De Nieuwe SGP-Lijn Inzake Godsdienstvrijheid
Eind juni 2016 is het al vele jaren verwachte rapport van een door het SGP-hoofdbestuur geïnitieerde theocratiestudie verschenen met als titel: Gerechtigheid verhoogt een volk. Bijbels genormeerde politiek in een democratische rechtsstaat. Een paperback van 270 pagina’s onder redactie van drs. J.A. Schippers, de directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de SGP. Tussen de start van deze studie en dit resultaat ligt zo ongeveer zeven jaar.
Feitelijk bestaat dit werk uit een bundeling van artikelen of studies over het onderwerp ‘politiek bedrijven op basis van de Bijbel in een democratisch bestel’. Het is onderverdeeld in een staatsrechtelijk, historisch en Bijbels-theologisch deel. Ieder deel omvat een inleiding, vijf deelstudies en een reflectie. Deze vormen tezamen 21 hoofdstukken. Vooraf gaat een algemene inleiding en afgesloten wordt met een slothoofdstuk, waarin niet alleen het voorgaande wordt samengevat, maar waarin ook conclusies worden getrokken en aanbevelingen gedaan. Gezien de belangrijkheid van het onderwerp, een onderwerp dat de kern van het SGP-geluid raakt, is het de bedoeling om in dit blad meermalen aan deze bundel aandacht te schenken. In dit artikel zullen we ons voornamelijk beperken tot het laatste, het drieëntwintigste hoofdstuk, omdat alleen dat hoofdstuk onder de verantwoordelijkheid valt van het SGP-hoofdbestuur en in dat hoofdstuk eindconclusies worden getrokken en aanbevelingen gedaan.
Voorgaande hoofdstukken
Het is enerzijds gelukkig dat het SGP-hoofdbestuur alleen de verantwoordelijkheid wil dragen voor het laatste hoofdstuk, want in verscheidene voorgaande hoofdstukken worden uitspraken gedaan of visies gedeeld die niet als staatkundig gereformeerd aan te merken zijn. Dat is ook niet verwonderlijk als we weten dat een deel van de auteurs van deze bundel niet tot de SGP behoort. Het is wel vreemd dat in een SGP-studie over de kern van het SGP-geluid aan niet-SGP’ers een podium wordt verschaft om - openlijk dan wel tussen de regels door - hun afwijkende mening te ventileren, ook al wordt er vervolgens door een SGP’er (deels) op gereflecteerd.
Overigens zijn ook bij verscheidene hoofdstukken van SGP’ers in deze bundel op zijn minst vraagtekens te plaatsen als het gaat over het handhaven van het theocratisch beginsel. Wat te denken bijvoor- beeld van de uitspraak of conclusie van het duo prof. dr. H. van den Belt en prof. dr. W. van Vlastuin: “Het is onnodig en zelfs principieel verkeerd om de toepassingen die de reformatoren gemaakt hebben van het Bijbelse spreken over de overheid te kopiëren, en als tijdloze waarheden te verabsoluteren.” 1 Mede gezien de context waarin deze uitspraak wordt gedaan (de periode dat koningen voedsterheren van de kerk waren, is in West-Europa voorbij en van een Christelijke maatschappij is geen sprake meer), lijkt deze uitspraak bewust opening te willen geven aan de onbijbelse gedachte dat het door de overheid weren en uitroeien van afgoderij en valse godsdiensten uit het openbare leven - wat door de reformatoren als een belangrijke overheidstaak werd gezien -, in die tijd wel een juiste toepassing van het Bijbels spreken over de overheid is geweest, maar in onze geseculariseerde tijd is dit niet meer realistisch en onder andere daarom niet meer de juiste toepassing.
Gemakkelijk kan ook de uitspraak van dr. R. Bisschop “dat in de gereformeerde theocratie tolerantie niet is gebaseerd op concessie (of gedogen), maar consequentie is van haar confessie”. 2 verkeerd uitgelegd worden. Als deze uitgelegd wordt in de zin van dat er zich handhavingssituaties kunnen voordoen waarin de overheid niet direct in alle gestrengheid tot het wegdrukken van niet-gereformeerde godsdiensten uit het openbare leven moet of kan overgaan, maar tijdelijk in eerste instantie zich moet beperken tot het actief laten onderwijzen van dwalenden en onwetenden (door middel van gereformeerd schoolonderwijs en de gereformeerde prediking van Gods Woord), dan is er niets mis met deze uitspraak. Maar wel als hiermee het - vaak uit pragmatische overwegingen - slap handhaven van de plakkaten tegen niet-gereformeerde godsdiensten door de regenten in het verleden wordt verdedigd als een gereformeerde tolerantiepolitiek in de lijn van Calvijn en in de lijn van de Schrift. En juist dat wordt in deze bundel meer dan eens geprobeerd, waarbij grotendeels voorbijgegaan wordt aan het feit dat gereformeerde predikanten destijds de regenten vele malen indringend op grond van Gods Woord hebben vermaand tot zowel het uitvaardigen van strengere plakkaten tegen niet-gereformeerde godsdiensten als tot het strenger handhaven van bestaande plakkaten daartegen.
