Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. Jacobus Hondius’ Zwarte Overheidszonden -1-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ds. Jacobus Hondius’ Zwarte Overheidszonden -1-

24 minuten leestijd

In zijn Swart register van duysent Sonden (1679) brengt ds. Jacobus Hondius (1629-1691) ook de zonden van de overheid ter sprake. Hij signaleert en beklaagt er maar liefst zestig (nr. 496-555). Het blijkt dat ds. Hondius in dit werk geen stand oversloeg en spaarde, ook de overheid niet. Procentueel gezien vormen de zonden van de overheid echter niet de meerderheid in dit werk, want zestig van de duizend is zes procent. Met dit register van zonden wil ds. Hondius enerzijds de verkeerde wantoestanden en praktijken ontdekken en aan de orde stellen en anderzijds ertoe opwekken dat die wantoestanden en praktijken verbeterd worden. Hetzelfde tweeledige doel heeft ook dit artikel.

Uit de titel van ds. Jacobus Hondius’ werk: Swart register van duysent Sonden, Dienende tot ontdeckinge ende opweckinge van den vervallen yver en Godvruchtigheydt der hedendaeghsche genaemde Ledematen in de Gereformeerde Christelijcke Gemeynten van Nederlandt, blijken reeds die twee functies van het zonderegister: het heeft voor lidmaten van de gereformeerde Christelijke gemeenten in Nederland een ontdekkende functie en het wil tegelijk ook opwekken tot ijver en Godsvrucht.

In zijn voorrede of ‘aanspraak tot de lezer’ gaat ds. Hondius hier verder op in. Zo is het volgens hem niet genoeg om maar in het algemeen te weten dat men zich voor de zonde moet wachten, maar men moet ook in het bijzonder weten wat als zonde te achten is. Volgens ds. Hondius is het zo dat wie persoonlijk die kennis van deze of gene zonde niet heeft, die zal van die zonde ook geen berouw of geen afkeer hebben. Het zonderegister moet dus enerzijds leiden tot kennis van de zonden en anderzijds tot een afkeer daarvan en tot verontrusting en droefheid daarover. Niet een droefheid der wereld, maar een droefheid naar God die werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid (2 Kor. 7:10m). Ten slotte heeft het zonderegister feitelijk nog een derde functie, want uit de voorgestelde zonden die vermeden moeten worden, kan men ook leren kennen de tegenovergestelde deugden die men moet doen.

Ik wil in enkele afleveringen een deel van de overheidszonden die ds. Hondius signaleerde, weergeven en bespreken. Uiteraard met toepassing op onze huidige politieke en maatschappelijke context. Niet allemaal zijn ze nog relevant. Sommige zijn namelijk specifiek voor de zeventiende-eeuwse Nederlandse context. Maar de meeste blijven actueel, omdat de geboden van God alsook de zonden daartegen van alle tijden en plaatsen zijn.

Vooraf geef ik nog een korte introductie van het leven en werk van ds. Jacobus Hondius, daar niet iedere In het spoor-lezer daarmee bekend zal zijn (1). Vervolgens bespreek ik aan de hand van zijn Swart register van duysent Sonden negen overheidszonden (2). En ten slotte volgt nog een uitleiding tot besluit (3).

1. Het leven en werk van ds. Hondius

Jacobus Hondius werd gedoopt in Schagen op 16 september 1629. 1 Hij was een zoon van de predikant Ludovicus Hondius en Cathalina Heyndricx de Bondt. Hij studeerde in Utrecht en was daarna predikant in Den Helder (1653) en Hoorn (1661). Tweemaal is hij getrouwd geweest. De eerste keer met Maria Puppius, een dochter van de Hoornse predikant Gerhardus Puppius, en de tweede keer met Annetje Jongemaats. Hoewel uit de studietijd van Hondius een filosofische disputatie bekend is, werden er pas geschriften van hem gepubliceerd toen hij al geruime tijd in Hoorn stond.

