Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Herderlijk gesprek.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herderlijk gesprek.*

24 minuten leestijd

Text: Joh. 21 : 15—17.


Gemeente des Heeren !

Onze text roept ons naar den oever der Zee van Tiberias. Daar heeft de Heere Jezus Zich geopenbaard aan een zevental van Zijn jongeren, zooais in het voorafgaande deel van ons hoofdstuk vermeld is.

Als een onbekende stond Hij daar aan den oever der Zee, toen die jongeren terugkeerden n? een geheelen nacht van vergeefschen arbeid in hun visschersberoep. Het is ons uit het Evangelieverhaal welbekend, hoe Hij door daden Zijn jongeren deed gevoelen, dat Hij het was en geen ander. Eenerzijds in de bijzondere vangst, die zij op Zijn woord alleen binnenhaalden ; anderzijds in het ontbijt, dat Hij hun op zoo wonderlijke wijze verschafte. Er ligt over heel dit tafereel een waas van geheimzinnigheid. Dat is te danken aan de omstandigheid, dat de Heere Jezus klaarblijkelijk een zinnebeeldige handeling verricht heeft, om n.1. Zijn jongeren, die door Zijn roeping tot visschers der menschen gesteld waren, tot die taak te bemoedigen door hun de verzekering te geven, dat ondanks hun onvermogen hun arbeid door Zijn zegen met heerlijken uitslag zal worden bekroond, — en dat het hun bij dien arbeid aan het noodige niet zal ontbreken.

De Heiland laat het hierbij echter niet. Onze text vermeldt, wat Hij daarna nog gedaan heeft: Zich in het bijzonder met Petrus bezighouden. Het geheimzinnige is verdwenen. Wij vinden nu den Heere Jezus, zooais wij Hem zoo vaak in de Evangelieverhalen ontmoeten: als den Meester temidden van Zijn discipelen, Die ieder van hen behandelt naardat zijn bijzondere behoeften het vereischen. Zoo handelt Hij dan hier met Petrus. Over de beteekenis hiervan loopen de meeningen uiteen. Herhaaldelijk is de gedachte uitgesproken, dat Petrus hier door den Heere Jezus hersteld wordt in het Apostelschap. Zeer ten onrechte, want Petrus is nooit uit het Apostelschap ontzet. Wel kunnen wij spreken van een bevestiging in het Aposfelschap, waaraan Petrus wel behoefte gehad zal hebben, als hij aan zijn ontrouw dacht. Beter lijkt mij echter als opschrift hierboven te plaatsen : wat de Heere Jezus doet om Petrus geschikt te maken voor de roeping, die hem wacht. Vragen wij, wat dit is, — het antwoord luidt : Hij verootmoedigt hem Dienovereenkomstig wordt dan het onderwerp onzer prediking : De Heere Jezus verootmoedigt degenen, die Hij gebruikt in Zijn dienst. Wij overdenken aan de hand van onzen text : I hoe Hij dit doet, en II waarom Hij dit doet.

I hoe Hij dit doet, en II waarom Hij dit doet.

I.

In de eerste plaats schenken wij de aandacht aan de vraag, hoe de Heere Jezus degenen, die Hij in Zijn dienst gebruikt, verootmoedigt. En wij kunnen Zijn wijze van doen al aanstonds aldus karakteriseeren : Hij ontneemt hun allen roem van liefde tot Hem.

Wij zien het aan Petrus.

Let maar eens op de drie vragen, die de Heere Jezus na afloop van het ontbijt achtereenvolgens aan Petrus stelt: „Simon, zoon van Jonas ! hebt gij Mij liever dan dezen ?" „Simon, zoon van Jonas ' hebt gij Mij lief ?" „Simon, zoon van Jonas ! hebt gij Mij lief ?"