Dit brengt ons tegelijk bij een ernstig manco van deze nieuwe bundel van theocratische deelstudies, namelijk dat het gedachtegoed van de gereformeerde theologen uit de tijd van de Reformatie en Nadere Reformatie onvoldoende erbij betrokken, doordacht en erin verwerkt is. Behalve ds. Arnoldus Rotterdam worden hierin predikanten als Guido de Brès, Jean Taffin, Willem Teellinck, Maximiliaan Teellinck, Godefridus Udemans, Gisbertus Voetius, Franciscus Ridderus, Simon Oomius, Wilhelmus à Brakel en andere Godzalige theologen uit die tijd niet of nauwelijks aan het woord gelaten noch wordt hun visie meer dan oppervlakkig behandeld. De aandacht die aan de predikanten Johannes van den Honert en Johannes Barueth wordt geschonken, heft dit manco in ieder geval niet op. Deze omissie wreekt zich duidelijk in deze bundel. Het heeft kennelijk mede tot gevolg gehad een ‘goedpraten’ van de ruime tolerantiepolitiek van de regenten en een ‘goedpraten’ van een publieke vrijheid voor niet-gereformeerde godsdiensten die verder gaat dan alleen gewetensvrijheid.
De nieuwe lijn
Met de bekende slogan: ‘Geen godsdienstvrijheid, wel gewetensvrijheid’ werd treffend het gedachtegoed van de reformatoren en nadere reformatoren weergegeven en ook van de eerste voormannen van de SGP zoals ds. G.H. Kersten, ds. P. Zandt en ir. C.N. van Dis sr. In het laatste hoofdstuk van de nieuwe SGPbundel wordt deze heldere slogan echter ingewisseld voor een nieuwe omschrijving: Geen godsdienstgelijkheid, maar wel (tot op zekere hoogte) godsdienstvrijheid, waarvan dan gewetensvrijheid en belijdenisvrijheid de kern vormen.
Wat bedoelt men met deze termen? 3 Met gewetensvrijheid bedoelt men de vrijheid om in de privésfeer, in de huiselijke kring, de eigen godsdienst te belijden, te onderwijzen en te betrachten door middel van (gezamenlijke) huisgodsdienstoefeningen. Onder belijdenisvrijheid, ook wel vrijheid van eredienst genoemd, wordt verstaan de vrijheid om in het openbaar godsdienstoefeningen en andere kerkelijke samenkomsten te houden en die naar eigen geloofsopvattingen in te richten. Daarnaast spreekt men in dit verband ook nog van een ‘expressievrijheid’. Onder deze term verstaat het SGP-hoofdbestuur de vrijheid om het geloof in de samenleving uit te dragen (bijvoorbeeld te evangeliseren) en om in de maatschappij overeenkomstig de eigen geloofsovertuiging te leven. Deze drie vrijheden: gewetensvrijheid, belijdenisvrijheid en expressievrijheid vormen tezamen de godsdienstvrijheid, althans zoals deze gedefinieerd is in de nieuwe SGP-bundel.
En ten slotte nog ‘godsdienstgelijkheid’. Deze term duidt erop dat alle godsdiensten en levensbeschouwingen gelijk zouden zijn en daarom door de overheid volledig gelijk behandeld en berecht dienen te worden. Met andere woorden, de overheid moet in dezen volledig neutraal zijn. Zij mag zich niet aan enige godsdienst of godsdienstige opvatting verbinden als zijnde dé waarheid en die vervolgens bevoordelen. Een visie die vaak berust op de veronderstelling dat dé waarheid niet bestaat of door ons mensen c.q. de overheid niet met zekerheid gekend kan worden. Het moge duidelijk zijn dat het SGP-hoofdbestuur in de nieuw bundel zo ver beslist niet wil gaan. Het hoofdbestuur wil geen godsdienstgelijkheid, maar wil dat de overheid in positieve zin “kleur bekent” ten opzichte van de waarheid en heilzaamheid van de Christelijke godsdienst en daarom ook tot op zekere hoogte onderscheid maakt tussen de Christelijke godsdienst en de andere godsdiensten. Enerzijds door er zorg voor te dragen dat het Christendom voor de Evangelieverkondiging in openbare erediensten de ruimte krijgt en behoudt en anderzijds door tot op zekere hoogte nog bepaalde grenzen te stellen aan de godsdienstvrijheid van de niet-Christelijke godsdiensten. Deze mag niet oeverloos of grenzeloos zijn of worden. Wat houdt dit concreet in?
In de oude slogan ‘Geen godsdienstvrijheid, wel gewetensvrijheid’ werd onder het afwijzen van godsdienstvrijheid verstaan het voor niet-gereformeerde godsdiensten en levensbeschouwingen afwijzen van de publieke belijdenisvrijheid en expressievrijheid.
