In grote droogte*
Text: Jeremia 14:11: „ Wijders zeide de Heere tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede".
Gemeente des Heeren !
Het zal u wel niet al te zeer verwonderen, dat mijn aandacht gevallen is op dit hoofdstuk uit Jeremia's Profetie.
Er is immers overeenkomst in de omstandigheden, waaronder de profeet deze woorden aan zijn volk voorlegde, en de omstandigheden, waaronder wij nu verkeren. Er heerste in juda grote droogte, en ook wij maken met grote droogte kennis. Het jaar 1947 draagt in dit opzicht een eigenaar*- dig stempel. Wat een koude heeft de winter, wat een zonneschijn en warmte hebben lente en zomer ons gebracht! Enerzijds is het wel aangenaam, dat-wij in deSeptembermaand nog zomerse dagen elkander zien opvolgen, maar anderzijds is het toch maar waar, dat de regen ontbreekt. Af en toe enkele druppels, als om ons er aan te herinneren, dat er nog wel water in het luchtruim aanwezig is, maar geen regen, die de bodem drenkt en rivier en beek doet zwellen, in zulke omstandigheden beginnen gedeelten der
in zulke omstandigheden beginnen gedeelten der Schrift als het thans vóór ons liggende, voor ons te leven. Dan voelen wij, dat zij ons ietste zeggen hebben. Zo dringt ook Jeremia 14 ons er toe, onze aandacht op bizondere wijze te schenken aan het tijdperk van droogte, dat over onsgekomen is. En onze text biedt ons goede gelegenheid om onze gedachten te groeperen rondom de personen, die er in genoemd worden, n.l. de profeet, de Heere en het volk. Wij lezen immers: „Wijders zeide de Heere tot ipij : Bid niet voor dit volk ten goede". Als wij in het oog houden, dat dit alles in verband staat met de droogte, krijgen wij aanleiding, te spreken over 1 Jeremia en de droogte, 11 de Heere en de droogte, en ill het volk en de droogte.
1.
Als wij gaan spreken over Jeremia en de droogte, dan zien wij, dat Jeremia met de droogte ernst heeft gemaakt.
Hij heeft immers gebeden, want de Heere zegt tot hem in onze text : „Bid niet voor dit volk ten goede". Jeremia heeft dus de nood, waaraan het volk onderworpen was, vóór de Heere gebracht en hij heeft dit op aangrijpende wijze gedaan, zoals ons uit de voorlezing van dit hoofdstuk wel gebleken is.
Geen wonder! De nood was groot. Wat is cnoFitferi üjker water voor >r.£n3, dier en gewas ? Daar hangt tenslotte alles van af. Onmisbaar is het niet alleen tot lessing van dorst en tot bevordering van reinheid, maar ook met betrekking tot de vruchtbaarheid van de bodem, de stand van het gewas en de staat van de veestapel. In een hartroerende klaagzang tekent Jeremia de ellende, waaraan het volk onderworpen is (vs. 2—6). Gans Juda treurt, in haar poorten hangt een sfeer van matheid, aan rouwdragenden gelijk zitten de mensen daar neer, Jerusalems noodgeschrei klimt ten hemel op. De aanzienlijken zenden hun ondergeschikten uit om water, maar dezen keren met ledige vaten terug, want er is niets in de putten en bakken ; beschaamd staan zij daar, omdat zij geen enkele teug tot lafenis kunnen bieden. Ook de akkerlieden staan vol schaamte bij hun grond, waarvan de levenskracht gebroken is. Zelfs de dieren zijn geheel van de wijs: de hinden, bekend om haar zorg voor haar jongen, verlaten die jongen, omdat er geen voedsel voor is. De woudezels staan op de hoge plaatsen, snakkend naar frisse lucht, om zich enigszins te verkwikken bij gebrek aan voedsel. Jeremia verheft deswege zijn stem tot de Heere. Dat verdient onze volle aandacht. Jeremia is niet bij de nood blijven staan, maar heeft in die nood de hand des Heeren opgemerkt. Hij heeft die droogte niet beschouwd als een natuurverschijnsel, dat men eenvoudig te aanvaarden heeft, omdat men er toch niets aan veranderen kan. Hij heeft geloofd, dal die droogte niet bij geval gekomen is, maar door de almachtige wil des Heeren in het aanzijn geroepen. Hoort, wal hij in het slotvers van ons hoofdstuk zegt: „Zijn er onder de ijdelheden der Heidenen, die doen regenen ? Of kan de hemel druppelen geven ? Zijl Gij 't niet, o Heere onze God ? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doel al deze dingen !" (vs. 22). Wat hij daar omtrent de regen belijdt, datzelfde leeft in zijn ziel ook aangaande de droogte : ook zij is des Heeren werk !