Het eerste was een catechetisch geschrift: Het licht schijnende in de duysternisse, ofte de heylige en salighmakende kennisse der heyliger Schrifture, gepubliceerd in 1676. In 1679 kwamen er twee geschriften van hem uit. Het ene leerstellig: Eusebius en Timotheus, dat is, een Christlijke conferentie over de grond der saligheyt. Het andere het al genoemde zondenregister: Swart register van duysent Sonden. In 1685 kwam nog uit: Wit register van veelerley vertroostingen en raadgevingen. En na zijn dood in 1692 een prekenbundel, getiteld: Een waar Christen, ofte, de voornaamste hoedanigheden van het waare Christendom. De werken van ds. Hondius passen inhoudelijk binnen de Nadere Reformatie. Het Swart register zou zelfs opgevat kunnen worden als een reformatieprogramma.

2. De zonden van de overheid

Vooraf moet gezegd worden dat de context van de zeventiende eeuw in Nederland een geheel andere was dan nu. De Gereformeerde Kerk was de publieke en bevoorrechte kerk. Voor vrijwel alle ambten was het lid zijn van deze kerk een vereiste of een pré. En gereformeerde predikanten vervoegden zich met enige regelmaat bij de overheid om maatregelen te bepleiten tegen zaken (of personen) die in de politieke of maatschappelijke praktijk van Gods Woord en Wet afweken.

2.1. Lidmaat van de kerk

Voor overheidspersonen die ‘verkeerd’ wilden, was het aan de ene kant niet gunstig om lidmaat van de Gereformeerde Kerk te zijn, aangezien dat ook tucht en opzicht met zich meebracht. Zeker niet iedereen wilde daar aan. Aan de andere kant had het lidmaat zijn van deze kerk ook politieke en maatschappelijke voordelen. Vanuit dat oogpunt bezien kan niet uitgesloten worden dat er overheidspersonen met bijbedoelingen lidmaat van de kerk werden.

Ds. Hondius spreekt de overheidspersonen aan op het feit dat zij lidmaat zijn van de gereformeerde gemeente. Hij spreekt ze dus niet alleen aan op wat ze zijn en hoe ze doen in de praktijk, maar juist hoe ze zich behoorden te gedragen - ook in de politiek - krachtens hun lidmaat zijn van de Gereformeerde Kerk.

In onze tijd zijn veel overheidspersonen geen lidmaat meer van een Christelijke gemeente, laat staan van een gemeente die zich nog gereformeerd kan en mag noemen. Niettemin kunnen en mogen we de overheden - behalve op de universele, dus evenzeer voor hen geldende eisen van Gods Wet - ook aanspreken op hun politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid krachtens Gods schepping en onderhouding. Van daaruit alleen al behoort elke overheid God te vrezen en een voedsterheer van de kerk te zijn. Krachtens dat recht heeft de overheid te rekenen met de hoogste Wetgever, Koning en Rechter van de ganse aarde.

Dat ds. Hondius de overheid nog kon aanspreken op hun lidmaat zijn, laat zien hoever wij al weg zijn. Wij kunnen zelfs de overheid in veel gevallen niet meeraanspreken op een gereformeerde opvoeding of op hun gedoopt zijn. Het mag ons gebed zijn voor de overheid dat God hen die hoge verantwoordelijkheid dragen en op hoge posten gesteld zijn, bekerende en hartvernieuwende genade wil geven. Zodat er meer overheidspersonen mogen komen die lidmaat zijn van een gereformeerde gemeente. Tegelijk is daarvoor nodig het getuigenis. Want hoe zullen zij geloven en zich tot God bekeren als niemand hen er op wijst? (Rom. 10). De Heere werkt immers middellijk!