Niet-gereformeerden mochten geen samenkomsten en gebouwen voor het publiek uitoefenen van hun godsdienst hebben noch hun geloof publiek uitdragen. In de nieuwe SGP-lijn is deze zogenaamde negatieve taakopvatting van de overheid inzake de godsdienst echter in de praktijk gereduceerd tot slechts het weren van: al te massale samenkomsten, al te grote gebouwen (een moskee van een ‘normale’ omvang wel, maar geen megamoskee), het al te openlijk uitdragen van het niet-gereformeerde geloof (bijvoorbeeld een mohammedaanse oproep tot gebed vanaf een minaret) en van een haatprediking die de rust, orde en veiligheid in gevaar brengt. Daarom wil het SGPhoofdbestuur wel “dat SGP-vertegenwoordigers zich zullen verzetten tegen megamoskeeën, gebedsoproepen vanaf minaretten en dergelijke publieke manifestaties van deze antichristelijke religie”. 4 Maar niet langer - en dat is het grote verschil met voorheen - tegen met name een (zekere mate van) belijdenisvrijheid voor niet-gereformeerde godsdiensten. Die mogen voortaan hun eigen publieke erediensten en andere publieke samenkomsten hebben en hun eigen (kerk)gebouwen en afgodstempels, mits deze maar niet al te massaal, niet al te groot en niet al te beeldbepalend worden en men niet al te zeer de vrede, rust en orde in de samenleving ondermijnt of de Evangelieverkondiging belemmert. Deze nieuwe SGP-lijn betekent in de praktijk bijvoorbeeld dat bij het beoordelen van een bestemmingsplanaanpassing voor de bouw of verbouw van een moskee, een boeddhistische tempel of een hindoetempel SGP-vertegenwoordigers voortaan dienen mee te laten wegen “dat een gemeenschap van (…) moslims, boeddhisten of hindoes een ruimte nodig heeft om een samenkomst te kunnen houden”. 5
Waarom belijdenisvrijheid toestaan?
Het SGP-hoofdbestuur meent aan niet-gereformeerden die (zekere mate van) belijdenisvrijheid te moeten toestaan, omdat die onlosmakelijk verbonden zou zijn aan echte gewetensvrijheid. “Anders zou” de gewetensvrijheid “in de praktijk geen inhoud of betekenis hebben”, zo stelt men. 6
Verder meent men dat die (zekere mate van) belijdenisvrijheid past binnen een gereformeerde tolerantiepolitiek, waarbij men kennelijk de regentenpolitiek uit het verleden als voornaamste uitgangspunt en ijkpunt neemt en niet de Schrift en wat gereformeerde theologen aan de hand van de Schrift daarover in het verleden geschreven hebben.
En ten slotte meent men voor de nieuwe lijn een argument te kunnen vinden in de stelling dat de overheid geen absolute macht over haar onderdanen toekomt. 7 Dat moge waar zijn, maar Gods geboden, die de overheid dient te handhaven, zijn wel absoluut en komen die absolute macht wel toe.
In strijd met Schrift en Belijdenis
Het kost weinig moeite om aan te tonen dat het toestaan van een publieke belijdenisvrijheid aan nietgereformeerde godsdiensten in flagrante strijd is met de Schrift. Werden de Godzalige koningen van Juda geprezen omdat zij de afgodstempels lieten staan en de hoogten intact hielden? Nee, integendeel, zij werden uitdrukkelijk geprezen als zij de afgodstempels afbraken, de hoogten ontmantelden en de door God voorgeschreven tempeldienst herstelden. Dan deden zij wat ‘recht’ was in de ogen des HEEREN. En was het toen recht en billijk, dan nu nog. De Heere verandert niet!
Gods Wet is universeel voor alle plaatsen en tijden en geldt daarom onverkort ook voor de overheid in 2016. Het eerste gebod van Gods Wet luidt: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. En het tweede gebod: Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden. Komt het publiek toestaan van afgodstempels en de daaraan verbonden publieke uitoefening van afgoderij en valse godsdiensten hiermee overeen? Nee, het is er geheel mee in strijd (zie bijvoorbeeld: 1 Kon. 15:26, 30 en 34)!
Het staat ook zonder meer vast dat onze gereformeerde vaderen met de bekende clausule uit artikel 36 NGB over het weren en uitroeien van afgoderij en valse godsdiensten onder andere bedoeld hebben te zeggen dat aan niet-gereformeerden zoals roomsen, socinianen en remonstranten, de publieke belijdenisvrijheid dient onthouden te worden. Met die nu aan niet-gereformeerden wel toe te staan handelt het SGP-hoofdbestuur geheel in strijd met het eigen beginselprogram waarin “de handhaving van het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis” is vastgelegd en wordt bepleit (artikel 1).
Met de nieuwe lijn heeft het SGP-hoofdbestuur feitelijk de bekende 21 woorden voor de praktijk grotendeels geschrapt en daarmee in de praktijk - na bijna 100 jaar - alsnog voor het standpunt van dr. Abr. Kuyper en zijn neogereformeerde broeders gekozen.
