemene genade) en over E voto Dordraceno, wat zoveel betekent als: ‘In overeenstemming met de wens die op de Dordtse Synode is uitgesproken’, namelijk om de rechtzinnige leer onvervalst te bewaren en als zodanig aan het nageslacht door te geven. Kuyper mobiliseerde de kleine luiden en deinsde er niet voor terug om andere predikanten te overtuigen van zijn gelijk. Vóór 1886 probeerde hij velen achter zich te krijgen. Dat ging er soms heftig aan toe. De Amsterdamse hervormde predikant H.A.J. Lütge (1850-1923), die een leerling van Kohlbrügge was, vertelde eens: “Eenmaal daar kwam weer, ’s avonds laat, Kuyper

“Eenmaal daar kwam weer, ’s avonds laat, Kuyper nog bij mij aan en hij bleef maar praten en hield maar vol. Eindelijk, na een paar uren van pijniging, waarin hij mij vreselijk gekweld had en ik met al mijn kracht van mij had moeten afslaan, daar ging hij gelukkig eindelijk heen. ’t Was geloof ik, ’s nachts half twee! Ik had hem nu zo duidelijk mogelijk gezegd dat ik zijn hele doen en laten op kerkelijk en staatkundig terrein afkeurde en dat hij op mij niet moest rekenen. Daarna liet ik hem zelf uit. Reeds was hij de stoep af, daar keerde hij zich nog eenmaal om en riep: ‘Maar zeg jij ’t dan eens, Lütge, zeg jij ’t dan eens, wat moet ik dan doen?’ En toen (…) mocht ik uit de geopende deur ’s nachts om half twee hem nog een antwoord naroepen: ‘Wat je doen moet, Kuyper? Jij moet ophouden het zelf te doen en je moet het aan God overlaten, dat Hij het doe’.” 6

Ook De Savornin Lohman deinsde niet terug voor mobilisatie van zijn achterban. Ds. G.H. Kersten verenigde de bevindelijk-gereformeerden en waarschuwde ernstig tegen de tijdgeest. Een opvallend kenmerk van de kranten toentertijd was dat slechts enkelen (veelal de leidslieden) de bladen volschreven. Een krant was makkelijk te koppelen aan een groep. Dat is nu veel ingewikkelder geworden.

4.1 Het kantelpunt

In november 1919 werd in Nederland het eerste radioprogramma uitgezonden. Willem Vogt (1888- 1973) was medewerker van de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek. Vanwege de economische malaise als gevolg van de oorlogsperikelen (1914-1918) kreeg de fabriek steeds minder aanvragen voor seintoestellen. Vogt bedacht een alternatief. Hij maakte radio’s om muziekprogramma’s te laten horen. Op 8 juli 1923 stichtte Vogt de Hilversumsche Draadloze Omroep. Vanaf 1927 heette de organisatie: Algemeene Vereeniging Radio Omroep (AVRO), nu nog bekend als AVROTros. Overigens wilde de AVRO in het begin niet verbonden zijn aan een bepaalde zuil of een bepaalde religieuze boodschap verspreiden. In die tijd ontstonden onder invloed van de verzuiling ook allerlei andere radio-omroepen, zoals de Christelijke NCRV (1924), de roomse KRO (1925), de socialistische VARA (1925) en de omroep van de vrijzinnigprotestanten, de VPRO (1926). De AVRO had echter het alleenrecht. Dit veranderde toen de minister van Waterstaat in 1930 het eerste Zendtijdbesluit uitvaardigde. De zendtijd wordt dan onder de genoemde vijf omroepen opgedeeld. Vanaf dat moment wordt er binnen Nederland per week al zo’n 40 tot 50 uur radio uitgezonden.

De luistervinken van de AVRO waren overigens woedend over het toen genomen besluit. Niet minder dan 400.000 AVRO-leden protesteerden op het Malieveld in Den Haag. Overal in het land hield men protestvergaderingen en men stuurde zelfs een petitie aan koningin Wilhelmina. Maar het besluit lag vast.

Eind jaren dertig begon men met de ontwikkeling van een televisie. De oorlogsjaren zorgden echter voor forse vertraging.