Er is in deze vragen veel, dat onze aandacht verdient. Vooreerst de aanspraak : „Simon, zoon van Jonas!" Zóó heeft de Heere Jezus hem nog eens genoemd, toen Hij na de heerlijke belijdenis : „Oij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" tot hem zeide: „Zalig zijt gij, Simon bar Jona ! want vleesch en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is". Het is de naam, dien Simon van jongsaf in de wereld gedragen had, die hem zijn afkomst herinnerde, hem dus voor oogen hield, dat hij een mensch was, in geen enkel opzicht van anderen onderscheiden : een kind van den gevallen Adam en dus in zichzelf tot het goede onbekwaam. Vervolgens treft ons bij nauwkeurige lezing het onderscheid tusschen de eerste en de tweede vraag. De eerste maal vraagt de Heere Jezus, of het waar is, dat Simon meer liefde tot Hem heeft dan de andere daar aanwezige jongeren, die Hij als met den vinger aanwijst. De tweede maal is van een vergelijking tusschen de liefde van Simon en die der anderen geen sprake; dan vraagt de Heere Jezus alleen, of het waar is, dat er liefde tot Hem in Simons binnenste woont. Mij dunkt, gij gevoelt wel, dat de tweede vraag scherper is en dieper snijdt dan de eerste: het vraagteeken, dat de Heere Jezus eerst achter de meerdere liefde van Simon plaatste, komt nu achter die liefde, op zichzelf beschouwd, te staan.

En dan is er nog iets, dat in onze vertaling niet is op te merken, 't Is jammer, dat onze Statenvertaling éénzelfde woord heeft gebruikt om twee verschillende Grieksche woorden weer te geven, waarvan het eene sterker is dan het andere. Daardoor is in onzen Bijbel het onderscheid tusschen de tweede en de derde vraag verloren gegaan. Wij lezen tot tweemaal toe : „Simon, zoon van Jonas ! hebt gij Mij lief ?" In de tweede vraag behoort dit ook te staan : daar is immers bedoeld de innigste band, die zich laat denken, het hangen der ziel aan Jezus met alle krachten, zoodat zij in Hem haar alles vindt en zich door niets van Hem laat aftrekken. In de derde vraag echter staat een woord van minder kracht, dat wij in onderscheiding van „liefhebben" weergeven met „genegen zijn", „van iemand houden". Als wij dat in het oog houden, zien wij duidelijk, hoeveel de derde vraag van de tweede afwijkt. Nu niet meer: „hebt gij Mij lief?", maar: „houdt gij van Mij ?" Die derde vraag gaat dus nog dieper, 't Is, alsof de Heere Jezus wil zeggen : Ik vraag nu niet meer, of het waar is, dat gij Mij liefhebt, maar Ik ga verder : is het zelfs wel waar, dat gij van Mij houdt? Ook dit laatste trekt Hij in twijfel! Lees nu die drie vragen nog eens achter elkander : „Simon, zoon van Jonas! hebt gij Mij liever dan dezen ?" „Hebt gij Mij lief ?" „Houdt gij van Mij ?" — zeg eens, voelt gij dan niet aanstonds, dat de Heere Jezus bezig is, met betrekking tot de liefde tot Hem aan Petrus ook het laatste stukje grond te ontnemen ?

Dat wordt ons nog duidelijker, wanneer wij die vragen beschouwen in het verband, waarin de Heere Jezus ze gedaan heeft.

Het is wel een eigenaardige geschiedenis. Oppervlakkig bezien, komt die eerste vraag als

Oppervlakkig bezien, komt die eerste vraag als uit de lucht gevallen. De Heere Jezus komt er zoo pardoes mee voor den dag.

Wat mag Hem toch bewogen hebben. Petrus aldus aan te spreken : „Simon, zoon van Jonas! hebt gij Mij liever dan dezen ? hebt gij meer liefde tot Mij dan dezen ?" Waarom juist Petrus, en juist met die vraag? Q8