Het reformatorische spoor verlaten
Gereformeerde theologen uit de tijd van de Reformatie en Nadere Reformatie hebben op grond van Gods Woord en Wet vele malen bij de regenten aangedrongen op het in de praktijk consequenter, effectiever en strenger onthouden van publieke belijdenisvrijheid aan niet-gereformeerde godsdiensten. De boekjes Een grondig bewijs dat het een Christelijke overheid ongeoorloofd is om in plaatsen waarover zij heerschappij heeft, de roomse superstities en afgoderijen toe te laten van ds. Maximiliaan Teellinck (waarvan het eerste gedeelte elders in dit nummer is afgedrukt) en Theologico-Politica Dissertatio van ds. Simon Oomius (reprint 1 van de Landelijke Stichting) vormen heldere voorbeelden daarvan. Met het toestaan van publieke belijdenisvrijheid aan niet-gereformeerden verlaat het SGP-hoofdbestuur dit spoor en schurkt het feitelijk tegen de visie van de spiritualist Dirk Volckertsz. Coornhert (1522-1590) en die van de latere remonstranten aan. Door hen werd namelijk op religieuze gronden tolerantie bepleit en gesteld dat de uiterlijke oefening van zijn of haar godsdienst nog tot de gewetensvrijheid behoorde, of anders gezegd, daar een onderdeel van was.
Door de contraremonstranten, bijvoorbeeld door de contraremonstrantse predikant Henricus Arnoldi (1575-1637) in zijn werk Van de consciëntiedwang (1629), werd daartegen ingebracht dat het “de plicht van de overheid” was “om de onderdanen tegen leugen en verleiding te beschermen, het Woord Gods zuiver te houden en alle afgoderij te weren”. En verder dat “de uiterlijke godsdienst van de sekten verbieden, geen gewetensdwang betekent, want alleen God heeft macht over de consciëntie en de overheid verbiedt slechts de uitoefening”, zo lezen we in de SGP-brochure Gewetensvrijheid uit 1994. 8
Het SGP-hoofdbestuur heeft dus met het toestaan dat ook niet-gereformeerden hun publieke godsdienstige samenkomsten en gebouwen mogen hebben voor het uitoefenen van hun godsdienst, de kant van de remonstranten gekozen.
Willekeur en verdere afglijding
De oude slogan gaf vrij duidelijk een principiële en praktische grens aan tussen wat toegestaan was en wat niet. Private of huiselijke godsdienstoefeningen van niet-gereformeerde godsdiensten waren toegestaan, publieke niet. Het in de huiselijke kring van het gezin uitdragen van een niet-gereformeerde godsdienst was toegestaan, het publiek uitdragen niet.
Maar zo duidelijk in dezen de oude slogan was, zo onduidelijk is de nieuwe. Met de nieuwe SGP-lijn heeft het SGP-hoofdbestuur feitelijk geen been meer om op te staan om een duidelijke principiële en praktische grens te trekken. Want waarom zou een moskee van een ‘normale’ omvang wel mogen en een megamoskee niet? En waarom zou het verbreiden van het mohammedaanse geloof in een moskee wel mogen en een gebedsoproep vanaf een minaret niet? Het SGP-hoofdbestuur trekt zelf ook geen duidelijke grens. Het zegt alleen in het algemeen dat de grens tussen wat nog wel van niet-Christelijke godsdiensten publiek getolereerd mag worden en wat niet meer, ergens ligt tussen gewetensvrijheid enerzijds en volledige gelijkberechting of gelijkschakeling van alle godsdiensten anderzijds. In welke mate tolerantie geoorloofd is, acht het hoofdbestuur afhankelijk te zijn van de (plaatselijke) situatie. 9
Tegen de oude slogan voerde het SGP-hoofdbestuur - ten onrechte - als bezwaar aan dat de grens tussen gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid in de praktijk moeilijk te trekken was. Bij de nieuwe SGP-lijn is het echter nog veel lastiger - zo niet onmogelijk - om een duidelijke grens te trekken. Dit werkt willekeur op grond van eigen interpretatie in de hand. Naar verwachting zal het droevige gevolg hiervan zijn dat zelfs de nog overgebleven summiere inperkingen van de belijdenis- en expressievrijheid van niet-Christelijke godsdiensten in de praktijk door SGP-vertegenwoordigers niet krachtig noch eenduidig uitgedragen zullen worden. En dit zal er waarschijnlijk in uitmonden dat het nieuwe SGP-geluid op dit punt in de praktijk nog nauwelijks zal verschillen van de geestelijke vrijheidspolitiek van de CU en het CDA. Maar wat voor bestaansrecht heeft de SGP dan nog?