4.2 Opbouwende woorden

Tot de Tweede Wereldoorlog was de radio niet te vergelijken met de hedendaagse radio. Een bekende radiopersoonlijkheid in Christelijke kring (NCRV) was Johannes de Heer (1866-1961). Hij maakte een eigen zangbundel, waarin hij allerlei geestelijke liederen verzamelde. Onder meer van Meier Salomon Bromet, een evangelist onder het Joodse volk te Amsterdam. Bromet componeerde liederen met titels als: Al de weg leidt mij mijn Heiland. Elk uur, elk ogenblik. Ga mij niet voorbij, o Heiland. Heer! Ik hoor van rijke zegen. Ik zie een poort wijd open staan. Mannen, broeders! Ziet het teken. Rots der eeuwen, troost in smart.

Welk een vriend is onze Jezus. Zie ons wachten aan de stromen. Zoals ik ben, ’k pleit anders niet. Liederen die later de EO en nu de RO ten gehore brachten en brengen. Hierin is duidelijk te zien dat de reformatorische gezindte stilaan aan het veranderen is.

Niet alleen de NCRV zond tijdens het interbellum (de tijd tussen de twee wereldoorlogen) Christelijke programma’s uit. Vanwege het algemene karakter van de AVRO had het bestuur de AVRO-Morgenwijding ingesteld. In een kwartier tijd hield een predikant een korte meditatie en zong een kwartet met behulp van een orkestje psalmen en geestelijke liederen. De leider van deze wijdingen was de bekende Amsterdamse hervormde predikant ds. mr. L.C.W. Ekering (1889-1964). Hij was jarenlang hoofdbestuurslid van de zusterpartij van de SGP, de Hervormde (Gereformeerde) Staatspartij.

In de bevindelijke kerken waarschuwde men ernstig tegen deze radiodominees. Daar werd gesteld dat men niet moest luisteren naar ingeblikte dominees. Een dominee door de ether kon geen geroepen knecht Gods zijn. Op een vraag van een lezer van De Saambinder antwoordde ds. G.H. Kersten in 1935:

“De radio is een grote uitvinding. Waartoe het gebruik daarvan nog leiden kan, is wel moeilijk te zeggen. Maar zichtbaar is voor elk die het zien wil, dat de wereld deze uitvinding in haar dienst gesteld heeft. En juist daarin schuilt het groot gevaar. Wie radio in huis neemt, haalt geheel de wereld in huis. Muziek, dans, rede op rede, die wij juist uit onze huizen moeten weren. Welk een moeite kost het menigmaal onze kinderen af te houden van wat de eerbied voor en de vrucht van Gods Woord geheel wegnemen kan. Maar met de radio in huis, geeft [men] plaats aan wat het vlees bekoort, maar Gods Woord veracht. O, zeg nu niet dat gij nauwkeurig uitkiest. Want dat zeggen reeds, bevestigt het gevaar dat in het hebben van de radio ligt. Ook de zogenaamde Christelijke radio-uitzending verhelpt het kwaad niet. Menig zich nog noemend gereformeerde luistert met smaak naar roomse geestelijken. Is het niet treurig? Lees Gods Woord en een oude schrijver; maar houdt de radio buiten uw deur.” 7

De radio heeft met name de wereldse muziek binnen handbereik gebracht en alleen al daardoor veel kwaad gesticht onder jong en oud, zoals de commentator van het Christelijke weekblad De Spiegel terecht opmerkte:

“Ik geloof stellig dat de radio al heel wat kwaad gebrouwen heeft, ook in Christelijke gezinnen. Men heeft taal vernomen die niet gehoord moest worden, men heeft de klanken der wereldse muziek opgevangen, die de gedachten in de danszaal deden vertoeven” 8

5.1 De televisie

De eerste publieke televisie-uitzending in Nederland, in zwart-wit, was op 2 oktober 1951. Toen er in steeds meer Nederlandse huiskamers een televisie kwam, ging elke omroep zijn eigen televisieprogramma’s maken. Vanaf oktober 1960 werd er op alle avonden uitge