Juist daarom maakt de profeet er volle ernst mee. Hij weel, dal de Heere alle reden heeft om die droogte te zenden. Hoort maar, hoe hij de Heere smeekt: „Hoewelonzeongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere ! doe het om Uws Naams wil, want onze afkeringen zijn menigvuldig ; wij hebben tegen U gezondigd (vs. 7) Jeremia heeft dus verband gezien en erkend tussen die droogte en de zonden van het volk. Om de zonden van het volk heeft de Heere die droogte gezonden. Zij is een gericht, waarmee de Heere Zijn volk treft.
Juist dat maakt de zaak voor Jeremia zo zwaar. Hoe meer hij daar inkomt, hoe zwaarder de zaak voor hem wordt, [n zijn gebedsworsteling met de Heere gaat zijn blik hoe langer hoe verder, hij ziet de kracht van hel gericht toenemen. Waar moet het heen met zijn volk, als de Heere het oordeel niet opheft?
Daarom stort hij zijn ziel uit voor de Heere om Zijn ontferming af te smeken.
Hij begint met de erkentenis van het recht Gods : „Hoewel onze ongerechtigheden legen ons getuigen . ..." Gij gevoelt het wel. Gemeente ! dat de profeet hier dit uitspreekt: onze ongerechtigheden zeggen zo duidelijk mogelijk, dal wij niet anders verdiend hebben dan dat Gij. o Heere !, ons met oordelen treft! Elke overtreding van Uw heilige Wet maakt ons Uw gramschap dubbel waardig en doet ons aan de vloek onderworpen zijn. Dal is een erkennen van het recht Qods, zo duidelijk als het maar kan. En wel van het recht Gods, niet alleen ten aanzien van het volk, maar ook le.n aanzien van hemzelf. O zeker, het is waar, dal de profeet hier voor zijn volk in de bres springt. Maar niet als iemand, die er zelf geheel buiten staat. AI is hij in zijn ambt getuige des Heeren bij het volk, al staat hij als zodanig tegenover het volk, — hij is zelf ook mens en kan zich als zodanig niet boven het volk verheffen. Als persoon slaat hij ook tegenover de Heere, en als zodanig staal hij zelf ook voor de Heere als een zondaar. De nood van zijn volk is zijn eigen nood. De nood van zijn volk spreekt ook tot hem persoonlijk. Hij voelt de hand des Heeren ook op hem drukken. En hij erkent voor eigen persoon hel recht Gods om met oordelen te komen. Daarom sluit hij ook zichzelf bij hel volk in en smeekt: „Hoewel onze ongerechtig- 178heden tegen ons getuigen, o Heere ! doe het om Uws Naams wil, want onze afkeringen zijn menigvuldig; wij hebben tegen U gezondigd !" (vs. 7). Hij pleit dus op de Naam des Heeren. Een andere grond voor zijn roepen kan hij niet aanvoeren. Bij hemzelf en zijn volk is zonde en schuld, die de Heere niet kunnen bewegen, het oordeel op te heffen. Alleen de Naam des Heeren kan hiertoe aanleiding geven. „Grijp toch in, o Heere !, opdat Uw Naam verheerlijkt worde, want als Uw volk te gronde gaat, waar blijft dan Uw heerlijkheid ? Wat zal men dan in de wereld wel van U zeggen ? Het gaat hier om Uw eigen eer !"