Gemeente! als wij de geschiedenis van de wonderbare vischvangst, in het voorafgaande verhaald, raadplegen, dan vinden wij al spoedig het antwoord. De oogen van dan Heere Jezus zien scherp. Petrus was daarin op den voorgrond getreden. Hij had iets gedaan, wat geen der andere jongeren deed : zoodra hij van Johannes had vernomen : „Het is de Heere!", had hij het opperkleed aangeschoten en gegord, en zich in zee geworpen, om zoo spoedig mogelijk bij Jezus te zijn, terwijl de anderen rustig aan boord bleven, het net met de visschen voortsleepend. En toen hij aan land stapte, juist terwijl de Heere Jezus dien anderen jongeren beval: „Brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt", trok hij onmiddellijk met inspanning van alle krachten geheel alleen het net op het land. Het zag er dus wel uit, alsof er bij Simon iets bijzonders aanwezig was, alsof hij meer dan de anderen voor den Heere Jezus overhad : die anderen waren zoo laksch en zoo lauw, dat zij rustig aan boord konden blijven — en waren niet vlug genoeg bij de hand om het net aan land te halen ! Zóó lag het ook in Simons hart.... naar zijn gedachten was er bij hem toch meer liefde tot Jezus aanwezig dan bij de anderen, hij achtte zijn liefde sterker, vuriger dan de hunne— juist als op den weg naar Gethsemane, toen hij de aankondiging des Heeren aangaande de op handen zijnde ergernis beantwoordde met de krachtige betuiging: „Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden".. .. „Heere! ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan". Klaarblijkelijk was de oude natuur door de droeve ervaringen in den hof van Kajafas niet gedood. Simon bij de Zee van Tiberias was nog met hetzelfde euvel behept als de Petrus van voorheen.

Dat mag zoo niet blijven.

Daarom vraagt de Heere Jezus, voor Wiens oog niets bedekt is: „Simon, zoon van Jonas ! hebt gij Mij liever dan dezen ?" Met deze woorden roept Hij Petrus tot bezinning : hij moet zich eens rekenschap geven van den stand van zaken. Is de gedachte wel waar, die daar sluimert op den bodem van zijn hart ?

We kunnen ons voorstellen, dat die vraag den discipel ontroerde. Het blijkt ook wel uit zijn antwoord : „Ja, Heere ! Gij weet, dat ik U liefheb". Dat is een opmerkelijk antwoord, waardoor wij een blik krijgen in Petrus' ziel.

Hij gaat niet in op de „meerdere liefde", waar de vraag van gewaagde ; dat „meer" durfde hij niet uitspreken. Daarin merken wij reeds, dat de pijl doel heeft getroffen : Petrus is door den Heere Jezus van zijn hoogte afgeworpen, hij waagt het niet, zich boven de anderen te verheffen.

Doch zijn antwoord verraadt nog meer dan dat. Hij gebruikt niet het woord „liefhebben", dat door den Heere Jezus gebezigd wordt, maar dat andere, zwakkere woord, waarvan wij straks hebben gesproken. Hij zegt dus eigenlijk: „Ja, Heere! Gij weet dat ik van U houd". Van „lief-hebben" durft hij niet spreken, alleen van „van U houden".

Het is licht te gissen, waarom ! De vraag van den Heere Jezus heeft Petrus dat droeve tooneel in Kajafas' paleis in herinnering gebracht, waar hij zoo diep beschaamd was geworden ten aanzien van zijn heldhaftige betuiging van trouw aan zijn Heer. In plaats van sterker te staan in zijn liefde had hij 't er slechter afgebracht dan de anderen. Daarom durft hij zelfs van „liefde" niet meer reppen, maar stelt hij zich tevreden met de betuiging : „Ja, Heere ! Gij weet, dat ik van U houd". Hiermede is de Heere Jezus echterniet tevreden. Hij richt andermaal het woord tot hem : „Simon, zoon van Jonas! hebt gij Mij lief?" — De Heiland laat nu de vraag naar de kracht der liefde van Petrus in vergelijking tot die der andere jongeren rusten, maar vraagt op den man af, of het waar is, dat Petrus Hem liefheeft. Het is als zegt Hij : „Van Mij houden" is Mij niet genoeg. „Hebt gij Mij lief?", daar gaat het om!