Vanaf oktober 1960 werd er op alle avonden uitgezonden. Niet langer las men alleen iets van een bekende persoonlijkheid in de krant of hoorde men alleen zijn stem, maar men zag hem in levende lijve. Eerst nog een beetje houterig en zwart-wit, maar de tv-ster kreeg in de loop van de jaren steeds meer kleur. Af en toe viel het beeld plotsklaps weg en was de verbinding verbroken, maar na verloop van tijd kwamen storingen maar weinig meer voor. De man uit Hilversum en de man uit Den Haag betraden de huiskamers. Acteurs en politici zaten in je kast of stonden op de dressoir. Eerst was de zenderkeuze nog beperkt en kon men slechts korte tijd televisiekijken. Dit veranderde in de loop van enkele decennia. Je kon steeds meer televisiekijken gericht op de eigen persoonlijke voorkeur. Als je het ene programma niet leuk vond, zapte je gewoon naar een ander. Naast de publieke zenders kwamen commerciële zenders, die als bijproduct reclame hadden. Vaak waren de films op de commerciële zenders veel boeiender. Dus men nam de reclame voor lief. De televisie was feitelijk een huisbioscoop geworden. Veel tv-programma’s bleken inhoudelijk van laag allooi te zijn. Dit werd in de loop van de tijd alleen maar erger. De inhoud van de tv-programma’s werd meer en meer afgestemd op de verdorven begeertes van het menselijke hart. In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw stelde drs. A. Knevel vast dat in veel tv-programma’s binnen een kwartier tijd al de Tien Geboden overtreden werden. 9 Het aanschouwen van de zonden via beelden oefende een verregaande invloed ten kwade op de kijkers uit, ook op kerkelijke kijkers. Niet voor niets werd de tv de motor, de aanjager, van de secularisatie genoemd.

5.2 Waarschuwende stemmen

In de beginjaren waren er nog maar enkele Nederlandse televisiepersoonlijkheden. Mies Bouwman (1929-heden) was zo iemand. Al vrij vroeg trad ook cabaretier Toon Hermans (1916-2000) op met zijn ‘Vader gaat op stap’ of ‘De duif is dood.’ Het publiek was toeschouwer en deed soms mee. De gewone man raadpleegde men nauwelijks. Na vijftig jaar televisie kregen de kijkers steeds meer te zeggen in allerlei praatprogramma’s en kregen luisteraars de mogelijkheid om in te bellen in radioprogramma’s.

Predikanten zagen tot hun verdriet dat hun kerkvolk zich van hen afkeerde en massaal aan de televisie hing. De dominees waarschuwden ertegen. Dr. C. Steenblok al in december 1951: “En zoals we veroordelen dat bijvoorbeeld toneel en bioscoop bezocht worden, zo moeten we ook tegen het gebruikmaken van televisie en radio zijn als gelegenheden tot ijdel vermaak en doorvloeien naar de wereld en als een weg om af te glijden van de zuivere waarheid die is naar de godzaligheid”, zo schreef hij in de Kerkbode van de Gereformeerde Gemeente te Gouda 10 . En de oudgereformeerde ds. J. van der Poel (1909-1981) drukte het kernachtig uit. Hij noemde de televisie naar zijn afkorting tv: “tot verschrikking, tot verdwazing en tot verdoemenis.” Ook ds. J. Pannekoek was helder. Ten aanzien van de oprukkende televisie merkte hij op: “O, we zien dat alle dammen en dijken doorbreken. We halen de schouwburg in huis. We kunnen dan de bede wel nalaten te bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking’, want we halen de verzoeking zelf in huis.” 11

De meer moderne predikanten waren vaak naïef; zij gebruikten de televisie als evangelisatiemiddel, bijvoorbeeld via de Evangelische Omroep. Voor sommige Christenen was het voorbeeld van de kerkelijke leiders helaas een reden om de kijkkast van de duivel aan te schaffen.

Inmiddels is de televisie in veruit de meeste Nederlandse gezinnen gemeengoed. De twee procent die geen televisie bezit, heeft de afgelopen jaren op een andere manier een ander soort kijkkast in huis gekregen, namelijk internet.