Hij pleit verder op de liefde des Heeren lot Zijn volk : „O Israels Verwachting, zijn Verlosser in lijd van benauwdheid !, waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten ?" (vs. 8). Roerende taal, nietwaar ? De Heere is „Israels Verwachting", op Wie alle hoop van de godvruchtige vaderen steeds is gebouwd geweest. En Hij was Israels „Verlosser in tijd van benauwdheid" ; slaat de historiebladen maar op, en ge zult het overal vinden : de Heere heeft hen verlost uit de hand der Egyptenaren, uil de hand der Filistijnen, uit de hand van Syriërs en Assyriërs, om slechts de voornaamste van hun benauwers te noemen. Waarom heeft de Heere dal gedaan ? Omdat Hij hen liefhad met een eeuwige liefde. Daarom heeft Hij Zichzelf lot Israels Verwachting gesteld, daarom is Hij ook op zo menig tijdstip Israels Verlosser geweest. Waarom zou dan de Heere nu doen als een vreemdeling en als een reiziger ? Ge verstaat de bedoeling wel : een vreemdeling leeft niet mee met het volk, in welks midden hij verkeert; een reiziger neemt enkel nachtverblijf en zet zijn reis voort zonder zich ook maar hel geringste aan te trekken van het lot van hen, in wier midden hij de nacht doorbrengt. Daar bestaat niet de minste band. Hel is toch niet mogelijk, dal de Heere zo zou doen ten aanzien van Zijn volk, dat Hij geen hart zou hebben voor Zijn volk, waaraan Hij Zich eertijds gaf! Dat kan toch Zijn liefde niet dulden !
Nog van een andere kant doet Jeremia een beroep op de Heere : „Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen ? Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere ! en wij zijn naar Uw Naam genoemd ; verlaat ons niet!" (vs. 9). Hel klinkt wel wat eigenaardig, maar ik kan er geen betere uitdrukking voor vinden dan een beroep op 's Heeren eergevoel. Als de Heere niet, ingrijpt, dan staal Hij daar als versaagd man, die door de omstandigheden overweldigd is ; als een held in naam, maar niet in der daad, wie immers het vermogen ontbreekt om te verlossen. Dal past toch niet bij Hem, Die onder Zijn volk woning heeft gemaakt in het Heiligdom, Die Zijn Naam aan dat volk heeft gegeven en Zich dat volk lot een eigendom
gemaakt. Neen, dat zou met de eer des Heeren geheel in strijd zijn. Daarom houdt Jeremia met al de kracht van zijn ziel aan : „Verlaat ons niet!" En straks, als door de houding des Heeren de angst van de profeet nog vergroot is, dringt hij met nog krasser woorden bij de Heere aan : „Hebt Oij dan Juda ganselijk verworpen ? heeft Uw ziel een walging aan Zion ? waarom hebt Oij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is?" (vs. 19). Wij voelen het: de profeet vraagt daar, of de liefde des Heeren dan in het tegendeel is veranderd, in onherroepelijke afkeer, en zo tracht hij deze liefde weer wakker te roepen. En weer komt er een bekentenis van zonde over zijn lippen: „O Heere! wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid ; want wij hebben tegen U gezondigd" (vs. 20). En weer volgt er een pleiten op 's Heeren Naam, op 's Heeren eer, 's Heeren trouw : „Versmaad ons niet, om Uws Naams wil ; werp de Troon Uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons'" (vs. 21). Gemeente! uit al dit aanhoudend, volhardend bidden en smeken van Jeremia, gedreven door innige liefde tot zijn volk, blijkt wel, hoe grote ernst hij gemaakt heeft met de droogte, die de Heere gezonden had. Hij heeft hierin de slaande hand des Heeren gevoeld. Gevoeld, dat de Heere Zich terugtrok van Zijn volk. En juist daarom heeft hij met de Heere geworsteld, opdat Deze toch niet de gemeenschap zou verbreken, waarin alleen het tijdelijk en eeuwig behoud van het volk gelegen is.
II.
Niet minder dan de profeet maakt de Heere ernst met de droogte, zoals blijkt uit het antwoord, dat Hij aan Jeremia geeft: „Bid niet voor dit volk ten goede".
leremia heeft de Heere gebeden, dat Hij zal ingrijpen in de geweldige nood. Dat is toch de zin van de bede van de profeet uit vs. 7: „o Heere! doe het om Uws Naams wil". Als ge opmerkzaam leest, zult ge bespeuren, dat het woordje „het" cursief gedrukt en dus door de Statenvertalers ingevoegd is. Als wij het weglaten, wordt de uitdrukking krachtiger: „o Heere ! doe om Uws Naams wil", d. i. „doe toch wat, grijp toch in !"