Petrus' hart moet bij deze vraag wei schrijnende pijn gevoeld hebben. En toch wat zou hij antwoorden ? Die hof van Kajafas ! O, daar klonk hem weer in de ooren de stem, die daar bij hoog en bij laag verzekerde : „Ik ken den mensch niet i" Neen, van liefde durft hij niet spreken. Maar, in volstrekten zin „neen" zeggen, dat kan hij evenmin. Want hij gevoelt zich aan Jezus verbonden, hij kan Hem niet missen daarom antwoordt hij nogmaals : „Ja, Heere ! — datgene, waar Gij naar vraagt, is er wel, zij het ook in dien zwakkeren vorm — Gij weet, dat ik van U houd". Nu zal Jezus toch wel bevredigd zijn ?

Maar neen ! Ten derden male stelt Hij Petrus een vraag, en gebruikt nu hetzelfde woord, dat Petrus bezigde: „Simon, zoon van Jonas ! houdt gij van Mij ?" Hij zet dus ook achter die zwakke liefde van Petrus een vraagteeken. Wil Hij dan niets heel laten aan de liefde van dien discipel ?

Petrus krijgt het benauwd. Hij wordt bedroefd. De tranen springen hem in de oogen. 't Is waar, het verleden bewijst, dat hij met zijn liefde geheel te schande is geworden; met dat verleden voor oogen moet hij bekennen, dat er ook van dat ^houden van Jezus" niets terecht is gekomen Maar, zeggen dat hij niet van Jezus houdt, dat is hem onmogelijk. Daarom antwoordt hij : „Heere ! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik van U houd". — Opmerkelijk is hier het achterwege blijven van de tot tweemaal toe uitgesproken betuiging : „ Ja Heere !" Petrus doet hier een beroep op de alwetendheid van den Heere Jezus. Hoezeer hij met zichzelf ook bedrogen is uitgekomen, het alziend oog des Heeren zal op den bodem van zijn hart toch vinden, dat hij van Hem houdt. Het moet er in Petrus' ziel op dat oogenblik met betrekking tot de liefde uitgezien hebben, zooals het er met betrekking tot het geloof uitzag bij dien vader, die in grooten angst uitriep : „Heere ! ik geloof! Kom mijn ongeloovigheid te hulp !" Petrus heeft zeker na elke, vooral na de laatste betuiging gehoopt, dat de Heere Jezus een goedkeurend woord zou laten hooren ; een woord, dat Petrus de zekerheid schonk, dit de Hetie Jezus aan die betuiging geloof hechtte. Zulk een woord kwam echter niet van 's Heilands lippen. De Heere Jezus heeft Petrus een wonde geslagen, die wonde steeds dieper gemaakt, en hem met die bloedende wonde laten zitten. Hij heeft Petrus allen roem ontnomen. De zoon van Jonas zit daar als iemand, van wiens liefde niet de minste verwachting is !

Als wij uit onzen text niets anders gewaar werden dan wat wij tot nog toe vernamen, dan zouden wij wel kunnen denken, dat de Heere Jezus Petrus zoover mogelijk van Zich wil wegstooten. Doch het tegendeel is het geval: Hij verbindt hem juist aan Zijn dienst.

Na elk antwoord, dat Petrus gaf op de hem gestelde vragen, heeft de Heere Jezus hem weer bescheid gegeven ; bescheid, dat een schoone opdracht behelsde : „Weid Mijn lammeren !" ... „Hoed Mijn schapen I" .... „Weid Mijn schapen !" Ook hierin merkt ge wel verschil op.

De eerste opdracht heeft betrekking op een deel van de kudde des Heeren, op de „lammeren." Hieronder kunnen wij moeilijk anders verstaan dan degenen, die pas toegebracht zijn tot den Heere Jezus, die de eerste schreden op den weg des geloofs hebben gezet. Die krijgt Petrus te „weiden." De zorg voor de voeding is hier het voornaamste. Hem draagt de Heere op, hen van geestelijk voedsel te voorzien.