2.2. Sola scriptura en tota scriptura

Het is mij opgevallen bij de bestudering van het Swart register dat het zo doorwrocht Bijbels is. Het uitgangspunt wordt niet eens genomen in bijvoorbeeld de Nederlandse Geloofsbelijdenis - ook al zou dat geen kwaad kunnen omdat deze geheel op Gods Woord gegrond is -, maar in de Heilige Schrift. Dat is één van de erfstukken geweest van de Reformatie. Dat we alleen het Woord en niet de traditie tot ons eerste uitgangspunt nemen. Dát is ons richtsnoer voor leer en leven. Als het gaat om hoe wij ons te gedragen en te leven hebben, ook hoe de overheid te handelen heeft, gaan wij daarvoor terug naar de Heilige Schrift. Daar vinden wij dé norm.

En dan niet alleen bepaalde delen van de Schrift, maar heel de Schrift. Ook de wetten van Mozes. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat vele gedeelten uit de wetten van Mozes vandaag de dag niet meer gebruikt worden en dan heb ik het nog niet eens over de typen en ceremoniën die hun vervulling hebben gevonden in het werk van de Messías, de Heere Jezus Christus, maar gewoon over de wetsbepalingen voor burgerlijke, economische, politieke en maatschappelijke zaken. De morele strekking daarin heeft zonder meer niet afgedaan! De Messías is niet gekomen om deze wetten of geboden te ontbinden, maar te vervullen (Matth. 5:17-20). Daarom kunnen we in navolging van ds. Hondius en vele andere oude schrijvers deze gedeelten uit de Bijbel in de discussie over de taak van de overheid nog steeds gebruiken. Wij zijn niet Belijdeniskritisch, maar ook niet Bijbelkritisch, zoals zij wel zijn die bepaalde gedeelten van de Bijbel maar niet meer gebruiken en er maar niet naar verwijzen. Als zouden die gedeelten niet meer relevant zijn voor onze tijd. We hoeven ons voor het getuigenis niet te schamen. Anders krijgen we een dunne Bijbel met veel ongebruikte heilige bladen.

2.3. Het tolereren van de afgoderij

Al meteen bij het signaleren van de eerste overheidszonde blijkt dat ds. Hondius niet alleen in theorie het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) voor zijn rekening heeft genomen, hij heeft die overtuiging ook uitgedragen. De overheid heeft de roeping om de afgoderij niet te tolereren in het publieke domein. Dat bewijst ds. Hondius Schriftuurlijk uit het Oude en Nieuwe Testament. Ik citeer:

“496. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans de afgoderij van de papisten niet naar behoren tegengaan, maar die tolereren in publieke plaatsen, of die in goede verhouding staan 2 tot de publieke godsdienst van de pausgezinden en daarin bij hopen als in een publieke kerk uit- en ingaan, wat strijdt tegen Deuteronomium 7 vers 5: ‘Maar alzo zult gij hun doen: hun altaren zult gij afwerpen en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen en hun gesneden beelden met vuur verbranden.’ Zodat de overheden de publieke afgoderij niet mogen toelaten en verdragen. Gelijk zulks ook blijkt uit de bestraffing die Christus doet aan de engel of leraar van de gemeente te Thyatíra: ‘Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Izébel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten’ (Openb. 2:20).” 3

Het gaat hier over de afgoderij van de papisten of pausgezinden. Dat zijn de roomsen. Wat ds. Hondius in dit verband bedoelt, moge duidelijk zijn als we denken aan het bekende antwoord 80 van de Heidelbergse Catechismus (1563), waarin de paapse mis ‘een vervloekte afgoderij’ wordt genoemd. We kunnen ook denken aan de letterlijke beelden en het altaar in de roomse kerk. Ik citeer

“511. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans de afgodische beelden en schilderijen van de papisten in onze kerken laten blijven, wat strijdt tegen Deuteronomium 12 vers 3: ‘En gij zult hun altaren afwerpen en hun opgerichte beelden verbreken en hun bossen met vuur verbranden en de gesneden beelden hunner goden nederhouwen, en gij zult hun naam tenietdoen uit diezelve plaats’.” 4

Vooral ook de overheidspersonen die lidmaat waren van de Gereformeerde Kerk, zouden in de publieke ruimte de afgoderij moeten tegengaan. In onze tijd zouden we in dit verband niet alleen kunnen denken aan de roomse godsdienst, maar juist ook aan het oprukkend mohammedanisme en aan de uitingen in het openbaar van het gedachtegoed van atheïsten en immoreel goddeloze mensen. Deze zouden bestreden en tegengegaan moeten worden.