Deze bede wijst de Heere af. Ja, Hij wil van geen voorbede weten. Jeremia heeft zeker bedoeld, dat de Heere toch regen zou geven ; anders had hij niet straks gesproken: „Zijn er onder de ijdelheden (de afgoden) der Heidenen, die doen regenen ? Of kan de hemel (uit zichzelf) druppelen geven? Zijt Gij die (d. i. „'t") niet, o Heere onze God ? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al deze dingen !" (vs. 22). Maar Jeremia's begeerte reikte verder: in de regen ging het hem om 's Heeren genade, om Zijn gemeenschap. Van het één noch van het ander wil de Heere weten. Van geen regen, immers van geen genade en gemeenschap.
De Heere is van heel andere gedachten vervuld. Eer Hij de voorbede afwees, heeft Hij de profeet laten horen, hoe Hij over het volk dacht: „Zij hebben zo lief gehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwoijgen ; daarom heeft de Heere geen welgevallen aan hen ; nu zal Hij hun ongerechtigheden gedenken en hun zonden bezoeken !" (vs. 19). Hieruit blijkt duidelijk, welk karakter de droogte draagt: daarin openbaart zich de toorn Gods over de zonden van het volk. De toorn Gods, die niet af te wenden is, maar zijn loop moet hebben.
Daarom wil de Heere ook van geen verzachtende omstandigheden horen. Jeremia voert ze in zijn grote liefde tot het volk wel aan. Hoort maar, hoe hij smeekt: „Ach Heere Heere! zie, die profeten zeggen hun : gij zult geen zwaard zien en gij zult geen honger hebben ; maar Ik zal u een gewisse vrede geven in deze plaats" (vs 13). Het volk is dus misleid door zekere mensen, die als profeten optraden en hun in de Naam des Heeren voorhielden, dat zij niets te vrezen hadden, maar op vrede konden rekenen, op welvaart en bloei. Jeremia smeekt de Heere, dat Hij dit toch in aanmerking wil nemen en daarom niet al te hard handelen met het volk. — Maar het antwoord is beslist afwijzend: „Die profeten profeteren vals in Mijn Naam ; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch lot hen gesproken ; zij profeteren ulieden een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten" (vs. 14). Daarom zullen zij verteerd worden door het zwaard en door de honger, die zij zo verre stelden. En hetzelfde lot zal het volk ondergaan, dat naar hen geluisterd heeft!
Hiertegen komt ons vlees in verzet, nietwaar? Zeker, die valse profeten hebben dat dubbel en dwars verdiend. Maar de door hen misleiden ? Is de Heere hier niet onbillijk, om niet te zeggen onrechtvaardig ? Moeten de slachtoffers dan botten voor hetgeen hun verleiders teweegbrachten ? Neen, daarvan is geen sprake. Ongetwijfeld droeg die prediking van vrede een schoon eiiket, daar zij immers in de Naam des Heeren gebracht werd. Maar was het volk dan volstrekt niet in staat, de valsheid dier prediking te onderscheiden ? Wisten zij dan niet, dat de Heere onmogelijk vrede kan verkondigen aan degenen, die omzien naar andere goden en leven naar het goeddunken van hun hart ? Daarin ligt juist de reden, waarom de Heere geen verontschuldiging aanneemt en van geen verzachtende omstandigheden wil horen ! Hij is vast besloten, hun ongerechtigheden te gedenken en hun zonden te bezoeken.
Daarom baat het ook niet, dat Jeremia nogmaals voor het volk in de bres springt, zoals de laatste vier verzen van ons texthoofdstuk ons leren. Het antwoord daarop vinden we in Hoofdstuk 15: „Al stonden Mozes en Samuel voor Mijn aange-zicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen ; drijf ze weg van Mijn aangezicht en laat ze ui'gaan" (vs. 1). Zelfs die beide bekende mannen, op wier bede de Heere aan Israël in oude dagen barmhartigheid had betoond (Ex. 32 : 11—14; Num. 14 : 13—19; 1 Sam. 7 : 6 e. v.), zouden in dit geval niets uitwerken. Als het volk nu vraagt: „Waarheen zullen wij uitgaan ?", dan moet Jeremia hun antwoorden : „Zo zegt de Heere: wie ten dood, ten dode; en wie ten zwaard, ten zwaarde; en wie ten honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis" (15 : 2). Er is voor Israels nageslacht op dit ogenblik niet anders dan gericht, in welke vorm het ook komt.