6.1 Het internet

In de jaren tachtig versnelde het tempo van allerlei uitvindingen op het gebied van media en telecommunicatie. De computer kwam in beeld. Eerst had je de typemachine, toen een typemachine met een schermpje, vervolgens een computer. Daarna een computer met internet. Internet 1.0, Internet 2.0, Internet 3.0 en inmiddels kennen we Internet 4.0 al. Nu is vooral het mobiele internet in opmars. Miljoenen Nederlanders bezitten een smartphone. Het ding ligt altijd binnen handbereik. Vijfentachtig procent van zijn bezitters checkt de smartphone de eerste vijftien minuten als ze uit bed komen. Slechts een zeer klein aantal doet dat om de Bijbeltekst van de dag te bekijken. De media zijn in de diepste vezels van ons bestaan gekropen. Artsen waarschuwen voor vervelende media-ongemakken zoals de ‘app-nek’, het ‘knipperoog’, de ‘muisarm’ en de ‘tikduim’. Ook de werking van onze hersenen wordt er dusdanig

Ook de werking van onze hersenen wordt er dusdanig door beïnvloed dat ons concentratie- en opneemvermogen afnemen, waardoor het geconcentreerd luisteren naar een preek of het studerend lezen van een goed boek moeilijker voor ons wordt. Ons denken wordt oppervlakkiger door het gebruik van internet. Het snel zoeken en lezen van informatie op internet slijt in tot een gewoonte die onze hersenen vormt. 12

Maar wat nog veel gevaarlijker is, door het mobiele internet ligt een beerput aan ongerechtigheid en indringende verleidingen voortdurend binnen ons handbereik (in mindere mate wanneer filtering wordt toegepast), en dat veelal zonder een wezenlijke sociale controle. Eerst kwam met internet de huisbioscoop in huis, nu hebben we deze ook al op zak. Geschat wordt dat ook in reformatorische kringen vijftig procent van de jongens en dertig procent van de meisjes regelmatig porno kijken. Daarbij spelen de smartphones een grote rol. 13 Tevens is het zeer te vrezen dat het voortdurend via beelden zien van een wereldse moraal en leefwijze, evenals destijds onder de kerkelijke tv-kijkers, ook onder ons een sterke motor en aanjager van de secularisatie en de wereldgelijkvormigheid zal blijken te zijn. Worden de tekenen daarvan al niet volop gezien?

6.2 Vluchtige (ego)helden

Sociale media, internet en mediahypes hebben iets extreem vluchtigs. Dat geldt ook voor de internethelden. Iedereen kan internetheld worden en viraal gaan. Zelfs een asociale plassende vrouw op de hoek van een straat wordt een wereldhit. Ook kennen we het fenomeen YouTube-helden zoals de Nederlander Enzo Knol (22 jaar), die elke dag twee video’s online zet, waarvan één over zijn dagelijks leven. Nu is hij een poosje een held, dan is weer een ander een poosje een held. Je moet vooral grappig, knap en excentriek zijn. Wie vandaag een ster is, is morgen een meteoriet. De individualisering is niet te stuiten.

Altijd en overal online verbonden met iedereen is - ook al blijkt het een rover van je tijd te zijn - het hoogste goed geworden.

En natuurlijk promoot je jezelf met de smartphone. Overal waar je komt, maak je een zelfportret. Dit ouder wets klinkende woord heb je uiteraard vervangen door het blitse ‘selfie.’ Het toppunt van egocentrisme. De hele wereld draait immers niet om de zon, maar om ‘jeselfie’. Juist datgene waar men ernstig tegen waarschuwde in de Middeleeuwen en in de (Nadere) Reformatie en ook in latere jaren, omhelzen wij. Ik is de moeder van alle afgoden. Zelfverheerlijking, zelfontplooiing, zelfsturend, zelfstandig, zelfscheppend, zelf, selfie, ik.

In het oude Griekenland van voor Christus’ geboorte leefde Narcissus, iemand die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld. Elke keer als hij voorbij water liep, moest hij naar zichzelf kijken, totdat hij uiteindelijk zo naar zichzelf keek dat hij verdronk. Toen ging het nog om één persoon, nu gaat het om een hele maatschappij. We leven in een narcistische maatschappij en we weten het, maar wat doen we er aan?