2.4. Zonde tegen het vierde gebod

Volgens ds. Hondius moet de overheid de beide Tafelen van Gods Wet bewaren. Daar hoort dus ook het vierde gebod bij als onderdeel van de eerste Tafel van de Wet. Ik citeer:

“498. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans de schending van de sabbat niet naar hun vermogen zoeken te beletten, terwijl toch de overheden als bewaarders van de beide Tafelen van de Wet door God met macht zijn gewapend om de openbare schending van Zijn heilige Wet te verhinderen, zelfs van de ‘vreemdeling’ die in hun ‘poorten is’ (Ex. 20:10).” 5

Duidelijk blijkt hier dat ds. Hondius’ visie op de overheid is dat de overheden van God macht hebben gekregen om de schending van Zijn Wet te verhinderen. Dit zou zelfs moeten gelden voor vreemdelingen, buitenlanders, vluchtelingen en asielzoekers bijvoorbeeld.

In onze dagen is het vierde gebod hoogst actueel. We zien dat er steeds meer burgerlijke gemeenten komen waarin een meerderheid gaat pleiten voor openstelling van de winkels op de dag des Heeren gedurende het gehele jaar. Daar moet een krachtig appél tegen klinken. Juist van degenen die een zetel in de Kamer, provincie of gemeenteraad hebben en die elke zondag in hun kerkelijke gemeente het vierde gebod horen voorlezen. De zondagsrust is een groot goed, maar ook de zondagsheiliging zou daarbij naar voren moeten komen. Elk schepsel behoort God toe en behoort Hem te vrezen: Vrees God en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen (Pred. 12:13b).

2.5. Het niet getuigen voor God

Ds. Hondius spreekt zich ook uit tegen zulke overheidspersonen die alleen maar ja-knikken tijdens besprekingen in politieke colleges en die om mensen te ontzien, niet vrijmoedig spreken. Zij zouden moeten bedenken dat ze daar zitten om het beste voor land en stad te zoeken, maar ook het beste voor Gods kerk en zo God meer te gehoorzamen dan de mensen. Ik citeer:

“499. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans in vroedschappen of andere politieke colleges niet vrijmoedig spreken waar ze behoorden te spreken voor het beste van het land, van de stad en van Gods kerk. Maar die jabroers zijn en mensen ontzien tegen Handelingen 5 vers 29: ‘Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den mensen’.” 6

Valse schaamte voor Bijbelse overtuigingen is niet denkbeeldig. En ook mensenvrees niet. Niettemin behoren politici God meer te vrezen dan de mensen. Daarom is een slappe of zelfs laffe opstelling in de politiek te kwalificeren als ongehoorzaamheid aan God. Het meer vrezen van mensen dan van God. Daar waar gesproken moet worden, zwijgen om mensen te behagen, is een zonde van schuldige nalatigheid. Zij die een politiek ambt begeren en op zich nemen, behoren niet te schromen, maar met vrijmoedigheid voor Gods zaak, Naam en eer uit te komen. Zij hebben geen functie voor zichzelf, maar ter behartiging van de belangen van het land en van Gods kerk.