De tweede opdracht ziet op de kudde in haar geheel. Die moet „gehoed" worden. Dit „hoeden" duidt de herderlijke werkzaamheid in heel haar omvang aan. Hieronder behoort voorzeker ook het voeden, maar niet minder het regeeren en bewaken der kudde. De geloovigen van den Heere Jezus moeten geleid worden op den weg der gerechtigheid, voor afdwalen behoed, tegen gevaren en tegen vijanden beschermd, van den doolweg teruggehaald. Dat alles krijgt Petrus te doen. De derde opdracht heeft wederom betrekking op de geheele kudde. Zij moet evenals de lammeren „geweid" worden. Dat is en blijft een belangrijk stuk van de herderlijke werkzaamheid. De geloovigen verkeeren lang nietaltijd in denzelfden toestand. Bij het klimmen der jaren b.v., wanneer ze niet meer zoo in het leven zich bewegen, maar meer teruggetrokken hun weg gaan, hebben zij aan niets zoozeer behoefte als aan geestelijke spijs en drank. Ook hiervoor krijgt Petrus uitdrukkelijk te zorgen. De Heere Jezus vertrouwt hem dus Zijn kudde

De Heere Jezus vertrouwt hem dus Zijn kudde — klein en groot — toe onder allerlei omstandigheden. En Hij vertrouwt die toe aan den door Hem verootmoedigden Petrus. Die verootmoediging staat dus in het nauwste verband met de taak, die hem wacht. M. a. w. de Heere Jezus verootmoedigt Petrus om hem te gebruiken in Zijn dienst.

Zoo doet de Heere nog altijd : die Hij gebruikt in Zijn dienst, verootmoedigt Hij. En dat geldt niet alleen voor den dienst des

En dat geldt niet alleen voor den dienst des Woords, maar voor eiken dienst, waartoe Hij ons roept op de plaats, waar Hij ons in de wereld gesteld heeft.

Daartoe is ons in het Evangelie dit onderhoud bewaard, dat de Heere Jezus met Petrus gehad heeft. Het heeft ons allen wat te zeggen. Wij zullen geen van allen den roem behouden, dat wij liefde hebben tot Jezus. Het is een les, die ons allen gegeven wordt. Wij houden ook wel van vergelijkingen maken.

Wij houden ook wel van vergelijkingen maken. Vergelijkingen, die natuurlijk in ons voordeel uitvallen. De gedachte, dat onze liefde tot den Heere sterker is dan die van anderen, is ons ook niet vreemd. Niet dat wij dit juist uitbazuinen, maar zij ligt toch meer dan wij wel denken op den bodem van ons hart. Af en toe komt het aan dén dag, zooals het ook af en toe bij Petrus aan den dag kwam. Als anderen niet precies doen wat wij noodig oordeelen, vallen zij al spoedig onder verdenking, toch niet zoovee! voor den Heere Jezus te voelen als wij. — Daarom is het gelukkig, wanneer die vraag : „Hebt gij Mij liever dan dezen?" zóó op ons aankomt, dat wij er ons niet aan kunnen onttrekken. Dan zijn wij genoodzaakt, ons rekenschap te geven van de hooge gedachten aangaande onszelf. Hebben zij recht van bestaan ? Hangen wij misschien in tegenstelling met anderen zóó aan den Heere Jezus, dat wij altijd met ons hart bij Hem zijn, onder alle omstandigheden ? — Als wij ernst maken met die vraag, voelen wij den grond onder onze voeten wankelen. Neen, wij steken niet gunstig bij andere discipelen des Heeren af staan zelfs bij velen ten achter. Maar toch, wij willen graag met Petrus antwoorden : „Ja Heere ! Gij weet, dat ik van U houd".

De Heere Jezus laat ons echter dien zijweg niet rustig inslaan. Als een slagboom laat Hij die tweede vraag vallen : „Hebt gij Mij lief ?" Het gaat niet om wat menschen al heel vlug „liefde" noemen, maar om volkomen overgave des harten, zoodat wij ons onder geen omstandigheden van Hem laten scheiden ! Als wij hier ernstig over nadenken, dan vinden wij op onzen levensweg veel, dat hiermede niet strookt. Kwamen wij altijd voor Hem uit, ook wanneer het ons in moeite dreigde te brengen? O, wanneer ons oog hierop valt, dan missen wij, evenals Petrus, den moed om zoo boud te spreken van onze liefde tot Hem.. . . maar wij willen toch, evenals hij, handhaven, dat wij — zelfs veel — van Jezus houden ! Doch daar komt ook tot ons de vraag: „Houdt