7.1 Voortsnellende techniek

Met internet hebben we de krant, de radio en de televisie ver achter ons gelaten. Het zijn overblijfselen uit een tijd toen men nog achter de geraniums zat. Nu is het internet, social media en alles wat op dat terrein thuishoort. Razende helden snellen met de techniek mee. Google is volop bezig zelfrijdende auto’s te testen en allerlei snufjes te ontwikkelen. Google Glasses, een intelligente met internet verbonden bril, mag dan mislukt zijn, binnenkort komt men ongetwijfeld weer met wat nieuws.

De nieuwste mediaontwikkelingen op het gebied van modern onderwijs zijn bijvoorbeeld de cognitoys. Robotdieren die overal antwoord op weten. Wat een kind maar vraagt, zoals: “Wat is de snelheid van licht?” en de cognitoy weet het antwoord. Of het Franse Ecole 42-project, een school zonder docenten en boeken met alleen computers. Velen in Nederland houden de ontwikkelingen niet meer bij en haken af. Carin Watson, director of Corporate Innovation SU Labs, zei het al: “You either be a disrupter or you are going to be disrupted!” (Je bent een verstoorder of je wordt verstoord!). En waar is de naastenliefde?

Overigens is de tegenbeweging al begonnen, ook onder seculiere mensen. Men probeert de individualisering te doorbreken door middel van groepsgesprekken, praatmorgens en groepsvakanties. Popfestijnen, voetbalwedstrijden dragen ook bij aan het wij-gevoel. Veel Nederlandse burgers willen dat scholen weer meer aandacht geven aan fatsoen en omgangsvormen. Er zijn zelfs seculiere onderzoekers die pleiten voor godsdienstonderwijs op alle scholen. Meer dan ooit zijn er kansen te grijpen of te verspelen.

Ook de kerken proberen de individualisering te doorbreken. Niet in de laatste plaats in onze eigen achterban. Het stimuleren van vrijwilligerswerk, het bijeenkomen van moeders om over de opvoeding te praten en met elkaar van gedachten te wisselen, zijn daar voorbeelden van. De kerk probeert hiermee tegenwicht te bieden tegen de heersende tijdgeest in.

7.2 Doch gij geheel hetzelfde!

Lange tijd heeft reformatorisch Nederland en zijn leidslieden de televisie en de radio uit de huiskamers weten te houden. Men hield afstand van tv-dominees en radiopredikanten. Inmiddels spreekt de internetpastor meer en meer reformatorische Christenen aan. Veel gemeenten in ons protestants geuzenland hebben een rechtstreekse preekuitzending. Velen kijken op hun vakantieadres naar prekende pastors bij gebrek aan levende bediening. Ds. A. Moerkerken (1947-heden) verwoordde het jaren geleden zo: “We lopen vijftig jaar achter.”

Inmiddels is de inhaalslag in volle gang. We leven niet in de wereld (eigen scholen, eigen kerken, eigen stichtingen en een eigen krant), maar we zijn wel van de wereld. Een Hoornbeeckstudent omschreef de mediacultuur in het gezin waaruit hij kwam, als volgt: “Eerst keken wij naar het programma ‘De rijdende rechter’, vervolgens keken mijn ouders mee en nu kijken we gezamenlijk naar de serie ‘Flikken Maastricht’.” Dit illustreert het bekende hellende vlak. Doch gij geheel hetzelfde!

Echter de wereld gaat voorbij met haar begeerlijkheid, ook de virtuele wereld, ook de digitale wereld. Het komt er maar op aan of we een Borg kennen voor onze (ook virtuele en digitale) schuld en een God voor ons hart. Dan zullen we ook de digitale zonden meer en meer leren haten en vlieden en de digitale verleidingen waar mogelijk willen mijden.