Hoe zwaar moet dit antwoord des Heeren aan Jeremia gevallen zijn ! Aan hem, die zijn volk zo innig beminde en het daarom zo graag gespaard zag! En hoe raadselachtig komt het ons voor. De Heere schijnt we! bizonder hard tegenover Zijn volk. Bij Jeremia schijnt meer barmhartigheid fe zijn dan bij de God der barmhartigheid Zelf. O, dat doorzetten van het gericht, dat wij hier waarnemen ; dat doorzetten tegen al die hartroerende smekingen van de profeet in !
Hoe kan de Heere zo doen ? Het antwoord op deze vraag vinden we in het
Het antwoord op deze vraag vinden we in het woord des Heeren uit Hoofdstuk 15 : 6: „Gij hebt Mij verlaten, spreekt de Heere; gij zijt achterwaarts gegaan ; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven ; Ik ben des berouwens moede geworden". Op dit laatste valt de volle nadruk: „Ik ben des berouwens moede geworden". Het was al zo lang zogegaan. Al sedert de dagen van Manasse. In de tijd, dat deze koning van Juda goddeloze paden bewandelde, had hij het volk metgesleept. Maar het volk was zijn koning niet gevolgd, toen deze het pad der boosheid verliet en zich tot de Heere bekeerde, nadat hij door de gevangenschap in de kerker te Babel tot bezinning was gebracht. Het volk bleef op het doolpad. Zelfs heeft het zich daarvan niet terug laten brengen door de godvruchtige koning Josia, die beefde voor de terruggevonden Wet des Heeren.'In alle lankmoedigheid had de Heere het volk nog gedragen, gelijk vroeger reeds hun vaderen. Nu echter was Zijn geduld ten einde. Aan berouw dacht Hij r,iet meer. Van afwenden van Zijn gramschap was geen sprake meer. Het recht zou nu zijn loop hebben.
Ge verstaat wel, Gemeente! dat de gerechtigheid Gods hier aan het woord is : God laat er niet mee spotten. Onwillekeurig worden wij hier herinnerd aan hetgeen onze Catechismus zegt: „God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig". Dat moet het volk weten. Anders denken zij, dat de rechtvaardigheid Gods niet veel te betekenen heeft. Als Zijn bedreigingen nooit vervuld worden, zullen zij gaan menen, dat het niet anders dan holle klanken zijn. De bedreigingen des Heeren moeten vervuld worden, evengoed als Zijn beloften, opdat het volk lere verstaan, waar het met zijn zonden aan toe is. Als de Heere het gebed van Jeremia verhoorde, als Hij ingreep in de ellende, door de droogte veroorzaakt, en nu regen gaf, dan zou het volk toch weer voortgaan op de oude wegen en zich niet tot de Heere bekeren. Alle bedreigingen, alle vroeger reeds ondergane bestraffingen ook, hebben niet gebaat. Nu moet het gericht doorgaan, ja het ene gericht moet het andere volgen, opdat het volk besefte, waar het zichzelf door zijn zonden gebracht heeft, opdat het nog kome tot erkentenis van zijn zonden en zich voor de Heere verootmoedige. Dat dit laatste werkelijk in 's Heeren hart ligt, dat in Zijn onverbiddelijke strengheid toch nog Zijn liefde werkzaam is, komt even aan de dag in hetgeen de Heere volgens Hoofdstuk 15 : IQ tot Jeremia zegt met betrekking tot degenen, die zijn prediking niet aanvaarden: „Laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren !" Des te vreselijker, wanneer die liefde niet erkend wordt: dan is er een rijpen voor het eeuwig oordeel! Ps. 105 : 3.
lil.
Ja Gemeente! op hetgeen wij daar gezongen hebben komt het aan : „en wilt Zijn straffen gadeslaan '"
Maar dat was het juist, wat bij het volk werd gemist. Het zal ons blijken, als wij tenslotte nog letten op het volk en de droogte.