Ook de positieve taakopvatting lijkt gereduceerd
Behalve een reductie van de negatieve taakuitvoering van de overheid (het weren en uitroeien van de afgoderij en valse godsdiensten) lijkt het SGP-hoofdbestuur ook de positieve taakuitvoering ten aanzien van de gereformeerde godsdienst gereduceerd te hebben. Artikel 36 NGB noemt namelijk als positieve overheidstaak in dit verband: ‘het woord des Evangelies overal te doen prediken’. Hierover zegt echter het SGP-hoofdbestuur in het laatste hoofdstuk van de nieuwe bundel niet veel meer dan dit: “Verder blijft de opdracht [van de overheid] onverminderd staan om de Woordverkondiging in openbare erediensten te beschermen en ruimte te geven aan mensen die God naar Zijn Woord willen dienen, hun kinderen een Christelijke opvoeding geven en verlangen om Christus na te volgen in heel hun leven.” 10 Als het gaat over prediking en onderwijs dan houdt echter ‘het woord des Evangelies overal te doen prediken’ nogal wat meer in dan alleen het ‘beschermen van’ en ‘ruimte geven aan’ de gereformeerde prediking en het gereformeerde onderwijs. Zo dient de overheid bijvoorbeeld ook actief en specifiek gereformeerde scholen, gereformeerde theologische universiteiten en gereformeerde evangelisatieposten te financieren, zich actief in te zetten voor het verspreiden van Bijbels en gereformeerde lectuur onder haar onderdanen en actief eraan mee te werken dat daar waar de gereformeerde prediking weg is, er naar wegen gezocht wordt om die terug te laten keren. Een en ander kan nu gezien de huidige secularisatie onder overheden en onderdanen als een utopie in de oren klinken, niettemin is en blijft het wel de plicht van de overheden. Hopelijk heeft het SGP-hoofdbestuur deze aspecten in het laatste hoofdstuk van de nieuwe SGP-bundel niet bewust onderbelicht.
Een beroep op godsdienstvrijheid
“De gewetensvrijheid, de belijdenisvrijheid en de vrijheid om het geloof in de samenleving uit te dragen” maken in Nederland tezamen deel uit van “het grondwettelijke recht op godsdienstvrijheid”. Volgens het SGP-hoofdbestuur mogen we “niet over het hoofd zien dat dit grondrecht belangrijke rechten en waarborgen bevat tegen overheidsinmenging in de kerk of te ver reikende overheidsinmenging in gezinnen, scholen of verenigingen.” Vrijheidsrechten, waaronder de godsdienstvrijheid, fungeren immers “in de context van de hedendaagse westerse samenleving” steeds meer “als een beschermend schild tegenover een seculiere en soms vergaande overheidsbemoeienis. Verder zijn de burgerlijke vrijheden een belangrijke basis voor de vrijheid van Christenen in landen waar zij vervolgd worden. Deze factoren verklaren en rechtvaardigen”, zo concludeert het SGP-hoofdbestuur aansluitend, “een positiever spreken over de constitutionele godsdienstvrijheid dan de SGP in het verleden heeft gedaan”. 11
Deze lijn werd helaas door de SGP-fractie in de Tweede Kamer en door diverse andere SGP-fracties al jaren gevolgd. Nieuw is echter dat het SGP-hoofdbestuur dit nu openlijk fiatteert. Onbegrijpelijk, want het grondwettelijke recht op godsdienstvrijheid miskent het alleenrecht van God, de allerhoogste Schepper, Onderhouder en Regeerder, om alleen gediend, gevreesd en geëerd te worden. Het zet de ware God op één lijn met de afgoden door aan de ware godsdienst en de valse godsdiensten dezelfde rechten toe te kennen. Dit schendt Gods eer. Daarom hebben onze gereformeerde vaderen - zelfs tijdens de bloedigste vervolgingen! - en ook de eerste SGP-voormannen - ondanks alle tegenkanting en spot van onder meer de neogereformeerden! - onverkort eraan vastgehouden dat de overheid alleen belijdenisvrijheid dient te verlenen aan de gereformeerde kerken van de Reformatie of, zoals we het nu zouden formuleren, aan de kerken die de Drie Formulieren van Enigheid exclusief ten grondslag hebben.
Wie dus, zoals het SGP-hoofdbestuur nu doet, het grondwettelijk recht van godsdienstvrijheid positief erkent om zich zo tegen (toekomstige) seculiere onverdraagzaamheid, bemoeizucht of vervolging te beschermen, maakt onmiskenbaar gebruik van een zondig middel om een goed doel te bereiken, wat door de Schrift duidelijk wordt veroordeeld (Rom. 3:8).
Het enige geoorloofde beroep op het recht van godsdienstvrijheid alsook op dat van onderwijsvrijheid is een beroep in negatieve zin, namelijk door de tegenstander tegemoet te voeren: ‘Wij belijden het alleenrecht des Heeren, maar u staat godsdienstvrijheid en onderwijsvrijheid voor. Daarom handelt u in strijd met uw uitgangspunten als u ons eigen kerken of eigen scholen onthoudt.’