Liefde tot God en een aan de hand houden van de digitale zonden zijn twee dingen die niet tezamen kunnen gaan. Ds. A.T. Huijser wijst in zijn boek waarin hij de Tien Geboden voor de jongeren uitlegt, op de tekst: Indien dan uw rechteroog u ergert, trek het uit en werp het van u (Matth. 5:29). Hij schrijft (maar dat geldt ook voor de ouderen):

“Wat is er veel op gericht om onze lusten te prikkelen. Billboards, zomaar langs de weg. Advertentiekolommen in huis-aan-huis-bladen. Lectuur in de supermarkt of bij de tankstations. En niet te vergeten open internet. Zonder filter stel je je volledig bloot aan al de gevaren van pornografie, second love, en noem maar op. Dan zegt de Heere: ‘Indien uw rechteroog u ergert, trek hem uit.’ Dat is natuurlijk niet letterlijk bedoeld, maar figuurlijk. Het betekent dit: als je dingen in je bezit hebt die je oog naar de zonde kunnen trekken, en misschien is dat wel een onbeschermde toegang tot internet, dan zegt de Heere: Trek het uit! Breek ermee, stop ermee!” 14

Ten slotte

Ik wil het artikel beëindigen met het slotwoord uit een oudejaarspreek van omstreeks 1930 van ds. J.J. van den Berg, Nederlands Hervormd predikant te Sint-Johannesga.

“Welk een voorrecht is het, wanneer een mensenkind zijn zonde en ellende, zich als een goddeloze mag leren kennen, want dan is Christus Jezus hem tot een volkomen Borg en Middelaar. Die dit mag verstaan: Heere, wij vergaan door Uw toorn en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt, zich kennende als een kind des toorns, tot Christus wordt uitgedreven, Die de verzoening van de zonde Zijns volks heeft aangebracht – die geldt het: uw schuld is vergeven. Die heeft in Christus Jezus alles voor tijd en eeuwigheid, zodat niets hem kan scheiden van de liefde Gods, welke daar is in Christus Jezus onze Heere. Dat geldt voor de bekommerde van ziel, die klaagt: is het voor mij?

Aan die vervult de Heere de bede van Mozes; zulk een arme van geest is Hij tot een eeuwige woning, die draagt Hij in Zijn almachtige handen en zal hem brengen in het hemelse Kanaän. De wereld gaat voorbij met haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid (1 Joh. 2:17); dat is hem dan tot troost, bij alle vergankelijkheid van het vlees, ook bij zijn eigen dood, dat de eeuwige God hem een woning is, een toevlucht,

die Heere Die hem zal opnemen in het gebouw, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.” 15

Noten:

1) A. Jelsma, Het leven als Leerschool, preken van Bonifatius, Laren/Hilversum 2003, p. 60-61

2) Th. à Kempis, De navolging van Christus, Haarlem 1918, p. 4

3) M. Spranger, De geblanckette Izebel, Utrecht 1654, p. 15 (hierna: Spranger). Hiervan is een reprint verschenen bij de Landelijke Stichting (2009). 4) Spranger, p. 82

4) Spranger, p. 82 5) J. Borstius, De verborgenheid der Godzaligheid, Rijssen

5) J. Borstius, De verborgenheid der Godzaligheid, Rijssen z.j., p. 150

6) C.A. Lingbeek, Herinneringen uit den tijd der Doleantie, Leiden 1929, p. 23-24

7) Zie: ‘Vragen - Radio’, in: De Saambinder, 28 maart 1935 (herspeld)

8) Geciteerd bij: A.G. Knevel, De wereld in huis. Het Christelijk gezin en televisie, Kampen 1991, p. 13 9) W.M. Bakker, ‘Een voortdurende beeldenstroom’, in:

9) W.M. Bakker, ‘Een voortdurende beeldenstroom’, in: RD, 24 april 1998, p. 5

10) Zie: ‘Vragen’, in: Kerkbode van de gereformeerde gemeente te Gouda, 29 december 1951

11) J. Pannekoek, Derde achttal predikaties, Barneveld 1975, p. 151

12) Zie: ‘Wat doen de moderne media met ons brein? (2)’, in: De Saambinder, 6 november 2014