gij van Mij ?" Is dat werkelijk waar ? Die vraag trekt het ook bij ons in twijfel. Kunnen wij haar volmondig logenstraffen ? Draagt onze wandel daarvan dan zonder eenigen twijfel het stempel ? Zal het bij ons waarheid zijn, als het op de proef komt? Stel eens, dat dit kerkgebouw op ditzelfde oogenblik omringd was door vijanden, gereed om ieder te dooden, die Jezus als zijn Zaligmaker 100 belijdt — zoudt ge dan zonder bedenken den dood willen ingaan ? Ik vrees, dat wij allen zonder uitzondering ons eerst nog wel eens zouden willen bedenken ' Maar zeg eens, wat kwam er dan terecht van ons „houden van Jezus?" — En laat mij hier dadelijk nog iets aan toevoegen. Liefde tot Jezus openbaart zich niet het minst in liefde tot de broederen. Hoe staat het daarmede ? Met name, wanneer de broeder niet wil wat wij noodig of wenschelijk achten ? Waarlijk, wanneer wij de dingen in zulk lichtte

Waarlijk, wanneer wij de dingen in zulk lichtte zien krijgen en oprecht zijn, dan zinkt ook ons de grond onder de voeten weg. Dan hebben wij geen roem. Dan moeten wij den Heere Jezus met Zijn snijdende vragen gelijk geven. Dan moeten wij, hoezeer het er ons om te doen is Hem lief te hebben, bekennen: o Heere! ik kan van mijn liefde tot U niet spreken ; want als het er op aan komt, wat komt er dan van mijn liefde tot U terecht ? Dan blijft ons niets anders over dan met den Psalmist te roepen : „Zoo Oij in 't recht wilt treden. . . .

Waarom verootmoedigt de Heere Jezus degenen, die Hij in Zijn dienst gebruikt? Waarom ontneemt Hij hun allen roem van liefde tot Hem ? Dat is de tweede vraag, die onze aandacht in beslag neemt.

Het antwoord is spoedig gegeven : omdat er zonder die verootmoediging van arbeid in Zijn dienst niets terecht komt. Hooggevoelendheid is hier het groote beletsel.

Hooggevoelendheid is hier het groote beletsel. Wie hoog opgeeft van zijn liefde tot Jezus, is onbruikbaar in den dienst des Heeren.

Het vrome vleesch verstaat daar niets van. Het vrome vleesch acht het een eerste-klas-aanbeveling, wanneer iemand zich aandient als een liefhebber van Jezus. Vandaar, dat men meer dan eens in Christelijke bladen — zooals men 't noemt — advertenties kan vinden, waarin voor dit of dat werk menschen gevraagd worden, die Jezus liefhebben. Wie zou, met de vragen van den Heere Jezus voor oogen, zooals wij die uit onzen text kennen, op zulke advertenties durven ingaan ? Die leeren ons toch heel iets anders, n.1. dat de Heere Jezus, als Hij een mensch gebruiken wil in Zijn dienst, hem eerst allen roem ontneemt! Wie nog roem draagt op zijn liefde tot Jezus, is onbruikbaar. Let maar eens op het werk, dat de Heere Jezus

Let maar eens op het werk, dat de Heere Jezus aan Petrus te doen geeft: Zijn lammeren weiden. Zijn schapen hoeden. Zijn schapen weiden ! Dat is een werk van veel geduld. Schapen zijn