De eis des Heeren
Dat de Heere het alleenrecht toekomt op alle terreinen van het leven en daarom ook op het terrein van het staatkundige leven, is geen vrijblijvende zaak. De Heere eist het alleenrecht op in Zijn Wet: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. En gij zult u voor gesneden beelden noch voor een gelijkenis van hetgeen in de hemel, onder op de aarde of in de wateren onder de aarde is, niet buigen, noch hen dienen, want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God. Geen mens heeft dus het recht om Hem niet te dienen, niet te vrezen en niet te eren, zo ook geen overheid. In de voorgaande hoofdstukken, maar ook in het laatste hoofdstuk van de nieuwe SGP-bundel komt dit onvoldoende helder uit de verf. Onvoldoende wordt helder gemaakt dat de Heere van iedere overheid het betrachten en handhaven van Zijn geboden en inzettingen eist.
Helaas wordt ook het ‘zo zegt de Heere’ in het geluid dat heden ten dage de SGP-Tweede Kamerfractie in de politieke praktijk te berde brengt, maar al te zeer gemist. Het is niet genoeg om alleen maar op het heilzame van Gods geboden en inzettingen te wijzen. Het is niet genoeg om, zoals het SGP-hoofdbestuur het uitdrukt, “vanuit een gegronde hoop” op het toekomende leven “overheden, bestuurders en volksvertegenwoordigers” aan te spreken “op de erkenning van Gods gezag” en “in het publieke domein van de samenleving te getuigen van de leiding en voorzienigheid van God aan Wie iedere overheid haar volmacht ontleent.” 12 Nee, daarbij dient ook ge-noemd te worden dat de Heere gehoorzaamheid aan Zijn Wet eist en dat rechtmatig. En wanneer een regering of college daarvan afwijkt, behoort zij door de kerk, maar ook door de SGP-vertegenwoordigers in alle bescheidenheid, maar wel indringend teruggeroepen te worden tot de Wet en tot de Getuigenis, zoals ook de eerste SGP-voormannen ds. G.H. Kersten, ds. P. Zandt en ir. C.N. van Dis sr. dit zo vaak hebben gedaan. Daar ging nog kracht vanuit!
Dit in tegenstelling tot het slappe geluid van de antirevolutionairen destijds die in beginselzaken compromis op compromis sloten doordat ze het ‘haalbare’ of de draagkracht van het volk tot uitgangspunt namen. Daarbij werd dan Mozes’ scheidbrief als haarlemmerolie gebruikt om die compromissen in beginselzaken met de Bijbel goed te praten. Helaas is ook het laatste hoofdstuk van de nieuwe SGP-studiebundel hier niet vrij van. 13 Men lijkt onvoldoende rekening te houden met Christus’ woorden: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van den beginne is het alzo niet geweest. Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel; en die de verlatene trouwt, doet ook overspel (Matth. 19:8-9).
Tevens doet de volgende opmerking van het SGPhoofdbestuur slap aan: “In lijn met het reformatorisch denken over de staatkunde bepleit de SGP geen letterlijke opneming van de Tien Geboden in de wetgeving. Wel moet de overheid zich serieus inspannen om de waarden en normen van de Tien Geboden te vertalen in passende wetgeving en goed beleid.” 14 De overheid moet zich niet alleen “serieus inspannen”, maar heeft zelfs de dure plicht om de wetgeving te laten voldoen aan Gods geopenbaarde wil, die absoluut is en door Hem onder meer tot uitdrukking is gebracht in de Tien Geboden.
Gode meer gehoorzaam
Lokale politici kunnen geconfronteerd worden met een voorstel tot bestemmingsplanaanpassing voor de (ver)bouw van een moskee of van een ander religieus gebouw, bestemd voor de publieke uitoefening van een niet-gereformeerde godsdienst. Omdat zij bij de aanvaarding van hun politiek ambt met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’ in de eerste plaats aan God trouw gezworen hebben, zullen zij dat het zwaarst moeten laten wegen en daarom tegen zo’n voorstel moeten stemmen, ook al laten de landelijke wetten het ‘in strijd zijn met Gods Woord en Wet’ als argument niet toe. In dergelijke gevallen dient men Gode meer gehoorzaam te zijn dan den mensen (Hand. 5:29b). Het is immers: vreest God; eert den koning (1 Petr. 2:17b), in die volgorde, gelijk ook de koning Sálomo zegt: vrees den HEERE en den koning (Spr. 24:21m). En: Neem acht op den mond des konings, doch naar de gelegenheid van den eed Gods (Pred. 8:2). “Dat is”, zo zeggen de kanttekenaren, “gehoorzaam alzo den koning of de overheid, dat gij middelerwijl niet verlaat of vergeet den schuldigen plicht en eed, waarmede gij allereerst aan God verbonden zijt” (kanttekening 7).