Het volk heeft met de droogte geen ernst gemaakt. Tenminste niet de rechte ernst. Ogenschijnlijk maakte het er wel ernst mee. Wij horen immers de Heere zeggen : „Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard en door de honger en door de pestilentie zal Ik hen verteren" (vs. 12). Het volk heeft dus gevast, het heeft brandoffer en spijsoffer geofferd in verband met de droogte. We zouden hieruit kunnen afleiden, dat zij met die droogte wel ernst hebben gemaakt. En ook uit het andere feit, dat blijkt uit het woord des Heeren in Hoofdstuk 15 : 1 : „drijf ze weg van Mijn aangezicht en laat ze uitgaan". Ze hebben zich dus vóór 's Heeren aangezicht gesteld en zijn in dichte drommen opgetrokken naar de Tempel om des Heeren aangezicht te zoeken.
O ja, maar waartoe zochten zij des Heeren aangezicht en hoe was het daarbij in hun binnenste gesteld ? Dat kunnen wij opmaken uit hetgeen de Heere spreekt in Hoofdstuk 15 : 7: „En Ik zal hen wannen met een wan in de poorten des lands ; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan ; zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd". Op dit laatste komt het aan : „zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd", bij al hun vasten, bij al hun offeren, bij al hun opgaan naar de Tempel. — Zeker, zij hebben de droogte gevoeld, evengoed als de profeet. Wat hij zo aangrijpend schilderde in de aanhef van ons texthoofdstuk hebben zij mede ervaren. Daaronder gingen zij gebukt. Hun nood was groot. Maar zij bleven bij, de oppervlakte staan en drongen niet tot de diepte door. Ze wilden o zo graag uit de ellende van de droogte uit. Ze verlangden zo vurig naar regen. Daar deden ze alles voor, daar vastten ze voor, daar offerden ze voor, daarvoor stelden ze zich vóór 's Heeren aangezicht. Op dezelfde wijze dus als na het uitbreken van de vorige oorlog in Augustus 1Q14 in de eerste maanden ons eigen volk in dichte drommen opging naar Gods Huis. Wat werd daar geluisterd, of er ook een woord van bemoediging gesproken werd! Wat werd daar gebeden ! Wat werd daar ook in het psalmgezang een schuld beleden ! Naar het uitwendige was er veel verootmoediging. Maar waar ging het om ? Alleen om afwending van het oorlogsgevaar. Verder kwam men in brede kringen niet; dat bleek wel, toen het gevaar niet meer zo dreigend was en voor de oppervlakkige beschouwer geheel van de lucht raakte : toen werd het kerkbezoek weer minder en keerde de massa tot haar oude doen terug. Het was niet om God te doen geweest, maar enkel om eigen behoud ! Tot de diepte van zonde en schuld was men niet doorgedrongen, tot breken met de zonde was men niet gekomen. Zo stond het ook met Juda in Jeremia's dagen.
Wellicht denkt iemand: maar die ootmoedige smeking van Jerémia dan ! Hij zegt toch onomwonden : „Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere ! doe het om Uws Naams wil, want onze afkeringen zijn menigvuldig ; wij hebben tegen U gezondigd" (vs. 7) en straks nog sterker: „Heere! wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd" (vs. 20). Daar ligt toch een hartgrondige schulderkentenis in ! O zeker, maar vergeet niet, dat het Jeremia is, die daar spreekt; Jeremia, die in zijn grote liefde heel zijn volk omvat en zo stelt voor 's Heeren aangezicht. De massa stemde voor het ogenblik daar wei mee in, maar zonder met de zonde te breken. Als zij maar van die treurige droogte af waren, dan waren zij tevreden. Om losmaking van de knopen der ongerechtigheid bekommerden zij zich niet. Daarom kon de Heere niet anders dan het gericht laten doorwerken !
Dat stelt ons voor de vraag, hoe wij staan tegenover de periode van droogte, die de Heere over ons heeft doen komen.
Menigeen beschouwt dit als een dwaze vraag. Vooral in verband met de gedachte, dat in die droogte een openbaring van gericht zou moeten worden gezien. Dat is veel te ouderwets. Heel niet passend in de twintigste eeuw. Wij hebben immers al meer perioden van droogte beleefd, o. a. in 1Q21 en in IQll. En daar is toch telkens weer regen op gevolgd.