Dat is een werk van veel geduld. Schapen zijn nu eenmaal wat onnoozel en dom. 't Kost heel wat moeite, de kudde bij elkander te houden en langs den bepaalden weg te leiden. Ze springen zoo graag uit den band. Zoo is er ook heel wat te doen met de schapen van den Heere Jezus. Zij zijn en zij blijven menschen, wicn niets menschelijks vreemd is. 't Gaat verre van gemakkelijk, ieder op zijn plaats te houden, de kudde in het rechte spoor te leiden. — Is nu iemand zoo sterk overtuigd van zijn liefde tot Jezus, dan ontbreekt hem dat geduld. Dan is hij zelf in zijn oogen zoowat de maatstaf voor anderen. Hij wil, dat allen zijn zooals hij. En wanneer dat niet het geval is, dan hebben zij spoedig bij hem afgedaan. Dan wordt hij wrevelig. De lust vergaat hem, voor zulke menschen te zorgen. Hij hakt er met de grove bijl op in, is aanstonds klaar met veroordeelen en verwerpen. Inplaats dat de kudde des Heeren gehoed en geweid wordt, wordt zij verstrooid, verwaarloosd, verdorven.

De zorg voor de kudde des Heeren is een zaak ook van inzicht in haar behoeften. Er zijn onder de geloovigen des Heeren Jezus verschillende karakters. Er zijn menschen van verschillenden leeftijd. Hoe onderscheiden zijn ook niet de omstandigheden : er zijn rijken en armen, ontwikkelden en onontwikkelden, gezonden en zieken, menschen die teruggetrokken leven en zuiken, die zich in de groote menschenwereld op allerlei terrein bewegen. Daarom zijn zij ook aan allerlei gevaren blootgesteld, de één meer dan de ander. Die allen moeten verzorgd worden. Om maar één ding te noemen : zij moeten geestelijk voedsel ontvangen, om gesterkt te worden in hun nooden, om vastgesteld te worden in den strijd. — Dat is geen werk voor iemand, die naar eigen gedachten zoo vast staat in zijn liefde tot Jezus en niet allen roem heeft verloren. Die kan niet eens inkomen in die verschillende behoeften. Van nood en aanvechting en strijd heeft hij geen besef. Hij heeft zelf geen behoefte aan het voedsel, dat die schapen niet kunnen ontberen.

Hoe zal hij dan het voedsel voor hen vinden, om hun voor te zetten? Dan geeft hij steenen voor brood. Want wie zich inbeeldt, te blaken van liefde tot Jezus, die komt met allerlei z. g. n. eischen van vroomheid in plaats van met de genade Gods, in Christus Jezus geopenbaard. Wie niet allen roem heeft verloren en niet zelf als een verloren zondaar aan de voeten van Jezus ligt, die weet den weg niet in de voorraadkamers Gods en die komt altijd met het niet gepaste aan. Hij geeft zoet, waar bitter noodig is, en bitter, waar zoet wordt vereischt. Hij komt met de Wet, waar het Evangelie gebracht moest worden. Daarentegen met het Evangelie, waar de Wet moest worden gepredikt. Zoo doet hij den schapen van Christus geen nut, maar brengt ze van de wijs. Wie daarentegen niet kan bogen op zijn liefde

Wie daarentegen niet kan bogen op zijn liefde tot Jezus, noch op eenige andere voortreffelijkheid, maar diep verootmoedigd is en heel geen roem heeft, die zal in waarheid de schapen des Heeren hoeden en weiden.

Die zal geduld met hen hebben. Hij wordt niet boos, als hij allerlei verkeerdheden in hen ontdekt, waaraan zij zich telkens weer schuldig maken. Maar hij zal trachten, hen van die verkeerdheden te verlossen door hen te brengen tot Jezus als Dengene, Die de zonde eenmaal teniet gedaan heeft door Zijn zoendood en daarom ook in de Zijnen de zonde overwint. — Hij wordt niet verdrietig, wanneer hij telkens weer bij hen op verkeerde begrippen stuit ; maar zal zich inspannen om hen uit Gods Woord beter te onderrichten. Hij zal zijn kracht niet zoeken in veroordeelen en verwerpen, maar in terechtbrengen in zachtmoedigheid, wetende hoeveel geduld de groote Herder der schapen met hemzelf gehad heeft en nog oefent dag voor dag.