13) Zie ook: ‘Thema: Follow me (media-dwang) - Info 2’, Schildserie, uitgave Ds. G.H. Kerstencentrum 14) A.T. Huijser, In Uw spoor. De Tien Geboden uitgelegd

14) A.T. Huijser, In Uw spoor. De Tien Geboden uitgelegd aan jongeren, Houten 2015, p. 118

15) J.J. van den Berg, Oudejaars-Leerrede over Deuteronomium 33:27a, Sint-Johannesga 1930, p. 13-14

Fotoverantwoording:

a) By Frank Schulenburg 23:25, 5 July 2006 (UTC) (Own work) [CC BY 2.5], via Wikimedia Commons

b) Depositphotos

c) Depositphotos

d) Depositphotos

e) Depositphotos


Radiozendtijdverdeling

Ds. G.H. Kersten in de Tweede Kamer (28 mei 1930): “(…) De strijd moeten wij aanvaarden tegen ongeloof en bijgeloof en in de strijd offers brengen. Ik kan niet anders zien of ons volk moet ook offeren het genot van de radio. Niet de uitvinding veroordeel ik; die kan zeer nuttig zijn. Maar het gebruik brengt zulke gevaren [met zich] mee dat ik de radio uit onze gezinnen wens te weren. Met het oog op de roeping van de regering kan ik mij dan ook met de minister [mr. P.J. Reymer; red.] niet verenigen. Ik weet, Zijne Excellentie gaat in het spoor dat men allerwegen en niet het minst van Christelijke zijde krachtig verdedigt, namelijk ‘elk wat wils’. Wij hebben daarover in deze Kamer al eens ernstig gedebatteerd. Ik herinner slechts aan de besprekingen over de Dageraadskwestie. Toen is in en buiten deze Kamer door de heer minister Heemskerk [ARP] en de leden van de Eerste Kamer de heren Idenburg [ARP] en Slotemaker de Bruine [CHU] de vrijheid voor ieder bepleit niet alleen te geloven wat hij wil, maar ook zijn geloof, bij- en ongeloof te uiten. In die lijn ligt het om bij de radio elk wat te geven en dan de schijn van rechtvaardigheid te betrachten door zo billijk mogelijk te zijn. Naar mijn stellige overtuiging wordt hier echter wind gezaaid, en het kan niet uitblijven: wij zullen storm oogsten. Men geeft rome, men geeft de revolutie vrijheid hun denkbeelden ons volk in te prenten. Als zich de [staats]greep van Troelstra [SDAP] herhalen zal, zal men man en muis samenroepen om het land te redden. Maar men weigert te zien dat men zelf het volk in de richting heeft opgevoed die men later bestrijdt.

Mijnheer de Voorzitter! Ik mag niet van het gevaar zwijgen dat ik in de verdeling van de zendtijd door de minister zie. De regering zou wel doen zich te houden aan Gods Getuigenis en ons volk tot de grondslagen van de Hervorming terug te voeren.”

-Bron: ‘Radio-zendtijd. Rede ds. Kersten’, in: De Banier, 2 juni 1930 (herspeld)-

Uitbreiding van het bestuur

Tot onze blijdschap kunnen wij u mededelen dat we de heer A. Compagner uit Staphorst bereid hebben gevonden om toe te treden tot het bestuur van de Landelijke Stichting. Wij hopen dat zijn toetreding mag leiden tot een verlichting van de taak van andere bestuursleden. Mocht de Heere hem kracht en wijsheid geven bij de uitoefening van zijn bestuurstaken en, kon het zijn, zijn arbeid nog dienstbaar stellen tot een verdere verbreiding en meerdere erkenning van de staatkundig gereformeerde beginselen in den lande. De heer Compagner zal onder meer de administratie van het boekenfonds en de verwerking van de bestellingen onder zijn beheer krijgen. Wij danken de heer M. de Bruyn, die deze werkzaamheden jarenlang met grote inzet en accuratesse heeft uitgevoerd, en wensen hem toe dat het ten tijde des avonds licht zal mogen zijn.

Het bestuur

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 2016

In het spoor | 72 Pagina's

Van Boekdrukkunst tot Selfiestick

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 2016

In het spoor | 72 Pagina's