Het SGP-hoofdbestuur adviseert echter in de nieuwe bundel bij zo’n kwestie de omgekeerde volgorde aan te houden. Volgens het hoofdbestuur hebben lokale politici bij de aanvaarding van hum ambt in de eerste plaats trouw gezworen aan de Grondwet en de wetten van het land. Dit schrijft het hoofdbestuur niet helemaal letterlijk, maar daar komt het feitelijk wel op neer als het vervolgens stelt dat andere argumenten of bezwaren dan die voortvloeien uit de Grondwet of uit de wetten van het land, “ook al hebben” ze “vanuit de politieke visie grotere relevantie”, pas “op de tweede plaats” mogen “meespelen”. 15 Indien er buiten Gods Woord en Wet geen argumenten zijn om een moskee tegen te houden, zouden lokale politici daarom vóór de (ver)bouw van een moskee moeten stemmen. Het hoofdbestuur dringt er dan wel op aan om vooraf een stemverklaring tegen de (ver)bouw van een moskee af te leggen. Alleen bij “een diepe gewetensnood” van een SGP-vertegenwoordiger laat het hoofdbestuur nog wel de mogelijkheid van een tegenstem open.
Hoewel we zeker niet licht over de gezworen trouw aan ’s lands wetten mogen denken en ook aan de inhoud van de afgelegde eed niet zomaar een eigen interpretatie mogen geven, dient evenwel de gezworen trouw aan God en Zijn eer bij ons op de eerste plaats te staan. De aangehaalde Bijbelteksten zijn daar duidelijk over. De Heere eist van SGP-vertegenwoordigers niet slechts een halve gehoorzaamheid aan Zijn Wet, te weten alleen als privépersoon, maar een hele gehoorzaamheid. Dus ook in hun bestuurlijk en ambtelijk handelen. Bij strijdigheid van ’s lands wetten met Gods Wet, dienen zij daarom ’s landswetten niet boven Gods Wet te plaatsen. “Hoe zou hij”, zegt ds. M. Henry, “trouw kunnen zijn aan zijn vorst, die ontrouw is aan zijn God? En als dezen in mededinging komen met elkander, dan is het een uitgemaakte zaak: wij moeten Gode meer gehoorzamen dan de mensen”! 16
Ten besluite
Het is bijzonder droevig om te moeten concluderen dat het SGP-hoofdbestuur op een zeer wezenlijk punt het Bijbelse spoor verlaten heeft door aan nietgereformeerden het houden van publieke samenkomsten en het hebben van publieke gebouwen toe te staan. En ook door in de praktijk een beroep op het grondwettelijk recht van godsdienstvrijheid positief te erkennen. Daarmee wijkt het hoofbestuur tevens af van hetgeen de reformatoren en nadere reformatoren en ook de eerste SGP-voormannen op dit punt hebben voorgestaan, zoals na te lezen is in de heldere - door de Landelijke Stichting heruitgegeven - brochure De godsdienstvrijheid veroordeeld.
De verminking van artikel 36 NGB en de daaruit voortvloeiende schending van Gods eer in de vorm van publieke godsdienstvrijheid voor alle gezindten is destijds nota bene één van de voornaamste redenen geweest om naast de ARP en de CHU de SGP op te richten. Een andere voorname reden was de beginselloze compromispolitiek van die partijen, onder andere ten aanzien van het vrouwenkiesrecht. Ook daaraan maakt de SGP zich helaas schuldig. De eerlijkheid gebiedt dan ook te zeggen dat er nu, bijna 100 jaar later, bestaansrecht is voor een voluit gereformeerde partij naast de SGP. Doordat de SGP niet langer exclusief voor het alleenrecht des Heeren opkomt, gaat van het spreken van de SGP geen kracht meer uit en kan zij niet langer nog een wezenlijk gereformeerde partij genoemd worden.