Wie zelf verootmoedigd is en zelf niet hoog kan opgeven van zijn liefde tot Jezus, die zal de behoeften der schapen verstaan. Hij heeft oor voor hun klachten. Hij staat niet verwonderd, wanneer zij zelfs met vreeselijke gedachten tot hem komen, die opklommen in hun hart. Maar hij zal hun een goed en trouw leidsman zijn tot de Bron van verlossing en vertroosting. Want wie waarlijk verootmoedigd is, die weet niets anders te roemen dan de liefde van den Heere Jezus, die moet het zelf van Hem alleen hebben, die deelt aan de schapen uit, wat hij zelf uit de volheid der genade in Jezus Christus ontvangen heeft, en leidt hen daarheen, waar hij zelf bevrediginggevonden heeft voor de behoeften zijner ziel. Wellicht denkt iemand, dat deze dingen dan wel

Wellicht denkt iemand, dat deze dingen dan wel heerlijk zijn voor degenen, die de Heere in Zijn dienst gebruikt om Zijn kudde te hoeden en te weiden — dus voor de voorgangers der Gemeente — maar dat deze geschiedenis van Jezus en Petrus voor de Gemeente als zoodanig eigenlijk niet veel beteekenis heeft. Verre van daar! De regel, hier aangegeven, geldt in ruimen kring.

De regel, hier aangegeven, geldt in ruimen kring. De dienst des Heeren omvat meer dan den dienst van de voorgangers der Gemeente. Hij omvat ook den dienst van alle geloovigen van den Heere Jezus Christus. Wij hebben allen onze plaats in de wereld. En

Wij hebben allen onze plaats in de wereld. En in verband daarmede ook allen onze taak, die van grooter beteekenis is dan wij gewoonlijk wel denken. Van beteekenis voor heel de omgeving, waarin wij verkeeren. Het is een groote weldaad Gods, dat wij niet alleen staan in de wereld, maar dat wij met anderen den weg des geloofs mogen bewandelen. God heeft ons elkander tot steun gegeven. Dat is onze taakten aanzien van elkander. Maar ook ten aanzien van zoovelen om ons heen, die wel den Christennaam dragen, maar van den Christus vervreemd zijn. Denk maar aan de uitdrukking uit onzen Catechismus : „dat door onzen godzaligen wandel onze naaste voorChristus gewonnen worde". Hebben wij zelf in Christus ons leven gevonden, dan kennen wij geen grooter vreugde dan dat ook onze naaste datzelfde leven deelachtig worde.

„Wie is tot deze dingen bekwaam ?"

Deze verzuchting rijst onwillekeurig op uit ons gemoed, wanneer wij hieraan denken. Daar behoort toch een groote liefde tot den Heere Jezus toe — want alleen als ik in zulke liefde wandel, zal ik mijn naaste trekken, immers tot jaloerschheid verwekken. En ach, wat komt er van die liefde bij mij terecht! 101

Zie, in zulken nood biedt onze text ons een machtigen troost. Petrus heeft allen roem verloren, de Heere Jezus heeft Zelf hem dien roem ontnomen. En toch heeft de Heere Jezus hem gebruikt in Zijn dienst, en juist zóó gebruikt in Zijn dienst! Daarin bewees de Heere Jezus aan Petrus Zijn liefde jegens hem. Die liefde heeft tot stand gebracht at wat tot stand gebracht is door Petrus' dienst. Zoo was het dan niet Petrus, maar Jezus en Jezus alleen !

Petrus kon niet anders dan als een verloren zondaar zonder eenigen roem zich aan Jezus vastklemmen. Dat was de grondtoon van dat laatste woord : „Heere ! Gij weet alle dingen, Oij weet, dat ik van U houd". Als ver'oren zondaren ons aan Hem vastgeklemd ! Over zulken breidt de liefde des Heeren, die in hun verlorenheid hen trok, zich ook uit om hen voor den naaste tot zegen te stellen. AMEN.

Gelezen: Wet des Heeren, I Kor. 1 : 23—31. Gezongen: Psalm 122 : 1 ; Gez. 38 : 1, 2, 5; Ps. 130 : 2 ; Ps. 19 : 7.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Herderlijk gesprek.*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's