In onze tijd zouden kerkelijke en gereformeerde politici met vrijmoedigheid moeten getuigen van het recht van God op Nederland. Juist ook als het gaat om de eerste Tafel van de Wet, namelijk het God liefhebben boven alles, met geheel het hart, met geheel het verstand en met alle krachten. De theocratische gedachte moet daarom niet weggestopt worden of het woord uit vrees vervangen, maar moet met vaste overtuiging uitgelegd en uitgedragen worden. Ook de eisen van Gods Woord bijvoorbeeld ten aanzien van de taak en de rol van man en vrouw zouden weer krachtig moeten worden uitgelegd en uitgedragen. Juist als we zien dat de klassieke taak en rolverdeling van man en vrouw van overheidswege wordt tegengewerkt en ondergraven, onder andere door het belastingtechnisch afstraffen van de eenverdienersgezinnen.

2.6. Het kwade voorbeeld geven

Ds. Hondius wijst ook op de voorbeeldfunctie die overheidspersonen hebben. Als zij afwijken en dwalen, gaan ze hun onderdanen in die afwijkingen en dwalingen voor en bewegen zij hen ertoe. Ik citeer:

“503. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans hun onderdanen voorgaan en bewegen tot deze en gene zonden en goddeloosheden. Gelijk als de koning Jeróbeam die Israël heeft doen zondigen en afgoderij heeft doen begaan, waarom de profeet Ahía Gods oordeel over Jeróbeam en zijn huis verkondigde: ‘Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jeróbeam brengen, en van Jeróbeam uitroeien die aan den wand watert, den beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jeróbeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij’ (1 Kon. 14:10). En ook over Israël zelf: ‘En Hij zal Israël overgeven, om Jeróbeams zonden wil, die gezondigd heeft en die Israël heeft doen zondigen’ (1 Kon. 14:16).” 7

De zonden van overheidspersonen hebben consequenties voor de directe nakomelingen en hun familie, maar ook voor heel het volk. God is geen ledig aanschouwer van de zonde! De consequenties van zonde en schuld zijn nog steeds Gods oordeel en straf. Daarom is er alle reden om juist ook in onze tijd voor het oordeel en de straf van God te vrezen als we zien op alle goddeloosheid en afgoderij in ons land, die bovendien vrij, brutaal en grof in het openbaar worden uitgeoefend door zowel overheden als onderdanen. Hierbij moeten we bedenken dat er geen neutraliteit bestaat. God niet lief te hebben en niet te dienen is ook een godsdienst. De Bijbel noemt dat het haten van God en Hem ongehoorzaam zijn.

2.7. Onredelijke belastingdruk

Het spreekt voor zich dat er voor allerlei voorzieningen waar wij gebruik van maken, veel geld nodig is. En dat geldt ook voor noodhulp. Het is billijk dat de burger daarvoor belasting betaalt, maar zoals we weten, zijn er ook vele voorzieningen die niet echt nodig zijn en waarvoor we wel moeten betalen. De overheden moeten de onderdanen niet onnodig en te veel belasten. Doen ze dat wel, dan zondigen zij daarin. Ik citeer opnieuw ds. Hondius:

“506. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans hun onderdanen zonder noodzaak met hoge belastingen bezwaren, daar toch de overheden als vaders des vaderlands alleszins het beste voor hun onderdanen behoren te zoeken”. 8

Het hoeft geen betoog voor een Bijbels Christen dat onze huidige overheid qua belastingbeleid een desastreus beleid voert, namelijk een beleid dat de emancipatie bevordert. Een beleid dat dus dwars tegen Gods Woord ingaat en de roeping en plaats van de vrouw in het huishouden miskent. De overheid wil van huismoeders, werkende vrouwen maken die niet meer thuis, maar buiten de deur moeten werken. En als een gezin klassiek Bijbels wil leven en er één kostwinner is, wordt dat heel hard en onbillijk afgestraft met een onevenredig hoge belastingdruk.