Het is overigens vreemd en ook niet juist en niet verstandig te achten dat het SGP-hoofdbestuur voor zo’n wezenlijke koersverandering die het bestaansrecht van de SGP aangaat, niet vooraf een huishoudelijke vergadering heeft belegd, zodat de partij zich daarover had kunnen uitspreken. Maar… dit kan alsnog! Daarom willen we vanaf deze plaats het SGP-hoofdbestuur en alle andere SGP’ers toeroepen: keer weder! Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
Wij willen dit artikel beëindigen met het aanhalen van enkele woorden die de SGP-voormannen ds. G.H. Kersten, ds. P. Zandt en ir. C.N. van Dis sr. schreven tegen prof. dr. H. Visscher (1864-1947), die destijds ook voor publieke godsdienstvrijheid streed. Zij schreven:
“Wij (…) kunnen (…) onmogelijk het beginsel van godsdienstvrijheid aanvaarden dat door prof. Visscher geproclameerd wordt. Niet alleen als staat en maatschappij in het geding komen zoals prof. Visscher het stelt, maar uit gehoorzaamheid aan Gods Wet is de overheid verplicht valse godsdiensten tegen te gaan en uit te roeien en de ware gereformeerde religie en die alleen volle vrijheid te geven en haar - daar de overheden behoren te zijn voedsterheren en zoogvrouwen van Gods kerk (Jes. 49:23) - te beschermen en te verzorgen. Het zal ieder duidelijk en helder zijn dat de handhaving van Gods Wet godsdienstvrijheid uitsluit. (…)
Ten slotte willen wij er nog op wijzen dat onze vaderen het weren en uitroeien van valse godsdiensten niet in strijd achtten met de vrijheid van con-sciëntie. De neogereformeerden doen dat wel. (…) Maar de hervormers maakten wel degelijk onderscheid tussen vrijheid van consciëntie en vrijheid van beweging. Voetius wil wel vrijheid van consciëntie, maar geen vrijheid van beweging toestaan aan rome en aan andere valse godsdiensten (…). Voor vrijheid van consciëntie hebben de hervormers het steeds opgenomen. Zij wilden van inquisitie en foltertuig niets weten. Maar zij bleven bij de eis dat de overheid krachtens Gods Wet alleen de zuivere religie mag toestaan.” 17
Noten:
1) J.A. Schippers, Gerechtigheid verhoogt een volk. Bijbels genormeerde politiek in een democratische rechtsstaat, Apeldoorn 2016, p. 225 (hierna: Gerechtigheid verhoogt een volk)
2) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 122
3) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 75-76
4) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 249
5) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 253
6) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 246
7) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 251-252
8) G. Holdijk e.a., Gewetensvrijheid. Bijbels en staatkundiggereformeerd aspect van een grondrecht, Houten 1994, p. 28
9) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 238, 252
10) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 252
11) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 247-248
12) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 234
13) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 238
14) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 238-239
15) Gerechtigheid verhoogt een volk, p. 253
16) M. Henry, Verklaring van het Oude Testament, dl. 4, Kampen 1995, p. 761
17) G.H. Kersten, P. Zandt en C.N. van Dis sr., De godsdienstvrijheid veroordeeld, 2012, p. 53, 55-56
Fotoverantwoording:
a) Depositphotos
b) Door http://www.flickr.com/photos/minister-president - CC BY 2.0 via Wikimedia Commons
Bestel nu de nieuwe zakagenda voor 2017
Op het moment dat u dit nummer ontvangt, heeft u mogelijk reeds onze nieuwe zakagenda voor het komende jaar ontvangen of u ontvangt deze naar we verwachten Deo volente volgende week. Zoals ook voorgaande jaren krijgen alle abonnees één exemplaar van deze handige en mooie zakagenda gratis! Veel abonnees waarderen het zeer dat de Landelijke Stichting jaarlijks deze zakagenda verzorgt, zo is ons uit reacties gebleken. Vorig jaar is via de bijgesloten acceptgiro waarmee een gift voor het werk van de Landelijke Stichting kon worden overgemaakt, ruim voldoende geld binnengekomen om de kosten van de zakagenda te dekken. Daardoor kon tevens een gedeelte van de inkomsten besteed worden aan de exploitatie van ons blad In het spoor. Het bestuur waardeert dit uiteraard zeer en wil eenieder voor zijn of haar gift dan ook (nogmaals) hartelijk bedanken.
De zakagenda heeft een afmeting van 9 bij 14 cm, is stevig ingebonden, heeft een eigentijdse omslag en is voorzien van een leeslint. Iedere week, die twee pagina’s beslaat, begint met de zondag! En voor iedere week is een spreuk of gedicht opgenomen die het overdenken meer dan waard is. Verder zijn er vanzelf ook pagina’s gereserveerd om uw eigen gegevens en telefoonnummers te noteren en om notities te maken. Al twee jaar kwamen we in december agenda’s tekort. Daarom hebben we dit jaar de oplage verhoogd. Dit jaar is er daarom ruimschoots de mogelijkheid om extra exemplaren (erbij) te bestellen. Bijvoorbeeld voor uw gezinsleden, vrienden, personeel of collega’s! De kosten van één of meer extra exemplaren bedragen € 4,50 per agenda en eenmalig € 1,50 aan verzendkosten. Ook niet-abonnees mogen overigens bestellen, alsmede bedrijven, instellingen, verenigingen en stichtingen. Bij grote aantallen (5 of meer) is korting mogelijk. Voor het plaatsen van bestellingen kunt u mailen naar: inhetspoor@kliksafe.nl of bellen naar: 06 - 22626140 / 0416 - 693844. Graag duidelijk opgeven hoeveel exemplaren u extra wilt ontvangen. Eventueel kunt u ook rechtstreeks bestellen en betalen via onze webshop. Ga daarvoor naar: www.inhetspoor.nl.
Ten slotte hebben we nog een verzoek aan u als lezer. Op dit moment hebben we de actie dat allen die zich nu op In het spoor abonneren (slechts € 7,- per jaar), eveneens een gratis zakagenda toegezonden krijgen. Het zou mooi zijn als u hieraan in uw familie- en kennissenkring bekendheid zou geven, in de hoop dat de toenemende stijging van het aantal abonnees in de afgelopen jaren zich mag voortzetten.
Het bestuur
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2016
In het spoor | 68 Pagina's