Gemeente ! wie er zo over denkt, zal natuurlijk niet eens gedaan hebben wat Juda in Jeremia's dagen nog wel deed, n.1. zich wenden tot de Heere. Dat is in veler oog wel de allergrootste dwaasheid. Klagen en murmureren geen gebrek, maar bidden ? En toch is dit de enig rechte weg. Want er is geen ander, die uit de nood redden kan dan de Heere alleen. Ook nu kan de hemel uit zichzelf geen druppelen geven. Al weet men nog zo nauwkeurig aan te geven, wat er gebeuren moet, zal er regen komen, daarom geschiedt het nog niet. God alleen heeft ook in dit opzicht alles in Zijn hand. Hij opent en Hij sluit de hemel. Hoe menigmaal is dat vergeten in deze periode van droogte. Ieder onzer steke de hand in eigen boezem.
En dan zullen wij allen wel moeten erkennen, dat wij deze periode van droogte nu juist niet zeer ernstig opgevat hebben. Maar hiermee is nog niet gezegd, dat wij zo op de rechte weg waren. Integendeel! Het volk van Juda heeft ook al vroeger droogten beleefd, maar zich daarover niet druk gemaakt. En toch stonden die in verband met hun afwijking van de Heere, zoals de Heere Zelf zegt in Hoofdstuk 3:3: „Daarom zijn de regendruppelen ingehouden en er is geen spade regen geweest". Als wij hieraan denken, dan moeten wij ons toch wel eens afvragen : had de Heere ook reden om ons de regen te onthouden ?
Wie op deze vraag in oprechtheid antwoordt, die kan niet anders zeggen dan : voorzeker, de Heere had alle reden ! En dan gaat ons oog niet alleen naar zovelen, die zich om Hem heel niet bekommeren, maar dan richt zich onze blik ook op onszelf. Want al gaan wij niet één weg met de godvergeten massa, al is het ons om de vreze des Heeren te doen, toch heeft elke dag weer bewezen, dat wij zondaren zijn, vol eigen lust, eigengerechtigheid, ontevredenheid, murmurering, opstand evengoed als ongeloof, wankelmoedigheid, blindheid, vergeetachtigheid, onaandoenlijkheid. De Heere ontvangt van ons niet de eer, die Hem toekomt. Wie dit in waarheid beseft, die zal erkennen, dat de Heere volkomen in Zijn recht is, wanneer Hij ons de regen onthoudt en ons zo allengs aan klimmende nood onderwerpt.
Die zal zich ook voor God verootmoedigen. En dat te meer, naarmate de Heere ons genadiger behandeld heeft en o. a. de dauw heeft laten doen wat de regen niet deed, n.1. voldoende vocht aanbrengen tot verdere ontwikkeling van het gewas. — Het zijn, bij de op allerlei plaatsen ondervonden nood, toch nog zachte waarschuwingen. Maar het zijn waarschuwingen ! Om ons af te brengen van al onze zondige wegen en ons de Heere Christus in de armen te drijven. Welgelukzalig zijn allen, die tot Jezus Christus de toevlucht nemen. Zij vinden bij Hem de reiniging van alle ongerechtigheid en ook de verlossing uit de banden der zonde, om de Heere aan te hangen en Hem in waarheid te vrezen. Terwijl zij op de wegen des Heeren letten, worden zij door Zijn bezoekingen gelouterd en in Christus Jezus van het eeuwig oordeel bevrijd.
Rampzalig daarentegen zijn allen, die weigeren acht te geven op 's Heeren wegen. Allen, die het niet de moeite waard vinden naar aanleiding daarvan zichzelf te onderzoeken. Hun geldt: „Wie zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen". Gods toorn, die zich ook in lichtere bezoekingen openbaart, zal eenmaal in volle kracht losbreken en alle ongehoorzamen aan de eeuwige verdoemenis onderwerpen. Hun zal het eeuwig in de oren klinken : „Gij hebt niet gewild !"
Wie oren heeft om te horen, die hore ! AMEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1947
Kerkblaadje | 8 Pagina's