Het valt te vrezen dat de ontwrichting in het huwelijksleven en in de gezinnen, die toch al groot is in onze maatschappij, hierdoor alleen nog maar verder zal toenemen. Wat zal er van de gezinnen worden als de ouders scheiden en als de kinderen worden weggebracht naar de opvang waardoor de moederliefde node nogal eens gemist wordt? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Juist de meest overheidsgetrouwe Christenen die getrouw hun deel van de inkomsten aan de belasting offeren, worden op het altaar van het goddeloze en desastreuze emancipatie-idee geofferd. Het is vreselijk dat de overheid hierbij naar redelijke argumenten niet wil horen, laat staan naar Bijbelse argumenten.

Van een vader mogen we toch verwachten dat die het beste voor zijn kinderen zoekt! Zo zou de overheid zich als een echte vader des vaderlands billijk en redelijk moeten gedragen en voor haar onderdanen het beste moeten zoeken.

2.8. Onwetendheid in Gods Woord

Onwetendheid in de Schrift en ten aanzien van de gereformeerde religie acht ds. Hondius een groot euvel bij overheidspersonen. Zij behoren hiervan meer kennis te hebben dan de gewone man. Ik citeer:

“510. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans geen kennis van de Heilige Schrift en van de gereformeerde religie hebben noch zoeken te hebben boven de gewone man. Want koningen en overheden moeten zijn voedsterheren van Gods kerk volgens Jesaja 49 vers 23. Dit kunnen zij niet naar behoren betrachten of zij moeten uit Gods Woord behoorlijke kennis hebben van die dingen die tot de welstand van Gods kerk behoren. Gelijk dan ook aan Israëls koning belast werd dat hij Gods Woord dagelijks moest lezen en onderzoeken: ‘Voorts zal het geschieden, als hij op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen dat voor het aangezicht der Levitische priesters is. En het zal bij hem zijn en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens, opdat hij den HEERE zijn God lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen’ (Deut. 17:18-19)”. 9

Met het voortschrijden van de secularisatie in onze tijd neemt ook de belangstelling voor het Christelijke gedachtegoed af met alle gevolgen van dien. Er komen steeds minder Christelijke wetenschappers en historici die het verleden in het licht van het Christelijke en gereformeerde gedachtegoed weten te plaatsen, te duiden en te begrijpen.

Ook bij hedendaagse politici zien we maar al te vaak een schrikbarende onwetendheid van de Bijbel en van de historie van ons land en volk. Het zou goed zijn als er daarom weer meer in de Bijbel gestudeerd werd. De SGP zou hierbij het voorbeeld moeten geven door de Bijbel weer vaker in het openbaar te openen en uit te leggen. Juist als het kader ontbreekt om de beginselen van het Woord te begrijpen en te duiden, zouden gereformeerde politici dat kader weer moeten schetsen.

In de huidige situatie zouden de meeste overheidspersonen geen goede voedsterheren van de kerk kunnen zijn. Weliswaar zouden ze de kerk financieel kunnen subsidiëren en begunstigen, alsook moreel steunen. Maar het zou een dienst zijn zonder kennis, omdat vele politici geen goede kennis hebben van Gods Woord en daarom ook niet vanuit de Bijbel weten wat goed is voor de kerk. Onwetendheid ontslaat hen echter niet van de eis een goed voedsterheer te zijn. Er zou daarom in Gods Woord gelezen moeten worden. En vandaar uit zou het moeten komen tot de vreze des Heeren, het dienen en liefhebben van God, als ook tot een gehoorzamen van Gods wetten en inzettingen.

2.9. Een verkeerd benoemingsbeleid

Er is een gezegde: ‘soort zoekt soort en soort vindt soort’. Dat geldt ook voor het uitdelen van functies en benoemingen. Het zou niet kwalijk zijn als door beginselvaste mannen gezocht werd naar ander principiële mannen. Maar begint men van dat spoor af te wijken, dan is er geen helen meer aan. Ik citeer:

“512. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans atheïsten, godloze en wereldse mensen bevorderen tot enige politieke ambten en bedieningen, wat voortkomt uit gebrek aan liefde tot de vromen en strekt tot verderf van het staatsbestuur.

513. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans ambten of leveranties gunnen aan papisten en andere die buiten, ja, tegen de gereformeerde gemeente zijn, en gaan hun eigen medelidmaten voorbij, wat strijdt tegen Galaten 6 vers 10: ‘Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs’.” 10

Het spreekt voor zich dat mannen voor een politiek ambt ook de nodige bekwaamheid moeten hebben. Maar als er bekwame mensen zijn van gereformeerde huize, moeten die toch in ieder geval wel de voorkeur krijgen bij het verdelen van functies en bij benoemingen. Het zou kwalijk en liefdeloos zijn om hen te passeren. En het strekt tot verderf van de politiek als daar andersgelovigen en atheïsten benoemd worden. Zij leiden het land en het volk immers in de verkeerde richting, in de richting van het verderf. En wat wijsheid zouden zij hebben als zij zich niet door Gods Woord als hét enige richtsnoer laten leiden en gebieden?

3. Uitleiding

Mochten juist zij die hoge verantwoordelijkheden dragen en hoge posten bekleden, door de werking van Gods Geest in waarheid gaan voelen wat zonde is, deze met hartelijk leedwezen bewenen en belijden en tegen deze met een afkeer en haat vervuld worden. Ja, mochten zij nieuwe moed en kracht ontvangen om tegen de duivel, de wereld en het eigen vlees te strijden om voor God heilig te leven naar Zijn Woord en Wet.

Mochten wij daarnaast veel liefde en medelijden hebben met de zondaren, hen vermanen en voor hen bidden, totdat Hij ons genadig zij. Dus niet in hoogmoed en liefdeloosheid erboven gaan staan, niet hen hardvochtig afwijzen en veroordelen.

De profeet Daniël kende zich schuldig voor de zonden van zijn volk (Dan. 9). Hij zocht toen de Heere met vasten, gebeden en smekingen. Mochten ook wij door Gods Geest in die weg geleid worden. Dan worden de zonden van de overheid ook onze zonden en wordt het ook onze smart. Dan gaat Gods zaak, eer en Naam ons gevoelig wegen en drukken!

Ik besluit met een stukje uit een brief van ds. L.G.C. Ledeboer die ik laatst las, gedateerd 31 juli 1847, geschreven vanuit Delft:

“Als wij God uit het oog verliezen, zijn wij onze sterkte kwijt, want in Hem is ons heil en eer, sterkte en gerechtigheid. Sions God is en blijft Koning, gezalfd van Zijn Vader over de berg Zijner heiligheid; Hij alleen blijft als alles bezwijkt. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid;

Hem zij de eer en de heerlijkheid, sterkte en aanbidding, en boven alles het onbepaalde vertrouwen van ons ganse hart. Dat schenke de Heere uit genade u en mij en allen die Zijne verschijning hebben liefgehad”. 11

(Wordt Deo volente vervolgd)


Noten:

1) De biografische informatie van deze alinea is afkomstig uit: W.J. op ’t Hof, ‘Jacobus Hondius (1629-1691)’, in: Encyclopedie Nadere Reformatie, Utrecht 2015, dl. 1, A-K, p. 362-364

2) geproportioneert zijn

3) J. Hondius, Swart register van duysent Sonden, Amsterdam 1679, p. 231-232 (herspeld); hierna: Hondius

4) Hondius, p. 237

5) Hondius, p. 232

6) Hondius, p. 232-233

7) Hondius, p. 234

8) Hondius, p. 235

9) Hondius, p. 236

10) Hondius, p. 237

11) L.G.C. Ledeboer, Vijf nog nooit uitgegeven brieven, Barneveld 1973, p. 8

Fotoverantwoording:

a) Foto J. Korpershoek via Reliwiki

b) Bic via Wikimedia Commons

c) Depositphotos

d) Depositphotos


Artikel 36

Van het ambt der overheid

Wij geloven dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menselijken geslachts, koningen, prinsen en overheden verordend heeft; willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën [verordeningen], opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega. Tot dat einde heeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven tot straf der bozen en bescherming der vromen. En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de politie [staatsbestuur], maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkendienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt. (…).


Het ergste te vrezen!

Ds. P. Zandt: “Trots alle oordelen en onheilen die er in de laatste jaren over [ons volk] gegaan zijn, breekt het nog al meer dan tevoren in allerlei zonden en ongerechtigheden uit. Men overdenke slechts hoe schrikbarend Gods dag thans ontheiligd wordt; hoe vanwege de regering en het parlement door invoering van de nieuwe Zondagswet [wet van 1953; red.], waarin sport en spel op die dag in bescherming genomen zijn, daaraan hard meegewerkt is dat deze dag nog al meer een dag van sport en spel en van allerlei Godetergend vermaak is geworden! Wie heeft hierbij niet het ergste voor ons land te vrezen? De Heere is toch geen ledig toeschouwer. Nee, Hij slaat der mensen wegen ga en betoont te allen tijde een grimmig Wreker van het kwaad te zijn. Daarom spreekt Hij: Zou Ik Mij niet wreken aan zulk een volk als dit is? (Jer. 5:29). Hierbij komt (…) dat wij kunnen waarnemen dat de oordelen ook thans bij het huis Gods beginnen. Jakob is onder ons dun geworden; Sion gaat er onder een wolk, de liefde van velen is verkoeld en de ongerechtigheid vermenigvuldigt zich. De wijze maagden treffen wij meermalen in slaap met de dwazen aan en de kostelijke kinderen Sions zijn maar al te vaak de aarden flessen gelijk geworden. (…) Men spreekt nog wel over schuld, maar wie is zelf de schuldige geworden? Men heeft het nog wel over de ellende van onze tijd, maar waar is degene die zich als een ellendige gedraagt? Ja, van welke kant ook bezien, bedekt duisternis de aarde, die uit geen andere oorzaak voortkomt dan dat de fundamenten zijn omgestoten. Nee, niet in de terugkeer tot Gods Woord en Wet wordt het heil gezocht, maar bij de nietige en zondige mens en diens rede en krachten.”

-Ds. P. Zandt, ‘De fundamenten omgestoten’, in: Hoort de roede, dl. 3, 1984, p. 47 (herspeld)-


Veertig jaar landelijke stichting

Op 22 januari 2017 was het veertig jaar geleden dat de Landelijke Stichting werd opgericht. In het februarinummer van vorig jaar is over de noodgedwongen oprichting van de Landelijke Stichting en over de inhoud van In het spoor door de jaren heen al het een en ander geschreven, toen in verband met het begin van de veertigste jaargang van In het spoor. In een volgend nummer willen we Deo volente nog meer over de aanleiding tot de oprichting en over de geschiedenis van de Landelijke Stichting ophalen. Voor dit nummer was dit niet meer haalbaar, omdat we de uitgave van onze nieuwe brochure, getiteld: De vrijheid van onderwijs veroordeeld, voor hebben laten gaan, zodat deze brochure op zaterdag 21 januari 2017 kon verschijnen. Daar de Bijbelse beginselen ten aanzien van het onderwijs, met name als het gaat om het alleenrecht des Heeren op alle onderwijs, naar we vreesden in dit herdenkingsjaar van de Pacificatie sterk onderbelicht zouden blijven en bestreden zouden worden, durfden we de uitgave van deze brochure niet langer uit te stellen. Per slot van rekening is het in ons land verspreiden en - kon het zijn - tot meerdere erkenning brengen van de staatkundig gereformeerde beginselen het belangrijke hoofddoel van de Landelijke Stichting.

Het bestuur

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 2017

In het spoor | 64 Pagina's

Ds. Jacobus Hondius’ Zwarte Overheidszonden -1-

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 2017

In het spoor | 64 Pagina's